M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Geef hier je mening over boeken die je hebt gelezen.

Moderator: Moderators

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 29 nov 2017 17:49

Voor een forumdiscussie betreffende dit topic: viewtopic.php?f=31&t=17134

Naar aanleiding van het boek: Mart-Jan Paul: Oorspronkelijk (2017)
Deze boekbespreking is geschreven door Albert Vollbehr




Nadat ik een uitgebreid commentaar schreef op het boek van Gijsbert van den Brink betreffende christelijk geloof en evolutie bestelde ik het boek van Dr. Mart-Jan Paul Oorspronkelijk, een boek dat hetzelfde onderwerp behandelt en ongeveer gelijkertijd geschreven en uitgegeven is, en ook een commentaar verdient. Benevens dat evolutie en christelijk geloof een interessant onderwerp is om te bespreken is het ook boeiend om de twee boeken naast elkaar te leggen en met elkaar te vergelijken. Ik heb het boek van Paul net ontvangen en begin met wat opmerkingen over de eerste indruk. Het boek van Paul heeft wel 468 bladzijden en is dus beduidend langer dan het boek van Van den Brink (343 bladzijden). En toch is het boek van Paul maar een fractie dikker. Wanneer je het boek van Van den Brink openslaat zou je denken dat het wel veertig jaar oud zou kunnen zijn: geel papier, ouderwets font en enkel tekst. Het boek van Paul daarentegen is gedrukt op prachtig wit papier, modern font en bevat illustraties, een deel ervan zelfs gekleurd. Mijn complimenten voor de vormgeving van dit boek: een plezier om te lezen, beter kan het niet.
Het register van personen genoemd in het boek van Paul omvat wel ca. 740 namen (boek van Van den Brink ca. 540), dat belooft veel goeds.

De aanpak van Paul is volkomen anders dan die van Van den Brink. Terwijl laatstgenoemde (met een kleine slag om de arm) uitgaat van de evolutieleer en dus enkel staat voor de vraag hoe evolutie gerijmd kan worden met bepaalde centrale leringen van het christelijk geloof, daarbij de gemakkelijkste weg kiezend door uitleg van bijbelteksten zoveel mogelijk achterwege te laten, haalt Paul alle mogelijke bijbelteksten erbij, en gaat hij daarenboven nog de christelijke geschiedenis bij langs. Hij behandelt het theïstisch evolutionisme in hoofdstuk 8 en 9 en somt zijn kritiek op in het allerlaatste hoofdstuk (hfdst. 15). Paul laat daar horen dat evolutionistische theïsten voor onoverkomelijke theologische 'knelpunten' staan, iets wat ik na het lezen van het boek van Van den Brink beaam.
Paul moet bijgevolg dus de evolutieleer ontkennen, maar dat doet hij niet uitdrukkelijk. Hij beperkt zich door christenen te vermanen om voorzichtig te zijn met aanpassingen van hun opvattingen op basis van wat 'de wetenschap' zegt, en evolutionisten te beschuldigen van levensbeschouwelijke vooringenomenheid. In hoofdstuk 14 geeft hij een overzicht van informatie die kritisch staat ten opzichte van de evolutieleer, en merkt hij op dat de laatste jaren vele vanzelfsprekendheden bestreden worden, waar hij uit concludeert dat men onmogelijk kan beweren dat de evolutieleer bewezen is. Misschien lees ik er te snel overheen, waarna ik het later recht zal zetten, maar mijn eerste indruk is dat deze schamele kritiek onvoldoende is om te gelden als een serieus weerwoord op evolutionisme en Paul het dilemma van de moderne gelovige niet echt bij de horens vat.

We hebben hier dus te maken met een theoloog, zelfs iemand die gespecialiseerd is in het Oude Testament. Wat hij te zeggen heeft over de bijbelteksten en hoe de christelijke geschiedenis daarmee is omgegaan is in ieder geval interessant om aan te horen.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 03 dec 2017 10:09

Hoofdstuk 1

In het eerste hoofdstuk geeft Paul een uitleg van begrippen zoals evolutietheorie, creationisme, theïstisch evolutionisme en de verschillende opvattingen over het begrip 'scheppen'. Het begint interessant te worden wanneer hij uitweidt over de wetenschap en de begrensdheid ervan benadrukt.
Hij legt uit dat wetenschap observerend en experimenteel kan zijn, maar historische wetenschap (waartoe geschiedeniswetenschap, archeologie, kosmologie, historische geologie, paleontologie en evolutiebiologie behoort) extrapoleert van waarnemingen in het heden naar het (soms verre) verleden. Dat houdt in dat de resultaten van wetenschappelijk onderzoek wanneer het historische wetenschappen behelst over het algemeen niet zo vaststaan als in de experimentele wetenschap. Bij 'oorsprongswetenschappen' (die dus per definitie uitspraken doen over het verre verleden) komt meer dan bij andere wetenschappen levensbeschouwelijke opvattingen van de wetenschapper de hoek om kijken.
Hij komt (in navolging van religieuze hoogleraren Maarten Verkerk en Marc de Vries) met vier niveaus die elkaar beïnvloeden:
1. Feiten.
2. Theorieën
3. Vooronderstellingen (axioma's die aan de wetenschap vooraf gaan en niet te bewijzen zijn)
4. Geloof

Dat feiten niet altijd feiten blijken te zijn is altijd goed om in het oog te houden. Dat verschillende theorieën dezelfde feiten kunnen uitleggen is ook altijd goed om te onthouden, evenals dat niemand ontkomt aan voorwetenschappelijke axioma's. Het werkelijke probleem komt pas op niveau vier. Met geloof bedoelt Paul religieus geloof:
Paul schreef:Het laatste niveau is dat van het geloof. Geloofskennis heeft een ander karakter dan wetenschappelijke kennis. Geloofskennis wordt niet gekenmerkt door experimenteren en analyseren, maar door gelovig luisteren en belijden. Geloofskennis heeft onder andere betrekking op de zin en doel van de hele werkelijkheid. Die kennis kan wel gevoed worden door wetenschappelijke kennis. Ook omgekeerd bevat het geloof inzichten en motieven die voor een wetenschapper waardevol kunnen zijn.
Wat Paul niet uitspreekt, maar duidelijk uit de uitleg van dit onderste niveau geconcludeerd kan worden is dat religieus geloof de wetenschappelijke methode danig in de weg zit. 'Geloofskennis' is een geheel subjectieve en willekeurige zaak indien er - zoals Paul hier zegt - geen experimentatie noch analyse bij aan te pas komt, maar het enkel gebaseerd is op 'gelovig luisteren' en 'belijden'. Tien punten voor eerlijkheid hier wat betreft de essentie van geloof, maar vreemd dat Paul hier denkt dat iedere wetenschapper met dit probleem zit. Hij vervolgt door Henk Geertsema aan te halen die uitspreekt: "Wetenschap wordt noodzakelijk beïnvloed door levensovertuiging. Wie ervan uitgaat dat heel de werkelijkheid is voortgekomen uit materie via een proces van evolutie gaat evenzeer uit van een geloof als wie God als schepper van de werkelijkheid belijdt". Dit is de gebruikelijke houding van de gelovige: de niet-gelovige ook met een geloof opzadelen. Maar dit wordt ten onrechte gedaan. Een niet religieus-gelovige wetenschapper gaat helemaal nergens van uit (tenzij hij net als de religieus gelovige het slachtoffer is van een ideologie). Een wetenschapper die eenvoudig wetenschappelijk te werk gaat heeft wat ultieme oorsprongen betreft enkel vraagtekens, en komt enkel met antwoorden voor zover de wetenschappelijke methode die oplevert."Gelovig luisteren" en "belijden" behoren niet tot de wetenschapelijke methode.

Hoezeer religieus geloof en vervallen in subjectiviteit hand in hand gaan wordt in hoofdstuk 13 van Pauls boek, waar christelijke posities uit het verleden de revue passeren, goed geïllustreerd. Hier Pauls beschrijving van de zienswijze van James McCosh, president van Princeton vanaf 1868:
Paul schreef:Hij liet zich algauw positief uit over de evolutietheorie, omdat die volgens hem de glorie van God in de schepping toont. Hij beperkte de evolutie echter tot planten en dieren omdat evolutie van het menselijke geslacht zou ingaan tegen het duidelijke onderwijs van de Schrift.
Zowel de reden om de evolutietheorie deels te aanvaarden als de reden om die deels af te wijzen is puur gebaseerd op religieuze gronden, en heeft dus totaal niets met wetenschap te maken.

Het is jammer dat dit gegeven nooit door christenen opgemerkt wordt. Iemand die oprecht zoekt naar waarheid struikelt al over de eerste woorden van het boek. Paul schrijft boven ieder hoofdstuk een uitspraak die hij als het ware ingelijst wil zien, en de eerste waarmee ik begroet word zet al een domper op het hele boek:
Ariel Roth schreef:We hoeven slechts te denken aan concepten als de uiteindelijke zin van het bestaan, moraliteit, goed en kwaad, keuzevrijheid, betrokkenheid, geweten, bewustzijn, doel, loyaliteit en niet-zelfzuchtige liefde om ons te realiseren dat er een werkelijkheid buiten de simpele oorzaak-en-gevolg verklaringen van de wetenschap bestaat.
Dit motto bij aanvang van het boek neer te zetten staat gelijk aan: waar het mij ten diepste om gaat is niet objectieve waarheid en wetenschap, maar de wereld van mijn menselijke gevoelens. Het is de zoveelste herhaling van de christelijke gewoonte om wetenschap als oppervlakkig en van weinig waarde te kenschetsen en het tegenover zaken te zetten die voor een mens van veel groter belang zijn.
Het reikt ook de dubieuze suggestie aan dat we hier aan een metafysische werkelijkheid waar men God kan postuleren zouden moeten denken om genoemde zaken pas goed te kunnen uitleggen.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 10 dec 2017 11:35

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2 geeft een opsomming van allerlei evolutiegedachten die vóór Darwin ooit bedacht zijn, te beginnen bij de Grieken en Indiërs. De ideeën van de oude Grieken zijn het interessantst en opmerkelijkst. Thales (640-546 v.Chr.) dacht dat al het leven ontstaan was in water en Anaximander (ca. 611-547 v.Chr.) had al het idee dat de mens geëvolueerd zou zijn van een vis of visachtige vorm. Een eeuw later had Empedocles al het idee dat toeval verantwoordelijk was voor het hele proces van ontwikkeling van eenvoudige wezens tot de moderne mens. We vinden bij hem ook het idee van survival of the fittest. Hij dacht ook dat leven uit zichzelf kon ontstaan (spontane generatie), een geloof dat men doorheen de geschiedenis tegenkomt. Nog weer iets later was Xenophanes de eerste die over fossielen spreekt als restanten van een andere wereldperiode. Democritus leerde dat de eerste mensen leefden als de dieren en in het begin nog geen taal hadden. Wat de ouderdom van de aarde betreft geloofden de Grieken dat er allerlei tijdperken verstreken waren en de aarde zeer oud is.
Evolutionaire concepten waren volgens Paul ook bij de Indiërs aanwezig. Hij citeert Brown, die de 19e eeuwer Vivekananda citeert, die weer een Engelse kenner van Sanskriet citeert die het beweert. Dat is zeer slordig je huiswerk doen, en we steken daar dus niets van op.
Het Taoïsme schijnt te leren dat de natuur voortdurend transformeert en biologische soorten veranderen. En de Islam heeft een tijd gekend waar geleerden heel eenvoudig konden beweren dat mensen uit de wereld van de apen afkomstig zijn.
Wat over al deze evolutie-ideeën gezegd kan worden is dat de opvattingen weliswaar deels door waarnemingen ingegeven waren, maar toch voornamelijk berustten op filosofische overtuigingen. De opvattingen kregen veelal ook geen grote status, en ze circuleerden in beperkte kring.

Men begint zich daarom af te vragen wat de reden is voor Paul om dit hoofdstuk op te nemen. Dat wordt duidelijk wanneer hij wat uitweidt over opvattingen die in Europa vanaf de tijd van de Verlichting opgang deden. Moderne ideeën over biologische evolutie beginnen al bij Montesquieu (1689-1755), die van mening was dat er oorspronkelijk maar heel weinig soorten waren. In 1748 werd een boek van de tien jaar eerder overleden Benoît de Maillet gepubliceerd, waarin voor het eerst de bijbelse voorstellingen wat betreft de schepping, zondvloed en wonderen ontkend wordt, en gesteld wordt dat vissen de voorouders waren van vogels, zoogdieren en mensen.
Het relaas verder lezend wordt duidelijk waarom Paul dit hoofdstuk schreef:
Paul schreef:Wie het scala aan opvattingen overziet, merkt een grote verscheidenheid; er is niet één duidelijke theorie. De voorstellen in de 18e en 19e eeuw hangen in meer of mindere mate samen met verzet tegen het christelijk geloof. [Er is] vaak een samenhang tussen de persoonlijke levensbeschouwing en de voorgestelde theorie. Waar afstand wordt genomen van de bijbelse beschrijving van het verleden, komen andere voorstellen op. Waarnemingen nemen hun eigen plaats in, maar die vormen slechts een deel van de opvattingen.

Paul schreef:De mogelijkheid van transmutatie leefde in de negentiende eeuw vooral in de kringen van politiek radicalen, materialisten en atheïsten.
Paul suggereert hier dat evolutie-ideeën het gevolg zijn van verzet tegen het christelijk geloof. Als rechtgeaard religieus gelovige ontgaat het Paul dat dit een zeer geforceerde uitleg is, en exact het omgekeerde meer voor de hand ligt: onze gehele Europese cultuur, inclusief alle Europese wetenschappers, waren ondergedompeld in de religieuze bijbelse voorstellingen. Als er al sprake is van bias ligt die in de richting van het religieuze denken. Het was niet uit verzet tegen het bijbelgeloof dat men gaandeweg de religieuze voorstellingen in meer of mindere mate begon te ontkennen, maar wetenschappers/onderzoekers werden door de nooit ophoudende stroom van nieuwe feiten, gebaseerd op waarnemingen, gedwongen om hun standpunten wat betreft de bijbelse voorstellingen bij te stellen. Vele nieuwe onderzoeksresultaten waren moeilijk of onmogelijk met de bijbelse leringen te rijmen. Als er al van verzet sprake is, dan moet dat juist aan de religieuze kant gezocht worden, zoals het boek van Maillet laat zien. Hij durfde het niet te publiceren tijdens zijn leven, en Wikipedia vertelt dat de uitgever de manuscripten aanpaste:
Wikipedia schreef:The printed text was the result of ten years' editing by the Abbott Jean Baptiste de Mascrier in an attempt to reconcile the proposed system with the dogma of the Catholic Church. The 'Indian philosopher' speaks the views of de Maillet himself. The device is transparently obvious, but understandable because the philosopher contradicts the literal word of the Bible at a time when this still carried some risk to his person and livelihood. The delay in publication can also be interpreted the same way, protecting the author and then protecting the editor, giving the latter time to soften the blow by watering down Maillet's ideas.
Dit is typisch voor 18e eeuwse denkers/wetenschappers die door de resultaten van onderzoek gedwongen werden om hun standpunten bij te stellen en daarbij uitkwamen op posities die tegen kerkelijke opvattingen ingingen (in Maillets geval geologische observaties).

Jammergenoeg heeft Paul in zijn omvangrijke bibliografie geen verwijzing naar het prachtige boek van de geschiedkundige Janneke van der Heide Darwin en de strijd om de beschaving in Nederland 1859-1909. Deze boekeditie van het proefschrift waarop zij promoveerde (2009) is het meest informatieve boek dat ik in het Nederlands ben tegengekomen betreffende het onderwerp hoe Darwins ideeën ontvangen werden. In het eerste hoofdstuk geeft ze een algemeen overzicht van de historische ontwikkeling tot aan Darwin, eindigend in dit resumé:
Janneke van der Heide schreef:De opkomst van de moderne natuurwetenschappen vanaf de jaren 1840 luidde het afscheid in van de natuurlijke theologie. Het achterhalen van het doel in de natuur werd grotendeels losgelaten ten bate van het onderzoek naar het oorzakelijk verband waardoor natuurverschijnselen optraden. Dit doel viel het beste te achterhalen middels de empirisch-inductieve methode. Deze omschakeling veroorzaakte een geleidelijke wending in de ideeën over de natuur en de geschiedenis van mens en moraal, omdat op basis van empirische waarnemingen gangbare veronderstellingen werden ondermijnd.
Zo waren rond 1800 theorieën gangbaar geworden die een ontwikkeling – en geen stabiele toestand – van de verschillende soorten planten en dieren aannamen. Aanwijzingen voor de graduele ontwikkeling van leven werden onder meer ontleend aan de opkomende geologie en paleontologie. Op grond van het doelmatigheidsprincipe – de gedachte dat de natuur werkt in de richting van harmonie en eenheid – werd aangenomen dat soorten zich in de loop van de tijd afzonderlijk van elkaar transformeerden tot meer volmaakte schepselen. Dit was door de Schepper zo bepaald in het plan van schepping. De gedachte bleef dat de mens door zijn unieke ontwikkeling permanent gescheiden was van het dier.
De consequentie van dit transformisme was echter dat de levende natuur met haar rijkdom aan soorten, de aarde en uiteindelijk ook de mens zelf moesten worden beschouwd als historische entiteiten met een eigen ontwikkeling en wording.
Het boek der openbaring en het boek der natuur, die beide de werken van de Schepper openbaarden, vertelden dientengevolge niet meer hetzelfde verhaal. Dit veroorzaakte een spanning, die vooralsnog niet ontaardde, omdat het transformisme uitging van het deïsme en de mens als uniek organisme buiten het spectrum plaatste.
Er is dus eenvoudig sprake van de ontwikkeling van de wetenschappelijke methode. En in plaats van verzet tegen de religieuze levensbeschouwing was het juist de religieuze levensbeschouwing die hardnekkig steeds verzet aantekende bij iedere nieuwe bewering van natuuronderzoek, het wetenschappelijk onderzoek beïnvloedde en voortdurend poogde bij te sturen.
De religieuze bias van Paul komt sterk naar voren wanneer hij de essentie van de Verlichting kenschetst als "de stroming waarin het autonome denken als doel beschouwd wordt", oftewel een zich bewust afkeren van een autoriteit die voor goddelijk doorgaat, terwijl het in werkelijkheid gaat om een cruciaal nieuw inzicht - inmiddels door ieder modern mens onderschreven - dat de empirische methode eenvoudig feitenkennis oplevert en de manier is om steeds meer van de werkelijkheid te doorgronden. Tegelijkertijd waren wetenschappers zozeer ondergedompeld in het religieuze denken dat nog lange tijd bepaalde axioma’s in het denken, zoals het bestaan van een Schepper en teleologisch denken, niet aanvochten werden, en slechts een enkeling op atheïsme uitkwam. Zelfs in de tijd van Nietzsche (zeventiger en tachtiger jaren van de 19e eeuw) was atheïsme in geheel Europa nog slechts een zeldzaam fenomeen. Van alle onderzoekers/geleerden die Paul bij langsgaat in dit hoofdstuk is er dan ook geen één die zich atheïst noemt!

De religieuze bias van Paul komt opnieuw sterk naar voren wanneer hij vertelt over de 18e eeuwse beroemdheid George-Louis Buffon. Deze wetenschapper wordt door Paul op deze manier gekarakteriseerd:
Paul schreef:De natuuronderzoeker Georges-Louis Buffon (1707-1788) was een naturalist en verzette zich tegen de christelijke overtuiging van een schepping door God. Hij schreef uitgebreid over de gelijkenis tussen de verschillende soorten vogels en viervoeters. Hij wees op de aanwezigheid van schijnbaar nutteloze anatomische kenmerken van dieren, en gebruikte dit argument om te twijfelen aan de opvatting dat elke soort uniek gevormd was door God op de vijfde en de zesde dag van de schepping. De huidige soorten zouden te herleiden zijn tot tot een veel minder groot aantal vroegere vormen die ontstaan waren door spontane generatie. Buffon stelde in voorzichtige bewoordingen een beperkte vorm van evolutie voor die verantwoordelijk is voor variaties tussen vergelijkbare soorten en voor natuurlijke afwijkingen. Hij kwam zelfs met het idee dat de aap en de mens een gemeenschappelijke afstamming hebben.
Paul geeft hier blijk van een behoorlijke slordigheid en christelijke vooroordelen. Buffons naturalisme stoelde helemaal niet op verzet tegen de christelijke overtuiging, maar hij was eenvoudig een van de baanbrekers die een empirische en inductieve benadering van het onderzoek in de natuurlijke historie voorstonden (iets wat in Nederland pas ruim een halve eeuw later goed op gang kwam, zie van der Heide’s verwijzing naar het jaar 1840). Op basis hiervan zocht hij naar verklaringen. Zo laat Wikipedia dit weten:
Wikipedia schreef:He also suggested that the earth originated much earlier than 4004 BC, the date determined by Archbishop James Ussher. Basing his figures on the cooling rate of iron tested at his Laboratory the Petit Fontenet at Montbard, he calculated that the age of the earth was 75,000 years. Once again, his ideas were condemned by the the Faculty of Theology at Sorbonne, and once again he issued a retraction to avoid further problems.
Wat betreft zijn opvatting over spontane generatie kan gezegd worden dat Buffon zich inderdaad afvroeg of er een ontwikkeling bestond tussen planten en mineralen, oftewel tussen iets levends en het niet-levende. Hij speculeerde daarbij over de allerkleinste organische deeltjes waar men toen weet van had. Hij noemde ze ‘georganiseerde lichaampjes’, ‘meer natuurlijke machines dan dieren’, maar beschouwde ze toch als levend. Dat mineralen zich in leven konden omzetten werd niet door hem geleerd. Jacques Roger in zijn boek Buffon, a life in Natural History laat weten:
Jacques Roger schreef:For Buffon "spontaneous generation" in the real sense of the word, that is, the birth of something living from something non-living, did not exist. Only "equivocal [=twijfelachtige, schijnbare] generation" existed, meaning that an organised body could emit organic molecules which then reorganize themselves into a body of another species.

Wat betreft het idee dat de aap en de mens een gemeenschappelijke afstamming hebben laat Wikipedia dit weten:
Wikipedia schreef:Buffon considered the similarities between humans and apes, but ultimately rejected the possibility of a common descent.
Buffon behield ook axioma’s in het denken die duidelijk afkomstig zijn uit religieuze vooroordelen, zoals dat alle mensen van Adam en Eva afstammen.


Wanneer Paul een eeuw verder is en het boek van Robert Chambers Vestiges of the natural History of Creation (1844) behandelt, laat hij belangrijke zaken onbesproken:
Paul schreef:Dit controversiële werk verscheen anoniem. Het boek werd zeer veel gelezen, zodat er talrijke herdrukken nodig waren. Het werd ook in het Nederlands vertaald. Pas in de twaalfde druk die in 1884 verscheen, gaf zijn broer het auteurschap toe van de inmiddels overleden Robert Chambers...De gevonden fossielen wijzen op een toenemende ontwikkeling van dieren, en de huidige dieren vormen zijtakken van de lijn die naar de mensheid voert. De transmutaties leiden tot de ontvouwing van een van te voren bepaald plan dat in de wetten aanwezig is. Deze visie is minder materialistisch dan die van Grant. Volgens Chambers zijn de mentale en morele eigenschappen van de mensen niet zo uniek dat mensen principieel van dieren te onderscheiden zijn. De gevolgtrekking dat mensen de laatste stap zijn in de ontwikkeling van de dieren, maakte veel behoudende lezers boos. Het boek leidde tot vele publieke debatten.
"Minder materialistisch" klinkt niet als een bijzonder eerlijke kenschetsing, wanneer de schrijver uitdrukkelijk een goddelijke Schepper als axioma in zijn denken behoudt. Zelfs valt hij de bijbelteksten niet aan. Bovendien laat Paul weg dat de schrijver zijn opvattingen over het hoe van de schepping eenvoudig moet herzien omdat hij door wetenschappelijk onderzoek daartoe gedwongen wordt. De Engelse Wikipedia laat dit weten:
Wikipedia schreef:In other words, the fact of extinction — which can be observed in the fossil layers —suggests that some designs were flawed. From this, the author concludes:

Some other idea must then come to with regard to the mode in which the Divine Author proceeded in the organic creation. (p.153)

But the suggestion is not a mechanism, as Darwin would propose fifteen years later. The author merely notes that a continually active God is unnecessary:

...how can we suppose that the august Being who brought all these countless worlds into form by the simple establishment of a natural principle flowing from his mind, was to interfere personally and specially on every occasion when a new shell-fish or reptile was to be ushered into existence on one of these worlds? Surely this idea is too ridiculous to be for a moment entertained. (p.154)

He furthermore suggests that this interpretation may be based upon corrupt theology:

Thus, the scriptural objection quickly vanishes, and the prevalent ideas about the organic creation appear only as a mistaken inference from the text, formed at a time when man's ignorance prevented him from drawing therefrom a just conclusion. (p.156)

And praises God for his foresight in generating such wondrous variety from so elegant a method, while chastening those who would oversimplify His accomplishment:

To a reasonable mind the Divine attributes must appear, not diminished or reduced in some way, by supposing a creation by law, but infinitely exalted. It is the narrowest of all views of the Deity, and characteristic of a humble class of intellects, to suppose him acting constantly in particular ways for particular occasions. It, for one thing, greatly detracts from his foresight, the most undeniable of all the attributes of Omnipotence. It lowers him towards the level of our own humble intellects. Much more worthy of him it surely is, to suppose that all things have been commissioned by him from the first, though neither is he absent from a particle of the current of natural affairs in one sense, seeing that the whole system is continually supported by his providence. (pp.156–157)

Following its publication, there was increasing support for ideas of the coexistence of God and Nature, with the deity setting Natural Laws rather than continually intervening with miracles. It is perhaps for this reason that Origin of Species was accepted so readily, upon its eventual publication.
Ook laat Paul een kenschetsing weg van de kern van de kritiek op Chambers, venijnige kritiek die niets te maken wil hebben met aangetoonde feiten of rationele redenaties, maar enkel verdediging van tradionele religieuze opvattingen als oogmerk heeft:
review van David Brewster schreef:Prophetic of infidel times, and indicating the unsoundness of our general education, "The Vestiges of the Natural History of Creation," has started into public favour with a fair chance of poisoning the fountains of science, and sapping the foundations of religion.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 17 dec 2017 17:15

Hoofdstuk 3

Paul komt in hoofdstuk drie op voor hem vertrouwder erf, de theologie. Het hoofdstuk is een overzicht van wat de kerkvaders over schepping en zondvloed van mening waren. Zelf heb ik in de loop van de tijd op dit forum uitvoerig hierover geschreven:
Wat betreft letterlijk lezen van de scheppingsverhalen:
viewtopic.php?p=525555#p525555
viewtopic.php?p=524290#p524290
viewtopic.php?p=525280#p525280

Wat betreft geloof in een letterlijke wereldwijde zondvloed:
viewtopic.php?p=344189#p344189

Paul gaat diverse kerkvaders bij langs en komt daarbij tot eenzelfde conclusie als ikzelf in bovenstaande forumbijdragen, namelijk dat zij weliswaar een voorliefde hadden voor typologische uitleg, het zoeken naar symbolische, geestelijke, morele en profetische betekenis van teksten, maar dat dit geen tegenspraak vormt met de historische, letterlijke uitleg. Dat ze tevens uitgingen van de letterlijke interpretatie van de eerste hoofdstukken van Genesis kan geïllustreerd worden met talrijke voorbeelden.
Pauls reden voor dit hoofdstuk is ook exact dezelfde als die ik had bij bovenstaande genoemde bijdragen (met dit verschil dat hij ingaat op andere auteurs, en ik reageerde op christenen die op dit forum beweringen deden):
Paul schreef:Hedendaagse auteurs beroepen zich graag op gezaghebbende bronnen uit het verleden. Diverse theïstische evolutionisten menen dat het met een beroep op diverse kerkvaders mogelijk is om de eerste hoofdstukken van het boek Genesis vooral symbolisch op te vatten.
Dit is inderdaad een geijkte taktiek van evolutionistische gelovigen. Op dit forum werden deze beweringen gemaakt door Rene Fransen, Job en Kasper_Jopin.

Rene Fransen kwam ooit aan met een veelgehoord argument waarmee men wil aantonen dat ook Augustinus niet geloofde dat Genesis een historisch verslag was: “Al ver voor Darwin waren er mensen die hun vragen hadden bij Genesis, zoals de kerkvaders Origenes (3e eeuw) en Augustinus (4e eeuw). Augustinus ging er een groot deel van zijn leven vanuit dat de schepping in een ondeelbaar ogenblik had plaatsgevonden en in Genesis puur om didaktische redenen was uitgesmeerd over zes dagen.

Paul verwijst in een voetnoot naar een tekst van Louis Lavallee (1989), die haarfijn uitlegt hoe het wat deze zaak betreft met Augustinus zit:
Paul schreef:De kerkvader schrijft dat de schepping in een enkel moment gerealiseerd werd. Dat leidde hij af uit Genesis 2:4, dat hij slechts kende vanuit het Latijn. In die vertaling staat: “Dit is het boek van de schepping van de hemel en de aarde. Toen de dag gemaakt was, maakte God de hemel en de aarde.” Augustinus trekt daaruit de conclusie dat God alles tegelijk schiep. De eerdere vertelling in Genesis 1 ging uit van zes dagen, maar volgens hem is hier sprake van één dag. Ter onderstreping van zijn standpunt citeert hij het apocriefe boek Jezus-Sirach. In Sirach 18:1 staat: “Die in eeuwigheid leeft, heeft alle dingen gemeenschappelijk geschapen.” De kerkvader meent dat de vertelling in Genesis 1 zes dagen gebruikt om de schepping inhoudelijk duidelijk te maken. De lezer verneemt zo stap voor stap wat God geschapen heeft.
Uitgelegd in vrijdenkerbewoordingen: Augustinus geeft hier blijk van een ontstellende onkunde. Hij beheerst het Hebreeuws niet, noch zelfs het Grieks op het moment dat hij desbetreffende passage schrijft (391, vijf jaar na zijn bekering), maar heeft enkel de Oud-Latijnse vertaling voor zich, een vertaling van een vertaling, die van Genesis 2:4 een foutieve vertaling geeft. Vervolgens interpreteert hij de (foutief vertaalde) woorden "toen de dag gemaakt was" als dat het misschien zou kunnen betekenen dat alles op één moment geschapen is. Hij vervolgt met het aanreiken van een tekst uit Jezus Sirach (18:1 "Die in eeuwigheid leeft, heeft alle dingen tesamen gemaakt"), waar hij zich alweer baseert op een Latijnse vertaling van een Griekse vertaling van het origineel. In het Grieks wordt het woordje 'koinè' (=samen, gemeenschappelijk) gebruikt, dat vertaald is met het Latijnse "simul", dat naast "samen" ook "op één tijdstip" betekent. Augustinus leest het, geheel foutief, in die laatste betekenis.
Nu hij 'bewezen' heeft dat de schepping in werkelijkheid op één tijdstip plaatsvond, komt hij als gevolg van deze uitlegcapriolen in de knoop met de vertelling in Genesis 1, en moet hij daar dus iets op verzinnen om de tegenstrijdigheid op te heffen. Hij komt daarbij met een buitengewoon vergezochte 'oplossing': mensen die niet kunnen begrijpen hoe alles tezelfdertijd geschapen is kunnen de Schrift enkel begrijpen wanneer het verhaal langzaam, stap voor stap, voortschrijdt. Later verzint hij er nog een 'argument' bij dat de vertelling zes dagen aanreikt omdat zes een perfect getal is.

Augustinus erbij halen als autoriteit om ons te doen overhalen naar de ene of andere zienswijze is absurd. Bovenstaand relaas kan enkel gelden als een schoolvoorbeeld van hoe men bijbeluitleg beslist niet moet beoefenen! In plaats van dat het een argument zou zijn voor een metaforisch lezen van Genesis onderstreept het bovendien juist hoezeer gelovigen in de antieke oudheid teksten letterlijk lazen en in alle serieusheid de meest naieve redeneringen als argumenten konden beschouwen.
Dat Augustinus geen problemen had met de letterlijke betekenis van de teksten wordt bevestigd door zijn opmerking dat de aarde nog geen zesduizend jaar oud is (http://www.newadvent.org/fathers/120112.htm ). Deze uitspraak is gebaseerd op het berekenen van de ouderdom van de aarde aan de hand van de geslachtsregisters in Genesis 5 en 11. Deze geslachtsregisters werden algemeen als betrouwbaar geacht. Sexton noemt de joodse schrijvers Demetrius (ca. 200 v.Chr.), Eupolemus (ca. 160 v.Chr.) en Flavius Josephus (ca. 93) en de boeken Jubileeën (ca. 150 v.Chr.) en Seder Olam (ca. 150) als bronnen die op basis daarvan berekeningen maakten betreffende de ouderdom van de aarde. Paul voegt hier vroeg-christelijke bronnen (vóór Augustinus) aan toe: Theophilus van Antiochië (ca. 168), Julius Africanus (ca. 218), Origenus (ca. 230), Eusebius (ca. 315).
Ik kan er nog enkele rekenaars aan toevoegen die de Engelse Wikipedia vermeldt:
The earliest post-exilic Jewish chronicle preserved in the Hebrew language, the Seder Olam Rabbah, compiled by Jose ben Halafta in 160 AD, dates the creation of the world to 3761 BC while the later Seder Olam Zutta to 4339 BC. The Hebrew Calendar has traditionally, since the 4th century AD by Hillel II, dated the creation to 3761 BC.
De joodse traditie kan goed rekenen, ze weet zelfs dat de mens op de dag van Rosh Hashanah, de eerste vrijdag, geschapen werd! De mishnah laat ook nog weten dat Adam en Eva op de dag dat ze geschapen werden al hun eerste zonde begingen, iets wat sommige christenen overnamen.

Augustinus beschouwt in De stad van God ook andere zaken als historisch betrouwbaar, zoals de huwelijken tussen de kinderen van Adam en Eva, de bouw van een stad door Kaïn.

Een ander vaak herhaald argument van evolutionistische theïsten is dat de kerkvaders de zes scheppingsdagen niet letterlijk namen. Ook dit is een misverstand. Bijna alle kerkvaders namen de zes dagen wel degelijk letterlijk, maar gaven de scheppingsdagen daarenboven nog een tweede betekenis, waar iedere dag stond voor duizend jaar wereldgeschiedenis. Dit deed men - alweer volkomen naief - op grond van een psalmwoord waar de dichter uitspreekt dat voor God één dag is als duizend jaar. Men dacht hieruit te kunnen opmaken dat de wereldgeschiedenis zesduizend jaar zou duren, aangezien de zevende dag de dag van rust was. Deze symboliek dateert al van vóór het christendom. De christenen namen het over.

Er zijn nog drie kerkvaders, Clemens van Alexandrië (ca. 150-216), Origenus (ca. 185-254), en Basilius (de Grote)(329-379), die van mening waren dat de schepping in werkelijkheid slechts in één ogenblik had plaatsgevonden en niet letterlijk in zes dagen. Paul legt jammergenoeg niet uit op basis waarvan zij dit deden. Hij beperkt zich tot een opmerking dat dat de allegorische uitleggers beïnvloed waren door het Griekse platonische en neo-platonische denken. Dit denken bood hoog filosofische bespiegelingen aan als antwoord op de oudere opvattingen te vinden in Homeros, die men te barbaars vond. Paul vermeldt het niet, maar heel verhelderend zou geweest zijn hier de redenatie van de jood Philo van Alexandrië voorbij te laten gaan om te illustreren op welke basis men een ‘geleerde interpretatie’ gaf:
Philo van Alexandrië, Creation of the World 3.13 schreef: And he says that the world was made in six days, not because the Creator stood in need of a length of time, for it is natural that God should do everything at once, and not by uttering a command, but by even thinking about it; but because the things created required arrangement, and numbers belong to arrangement, and of all numbers six is, by the laws of nature, the most productive.
Maar ook iemand als Origenus geloofde dat de wereld slechts enige duizenden jaren oud is, zoals hij ook geloofde in de letterlijke historiciteit van een wereldwijde zondvloed, waarover hij uitvoerig schreef (omdat hij er ook allegorische en geestelijke bespiegelingen uit kon putten). Wat geloof in een letterlijke zondvloed betreft laat Paul Justinus Martelaar, Theophilus van Antiochië, Tertullianus, Gregorius van Nazianze en Augustinus voorbij gaan.

Paul laat nog een laatste argument voorbijgaan, waarmee sommige theïstische evolutionisten Augustinus voor hun karretje pogen te spannen. Augustinus heeft een passage in zijn geschrift De letterlijke betekenis van Genesis (1.19.39), die inderdaad in moderne oren klinkt alsof het een commentaar is op hedendaagse creationisten:
Augustinus schreef:Zelfs een niet-christen weet gewoonlijk iets over de aarde, de hemelen, en de andere elementen van deze wereld, over de beweging en de baan van de sterren en zelfs over hun afmeting en onderlinge posities, over de voorspelbare verduisteringen van de zon en de maan, de cycli van de jaren en de seizoenen, over de soorten dieren, struiken, stenen enzovoort, en deze kennis houdt hij voor zeker vanuit zijn verstand en ervaring. Nu is het een schandelijk en gevaarlijk ding voor een ongelovige om een christen nonsens te horen spreken over deze onderwerpen terwijl die bedoelt de betekenis van de Heilige Schrift te geven. We moeten alle middelen te baat nemen om een dergelijke pijnlijke situatie te voorkomen, waarin mensen een grote onwetendheid aantonen in een christen en hem minachtend uitlachen.
Het is begrijpelijk dat evolutionistische theïsten deze passage gebruiken om de redelijkheid van hun positie ermee te bevestigen. Maar dat doet de passage uiteraard niet. Noch kan deze passage gebruikt worden om ermee aan te geven dat het onverstandig is om wetenschappelijke onderzoeksresultaten tegen te spreken. Augustinus schreef er namelijk nog achteraan:
Augustinus schreef:De schande is niet zozeer dat een onwetend persoon is uitgelachen, maar dat mensen buiten de geloofsgemeenschap denken dat onze heilige schrijvers zulke opvattingen huldigen. Tot groot verlies van hen voor wier zaligheid wij zwoegen, worden de schrijvers van onze Schrift bekritiseerd en verworpen als ongeleerde mensen.
Dit is nu net de situatie waarin de moderne christen zich bevindt. Of hij nu creationist is of de antieke bijbel verkracht via het lezen ervan door een evolutionistische bril, het resultaat is voor de ongelovige een klucht waar geen geloofwaardigheid aan toegeschreven kan worden.

Paul zet enige woorden van Augustinus als motto boven dit hoofdstuk. Een typisch christelijke uitspraak, één die voor gelovigen als axioma geldt, maar door buitenstaanders meteen ontmaskerd kan worden als de garantie om nooit in alle eerlijkheid op zoek te zijn naar waarheid. Het is de vrijwillige, of moet men zeggen moedwillige, verkrachting van gezond denken:
Augustinus schreef:Wij daarentegen steunen in de geschiedenis die onze godsdienst ons biedt op goddelijk gezag: al wat daarmee strijdig is beschouwen we dus zonder te twijfelen als volstrekt onwaar, afgezien van de waarde van wat die wereldse geschriften verder nog inhouden.
Merk op hoezeer vroom geloof synoniem is voor extreem: "zonder te twijfelen" en "volstrekt onwaar".
Afgezien van dat extreme kunnen we Augustinus nog verontschuldigen omdat hij reageerde op niet-christelijke filosofische opvattingen, zaken die net zo goed als het christelijk geloof geen basis hadden in wat men tegenwoordig wetenschappelijk onderzoek noemt. Maar op het eind van het hoofdstuk gekomen laat Paul zijn vooringenomenheid wel zeer opzichtig zien door eraan toe te voegen:
Paul schreef:Allerlei kerkvaders hadden een grote kennis van de wetenschappelijke filosofieën van hun tijd, zoals blijkt uit het citeren van auteurs en hun opvattingen, maar het is duidelijk dat zij bij botsingen met de Schrift daar afstand van nemen. Dat moet ons voorzichtig maken om snel de hedendaagse wetenschap als uitgangspunt te nemen voor de uitleg en interpretatie van de Bijbel, ook als die wetenschap nu meer op waarnemingen berust dan vroeger het geval was.
Ten onrechte geeft Paul aan de antieke filosofieën de toevoeging dat ze ‘wetenschappelijk’ waren. Dat waren ze duidelijk niet in de moderne betekenis van dat woord. De ontwikkeling van de wetenschappelijke methode is een modern fenomeen, en dat houdt in dat er geen vergelijking gemaakt kan worden met de antieke tijd. Paul waarschuwt ons de bevindingen van de wetenschap niet al te serieus te nemen, iets wat eenvoudig niet volgehouden kan worden wat betreft bepaalde zaken die tegenwoordig kunnen gelden als vaststaand, zoals dat de aarde miljarden jaren oud is. Kerkvaders hadden het gemakkelijk om hun filosofische opvattingen (bijbelgeloof) hoog te houden tegenover andere filosofische opvattingen. Ze hoefden slechts uit te spreken een andere mening te zijn toegedaan. De moderne mens staat echter voor een totaal andere situatie. Paul heeft gelijk wanneer hij stelt dat de bijbel duidelijk de aarde slechts enkele duizenden jaren oud laat zijn: dat is doorheen de geschiedenis door gelovigen beleden. Maar de wetenschap heeft aangetoond dat de ouderdom van de schepping miljarden jaren omvat. De gelovige staat hier dus voor een dilemma dat niet opgelost kan worden: de bijbel geeft foutieve informatie. Het is buigen naar de wetenschap of barsten.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 26 dec 2017 10:42

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4 is voor mij een grote teleurstelling. Natuurlijk wist ik dat professor Paul een zeer conservatieve theoloog is. Maar hij ontpopt zich hier tot iemand die de vrijwel unanieme consensus van geleerden tegenspreekt, oftewel iemand die zich in een extreme positie opstelt. Hij begint met illustraties van een platte aarde die op pilaren staat, en waarboven een koepel met zon, maan en sterren te zien is. De regen en sneeuw komen uit gaten in de koepel. Boven de koepel is een hemelse zee. Onder de aarde is een hermetisch gesloten holte, de sjeool, de plaats voor de gestorvenen. Deze voorstellingen zouden pas in 1898 (O.C. Whitehouse in het standaardwerk Hasting’s Dictionary) voor het eerst te zien zijn, en daarna talloze malen met lichte variaties overgenomen door anderen:

Afbeelding

Paul komt vervolgens met kritiek:
Paul schreef:Het is een gangbare gedachte dat de Israëlieten slechts een voorwetenschappelijke, zelfs naïeve kijk hadden op het universum. Dit berust vooral op de interpretatie van het woord raqia' , dat in Genesis 1 meermalen vertaald wordt met 'firmament'. Ook heeft het te maken met de aanname dat de Babyloniërs hetzelfde wereldbeeld hadden. Aan het einde van de 19e eeuw waren er veel kritische geleerden die veronderstelden dat de Israëlieten allerlei ideeën van de Babyloniërs overgenomen hadden. Dit standpunt berust mede op een late datering van het boek Genesis, in de tijd van de ballingschap. Die overtuiging van overname duurde voort in de twintigste eeuw, maar langzamerhand kwam er meer oog voor de vele verschillen in visie. Toch leefde de gedachte nog lang voort dat de Israëlieten voor hun wereldbeeld afhankelijk waren van Mesopotamische bronnen. Bij een vroegere datering van Genesis komen de verhoudingen anders te liggen en bovendien berust de interpretatie voor een groot deel op een enkele Babylonische term die op verschillende manieren opgevat kan worden, zoals hieronder blijkt…
Paul schreef:Het woord raqia' wijst niet op een een solide firmament met een hoeveelheid water erboven, maar het is de plaats waar de hemellichamen zichtbaar zijn.
De kritiek van Paul is vergezocht tot aan het wanhopige toe:
Paul schreef:Othmar Keel heeft kritiek op zulk soort voortstellingen. Volgens hem zijn in het oude Oosten empirisch-technische en speculatief-mythische voorstellingen niet consequent van elkaar te scheiden. Er bestaat volgens hem een wisselwerking tussen het feitelijke en het symbolische in de beleving van de Israëliet.De openheid van de alledaagse, aardse wereld naar de sferen van goddelijk leven en bodemloze verlorenheid, zoals beleefd door Israel, vormt het hoofdonderscheid met onze hedendaagse voorstelling van de wereld als een gesloten mechanisch systeem. De grondfout van de gangbare voorstellingen van het wereldbeeld in het Oude oosten (zoals in getoonde afbeeldingen) is hun ontheiliging en hun levenloosheid. De wereld is volgens de bijbel en de oosterse voorstelling echter open en doorzichtig. Ze vormt geen levenloze schouwplaats. Het universum is levend en reageert op de schepper.
Moet deze wollige taal de bijbelse voorstellingen redden? Het is als kritiek leveren op iemand die een computer rolspel analyseert als gebaseerd op fantasie, dat hij het spel ontheiligt door zich niet in te leven in het spel.

Twee hoofdstukken verder, bij de uitleg van Genesis 1, doet Paul nog enigszins duidelijker uit de doeken wat hij met raqia' bedoelt:
Paul schreef:Op de vierde dag maakt God de lichten "in het firmament". Hier wordt weer het woord raqia' gebruikt, dat we kunnen weergeven met "uitspansel". Voor de mens op aarde staan de hemellichamen als het ware "in het luchtruim", "in de atmosfeer".

Wat betreft de betekenis van het woord raqia' begaat Paul hier zonder meer een intellectuele oneerlijkheid. De vertaling van raqia' is zonder enige twijfel 'hemelgewelf', 'hemeldak', een uitgestrekte koepel van vaste materie dat uitgespannen of uitgehamerd (uitgeslagen) is. Dit kan men eenvoudig al opmaken uit het latijnse woord firmament, afgeleid van firmus (=solide, stevig), dat weer de vertaling was van het Griekse steréōma, letterlijk ‘het hard gemaakte, de grondslag’. Dat het deze betekenis heeft wordt bewezen door twee plaatsen in de bijbel: Genesis 1: 6-8, waar God de wateren scheidt via het maken van het hemelgewelf. Een deel van het water is daarna onder dat hemelgewelf, en een ander deel is volgens de Genesis schrijver daarboven, oftewel wordt gedragen door het hemelgewelf; en Job 37:18, waar verwezen wordt naar de creatie van het firmament dat beschreven wordt als solide: "Kun jij zoals Hij de hemelkoepel uithameren, die zo hard is als een gegoten spiegel?"
Welke encyclopedie of bijbelgeleerde je er ook op naslaat, allemaal herhalen ze deze betekenis van het woord:
P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek, 2e druk, Van Dale schreef: firmament [uitspansel] {firmament 1285} < latijn firmamentum [steun, stut, steunpunt voor een bewering]
Jewish Encyclopedia schreef: The Hebrews regarded the earth as a plain or a hill figured like a hemisphere, swimming on water. Over this is arched the solid vault of heaven. To this vault are fastened the lights, the stars. So slight is this elevation that birds may rise to it and fly along its expanse.
Catholic Encyclopedia schreef:The notion that the sky was a vast solid dome seems to have been common among the ancient peoples whose ideas of cosmology have come down to us. Thus the Egyptians conceived the heavens to be an arched iron ceiling from which the stars were suspended by means of cables (Chabas, L'Antiquité historique, Paris, 1873, pp. 64-67). Likewise to the mind of the Babylonians the sky was an immense dome, forged out of the hardest metal by the hand of Merodach (Marduk) and resting on a wall surrounding the earth (Jensen, Die Kosmologie der Babylonier, Strasburg, 1890, pp. 253, 260). According to the notion prevalent among the Greeks and Romans, the sky was a great vault of crystal to which the fixed stars were attached, though by some it was held to be of iron or brass. That the Hebrews entertained similar ideas appears from numerous biblical passages. In the first account of the creation (Genesis 1) we read that God created a firmament to divide the upper or celestial from the lower or terrestrial waters. The Hebrew means something beaten or hammered out, and thus extended; the Vulgate rendering, "firmamentum" corresponds more closely with the Greek "stereoma" (Septuagint, Aquila, and Symmachus), "something made firm or solid". The notion of the solidity of the firmament is moreover expressed in such passages as Job 37:18, where reference is made incidentally to the heavens, "which are most strong, as if they were of molten brass". The same is implied in the purpose attributed to God in creating the firmament, viz. to serve as a wall of separation between the upper and lower of water, it being conceived as supporting a vast celestial reservoir; and also in the account of the deluge (Genesis 7), where we read that the "flood gates of heaven were opened", and shut up" (viii, 2). (Cf. also IV 28 sqq.) Other passages e.g. Isaiah 42:5, emphasize rather the idea of something extended: "Thus saith the Lord God that created the heavens and stretched them out" (Cf. Isaiah 44:24, and 40:22). In conformity with these ideas, the writer of Genesis 1:14-20 represents God as setting the stars in the firmament of heaven, and the fowls are located beneath it, i.e. in the air as distinct from the firmament. On this point as on many others, the Bible simply reflects the current cosmological ideas and language of the time.
De term is de gehele christelijke geschiedenis door, tot aan de tijd dat het wetenschappelijk onderzoek de theologen voor problemen zette, op deze manier opgevat, iets wat Paul in zijn schets van het christelijke wereldbeeld doorheen de eeuwen, begrijpelijkerwijze maar niet eerlijk, weglaat:
Wikipedia schreef: A detailed Christian view of the universe, based on various Biblical texts and earlier theories by Theophilus of Antioch and Clement of Alexandria, was formulated by the 6th century Egyptian monk, Cosmas Indicopleustes. He described a flat rectangular world surrounded by four seas; at the far edges of the seas, four immense vertical walls supported a vaulted roof, the firmament, above which in a further vaulted space lived angels who moved the heavenly bodies and controlled rainfall from a vast cistern. Augustine wrote that too much learning had been expended on the nature of the firmament. "We may understand this name as given to indicate not it is motionless but that it is solid." he wrote.
Babinski schreef: The early church fathers agreed that the firmament above their heads was solid. Origen called the firmament “without doubt firm and solid” (First Homily on Genesis). Ambrose, commenting on Genesis 1:6, said, “the specific solidity of this exterior firmament is meant” (Hexameron). And Saint Augustine said the word firmament was used “to indicate not that it is motionless but that it is solid and that it constitutes an impassible boundary between the waters above and the waters below” (The Literal Meaning of Genesis). Such an interpretation of a firm firmament continued even up till the early Reformation period when Martin Luther insisted:
Scripture simply says that the moon, the sun, and the stars were placed in the firmament of heaven, below and above which heaven are the waters…We Christians must be different from the philosophers [astronomers] in the way we think about the causes of things. And if some are beyond our comprehension like those before us concerning the waters above the heavens, we must believe them rather than wickedly deny them or presumptuously interpret them in conformity; with our understanding. (Martin Luther, Lectures on Genesis)


Het argument dat de Israëlieten dit idee van het hemelgewelf zouden hebben overgenomen van de Mesopotamiërs is volstrekt overbodig. Het was eenvoudig een idee dat millennia lang door alle antieke volken onderhouden werd. Het denkbeeld komt al voor in vierduizend jaar oude Akkadische teksten, en dateert dus van ver vóór de bijbelse teksten. Paul zelf laat weten dat de Grieken in de zesde eeuw v.Chr. het idee al zozeer ontwikkeld hadden dat er wel acht sferen (bolvormige lagen), gemaakt uit hard materiaal, om de aarde waren (om de verschillende bewegingen van de hemellichamen te kunnen uitleggen). (Wikipedia laat weten dat deze gedachten pas in de vierde en derde eeuw v.Chr. ontstonden.) Dit laat zien dat noch begrip van de rondheid van de aarde, noch begrip van de bewegingen van hemellichamen geloof in een firmament in de weg zaten. Ik ervaar het daarom als volkomen nutteloos wanneer Paul verscheidene volkeren bij langs gaat, te beginnen bij de Babyloniërs en eindigend bij christenen die vertrouwd waren met de Griekse opvattingen om te wijzen op hun ontwikkelde kennis van de bewegingen van de hemellichamen om daarmee het idee van een firmament van tafel te schuiven. Benevens dat men de bewegingen van de hemellichamen en een ronde aarde op de een of andere manier kon combineren met het geloof in een firmament als constructie uit hard materiaal is het hier storend dat Paul een zeer lange geschiedenis laat voorbijgaan en daarbij uit het oog verliest dat de Genesistekst waarmee de bijbel begint uit een veel primitievere tijd stamt. Paul komt hierbij in de knoop met zijn eigen redeneringen. Een hoofdstuk verder dateert hij Genesis 1 tot de tijd van Mozes (ca. 1500 v.Chr.). Het moge duidelijk zijn dat de opvattingen van een schrijver in die tijd van geheel andere orde zijn dan de opvattingen van Hiëronymus die bijna twee millennia later de bijbel in het Latijn vertaalde. Maar dat Hiëronymus in zijn vertaling toch koos voor het woord firmamentum spreekt in dat geval boekdelen. Paul laat dit weten:
Paul schreef: Er zijn toen ook geleerden geweest die het woord firmament onjuist vonden, omdat de hemelen niet uit vast materiaal opgebouwd zijn. Zij kozen voor het Latijnse woord expansium, waarvan ons woord expansie (uitdijen) is afgeleid.
Voor ons is van belang dat bij vroegchristelijke auteurs de voorstelling van de bovengenoemde tekeningen niet aanwezig was.
Wat de eerste opmerking betreft: onbegrijpelijk dat Paul hier enkel met een orakelachtige bewering aankomt en zelfs geen voetnoot geeft voor de lezer om hier wat meer duidelijkheid over te krijgen. Maar zo het waar is, dan is de woordkeus van Hiëronymus des te betekenisvoller: hij zwichtte niet voor nieuwlichterij, maar vertaalde wat de originele schrijver van mening was.
En wat de laatste opmerking betreft: so what? Het gaat niet om wat sommige vroege christenen dachten, of nog latere middeleeuwers, het gaat in de eerste plaats om wat de originele schrijver van Genesis 1 met zijn firmament bedoelde. En daarover bestaat echt geen twijfel:
Babinski schreef: Reformed Evangelical, Paul Seely, has had several articles on the firmness of the Biblical firmament published in a conservative Evangelical theological journal, (i.e., “The Firmament and the Water Above,” Part I, Westminster Theological Journal, Vol. 53 (1991) and “The Firmament and the Water Above,” Part II, Westminster Theological Journal, Vol. 54 (1992)). Seely adds, “Even those who oppose my conclusion generally acknowledge that I did prove that until modern times all peoples everywhere on earth believed the sky was literally solid including the Egyptians in whose wisdom Moses was educated (Acts 7:22), and the Mesopotamians from whence came the patriarchs (Joshua 24:3).”

De Egyptenaren kenden vier pilaren waarop de hemelkoepel rustte. Zelfs tot in het uiterste noorden is men bekend met dit idee. In de Finse mythologie is sprake van een hemels voorwerp genaamd de Sampo. Het woord sampo is afkomstig van het woord sammas, dat paal, pilaar, betekent. Deze pilaar reikt tot aan de hemel ergens in het Noorderland, in het Fins Pohjola genaamd. De pilaar is met een gouden spijker aan de hemelkoepel, het firmament, verbonden en houdt die koepel op z'n plaats zodat niemand bang hoeft te zijn dat de hemel naar beneden valt. De Sampo wordt ook beschreven als een standbeeld van de persoon Sampo die de hemelkoepel draagt. De gouden knoop of gouden spijker zit op het hoofd van deze figuur. Het is de (vrijwel onbeweeglijke) Poolster (pohjantähti) die de aarde en de hemelkoepel aan elkaar bindt. De hemelkoepel draait de spijker rond, waardoor Sampo maalt. De Sampo gaat wel 9 vadems diep de grond in, en staat uiteindelijk op een koperen berg.

Paul moet het zelfs opnemen tegen professor Willem Ouweneel, die op dit punt op latere leeftijd [zie hier voor zijn jeugdiger beweringen] gezwicht is voor iets wat eenvoudig niet tegen te spreken is:
Paul schreef:Willem J. Ouweneel kiest voor de benadering dat met raqia' een hemelkoepel bedoeld wordt en hij keert zich tegen fundamentalisten die kiezen voor ‘dampkring’ of ‘atmosfeer’. Hij acht het een treffend voorbeeld van modern-wetenschappelijke inlegkunde. Ouweneel hangt echter te veel op aan de uitleg van een enkel woord raqia'.
De laatste opmerking van Paul is eenvoudig ongegrond. Er is sprake van het tegendeel: Paul probeert willens en wetens de betekenis van raqia' te negeren. Zelfs het monumentale Theological Word Book of the Old Testament (1980) , dat is geschreven door conservatieve evangelische scholars en uitgegeven bij de conservatieve Moody Press, laat weten dat raqia' een constructie is van uitgerekt of uitgehamerd hard materiaal.

Paul poogt vervolgens de "wateren onder de aarde" te interpreteren als "het water dat lager is dan het land". Ga maar na, de vissen leven niet onder de aarde, maar eenvoudig in water lager dan de aarde. Deze opmerking omzeilt de kern van de zaak. Dat de aarde gezien werd als gesitueerd boven het water bewijst het feit dat zij gezien werd als rustend op pilaren in een oceaan onder de aarde. Dit denkbeeld vindt men bijvoorbeeld terug in Psalm 24:2: "Hij heeft de aarde op de zeeën gegrond en op de stromen gevestigd", of Job 38:4-6: "Waar was je toen ik de aarde grondvestte,…waarop zijn haar pijlers neergelaten?" Uit de allereerste verzen van de bijbel kan men bovendien opmaken dat deze oerzee al bestond vóórdat God met scheppen begon. God schiep de hemel en de aarde, maar duisternis lag op de vloed en Gods geest zweefde over de wateren. Het water is blijkbaar een gegeven dat niet geschapen hoeft te worden.
Paul brengt hier tegenin dat nergens wordt vermeld waarop die pilaren staan:
Paul schreef:In Job 38:4-6 is niet alleen sprake van pijlers, maar ook van een hoeksteen. En bovendien: nergens wordt vermeld waarop die pilaren staan. Ook in de tekeningen blijkt dat niet. Loshangende pijlers bieden toch geen stevigheid? Dat is in de tekeningen een probleem, maar niet als we de tekst als beeldspraak opvatten.
De interpretatie van beeldspraak is echter geheel onmogelijk, want indien niemand met het idee leeft dat de aarde op pijlers staat, dan haalt ook niemand het in zijn hoofd om deze beeldspraak te verzinnen, net zoals niemand het in zijn hoofd zou halen om de zon of de maan te beschrijven als pilaren nodig hebbend. Dat de antieke mens niet wist waarop de pijlers stonden was voor de antieke mens geen probleem om in die pijlers te geloven. De tekst van Job laat dit zelfs uitdrukkelijk zien. De pijlers worden namelijk vermeld in retorische vraagvorm: “Waarop zijn haar pijlers neergelaten?” De steller van de vraag weet dat niemand het antwoord daarop weet. Daarom stelt hij deze vraag. Het is bedoeld om de nietigheid van de mens ermee aan te duiden. Maar deze vraag is volkomen absurd indien de lezer de pijlers moet opvatten als beeldspraak.
Voor de teksten waar gesproken wordt over "de schatkamers van de sneeuw" en "de schatkamers van de hagel", te vinden in hetzelfde hoofdstuk van het boek Job, haalt Paul er een dissertatie van Cornelis Houtman bij als autoriteit om ze te kunnen uitleggen als beeldspraak:
Paul schreef:Hij meent dat de schatkamers van de regen, wind, sneeuw en hagel niet letterlijk bedoeld zijn. Het is aannemelijker dat de auteurs in de bijbel met dit woordgebruik aandacht willen vragen voor de orde, waardoor de kosmos gekenmerkt wordt. Tevens brengen zij op die wijze de ruimtelijke dimensie tot uitdrukking.
Aangezien de schrijvers geen enkel idee hadden van wat wij "de ruimte" noemen is moeilijk te vatten wat Paul bedoelt met "de ruimtelijke dimensie" en het "aandacht vragen voor de orde" lijkt uit de lucht gegrepen en heeft nauwelijks de waarde van een tegenwerping. De gedachte van de schrijver is de macht van God te beschrijven. Dat doet hij door te wijzen op de gigantische onwetendheid van de mens wat betreft de natuurverschijnselen. Voor de mens zijn het allemaal grote raadsels, en dus ligt juist zeer voor de hand dat de schrijver niet beter wist of er zouden ergens concrete verborgen schatkamers van sneeuw en hagel en concrete pilaren zijn.
Te denken dat deze uitdrukkingen bedoeld zijn als beeldspraak houdt automatisch in dat de schrijver en lezers van de tekst een wetenschappelijk modelbeeld hadden, maar dat hebben ze juist niet, er was helemaal geen ander modelbeeld voorhanden dan de voorstelling dat de aarde op pijlers stond. En omgekeerd: iemand bekend met hoe sneeuw en hagel in werkelijkheid ontstaan, of dat de aarde een globe is die in de ruimte hangt zal nooit aankomen met beeldspraak die hier dwars tegenin gaat. Zoals niemand die weet heeft van de bolvormigheid van de aarde “de vier hoeken van de aarde” of “de einden van de aarde” als beeldspraak zal gebruiken.
Deze uitdrukkingen verraden dat de bijbelschrijvers over een primitief en volkomen onjuist wereldbeeld beschikten. Men kan er eenvoudig niet omheen.

Paul laat, al dan niet opzettelijk, volledig weg dat tot dit primitieve wereldbeeld ook behoort dat de bijbelschrijvers God zelf beschrijven als een wezen dat op een troon zit bovenop het firmament. Op exact dezelfde manier als een god ook in andere culturen wordt beschreven. Hier kan men een illustratie zien daterend uit de 9e eeuw voor onze tijdsrekening, het zogenaamde kleitablet van de god Shamash. Edward Wright in zijn boek The Early History of Heaven geeft deze uitleg ervan:
Edward Wright schreef:The wavy lines at the bottom of this scene indicate water, and beneath the waters is a solid base in which four stars are inscribed. These waters, then, are the celestial waters above the sky. This tablet depicts the god Shamash enthroned as king in the heavenly realm above the stars and the celestial ocean.
Op dezelfde manier spreekt de bijbel over God, als een wezen dat van boven op ons neerkijkt, in Genesis soms moet afdalen om iets te kunnen zien, op een troon zit, hoewel soms “wandelend langs de kring des hemels” (Job 22:14).
In hetzelfde hoofdstuk van Job waar over de schatkamers van de sneeuw en de pijlers van de aarde gesproken wordt leest men: “Woont God niet in de hoge hemel? Zie toch hoe hoog de hoogste sterren staan! Maar u denkt: Wat weet God? Kan hij richten door de donkerheid heen? Wolken omhullen hem zodat hij niet ziet.” Hier is sprake van een uiterst naïef wereldbeeld. Blijkbaar is de vrome spreker van mening dat God wel degelijk door de wolken heen en ‘s nachts in het donker kan kijken, maar veel ontwikkelder dan de persoon die het ontkent is zijn wereldbeeld niet.

Terecht merkt Paul op dat het in de bijbel niet louter gaat om "beschouwing", maar vooral om verwondering, lofprijzing en aanbidding. Deze opmerking is vanzelfsprekend, maar wanneer de theïstische evolutionist deze frase oplepelt, -hetgeen ze nooit nalaten te doen -, komt de behoudende christen altijd met het wederwoord dat dat niet betekent dat het hoe van de schepping geen enkele relevantie heeft.
Evenzo is dat hier het geval. Al deze details die de bijbel geeft zijn van groot belang: ze laten de moderne lezer overduidelijk zien dat de bijbelschrijvers eenvoudig met vele waandenkbeelden rondliepen.

De conservatieve moderne christen heeft de onmogelijke taak om de bijbel als norm voor het denken te behouden, en tezelfdertijd de geloofwaardigheid van de bijbel te behouden voor de mens die moderne kennis als standaard heeft. De gelovige kan deze moderne kennis niet ontkennen en hij kan het primitieve wereldbeeld dat in de bijbel overduidelijk naar voren komt niet omarmen. Hij wordt dus gedwongen om het allemaal te interpreteren als beeldspraak, alsof de antieke mens over dezelfde kennis bezat als de moderne mens. Bijzonder grappig, wanneer men zich bedenkt dat fundamentalisten juist bekend staan voor het zoveel mogelijk letterlijk nemen van bijbelteksten.
Paul schreef:Het bestuderen van historische verschijnselen is vaak subjectiever en meer bepaald door de eigen historische verschijnselen dan de herhaalbare experimenten. Wie overziet hoe in de 19e eeuw een speciale visie op het wereldbeeld van de Israëlieten opkwam, die nu grotendeels onhoudbaar blijkt te zijn, merkt dat de beoefening van de geschiedwetenschap en bijbeluitleg mede bepaald wordt door allerlei factoren in onze maatschappij.

De opmerking over subjectiviteit kan voornamelijk Paul zelf aangezegd worden. Dat de visie over het wereldbeeld van de Israëlieten "grotendeels onhoudbaar blijkt" is ofwel wishful thinking van iemand die opgesloten zit in een kleine kring van sektariërs, of anders de meest flagrante misleiding van gelovigen voor wie Paul schrijft. Om een bewering "grotendeels onhoudbaar" te noemen heeft men instemming van het grootste gedeelte van de wetenschappers die zich met deze kwestie bezighouden nodig. Het tegendeel is het geval. Zelfs de door Paul aangehaalde Othmar Keel die met kritiek op het plaatje komt, komt zelf aan met een eigen illustratie die er niet wezenlijk van verschilt.
De teksten die het antieke wereldbeeld illustreren omturnen tot beeldspraak en de vervalsing van het woordje hemelgewelf via het moderne woord 'atmosfeer' werd al in 1954 door Bernard Ramm in zijn boek The Christian View of Science and Scripture (dat nu de status van klassieker heeft gekregen) als oplossing voor de evangelicalen voorgesteld. In de 64 jaar daarna heeft dit geen bijval gekregen in de wetenschappelijke gemeenschap. Sterker nog, wanneer zelfs professor Willem Ouweneel deze interpretatie aan de kaak stelt als "een treffend voorbeeld van modern-wetenschappelijke eisegese (inlegkunde)" dan is het pleit hier beslecht. Dat kan men ook opmaken uit de bijbelvertalingen van de laatste 70 jaar. Gaf de Nederlandse bijbelvertaling van 1951 (NBG) van Job 37:18 nog de vertaling: "Kunt gij zoals Hij de wolken maken tot een uitspansel, vast als gegoten spiegel?", met de woordjes 'wolken' en 'uitspansel' nog ruimte makend voor een opvatting overeenkomstig modern begrip, geeft de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004 heel duidelijk de betekenis van het origineel weer: "Kun jij zoals Hij de hemelkoepel uithameren, die zo hard is als een gegoten spiegel?" Dit laat overduidelijk zien dat Pauls bewering dat de opvattingen van honderd jaar geleden "grotendeels onhoudbaar blijken" bijzonder misleidend is.

Op het punt van dit sleutelvers bereikt Pauls wanhopige verdediging van wat niet te verdedigen valt nog een hoogtepunt. In een voetnoot laat hij weten:
Paul schreef:Volgens velen is in Job 37:18 sprake van het uithameren van de hemel, die hard is als een gegoten spiegel. Wanneer een bronzen spiegel is gegoten kan alleen polijsten de spiegeling versterken, terwijl hameren de spiegel vernietigt. Het is aannemelijker dat Elihu de glans van de hemel bedoelt dan de hardheid. Robert C. Newman meent dat de vertaling 'spiegel' niet juist is. Hij baseert zich o.a. op de Griekse vertaling.
Hier probeert Paul de vertaling van dit vers te ondermijnen door te stellen dat de vertaling 'uithameren' niet past bij het vermelden van een gegoten spiegel, - vergezocht -, voorts het woordje 'hard' om te turnen tot 'glans', en tot slot het woordje 'spiegel' geheel weg te moffelen. Wat een gelovige al niet moet verzinnen om van een lastig vers af te komen! Wat Newman ervoor in de plaats wil hebben laat Paul niet weten, maar ik heb het opgezocht op het internet. Hij wil het vers vertalen op deze manier:
"Can you, with Him, spread out the clouds, with the appearance of being poured out."
Deze vertaling is gekunsteld tot aan brabbeltaal toe, en het is zonder meer vreemd dat Paul deze persoon serieus neemt. Eenieder die naloopt hoe deze man zijn argumenten beargumenteert (zie hier voor een link naar powerpoint teksten van Newman) zal concluderen dat hier geen expert Hebreeuws aan het woord is, maar een diletantische partijganger. Hij maakt zich ook schuldig aan wat men special pleading noemt: wat betreft alle andere omringende culturen accepteert hij dat ze in een hemelkoepel geloofden, maar voor Israël maakt hij een uitzondering.
Ik durf te wedden dat er in de gehele wereld geen enkele bijbelvertaling is die het vers heeft vertaald volgens dit voorstel.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 31 dec 2017 08:02

Hoofdstuk 5

In dit hoofdstuk behandelt Paul het beroemde conflict tussen Galilei en de Katholieke Kerk. De lezer vraagt zich voortdurend af wat Pauls oogmerk is. Ik ervaar het hoofdstuk als een poging om te laten zien dat er geen wezenlijke problemen zijn tussen bijbelgeloof en wetenschap. Wanneer die zich voordeden waren ze het gevolg van misverstanden, secundaire bijkomstigheden. De aangevoerde argumenten zijn echter niet sterk en de conclusie laat me achter met een gevoel dat de theoloog zijn zaak geen dienst heeft bewezen.

Op de helft van het verhaal gekomen komt Paul aan met:
Paul schreef:Lange tijd is de veroordeling van Galilei beschouwd als een voorbeeld van de strijd tussen geloof en wetenschap, en als een illustratie van de onjuiste houding van de theologen om zich te verzetten tegen nieuwe vondsten in de wetenschap. Vooral sinds de 19e eeuw wordt de gebeurtenis gebruikt als een voorbeeld voor de juistheid van het conflictmodel tussen geloof en wetenschap. Inmiddels is duidelijk dat hier de tegenstellingen te veel aangezet zijn. De voorstelling dat Galilei het slachtoffer werd van kerkelijk verzet tegen de wetenschap, klopt niet meer.
De verwijzing naar de 19e eeuw is een aanval op twee boeken, van Draper (History of the Conflict...) en van Andrew Dickson White (History of the Warfare...). Deze twee boeken aanklagen als zouden ze voornamelijk misleidende informatie geven is in christelijke kringen tegenwoordig een modeverschijnsel.
Het hoofdstuk lijkt vervolgens bladzijden lang op een verdediging van de Katholieke Kerk, iets wat irriteert wanneer je een lezer bent zoals ik die tijdens het lezen nog lange tijd bezig is opnieuw de schok te moeten verteren dat het überhaupt normaal was dat de kerk een wetenschapper huisarrest geeft of macht heeft iemand te verbieden zijn wetenschappelijke zienswijzen aangaande de natuur uit te dragen, iets waaraan Paul geen aandacht schenkt. In zijn argumentatie komt Paul met verscheidene interessante zaken die laten zien dat het conflict onnodig uitvergroot werd, en dat zowel Copernicus (een eeuw eerder) als Galilei erkenden dat ze geen sluitend natuurkundig bewijs hadden voor de juistheid van de heliocentrische hypothese. Voorts zet Paul het geocentrische wereldbeeld van de christelijke wereld geheel op conto van Aristoteles:
Paul schreef:In de periode voorafgaand aan Galilei (zestiende eeuw) hingen de theologen een geocentrisch wereldbeeld aan, waarin de aarde het uitgangspunt vormt. Dit gebeurde vooral in navolging van Aristoteles (vierde eeuw v.Chr.)…De astronoom Ptolemeüs (tweede eeuw) bouwde voort op het werk van Aristoteles. Het idee van het geocentrische universum, met de aarde in het middelpunt, was een klassiek en niet een christelijk denkbeeld.
Afgezien van het storende ”met de aarde in het middelpunt” en ”waarin de aarde het uitgangspunt vormt” – alsof de betekenis van het woord ”geocentrisch” niet begrepen is, gaat Paul hier volledig voorbij aan het feit dat de bijbellezer bepaald niet Aristoteles of Ptolemeüs nodig heeft om op geocentristische veronderstellingen te komen. Geocentrisme was eenvoudig de algemeen gedeelde opvatting van alle antieke volken van vóór de jaartelling. De voorstellingen van de bijbel waar de zon wordt geboden om stil te staan, en de aarde omschreven wordt als zeer stevig gegrondvest op fundamenten (Ps. 93:1, 104:5), zijn overduidelijk, en werden door alle theologen altijd beschouwd als bewijs. Begrijpelijk dat Paul dit weglaat, aangezien hij de uitspraken als beeldspraak wil opvatten en het stilstaan van de zon graag wil opvatten als zou de bijbelschrijver eenvoudig de taal van het dagelijks leven gebruiken en de bijbel bijgevolg helemaal niets leren over geo- of heliocentrisme, maar dan leest hij de bijbel op een moderne manier en doet hij geen recht aan het denkklimaat van de zestiende eeuw, waar het voor iedere bijbellezer duidelijk was dat de bijbel geocentrisme leert. Vreemd genoeg kan men dat toch wel ook letterlijk lezen in de tekst van Paul. Hij laat kardinaal Ballarminus (ooit ook docent kosmologie) zeggen: "Maar om te beweren dat de zon echt vaststaat in het centrum van de hemelen en dat de aarde snel ronddraait om de zon, is een gevaarlijke zaak. Die bewering irriteert niet alleen de theologen en de filosofen, maar gaat ook in tegen het heilige geloof en maakt de heilige schriften vals." De kardinaal heeft niets met Aristoteles, maar beroept zich enkel op het feit dat de opvatting indruist tegen wat de bijbel leert.

De oude Grieken en Tycho Brahe uit de renaissancetijd vulden dit geloof ook aan met redelijke argumenten. Deze rationele onderbouwing van geocentrisme wordt door Paul natuurlijk weer wel met beide handen aangenomen: zie je wel, het was vooral een wetenschappelijk probleem, geen religieus probleem.
https://rationalwiki.org/wiki/Geocentrism schreef: The ancient Greeks noted that if the Earth did move around the Sun, the stars should appear to shift their positions from one part of the year to the next (parallax), a phenomenon they failed to observe. Alternatively the stars would have to be so ridiculously far away that the shift in position was too small to be seen by the naked eye, which would make for a ludicrously large empty space between the most distant known planet, Saturn, and the "fixed stars". Measurements dependent on naked-eye instruments could detect a parallax of something like one arc-minute, which meant that the distance to the "fixed stars" had to be at least 700 times larger than the distance to Saturn if the Earth moved around the Sun. The ancient Greeks dismissed this possibility as absurd, but of course, today we know that the stars are in fact much farther away than that. The early modern astronomer Tycho Brahe also dismissed this possibility, citing that in a heliocentric system, the disk sizes and brightness of stars (Procyon was used as a particular example) would require them to be either close enough to measure parallax (which had still not been discovered; Procyon, for instance, has a parallax of 0.286 arcseconds, or about 0.5% of the maximum parallax that the Greeks could detect; such accuracy was beyond even Tycho, with his much better measuring capacity), or to be substantially larger than the Sun, making most or all of the stars enormously larger than the Sun, which he dismissed as absurd
Aangezien er dus van tijd tot tijd speculatie over bleef, stond de katholieke kerk toe dat wiskundigen/astronomen mathematische rekenmodellen konden ontwikkelen op basis van een heliocentrisch stelsel, waarmee men de bewegingen van de kosmos nauwkeuriger kon berekenen, maar uit deze modellen mocht men geen conclusies trekken wat betreft de werkelijkheid:
Paul schreef:Het is belangrijk op te merken dat de Rooms-Katholieke Kerk zich niet verzette tegen een presentatie van het heliocentrische wereldbeeld, mits die maar als hypothese gebracht werd.
Paul schreef:Die modellen – waarin zelfs de aarde kon bewegen – zeiden echter niets over de werkelijkheid. De duiding van de werkelijkheid was de taak van de kerk, de hoeder van de waarheid.
Hiermee ondermijnt Paul toch danig zijn pogingen om de kerk vrij te pleiten van verzet tegen de wetenschap. Galilei werd gedwongen om zijn opvattingen te herroepen en werd verboden deze ideeën uit te dragen. Dit feit blijft staan, en een opmerking als “De kerk heeft nooit een officiële dogmatische uitspraak over de positie van de zon en aarde gedaan” heeft daarom net zo weinig betekenis als wanneer men opmerkt dat de DDR het woordje “democratie” zelfs in de landstitel hoog hield. Van hetzelfde laken en pak is dit argument:
Paul schreef:De Inquisitie beschuldigde Galilei niet van een opvatting die tegen de bijbel inging, maar van ongehoorzaamheid aan een pauselijk besluit.
Het argument is vergezocht aangezien het pauselijk besluit stelde dat Galilei de theorie van Copernicus niet mocht aanhangen of verdedigen. En dat pauselijk besluit stoelde vanzelfsprekend op de zienswijze dat het heliocentrisme tegen de bijbel inging.

Ook heeft Paul behoefte aan het tegenspreken van een in de regel al op de middelbare school veel gehoorde opmerking:
Paul schreef:Het is onjuist dat Copernicus de aarde onttroonde van zijn centrale positie in het heelal. Ook onttroonde Copernicus de mens niet. Geocentrisme is niet hetzelfde als antropocentrisme en een plaatsbepaling in het heelal niet hetzelfde als een waardeoordeel.
Alsof antropocentrisme en het centraal stellen van de aarde niet kenmerkend is voor het gelovige denken!

Al even dubieus is Pauls volgende redenering:
Paul schreef:Galilei beschouwde zichzelf als een gelovige katholiek. De scheidslijn tussen voor- en tegenstanders van het heliocentrisme liep dwars door de geestelijkheid en dwars door de astronomische gemeenschap heen.
Alsof men ook op theologische gronden op heliocentrisme uitkwam!
En alsof in die tijd atheïsme een optie was.

Nog een volgend vergezocht argument:
Paul schreef:Tussen 1650 en 1750 zijn vier katholieke kerkgebouwen mede ingericht als observatoria voor de sterrenwereld. De bedoeling hiervan was om een nauwkeurige paasdatum vast te stellen. Deze openheid tegenover astronomische waarnemingen pleit tegen de opvatting dat de kerkelijke autoriteiten slechts hun eigen traditionele opvattingen wilden handhaven.
De opmerking over paasdatum laat zien dat deze bezigheid niets te maken had met het navorsen van hoe de werkelijkheid via het volgen van empirisch onderzoek in elkaar zat.

Deze redeneringen, net als de andere conclusies waar Paul mee komt, klinken alsof de gelovigen altijd zonder vooroordeel open hebben gestaan voor welk wetenschappelijk nieuwtje dan ook, nieuwe natuurkundige feiten zonder meer onder ogen zijn gezien, en men bijbelinterpretatie zonder moeite heeft aangepast via te stellen dat de moderne lezing altijd de juiste betekenis van de bijbeltekst is geweest.

Dit beeld is eenvoudig te mooi om waar te zijn.
Paul schreef:Voor de bijbelwetenschappen is de les uit de geschiedenis dat het riskant is wetenschappelijke opvattingen, zoals het aristotelische wereldbeeld, over te nemen. Steeds weer is de vraag of verzet tegen nieuwe opvattingen gebeurt op grond van wat de bijbel zelf zegt, of op basis van een gebruikelijke interpretatie. Dat geldt uiteraard ook voor stellige uitspraken van hedendaagse geestelijke leiders op het terrein van geloof en wetenschap. De genoemde tegenstellingen hebben in ieder geval wel bijgedragen tot een zorgvuldiger afweging welke uitspraken in de bijbel als beeldspraak of taal van de waarneming opgevat moeten worden. Dat is de winst van het conflict rond Galilei. Het blijft van belang om de uitleg van de bijbel en de wetenschappelijke standpunten op een goede manier op elkaar af te stemmen.
De argumentatie van Paul is enkel te volgen wanneer men als axioma ervan uitgaat dat bijbel en wetenschap onmogelijk met elkaar in strijd kunnen zijn, een positie die enkel kan worden ingenomen door iemand die reddeloos verloren is voor objectieve beschouwing. Het ‘afstemmen’ van bijbel en wetenschap op elkaar ‘op een goede manier’ is eenvoudig een onmogelijke zaak. Moet de gelovige buigen voor wetenschappelijk aangetoonde zaken en op grond daarvan zijn bijbel aanpassen (“De aarde staat niet op pijlers dus moet in de bijbel sprake zijn van beeldspraak”) dan klinkt deze bijbelinterpretatie ons vals in de oren. Spreekt de gelovige wetenschappelijke beweringen tegen of houdt hij ze op grote afstand, indien ze de status van hypothesen of zelfs wetenschappelijke theorieën zijn en voor zijn smaak met zijn bijbelinterpretatie in strijd zijn, dan zet men zichzelf in de wetenschappelijke gemeenschap buitenspel, omdat men daar enkel de wetenschappelijke methode volgt en op basis daarvan concludeert. Religieus vooroordeel bij wetenschapsbeoordeling centraal stellen houdt automatisch in dat men niet meedoet aan objectieve wetenschapsbeoefening.

Op het internet is een artikel te belezen uit de Watchtower van april 2005, genaamd Science and Religion—The Birth of a Conflict met een vervolg, Science and the Bible—Do They Really Contradict Each Other?, dat leest alsof Pauls hoofdstuk overeenkomstig dit artikel geschreven is. Typisch voor de Watchtower wordt de schrijver ervan niet bij name genoemd.

Beter dan Paul het doet is het korte artikel van David Sessions, How ‘Cosmos’ Bungles the History of Religion and Science waar kritiek op simplistische uitleg van de geschiedenis voorbijkomt en de complexiteit van de ontwikkeling in het denken benadrukt wordt, echter zonder dat het mijn stekels doet opzetten.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 06 jan 2018 11:18

Hoofdstuk 6
Inleiding


Paul bespreekt nu de eerste drie hoofdstukken van Genesis. De lezer wordt getracteerd op extreme positiebepalingen. Natuurlijk beschouwt een conservatieve christen de oerverhalen in Genesis als historische verslagen. Dat is te verwachten, en ik ben het met Paul eens dat de teksten oorspronkelijk zo bedoeld waren. Zo werden ze tot aan de moderne tijd ook opgevat. Maar de moderne tijd heeft alles wat we lezen op goede gronden tot mythisch bestempeld. Paul negeert niet enkel wat de wetenschap hierover heeft uitgesproken, hij doet bovendien op een extreme manier zijn best om de geloofwaardigheid van de aangeboden informatie te verhogen. Voor Jezus was het nog genoeg om zich te beroepen op Mozes voor het auteurschap van Genesis 1, maar Paul gaat een flinke stap verder:
Paul schreef:Hoe kwam de auteur of samensteller van Genesis aan de informatie uit Genesis 1, vooral over de gebeurtenissen die voorafgingen aan de schepping van de mens? Er zijn in hoofdzaak twee mogelijkheden: de mens heeft die boodschap zelf vormgegeven of hij heeft die van God ontvangen. Vanuit Genesis zelf, waarin herhaaldelijk Gods communicatie met de mens genoemd wordt (1:28; 2:16, 3:19; 4:6-15; 6:13 enz.), ligt het voor de hand aan te nemen dat Hij Zelf de vroegste gebeurtenissen geopenbaard heeft.
Op dit punt gekomen mag men concluderen dat uitgeverij De Baniers Labarum Academic niet is wat het zegt te zijn:

Labarum website: "Labarum Academic is een wetenschappelijke imprint van Uitgeverij De Banier. Onder dit label verschijnen dissertaties, monografieën en congresbundels op het gebied van theologie, geschiedenis en maatschappijwetenschappen."

De reden waarom Paul hier tot het uiterste gaat is hierin gelegen, dat de inspiratie van de bijbel voor de doorsnee moderne gelovige enorm omlaag gehaald is in vergelijking tot vroegere eeuwen. Vanwege dat het zo overduidelijk is dat de bijbel vol staat met tijdsgebonden zaken en uitspraken en zienswijzen, hebben gelovigen steeds meer de menselijkheid van de bijbel beklemtoond, via welke men dan onderscheid kan maken tussen inhoud die ook voor de moderne mens nog relevantie heeft en "de verpakking" die men dan zonder problemen naast zich neer kan leggen.

Men kan zich echter afvragen of Paul hier zelfs nog eerlijke religieuze grond heeft om op te staan. Immers, indien de schrijver van Genesis 1 zijn woorden als een openbaring van God had gekregen, maar dit niet vermeldt, creëert hij voor de lezer bewust de indruk dat hij het wil laten doorgaan voor eigen wijsheid, oftewel dan begaat deze schrijver een enorme zonde. Indien in Genesis uitdrukkelijk wordt vermeld wanneer God aan het woord is, dan mag de gelovige er absoluut zeker van zijn dat Hij niet aan het woord is wanneer dat helemaal niet vermeld wordt.

Voor mij is de opstelling van Paul schokkend. Hier grenst fundamentalisme aan oplichting: exact het tegendeel beweren van wat de feiten doen concluderen.

Voor de geïnteresseerde lezer: dit voorbeeld van doorgeslagen fundamentalisme wordt enkel geëvenaard in fundamentalistisch commentaar op het einde van Marcus (voor een voorbeeld, zie: N.T. Wright). Het is een feit dat de oudste manuscripten van het evangelie van Marcus eindigen op het punt 16:8. De vervelende implicatie ervan voor de gelovigen is dat het oudste evangelie dus geen melding maakt van verschijningen van de opgestane Jezus. De meest natuurlijke implicatie hiervan is namelijk dat zulke verhalen oorspronkelijk eenvoudig niet bestonden, want zo ze er wel waren kan de schrijver van het evangelie onmogelijk gedacht hebben dat ze de moeite van het vermelden niet waard waren. Fundamentalisten komen in de regel daarom aan met een verzonnen scenario dat het einde van de oorspronkelijke boekrol om de een of andere reden beschadigd en verloren raakte voordat er kopieën van gemaakt waren. Een wanhoopsoplossing waar geloof dus niet afhangt van wat in de bijbel staat, maar voor de verandering eens op wat pertinent niet in de bijbel staat! Op dit punt kan men meten of iemand zijn ziel verkocht heeft aan een ideologie en zijn intellectuele eerlijkheid reddeloos verloren heeft.

Genesis 1 uitleggen alsof het voor de hand ligt dat de gegeven informatie van godswege, dus als godsopenbaring, werd ingegeven, terwijl daar in de tekst niet de minste aanleiding voor is, is een hoogleraar onwaardig. Hiermee komt aan het licht dat Paul een propagandist voor een ideologie is, hetgeen alles kleurt wat hij in het vervolg zegt over Genesis: wanneer men zich zo opvallend schuldig maakt aan het verzinnen van argumenten om de eigen ideologie hoog te houden, kan een lezer niets van wat hij in het vervolg zegt nog echt serieus nemen. Het wordt een opeenstapeling van religieuze propaganda.

Deze indruk wordt ten overvloede versterkt wanneer Paul het auteurschap en de datering van het gehele boek behandelt. In de bijbelwetenschap is lang en breed definitief aangetoond dat de Pentateuch uit diverse bronnen uit verschillende tijden bestaat, later door een redacteur bijeenverzameld en tot één gesmeed. Bij dat onderzoek heeft men tientallen zaken op een zo’n verbluffende rij weten te zetten dat deze bronnentheorie kan gelden als één van de indrukwekkendste voorbeelden van de kracht van wetenschappelijke tekstkritiek. Voor wie een overzicht van dit speurwerk wil krijgen en de resultaten ervan wil aanschouwen zijn de volgende boeken aan te bevelen:

R.E. FRIEDMAN, Who Wrote the Bible? (San Francisco 1987).
R.E. FRIEDMAN, The Bible with Sources Revealed (San Francisco 2003)

Zie hier voor een beknopt overzicht. En zie hier om een illustratie te zien, hoe bijvoorbeeld het zondvloedverhaal als samenstelling van twee afzonderlijke vertellingen uiteengerafeld kan worden en zodoende vreemde contradicties een verklaring krijgen.
Wat betreft de dateringen van deze verschillende bronnen die aangetroffen worden kan men verscheidene scenario’s opbouwen en dus van mening verschillen, maar afgezien daarvan is er wat betreft de documentaire hypothese in de wetenschappelijke gemeenschap al anderhalve eeuw lang een consensus.
Maar dit alles negeert Paul. Wat betreft het auteurschap van Genesis pint hij zich enkel vast op de frase die vanaf 2:4 elf maal voorkomt in Genesis: ”Dit is de afkomst van” :
Paul schreef:Het resultaat van het elfvoudige gebruik van deze formule betekent dat het boek Genesis uit twaalf gedeelten bestaat. Het is goed mogelijk dat dit aantal bewust gekozen is, in overeenstemming met de twaalf stammen van Israël. In ieder geval is het begrip toledoot [verwekkingen] een structurerend element, om het boek als eenheid te lezen.
Wie uitgaat van de getoonde opbouw van het boek Genesis, kan moeilijk meer de nadruk leggen op afzonderlijke gedeelten (zoals in de bronnentheorie gebeurd is).
Interessant is hier te zien hoe gewiekst Paul hier schrijft: hij spreekt de bronnentheorie niet tegen, maar doet alsof die volledig irrelevant is. De bronnentheorie wordt door Paul enkel tussen haakjes vermeld, maar dat is nog niet alles: er staat nog een voetnoot achter:
Paul schreef:De Bronnentheorie maakte onderscheid tussen de geschriften van de Elohist, Jahwist, Deuteronomist en de Priestercode.
Alsof deze zaak ooit in het verleden is geopperd, maar zo achterhaald dat het tegenwoordig geen enkel commentaar of behandeling meer verlangt, en het enkel nog een ludieke voetnoot in de geschiedenis van de wetenschap is!
En alsof deze indeling in twaalf, die Paul nota bene zelf al als kunstmatige redactie bestempelt en dus door een eindredacteur is aangebracht, niet heel gemakkelijk ondergebracht kan worden in de bronnentheorie. De bronnentheorie verklaart zelfs waar de redactor de frase vandaan haalde:
Friedman in Sources Revealed schreef: Gen. 2:4a is the first of ten uses of the phrase ”these are the records of…”. They introduce both narratives and lists; and they introduce texts that come from different sources. They are the work of the redactor as a way of editing the source texts of Genesis into a continuous story. The Redactor derived the formula from a text that was originally an independent work, The Book of records (toledoot), which begins at Gen. 5:1
Het spreekt vanzelf dat Paul ook achterwege laat dat de wetenschap het bestaan van Mozes en überhaupt de geschiedenis van de exodus in twijfel heeft gesteld. Hij stelt zich tevreden met de opmerking dat het mogelijk is dat Genesis in de tijd van Mozes (wiens leven hij dateert van 1526 tot 1406) is samengesteld, met daarbij de kanttekening dat de gedeelten die van vóór Mozes vertellen ouder kunnen zijn.

De hoogleraar Paul, die het gesprek met de wetenschap dus op geen enkele manier wenst aan te gaan, gaat echter wel op basis van zijn gevonden formule in gesprek met de evolutionistische theïsten:
Paul schreef:Het boek Genesis presenteert één geschiedenis van de schepping tot het ontstaan van Israël. Het geslacht van Abram is verweven met de gebeurtenissen in de eeuwen daarvoor. Op basis van de eenheid van het boek Genesis is het onwaarschijnlijk dat de vroegste geschiedenis anders (bijvoorbeeld als ”mythe”) opgevat moet worden dan de latere.
Grappig is dat hoezeer Paul wetenschappelijke benadering ook genegeerd heeft, hij op dit punt met een conclusie aankomt die daarmee overeenstemt. Zoals Wellhausen, de vader van de bronnentheorie, en von Rad ooit al heel duidelijk aangaven, en ik Gijsbert van den Brink in een commentaar op zijn boek ter overdenking heb meegegeven:

(Rereformed: In werkelijkheid staan de scheppingsverhalen onder de beroemdste oudtestamentici er zó voor, iets wat Van den Brink volkomen negeert:)

-Although von Rad excluded Genesis 1:1-2:4a from this analysis, he judged concerning the rest of Genesis 1-11 that with the Jahwist it would be misdirected theological rigorism not to recognize that what he planned was, as far as might be with the means and possibilities of his time, a real and complete primeval history of mankind. No doubt, he presented this span of history from the point of view of the relationship of man to God; but in the endeavor he also unquestionably wanted to give his contemporaries concrete knowledge of the earliest development of man's civilization, and so this aspect too of J's primeval history has to be taken in earnest. (Old Testament Theology, vol. 1)

Wellhausen aangaande Genesis 1-11 schreef:
-Yet for all this the aim of the narrator is not mainly a religious one. Had he only meant to say that God made the world out of nothing, and made it good, he could have said so in simpler words, and at the same time more distinctly. There is no doubt that he means to describe the actual course of the genesis of the world, and to be true to nature in doing so; he means to give a cosmogonic theory. Whoever denies this confounds two different things—the value of history for us, and the aim of the writer. While our religious views are or seem to be in conformity with his, we have other ideas about the beginning of the world, because we have other ideas about the world itself, and see in the heavens no vault, in the stars no lamps, nor in the earth the foundation of the universe. But this must not prevent us from recognizing what the theoretical aim of the writer of Gen. 1 really was. He seeks to deduce things as they are from each other: he asks how they are likely to have issued at first from the primal matter, and the world he has before his eyes in doing this in not a mythical world but the present and ordinary one.
(Prologomena to the History of Ancient Israel p. 298)
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 03 mar 2018 08:28

Hoofdstuk 6 vervolg


Uitleg van Genesis 1-3


Aangezien het voorafgaande me confronteerde met een enorme teleurstelling, heeft het me voor langere tijd de lust ontnomen om dit commentaar te vervolgen. De uitleg van Genesis 1-3 die volgt heeft, zoals nu te verwachten is, weinig of niets te maken met wat de wetenschap van de afgelopen tweehonderd jaar zoal naar boven heeft weten te halen, maar is een voorspraak voor conservatieve christelijke opvattingen.
Dit wordt al meteen duidelijk bij de eerste opmerking waarmee we geconfronteerd worden, waar Paul het Hebreeuwse woord voor God uitlegt:
Paul schreef:Het Hebreeuwse woord voor God is een meervoudsvorm die bedoeld is om Gods verhevenheid en macht uit te drukken.
Waar heeft een bijbelschrijver ooit uitgelegd om welke reden het woord voor God meervoud is? Een retorische vraag: men moet begrijpen dat Pauls opmerking de manier is waarop een conservatief theoloog een vervelend feit wegwerkt, namelijk dat polytheïsme aan het monotheïsme voorafging, en daar duidelijke sporen van laat zien.

De vermelding dat God het licht van de duisternis scheidt wordt door Paul uitgelegd als een scheiding in de tijd, dwz. het scheppen van dag en nacht. Uiteraard laat Paul weg dat men zich in antieke tijden scheiding van licht en duisternis veel concreter kon voorstellen. Licht en duisternis werden gezien als stoffelijke zaken die letterlijk van elkaar gescheiden konden worden. Dat men dacht dat de duisternis een bepaalde materie was kan men nog heel concreet in de bijbel aantreffen. In het exodusverhaal wordt verteld dat er een duisternis viel op Egypte zo dicht dat men die betasten kon (Ex. 10:21). Ingersoll (in Some Mistakes of Moses, 1879) laat weten dat men lang geleden in Rome nog een fles had waar een restje dat van die duisternis van Egypte nog over was gebleven ten toon gesteld werd.

Hoe licht kan bestaan onafhankelijk van vurige hemellichamen is voor Paul geen probleem aangezien een beetje God hiertoe in staat is. Paul legt niet uit of het ook een koud kunstje voor God is om de afwisseling van dag en nacht in te voeren zonder dat de zon bestaat, maar met een tikkeltje goedgelovigheid zal ook dat niet te moeilijk zijn om te geloven.

Een korte opsomming van Pauls interpretatie:
-Genesis 1 is geen poëzie, maar wel een literair verheven tekst dat zowel historische informatie bevat als ook een theologisch getuigenis is, terwijl al deze drie zaken elkaar niet in de weg zitten. Om het meer autoriteit te geven wil Paul Genesis 1 bovendien nog zien als een tekst die door God geopenbaard is.
-De dagen in Genesis 1 zijn dagen van 24 uur, hetgeen, laat Paul weten, de standaard opvatting van zowel joden als christenen is geweest tot aan de achttiende eeuw.
-De dood behoort niet tot de originele schepping, maar is een gevolg van de zondeval.

Wat betreft de goedheid van de schepping vervalt Paul in warhoofdig gebeuzel:
Paul schreef:Er wordt niet gezegd dat de schepping volmaakt is. Maar wel dat zij goed is en ook gereed voor bewoning. Het kwaad kan slechts van buiten komen door de listen van de satan.
Het schijnt niet bij de professor op te komen dat er geen “van buiten” bestaat in een schepping die alles omvat behalve God zelf.

Wat betreft alle andere interpretaties van Genesis beschikt professor Paul over opmerkelijk kritisch vermogen om ze als ondeugdelijk te kenschetsen. Terecht laat Paul weten dat alle alternatieve visies niet op basis van de tekst ontstaan zijn, maar als reakties op wat de wetenschap aan informatie betreffende de natuur heeft opgeleverd. Zo heeft de wetenschap dat het heelal miljarden jaren oud is geresulteerd in visies als zou vers 1 miljarden jaren geleden hebben plaatsgevonden, terwijl de rest van het scheppingsgebeuren recentelijk zou zijn geschied. De tekst zelf sugggereert dit geenszins. Evenmin suggereert de tekst dat de dagen in Genesis 1 opgevat zouden moeten worden als tijdperken. De bijbeltekst die zegt dat één dag als duizend jaar is voor God is ten eerste geen oplossing voor processen die miljarden jaren omvatten, maar ten tweede spreekt de tekst uitdrukkelijk over morgens en avonden die verstrijken, en ten derde wordt in de teksten Ex. 20:11 en Ex. 31:12-17 de scheppingsweek als onderbouwing gegeven voor het onderhouden van de wekelijkse sabbat. Ten vierde corresponderen de scheppingsgebeurtenissen niet met wetenschappelijke modellen van de ontwikkeling van de natuur.

Wat het tweede scheppingsverhaal betreft ontkent Paul wat al eeuwenlang in de bijbelwetenschap vaststaat, dat het om een andere schrijver uit een andere tijd met deels andere opvattingen zou gaan.
De naïveté van Paul wekt af en toe een glimlach van de lezer op. Zo weidt hij uit over de beroemde uitspraak die Adam doet nadat hij met een vrouw geconfronteerd wordt:
”Deze is eindelijk been van mijn beenderen,
en vlees van mijn vlees.
Deze zal mannin genoemd worden,
want uit de man is deze genomen.”

waarna de professor deze kostelijke uitspraak doet:
Paul schreef:Dit is een bijzondere uitroep met poëtische kenmerken als parallellisme, assonantie, woordspeling, en chiasme. Dat Adam vanaf het begin van zijn bestaan zulke taalkundige capaciteiten heeft, spreekt tegen de presentatie van hem als een primitief wezen, voorwetenschappelijk en onwetend. Zijn bijzondere vermogens had hij ook al getoond in het geven van namen aan de dieren.
We mogen hieruit concluderen dat Paul ook denkt dat deze grondlegger van de dichtkunst het bijbelse Hebreeuws sprak.
De behandeling van Genesis 2 sluit Paul af met de opmerking:
Paul schreef:De schepping van de mens uit de aarde en van Eva uit Adam vormen de duidelijkste inconsistentie tussen de bijbel en de opvatting dat de mens uit een dier is geëvolueerd.
Op hoofdstuk 3 aangekomen laat Paul weten dat het kwaad er opeens is:
Paul schreef:In de eerste zin van hoofdstuk 3 wordt de slang als eerste woord genoemd. Hij is er ineens: de oorsprong van het kwaad komt hier niet aan de orde, het kwaad is er en dringt Gods goede schepping binnen. We lezen hier niets over de schepping van de engelen en over de opstand van de satan en zijn engelen, maar deze zijn verondersteld. Zie 2 Petr. 2:4 en Jud. :6
Opnieuw worden we geconfronteerd met onhelder denken. Ten eerste is het volslagen onzin om te stellen dat de schrijver van Genesis 3 een opstand van engelen en een satan veronderstelt, aangezien satan in de Pentateuch eenvoudig nog niet bestaat. Die is in een veel latere tijdsperiode in de bijbelgodsdienst ingeslopen; een stukje syncretisme, overgenomen vanuit een andere religieuze cultuur. De schrijver van de tweede brief van Petrus en van Judas beroepen zich wat de val van engelen betreft in hun uitspraken bovendien op het boek van Henoch, een laat geschreven geschrift dat nooit erkend is als geïnspireerd maar als een verzameling fabels kan worden gekenschetst.
Ten tweede laat de professor opnieuw weten dat engelen tot Gods schepping behoren, terwijl hij ze tegelijkertijd als van buiten tot Gods goede schepping laat binnendringen. De redenaties kloppen eenvoudig niet.

De professor laat vervolgens weten dat het hele gebeuren van de zondeval letterlijk opgevat moet worden. Een sprekende slang is weliswaar ongewoon, maar niet zo ongewoon dat het nooit voorkomt. Ten slotte sprak de ezel van Bileam ook (Num. 22:28).
Wat Gods verbod betreft om niet van een bepaalde boom te eten krijgen we weer een moeilijk te verteren redenatie te horen:
Paul schreef:Het verbod roept de mens op te gehoorzamen, ook al kent hij de achterliggende gedachten niet. God voegt een dreiging toe: wanneer de mens daarvan eet, zal hij sterven. De schepper maakt van de mens geen marionet of robot; tot de schepping naar Gods beeld behoort ook het dragen van verantwoordelijkheid en de mogelijkheid keuzes te maken. De mens moet min of meer begrepen hebben wat de bedreiging ‘sterven’ inhield, waarschijnlijk door nadere toelichting.
Wat de laatste opmerking betreft moet Paul nu iets opperen wat in het geheel niet door de tekst wordt gesuggereert. In een wereld waar geen dood bestaat is het onmogelijk om de bedreiging te begrijpen. En indien de mens geen weet had van de achterliggende gedachte waarom een verbod goed was om te onderhouden, kan er geen sprake zijn van verantwoorde keuzes te maken. De slang laat juist overduidelijk zien dat God wél een marionette of robot op het oog heeft. Enkel de slang reikt argumenten aan op basis waarvan iets wel of niet gedaan zou moeten worden.

Het vervolg van het Genesisverhaal is al even absurd als het voorgaande: vanwege deze daad verandert de gehele schepping voorgoed. Een stukje onbegrijpelijke magie waar Paul geen moeite voor doet om er enige redelijkheid aan te geven.
Paul weet uiteraard nog veel meer absurditeiten te vermelden, zoals dat vanwege deze daad Eva met pijn zal baren en ondergeschikt aan de man zal zijn, God dieren slacht om de mens te kleden en cherubs vanaf nu met zigzaggend zwaard de toegang tot de tuin versperren.

Christenen zitten in een onmogelijk benarde positie. Terecht schrijft Paul dat de eerste drie hoofdstukken van Genesis fundamenteel zijn voor het bijbels geloof. Maar wil je recht doen aan dit begin van de bijbel dan moet je het ontstaan van de aarde en van de mensheid begrijpen op de manier van de professor, die voortdurend laat weten zich enkel aan te sluiten bij het klassieke scheppingsgeloof. Maar deze gang van zaken is voor een modern mens zo absurd geworden dat zelfs het overgrote deel van religieuze mensen deze verhalen eenvoudig geheel aan de kant heeft gezet en er enkel één zinnetje voor in de plaats heeft gezet: “Genesis 1-3 vertelt ons slechts dat God schiep en dat de zonde zijn intrede deed in de wereld.” Maar een serieuze gelover kan zich onmogelijk met dit jantje-van-leiden er van afmaken. Dan doet men eenvoudig de ogen dicht voor de absurditeit die van elke zin in het verhaal afdruipt. En op grond waarvan zou men geloof moeten schenken aan dat ene zinnetje dat men wil belijden?

Paul sluit af met het christelijke refrein van alle eeuwen: “Straks wordt afgerekend met de satan, ‘de oude slang’ (Openb. 12:9, 20:2,10) …gelovigen ontvangen het eeuwige leven…in het nieuwe Jeruzalem zullen ooit paradijselijke omstandigheden heersen.”
Wanneer het bijbelse begin onmogelijk gebeurd kan zijn is het even onmogelijk om zo’n toekomst serieus te nemen. Als men daar nog niet helemaal van overtuigd is moet men zich bedenken dat het boek Openbaring aan deze beloften ook toevoegt dat het spoedig gebeuren zal, hetgeen een leugen is gebleken. Indien het voor God mogelijk was de mens een bestendig paradijselijk bestaan te schenken dan had hij het de eerste keer gedaan. Aangezien hem dat toen niet lukte – desondanks dat alles goed was wat hij schiep - is er geen reden te denken dat het hem een volgende keer wel zal lukken. Slechts iemand die in een fantasiewereld leeft en niet om waarheid geeft kan hier gehoor aan geven en er hardnekkig in blijven geloven. Het is geen wonder dat de christenen in de VS vielen voor de oplichter en aartsleugenaar Trump. Voor opgelicht te willen worden moet men beschikken over een bepaalde dispositie.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 10 mar 2018 10:58

Hoofdstuk 7

Overige verwijzingen naar de schepping in het Oude Testament

Paul vervolgt met wat Genesis 4-9 vertelt. Hij vangt aan met de opmerking dat hij diverse malen kort zal ingaan op historische en wetenschappelijke vragen die de Genesistekst oproept. Al gauw wordt duidelijk dat men hiervan niet te veel moet verwachten. Een van de meest in het oog springende contradicties met wat de wetenschap meent te weten laat hij echter geheel onbesproken, alsof het probleem niet bestaat, namelijk het feit Genesis vanaf het eerste hoofdstuk landbouw en veeteelt als een vanzelfsprekendheid beschouwt, iets wat tot de scheppingsorde behoort en niet door de mens is uitgevonden. Zo worden de landdieren geschapen in drie soorten: het vee, de kruipende dieren en de wilde dieren, wordt de mens in een tuin geplaatst om die te bewerken, na de zondeval wordt het akkerland vervloekt zodat de taak van de landbouwer moeizamer wordt, en zijn de zonen van Adam landbouwer en veehoeder.

Genesis 4 komt ook met de eerste vermelding van de menselijke waanzin een dier te slachten als offer voor God. Op dit punt heeft Paul daarover niets te vermelden, maar later, wanneer hij het boek dat bij uitstek bij offerwaanzin behoort (Leviticus) bespreekt laat hij in een voetnoot weten: “Door de offers, waarvoor veel dieren gedood werden, konden mensen in de goede relatie tot God komen en ‘leven’.” Dit geeft weer wat de oermens en antieke mens dacht, maar geeft geen argument waarom zoiets op iets anders dan op primitieve waanvoorstellingen zou berusten.

Wat Genesis 6 betreft kan Paul de lezer niet helpen met wat de Genesisschrijver met “de zonen van God” bedoelde die gemeenschap hadden met “de dochters van mensen”. Als alternatief op hemelse wezens (engelen) stelt hij voor dat deze zonen van God nakomelingen van Seth zouden kunnen zijn en de dochters van mensen nakomelingen van Kaïn. De eerste groep zou godsvrezend zijn en de tweede niet. Een hopeloos gekunstelde uitleg, aangezien “dochters van mensen” onmogelijk naar iets anders kan verwijzen dan naar alle vrouwen die op aarde rondlopen. Maar hij is niet bereid om dan maar voor het enige andere alternatief dat alle eeuwen door aangeboden is te kiezen.
Op het zondvloedverhaal aangekomen houdt Paul zich uitgebreid bezig met de vraag of slechts van een regionale vloed sprake kan zijn. Hij houdt het op een wereldwijde vloed, waarbij hij de bergen van vóór de zondvloed meer dan een kopje kleiner maakt dan de huidige bergen, die tijdens en na de zondvloed zijn ontstaan, met behulp van tsunami’s, eb en vloed en verschuivingen van gehele continenten. Voor een wereldwijde vloed heeft hij bovendien nog argumenten van a tot n. Ik sla ze over, want erg moeilijk kan het zelfs voor een kind van zes niet zijn om op te merken dat de originele schrijver inderdaad een wereldwijde vloed in gedachten had.
Vreemd genoeg, - aangezien het de enige zaak was die mij in de tijd dat ik nog geloofde benauwde -, maar typisch voor hoe christenen met dit verhaal omgaan, laat Paul geheel de primitieve ethiek van de godheid onbesproken. God laat alle dieren en onschuldig pril mensenleven mede boeten voor zonden waar ze geen deel aan hadden. Onschuldige kleine kinderen die door God tot de verdrinkingsdood worden veroordeeld komen niet eens bij de professor op, en de eerstgenoemden worden afgedaan met de opmerking “In die straf delen ook de dieren”, zonder enige overdenking erachteraan wat betreft de redelijkheid ervan.

In hoofdstuk 10 aangekomen zit God weer met een mensheid die maar niet overeenkomstig de geboden van God wil leven. Ditmaal vertikken ze het in Lapland en Nieuw Zeeland te gaan wonen. “Blijkbaar zet de nieuwe mensheid de lijn van de oude mensheid voort”, concludeert Paul. De wijsheid die Mark Twain ooit opschreef wordt weer eens onderstreept:
Mark Twain schreef:Het was een zeer slecht volk. En aangezien Hij niet kon bedenken er wat beters van te maken zag Hij wijselijk in dat het beter was ze maar weg te vagen. Dit is het enige werkelijk verlichte en hoogverheven idee dat de Bijbel over Hem vermeldt, en het zou Zijn reputatie voor alle tijden hebben gewaarborgd indien Hij zijn woord maar gestand had gedaan. Maar Hij is altijd enigszins onstandvastig -behalve in de reclame voor Hem- en zijn goede voornemens bleven in gebrek. Hij schepte op over de mens. De mens was Zijn beste uitvinding en de mens was op de huisvlieg na het schepsel waar Hij het meest plezier aan had. De gedachte dat Hij er volledig afstand van zou moeten doen was onverdraaglijk voor Hem. Hij besloot daarom om een specimen van het menselijk ras in leven te laten en de rest te laten verdrinken. Niets is kenmerkender voor Hem. Het was Zijn plan er een half dozijn te redden en dan helemaal van voren af aan te beginnen. Hij was niet in staat te voorzien dat ze op den duur weer even verrot zouden zijn, want ook Zijn v erziendheid kan alleen in de reclame voor Hem aangetroffen worden. (Zie: http://www.kolumbus.fi/volwassengeloof/marktwain.htm )
Het ontstaan van de menselijke talen kan Paul zonder moeite aan een godswonder toeschrijven:
Paul schreef:Het ontstaan de de menselijke taal is één van de grootste raadsels in de huidige wetenschap. Er is geen duidelijke overgang van dierengeluiden naar de complexe menselijke talen, terwijl die er vanuit evolutionistisch standpunt wel zou moeten zijn.
Paul heeft bij deze opmerking ook nog een voetnoot waarin hij laat weten dat Juleon Schins het ontbreken en uitblijven van een darwinistische verklaring voor de oorsprong van talen als een indicatie beschouwt voor bovennatuurlijk ingrijpen. Dr. Juleon Schins is een senioronderzoeker opto-electronische materialen aan de Technische Universiteit te Delft, hetgeen blijkbaar kan gelden als expertise.
Het blijft een raadsel waarom Paul deze opmerkingen maakt, aangezien de mens in het Genesisverhaal al met een taal is uitgerust en het in Genesis 10 om het ontstaan van de talrijke verschillende talen gaat, iets wat wel degelijk door de wetenschap uitgelegd kan worden als een natuurlijke gang van zaken.

Paul komt een paar regels verder met nóg een voetnoot:
Het ontstaan van talen is vanuit evolutionair standpunt erg moeilijk te verklaren, mede omdat het vermogen te spreken samenhangt met de hersenen en de bouw van het strottenhoofd van de mens.
Maar dit is nog steeds volstrekt irrelevant wanneer de mensheid al over taal beschikt, maar men het verhaal bespreekt waar de mensheid op slag overgaat van het spreken van één enkele taal naar talrijke verschillende talen.

Taalverwarring is volgens Paul een goddelijk oordeel over de ongehoorzame mensheid. Ik vraag me af wat Paul antwoordt wanneer men hem vraagt of het aanleren van een globale voertaal een zondige bezigheid is.

Nu God ze via een godswonder allemaal verschillende talen laat spreken en zo het probleem van ongehoorzaamheid denkt op te lossen, blijft er voor Paul enkel nog één probleempje over. Gelukkig kan dit probleem ook met één zin en een voetnoot opgelost worden:
Paul schreef:De verschillen in rassen en huidskleuren lijken moeilijk in overeenstemming te brengen met de afkomst van één familie, maar de huidige kennis van de genetica biedt hiervoor mogelijke verklaringen.
waarna hij verwijst naar Don Batten Hoe bestaat het en Sarfati The Genesis Account.
Afzondering van groepen en klimatologische verschillen veroorzaken zoiets, maar of de korte tijd die hij daarvoor heeft volgens die boeken genoeg is laat Paul niet horen.

Paul stuit op nog een probleempje, waar hij van af komt via een zeer uitdagende oplossing die tegen alle wetenschappelijke bevindingen ingaat:
Paul schreef:Wanneer alle mensen afstammen van Noach en zijn gezin, is het aannemelijk dat de kennis van de ene God, de schepper van hemel en aarde, bekend bleef in het nageslacht.Deze kennis kan op den duur verwaterd zijn en vermengd met vele andere opvattingen. Voor de visie op de ontwikkeling van de godsdiensten betekent dit dat het monotheïsme (geloof in één God) aan het begin van de geschiedenis staat.
Om deze ongehoorde bewering af te handelen laat Paul weten dat Don Richardson in Eternity in their hearts en Winfried Corduan in Neighbouring Faiths: a Christian Introduction to World Religions dit van mening zijn. Uiteraard komen we niet te horen op basis waarvan de godsdienstwetenschap tot de omgekeerde conclusie is gekomen. Hier zien we ten overvloede hoe oppervlakkig het boek van Paul is als zoektocht naar waarheid.

Overigens dateert Paul de zondvloed op 3300 v.Chr. zodat letterlijk alles wat historici denken te kunnen zeggen over de geschiedenis ná dit tijdstip gedateerd moet worden. Paul laat horen: “Vanuit de archeologie zijn er sterke aanwijzingen voor het bestaan van culturen in Sumerië en Egypte rond 3000 v.Chr.” Dat klopt, hoewel de hoogcultuur van Sumerië al gedateerd wordt vanaf 3500 v.Chr., maar een kniesoor die hierover valt. Paul refereert hier echter aan wat in de geschiedwetenschap bekend staat als de periode van de grootste bloei van een cultuur (Egypte vanaf 3100 v.Chr., India vanaf 2500 v.Chr. en China vanaf 2200 v.Chr.), maar vanuit dezelfde archeologie zijn ook sterke aanwijzingen dat er in het Midden-Oosten al culturen bestonden ver vóór die tijd, zoals Jericho 9000 v.Chr. Byblos 5000 v.Chr., Damaskos en Aleppo 4300 v.Chr. Paul laat niet weten hoe hij die gegevens rijmt met zijn geloof in een wereldwijde vloed, net zoals we in het ongewisse blijven hoe Paul omgaat met archeologische vondsten van nog vele duizenden, - zelfs tienduizenden - jaren ouder. Ook stelt het onze goedgelovigheid op de proef om te kunnen denken dat er voor de overgang van een totale wereldbevolking van 8 mensen tot aan een bloeiperiode van nooit eerder geziene hoogculturen in verschillende delen van de wereld maar 300 jaar nodig was.

Paul snijdt ook nog een interessant tekstkritisch probleem aan: de getallen in geslachtsregisters van Genesis verschillen in de Septuaginta (Griekse vertaling) behoorlijk van de Masoretische (Hebreeuwse) grondtekst. Zozeer dat de zondvloed op grond van de Masoretische tekst 950 jaar later gedateerd moet worden. Wanneer men deze tekst als autoriteit aanhoudt botst men op een fatale manier met de archeologie. Maar Paul heeft ook een andere reden om aan de chronologie van de Septuaginta vast te houden:
Paul schreef:De lage getallen van de MT zijn pas vanaf de tweede eeuw na Christus bekend. Toen is het geschrift Seder Olam Rabbah ontstaan. Daarin is de chronologie bewust verkort (vooral de Perzische periode is veel te kort), zoals ook van Joodse kant wordt toegegeven. Dit heeft te maken met de berekening van de tijd waarin de Messias verwacht wordt, en het verschil van mening daarover met de christenen. Het is denkbaar dat toen ook de leeftijden in het boek Genesis bewust aangepast zijn. Dit kan niet bewezen worden, maar de vergelijking van de leeftijden in de verschillende tradities laat het patroon zien van het bewust hoger of lager maken van leeftijden, vaak met het getal honderd, wat er op wijst dat er niet zomaar overschrijffouten zijn gemaakt.
Vanwege welke reden zou de masoretische bijbeltekst bewust aangepast zijn? Een bijbeltekst bewust vervalsen is iets anders dan een willekeurige nieuwe tekst produceren met aangepaste getallen. De aanklacht is geen kleinigheid en geeft het vertrouwen in de betrouwbaarheid van de religieuze teksten een stevige knauw.
Ik ben gaan kijken op het internet om er meer over te lezen: https://hermeneutics.stackexchange.com/ ... fathers-at
Ene Dr. Saul Pressman komt met een autoratieve stem vertellen hoe het inelkaar zit:
Saul Pressman schreef:The Alexandrine Septuagint is the most reliable. It gives the birth of Adam as 5404 BC. The Flood is 3142 BC. The birth of Abraham in Urfa is 2142 BC. Exodus is 1453 BC. The Temple is started in 973 BC. It is destroyed in 586 BC. These dates are in alignment with both Egyptian and Sumerian chronologies, if you accept that Menes = Mizraim (as Manetho said) and that the Predynastic period of Sumerian history is an archaeological fantasy.
Is Pauls datering van de zondvloed op 3300 voor Christus en de hoogculturen van Egypte en Sumerië bijgevolg nu ook meteen een fantasie?

Pressman vervolgt:
Pressman schreef: There is no doubt that the ages of the Patriarchs were altered, and we can pin down the era it was done in. Josephus starts writing his second book about 90 AD, and the lengths of his Patriarchs' lives agree with the Septuagint (except for Lamech, where he inexplicably makes an error of 6 years. Since we have no original manuscript, only later copies in Latin, this error could have been introduced by the translator.)
After Josephus' time, the Patriarchs' length of life is altered. The latest date for this alteration is the end of the rebellion of Bar Kochvah 132 - 135 AD. This entire period is under the religious control of rabbi Akiva, and it is to him that the alterations must be attributed. The reason for the changes is simple: competition from the growing Christian sect, who were using the Torah and other texts to argue for the reality of Jesus' fulfillment of the prohecy for the coming of the messiah. The Book of Adam and Eve was current around this time and it specifically states that God tells Adam that he will send a redeemer after 5500 years. Since Adam was born in 5404 BC (according to the Septuagint (LXX), that makes Bar Kosiba the right age (born about 96 AD). Rabbi Akiva proclaims him the messiah, changes his name to Bar Kochva, and he goes on to lead a massive rebellion against the Romans, which succeeds in throwing them out of the country for nearly 3 years. The Jews rejoice, re-sanctify Jerusalem, print coins with Bar Kochva on them, etc. However the Romans are not so easily defeated, and they return with 7 legions under Severus and proceed to march across the countryside, burning all the towns and killing all the inhabitants, rather than fighting the potent Messianic army head-on. This tactic succeeds, and the Jews are defeated again, Jerusalem is razed again and the majority of surviving Jews expelled from Judea. Thus begins the Diaspora.
Trying to pull things back together, Rabbi Akiva and his surviving rabbinic group make the determination to prevent the use of the Torah to proclaim another messiah, and they do this by altering the recorded lengths of the lives of the Patriarchs. Therefore, there is no 5500 years to Bar Kochva anymore, and in fact, it will be hundreds of years before the messiah can come.
Een prachtige en redelijke uitleg van hoe de vork in de steel zit. Het apocriefe Boek van Adam en Eva zit hier achter! Iets wat Paul in zijn boek weglaat, omdat het laat zien hoe ongelooflijk bijgelovig de gelovigen uit de eerste eeuwen waren. Men beschouwde dit geschrift als gezaghebbend en liet zich dus zelfs oplichten met een overduidelijk vals geschrift. Hier kan men meer lezen over dit ludieke geschrift dat oorzaak werd voor het bewust vervalsen van de Hebreeuwse tekst. En hier kan men de tekst lezen.


Wat het Oude Testament hierna nog te vertellen heeft is voor het onderwerp in kwestie niet van wezenlijk belang. Zo heeft volgens het boek Spreuken God wijsheid gebruikt om deze wereld te maken, hetgeen natuurlijk geruststellend is, maar het feit dat zoiets vermeld moet worden kan ook gezien worden als behoorlijke reden tot verontrusting.

Misschien moet ik toch nog het boek Job vermelden, dat, zoals al eerder opgemerkt, kenmerken van een zeer primitief wereldbeeld vertoont, hetgeen Paul uitlegde als beeldspraak. Paul doet nu het omgekeerde. Hij richt de aandacht op de vermeldingen van de Behemoth (Job 40 vanaf vers 10) en de Leviathan Job 40:20.41:25). Terecht merkt Paul op dat de identificatie met nijlpaard en Egyptische krokodil niet opgaat. Volgens hem moeten de beschrijvingen letterlijk genomen worden; ze duiden op herinneringen aan dinosaurussen. Wat betreft de Leviathan gaat dat met pijn en moeite, aangezien die met letterlijk mythische eigenschappen wordt voorgesteld: hij kan vlammen en rook produceren! Maar Paul weet dat er nog steeds een bombardeerkever bestaat die een orgaan heeft dat in staat is bepaalde stoffen tot een steekvlam of ontploffing om te zetten. En Chinese vuurspuwende draken kunnen op een vroegere realiteit teruggaan!
Paul schreef:Voor hen die uitgaan van een letterlijke beschrijving van de schepping in Genesis 1-3, is het wel mogelijk dat dinosauriërs en mensen gelijktijdig geleefd hebben. Het is daarbij goed mogelijk dat een deel van deze dieren de zondvloed overleefd heeft.
Met een voetnoot erbij dat indien men het ongeloofwaardig vindt dat deze reusachtige beesten zich in de ark zouden bevinden, dit problem eenvoudig opgelost wordt door heel jonge dieren op te nemen.

Het wordt nóg mooier. In de Psalmen (74:13, 89:10,11) en in Jesaja (51:9) kan men bovendien nog horen dat God strijd heeft geleverd met Rahab, een vreselijke zeeslang. Dit komt overeen met wat buurlanden en de oorspronkelijke Kanaänitische cultuur ook van mening waren. Bijbelwetenschappers hebben daarom allang besloten dat de bijbel mythen bevat die stammen uit een nog veel oudere tijd dan Genesis 1, een tijd waarin het scheppen nog lang niet zo gemakkelijk was als ‘Hij sprak en het was’.
Om dit bijbelse probleem op te lossen roept Paul de hulp in van Johan Franke die in zijn boek Veelkoppige monsters laat weten dat de bijbelschrijvers inderdaad dit mythische material opnemen, maar ze zouden deze zaken begrepen hebben als mythe, en wilden enkel laten zien dat ze voor de Heere ‘speelgoed’ zijn. Meneer Gispen, ook heel wijs, vertelt ons dat er dichterlijke beschrijvingen van schepping en van de uittocht uit Egypte worden gegeven waar enkel gebruik is gemaakt van de mythen der omringende volken. Die moet men echter niet verwarren met de geschiedkundige beschrijvingen van schepping en uittocht, waarin juist getracht wordt de werkelijkheid te benaderen. “Wij moeten niet beginnen met de gegevens door elkaar te mengen en tot één geheel te verwerken.” De redeneringen overtuigen me niet. Zeggen dat draken enkel speelgoed zijn voor God heeft enkel zin wanneer men het heeft over werkelijk bestaande monsters, niet wanneer die beesten bij voorbaat al mythisch zijn.

Persoonlijk vind ik de opvatting van J.H.Kroeze (Strijd bij de schepping, 1962), die Paul ook voorbij laat gaan, de leukste. Hij meent dat de namen Rahab en Leviathan oorspronkelijk aan Israël zijn geopenbaard. Die originele openbaring Gods werd buiten Israël niet zuiver bewaard, maar is verworden tot mythische verhalen, mythen omtrent goden en drakenstrijd. Dat is zuivere koffie! Neem daar een voorbeeld aan, bijbelgelovers! Er heeft volgens Kroeze wel degelijk strijd bij de schepping plaatsgevonden, wat nog blijkt uit de woorden ‘woest en ledig’ en ‘duisternis lag op de vloed’, machten waartegen God het moest opnemen.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 25 mar 2018 08:23

Hoofdstuk 8 en 9 John Walton en Denis Alexander

Hoofdstuk 8 en 9 geven een uiteenzetting en evaluatie van de bijbeluitleg die de op dit moment bekendste christelijke evolutionisten voorstaan.
John Walton (1952) is (was) van beroep hoogleraar Oude Testament en Denis Alexander (1945) een biochemicus en even later in Pauls boek bioloog. Op het internet wordt laatstgenoemde ook omschreven als neuroscientist. Wie weet is hij het allemaal.
De invloed van beide schrijvers in christelijke kringen is groot. Walton kreeg in 2013 bovendien financiële vergoeding om zich zeven maanden lang te wijden aan 65 lezingen in de VS en 15 in andere landen, om theïstisch evolutionisme uit te dragen.

De hoofdstukken confronteren ons met het merkwaardige feit dat overal in de tegenwoordige gelovige wereld aangetroffen wordt: bijbelinterpretatie is een multiple choice test en alle antwoorden zijn goed.

Volgens bovengenoemde christenen staat het buiten kijf dat het evolutionistische wereldbeeld dat de wetenschap heeft ontsluierd correct is. Ook staat buiten kijf dat de bijbelschrijvers opvattingen hadden die onjuist zijn, zoals dat de aarde op pilaren rust. Volgens Walton wisten de Israëlieten niet dat de zon verder weg was dan de hoogvliegende vogels. En Alexander laat weten dat indien we de tijd dat het heelal bestaat vergelijken met een dag van 24 uur, de Cambrische explosie van leven (iets meer dan 500 miljoen jaar geleden) pas ’s avonds om 9.10 uur plaatsvond en mensachtigen op aarde pas twee minuten voor middernacht verschenen. De huidige mensheid deed pas drie seconden voor middernacht zijn intrede. De gedocumenteerde geschiedenis van de mensheid is minder dan een vijfde seconde. En 99% van alle diersoorten die ooit op aarde geleefd hebben is uitgestorven.
Mijn felicitaties aan beide heren voor zoveel inzicht. Tevens concludeer ik dat enkel deze gegevens al geloof in de bijbelgod volledig onmogelijk maken.

Maar deze twee schrijvers verzinnen vanalles om tot de omgekeerde conclusie te komen. Het is duidelijk dat zij Genesis 1-11 dan moeten lezen op een nieuwe manier, één die geen christen vóór 1800 ooit aangehangen heeft. Ook dit zou men een beslissend argument kunnen noemen om hun opvattingen meteen af te doen als ondeugdelijk.

Beide schrijvers zijn goochelaars.
Walton schrikt er niet voor terug om een basisbegrip als "scheppen" eenvoudig een andere betekenis te geven dan bijbeluitleggers ons sinds de derde eeuw voor Christus wijsgemaakt hebben. Uiteraard met een beroep op "de oosterse denkwijze was anders dan die van ons". Scheppen in Genesis 1 betekent niet het ontstaan van zaken, maar de inrichting van al bestaande zaken, het geven van taken aan deze zaken, het gereedmaken voor een doel dat God voor ogen heeft, namelijk de verering van God door de mens. En dit gebeurt keurig in zeven dagen van 24 uur in Genesis 1. Zo kan Walton het gehele evolutieproces laten plaatsvinden voordat de bijbel begint. Op de vraag waarom de bijbellezer van alle tijden het verkeerd begrepen heeft antwoordt hij dat het wereldbeeld van de oorspronkelijke bijbelschrijvers verloren is gegaan.

Bij evolutionistische bijbelgelovers komt natuurlijk altijd het probleem van de goedheid van de oorspronkelijke schepping ter sprake. En uiteraard kan het dilemma enkel opgelost worden door de betekenis van het woordje 'goed' af te zwakken totdat het ook dood, doodmaken, pijn, lijden, en het sloopproces van de veroudering omvat. In het Nederlands kan iemand goed gek zijn, dus zo men ziet is dat voor menige bijbelgelover geen probleem. Alexander voegt er nog pittig aan toe dat "zij die de realiteit van fysieke pijn, ziekte en dood voor de val ontkennen, zijn als struisvogels die hun kop in het zand steken." Dus ja, de gelovige wordt wel gedwongen om bovengenoemde zaken positief op te vatten, en een god die het bestaan met deze ingrediënten creëert goed te noemen.

Uiteraard komt Walton - die door een andere professor the Indiana Jones of biblical Lost Worlds-titel krijgt (verwijzing naar zijn boekenserie Lost Worlds) - aan met de kreet dat de vorm waarin de bijbelteksten geschreven zijn gescheiden dient te worden van de inhoud (de boodschap). De eerste is tijdgebonden (kan dus onwaar zijn), maar de tweede is onveranderlijk en waar. Walton blijft zelfs rondlopen met de beroemde fundamentalistische term inerrancy (foutloosheid)! Als men maar de befaamde vergelijking in het hoofd houdt dat de bijbelse vertelkunst niet gelezen moet worden alsof het een foto weergeeft, maar het benadert alsof het om een schilderij gaat.

Het eerste hoofdstuk van de bijbel geeft volgens Walton een verhaal waarin God een allang bestaande wereld gaat inrichten als een tempel, een kosmisch heiligdom. Oftewel het dient gelezen te worden als een inwijdingsceremonie. Wat het vervolg betreft, Adam en Eva zijn historische figuren, maar niet de voorouders van alle mensen, ook geen stamhoofden. Het zijn twee individuen door God als priesters uitverkozen, aangesteld om te bemiddelen tussen de wereld en God zelf. Walton meent ze zelfs te kunnen dateren op "waarschijnlijk circa 150.000 jaar geleden" (dwz. in het jaar van het bestaan dat 8766 uren bevat nadat 8765 uur verstreken is). En het paradijs is zoals gezegd de heilige ruimte, gelijk de latere tempel, waar gemeenschap met God aanwezig is. "De buitenwereld is niet slecht, maar ongeordend, zonder funktie". De lezer die van rekenen houdt vraagt zich af hoe God 99,99% van de tijd van het bestaan geen funktie gaf aan de schepping.
"Vanuit deze buitenwereld dringt de slang (die niet 'slecht' genoemd wordt) binnen en zaait twijfel." Hoe letterlijk deze slang genomen moet worden krijgen we niet te weten. De lezer wordt enkel geconfronteerd met een theologische praatje: "De slang vertegenwoordigt ongehoorzaamheid en verleiding en symboliseert daarmee 'het kwaad'. De zonde van Adam en Eva bestaat hieruit dat zij zichzelf tot bron van wijsheid en tot centrum van orde maken. Daarmee worden alle verhoudingen aangetast en raakt Gods schepping uit balans." Wat dat "uit balans zijn" precies betekent, oftewel hoe een daad van twee mensen de gehele schepping voor alle tijden aantast blijft een duister punt:
Paul schreef:Adam en Eva zijn volgens Walton zowel historische figuren als archetypen. Zij zijn vertegenwoordigers van de mensheid: wat voor hen geldt, geldt voor ons allemaal.
Volgens mij heeft dat laatste meer met onbegrijpelijk magisch denken te maken dan met een gezonde redenering. "Zowel historisch als ook archetypisch" is van twee walletjes die elkaar uitsluiten willen eten. Dat alle verhoudingen uit balans raken is des te moeilijker te vatten wanneer men Walton nog hoort zeggen dat de mens (en al wat leeft) vanaf het begin al sterfelijk was, en pijn en lijden bij het bestaan horen. Hij grijpt daarbij met beide handen het feit aan dat Genesis de mensheid niet bestempelt als 'gevallen'. Wat men vanouds 'de zondeval' heeft genoemd was volgens Walton niet de zondige daad op zich, maar een verbroken relatie met God, oftewel overtreding vindt pas plaats wanneer men aansprakelijk is geworden. Men kan moeilijk de gedachte ontlopen dat het in dat geval maar jammer is dat God contact zocht met de mens, want blijkbaar waren alle verhoudingen in Gods schepping voordat Hij zich met de mens begon te bemoeien helemaal in balans.

Denis Alexander houdt het erop dat Adam en Eva neolitische boeren waren, die zo’n achtduizend jaar geleden leefden. "In zijn genade koos God dit echtpaar uit om een relatie met hen aan te gaan. Ze kregen van hem een speciale positie in de schepping. Zo werden zij de eerste mensen die geestelijk met God leefden. De uitverkoren homo divinus leefde onder tenminste een miljoen andere homines sapientes en was een soort verbondshoofd (federal headship), zodat met de val van Adam de gehele mensheid viel." Mij ontgaat nog steeds het verband tussen deze gebeurtenis en de gevolgen, en ben nu op het punt gekomen dat ik met de grootste tegenzin deze bespreking vervolg. Het schiet me te binnen dat ik me niet kan herinneren wanneer ik ooit zoveel werk stak in het bespreken van volslagen dwaze verhalen en zienswijzen. Dat er mensen zijn die hun hele leven wijden aan het verzinnen van en verdedigen van zoveel pertinente onzin is mij een raadsel.

Paul valt het niet moeilijk met gedegen kritiek aan te komen wanneer het theïstische evolutionisten betreft:
Paul schreef:Volgens de evolutietheorie is de mens een laatkomer op aarde. Bij Alexander is 99 procent van alle dieren reeds uitgestorven voordat de mens als ’nakomertje’ op het toneel verschijnt. Wat heeft de taak van de mens (verbonden met het beeld van God) dan voorgesteld?
Nu vraag ik me af hoe Paul reageert op kritiek van dezelfde soort op zijn geloof wanneer een atheïst uitspreekt: "Volgens het christelijk geloof is God begaan met de wereld, en wil hij dat iedereen behouden wordt. Waarom heeft hij zich dan sinds Adam en Eva altijd enkel beziggehouden met ’uitverkorenen’ en heeft hij het overgrote merendeel van alle mensen die ooit geleefd hebben geheel links laten liggen? Wat heeft die zogenaamde liefde van God voor de mens dan voorgesteld?"

Een bladzijde verder vult Paul zijn kritiek nog aan met:
Paul schreef:Volgens Alexander waren Adam en Eva de eerste mensen die met God leefden. Er bestonden al andere religieuze overtuigingen voor die tijd, omdat mensen in verschillende delen van de wereld naar God of goden zochten. Zij gaven hun eigen verklaringen voor de betekenis van hun leven, maar de homo divinus markeert de tijd waarop God zichzelf voor het eerst openbaarde.
Hoe moeten we dit standpunt van Alexander waarderen? Het houdt in dat mensen naar God of goden zochten, maar die niet konden kennen, want God had zich nog niet geopenbaard. Wat kunnen zij er aan doen dat zij de ware God niet hebben leren kennen? De nadruk komt dan meer op de onmacht dan op de schuld van de mensheid liggen [waar Paulus over spreekt].
Hiermee scoort Paul een punt voor christenen onder mekaar. Maar Alexanders opmerking dat de mens uit oertijden overal op aarde op eigen houtje zijn eigen religie uitvond impliceert dat religie de neerslag is van menselijke waan en fantasieën. Op de vraag van een ongelovige waarom het bijbelse geloof niet eveneens onderdeel hiervan uitmaakt gaan Alexander en Paul niet in.
Deze tunnelvisie (enkel in gesprek met verschillende christelijke visies) komt voor een atheïst soms storend over. Zo laat Paul bij zijn evaluatie horen:
Paul schreef:Het valt te waarderen dat Alexander duidelijk voor zijn geloof in God uitkomt en dat hij de bijbel als het woord van God aanvaardt.
Een atheïst zoals ik kan moeilijk de gedachte ontlopen dat Paul bijgevolg geen waardering heeft voor duidelijk uitgesproken atheïstische zienswijzen wat God en bijbel betreft, al begrijp ik wel dat Paul dat niet bedoelt te zeggen. Hij staat bij dit scenario eenvoudig niet stil. Het is buiten zijn gezichtsveld.

Walton en Alexander interpreteren het zondvloedverhaal als een locale overstroming. Hyperbolische taalstijl komt hier te hulp als argument. Vreemd dat men aan de ene kant naar redelijkheid zoekt, maar aan de andere kant – net als in het Adam en Eva verhaal – het verhaal toch ook deels beschouwt als zou het een weergave zijn van historische gebeurtenissen. Men deinst terug voor de geheel mythische interpretatie. Eén reden is dat de bijbel op talloze punten geloof verbindt aan historische gebeurtenissen. In het Oude Testament de mythe van een uittocht uit Egypte en goddelijke wetgeving die als een serie van buitengewone wonderbaarlijkheden beschreven wordt en in het Nieuwe Testament het meest centrale christelijke geloofspunt: de mythische opstanding en hemelvaart van Jezus. Toegeven aan het mythische resulteert in een omslag in het religieuze denken dat niet ver verwijderd is van een omslag naar atheïsme. Alexander laat horen dat een mythische interpretatie teveel de geschiedenis loslaat, en in het bijzonder geen ruimte laat voor een historische zondeval. Maar tezelfdertijd laten de evolutionistische bijbelvorsers weten dat er helemaal geen sprake is van een zondeval in Genesis, zoals dat in het historische christendom werd opgevat. Het is moeilijk om wijs te worden uit al deze redeneringen.

Paul betreffende Alexanders boek schreef:een naschrift vat de resultaten samen. Een evolutionaire geschiedenis is perfect consistent met de Scheppergod die in de bijbel geopenbaard is.
Geconfronteerd met zo'n uitspraak zie ik mij genoodzaakt om uit twee alternatieven te kiezen: ofwel deze aanhanger van evolutionistisch bijbelgeloof is warhoofdig, ofwel ronduit een bedrieger. Maar de beweegreden om tot zo'n onverantwoorde uitspraak te komen kan ik wel begrijpen, want Paul laat er op volgen wat Alexander er direct achteraan zegt:
Paul blijkbaar Alexander citerend schreef:Christenen die de evolutietheorie aanvallen, brengen het evangelie in discrediet door intellectuele barrières voor wetenschappers op te werpen. Laten zij hun geld en energie steken in het goeddoen aan de naaste en aan de schepping.
Hoe begrijpelijk deze redenatie ook is, "de juiste leer" versus "valse leringen" is nu eenmaal iets wat essentieel en vanaf de eerste jaren dat het ontstond tot het christelijk geloof behoort. Hoezeer een apologeet zich ook behelpt met propaganda, het is irrelevant in een discussie waar waarheidsvragen centraal staan.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 06 mei 2018 07:27

Hoofdstuk 10 Schepping en zondvloed in het Nieuwe Testament

Paul geeft in dit hoofdstuk een overzicht van de verwijzingen in het Nieuwe Testament naar de eerste hoofdstukken van de bijbel. Heel wat verwijzingen zijn nogal ambigieus wat betreft de consequenties die men eruit kan trekken, en sla ik daarom over. Daarna blijft er echter nog een behoorlijk aantal uitspraken over waaruit men kan opmaken dat de nieuw-testamentische schrijvers de eerste hoofdstukken van de bijbel beschouwden als historie:

-Lukas geeft in het derde hoofdstuk een stamboom van Jezus die teruggaat tot op Adam op deze manier: ”…de zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van Adam, de zoon van God.” Hieruit kan men concluderen dat Lukas Adam zag als het directe resultaat van Gods scheppingswerk.

-Uit de evangeliën blijkt dat Jezus Adam en Eva beschouwt als het eerste mensenpaar. Dit blijkt uit zijn opmerking betreffende echtscheiding waar hij naar Adam en Eva verwijst.

-In Lukas 11:50-51 verwijst Jezus naar de moord op Abel, en in Lukas 17:26, 27 en Mt. 24:37-39 verwijst hij naar het verhaal over Noach.

-In de Romeinenbrief is de beroemde redenering van Paulus te vinden waar hij de parallel trekt tussen Adam en Christus (hoofdstuk 5). Paulus merkt op dat de zonde door één mens in de wereld is gekomen, en als gevolg daarvan de dood. Evolutionistische gelovigen zijn genoodzaakt om de verwijzing naar de dood te interpreteren alsof Paulus het hier over de geestelijke dood heeft. Deze uitleg is zeer geforceerd.
-In de eerste Korintebrief (hoofdstuk 11) geeft Paulus aan dat hij het Genesisverhaal over de schepping van Eva letterlijk neemt: ”De man is immers niet uit de vrouw, maar de vrouw is uit de man”, een verwijzing naar Genesis 2:21-23. Paulus merkt op dat de man niet geschapen is voor de vrouw, maar andersom.
In de tweede Korintebrief verwijst Paulus naar de verleiding van Eva (2 Kor. 11:3).

-De eerste Petrusbrief verwijst naar het zondvloedverhaal.

Terecht wijst Paul erop dat wie van de letterlijke (historische) interpretatie wil afwijken genoodzaakt is om onderscheid te maken tussen uitspraken van Jezus: gezaghebbend over geloofszaken, maar niet gezaghebbend over het verleden, waarbij het laatste door externe factoren bepaald wordt. Deze positie tast wezenlijk de geloofwaardigheid van het religieuze geloof aan.

Paul besteedt een aparte paragraaf aan de bespreking van het feit dat het Nieuwe Testament het scheppen van de wereld toeschrijft aan Christus (Joh. 1:1-3, 1 Kor. 8:6, Kol. 1:16, Hebr. 1:2). Ik heb het altijd interessant gevonden om erachter te komen hoe deze eigenaardige gedachte ontstaan is, aangezien de lezer van het Nieuwe Testament de basis voor deze bewering nergens verteld wordt en het idee dat men de messias (of wie of wat dan ook) gelijk kan stellen aan God zelf volkomen indruist tegen de oudtestamentische godsdienst. Het heeft te maken met de invloed van hellenistisch-filosofisch (neoplatonistisch) denken op de joodse godsdienst. De godheid werd in dit filosofische denken beschouwd als te perfect en verheven om direct met het aardse in contact te zijn. Daarom bedacht men één of meer 'emanaties' die als tussenstations dienden. In geheel uitgewerkte vorm resulteerde dit in het gnosticisme.
Dit idee van Christus als schepper zette de christelijke theologie ook aan tot het produceren van malle leringen aangaande de godheid, waar men God uitroept als één in drie en drie in één.
Aangezien deze christelijke opvatting een bizarre verkrachting is van wat het Oude testament laat horen heeft het christelijk geloof geen enkele relevantie voor de interpretatie van de eerste hoofdstukken van Genesis.
Men kan zich natuurlijk ook afvragen op welke grond loze beweringen van nieuwtestamentische schrijvers überhaupt een argument kunnen zijn tegen op wetenschappelijke gronden gedane uitspraken. Op grond van dat een gelovige zo graag wil geloven in wat een andere gelovige ooit bijna 2000 jaar geleden verzon?
Aangezien Pauls boek enkel bestemd is voor christelijke lezers en hij zich met een wezenlijke zaak als criteria voor geloofwaardigheid van geloofsuitspraken niet bezighoudt, merkt hij op dat het darwiniaanse evolutiemechanisme (”survival of the fittest”) in strijd is met wat men in de evangeliën kan leren over het karakter van Christus. Jezus sprak de armen en zwakken zalig, en identificeert zich met de arme, de naakte, de hongerige, de vreemdeling, de zieke. Waarmee hij een punt scoort tegen gelovige evolutionisten.

Al even dubieus is dat hij de pseudepigrafen (op valse naam geproduceerde geschriften) nog op tafel legt als argument om te laten zien dat men kort voor en tijdens de periode van het Nieuwe Testament uitging van de historiciteit van de eerste hoofdstukken van Genesis.
Paul schreef:De pseudepigrafen hebben allerlei toevoegingen ten opzichte van de tekst van Genesis, maar zij gaan wel uit van de correcte beschrijving van de historiciteit van de daar genoemde gebeurtenissen. Dit betreft de schepping van de mens en ook de zondeval met allerlei gevolgen voor mens en dier. Die kern van de uitspraken bevestigt de eerdere conclusie vanuit het Nieuwe Testament.
Paul verwijst hier naar joodse geschriften als Jubileeën, waar melding wordt gemaakt van de schepping van engelen op de eerste dag, en verteld wordt dat God Adam met de dieren liet kennis maken gedurende zes dagen van de tweede week, en de schepping van Eva aan het eind van die week plaatsvond, waar verteld wordt dat Kaïn zijn zuster Awan tot vrouw nam en Seth zijn zuster Azure; naar 4 Ezra, waar men dezelfde theologie tegenkomt als in Paulus: ”O, Adam, wat heb je gedaan? Want hoewel jij het was die zondigde, was de val niet alleen van jou, maar ook van ons die jouw nakomelingen zijn. Want wat voor goed is het ons dat ons een eeuwig leven beloofd is, maar dat we daden gedaan hebben die de dood brengen.” , naar 2 Baruch, waar we alweer deze theologie kunnen lezen: ”O Adam, wat deed je aan allen die na jou geboren zijn?”, en naar een geschrift genaamd het Leven van Adam en Eva, waar een kinderachtig verhaal staat over Seth die door een dier werd aangevallen waarna Eva een behoorlijk filosofisch gesprek heeft met dat dier waarin ze door het wilde dier beschuldigd waordt van het eten van de vrucht, waardoor de natuur van dieren veranderde…

We zijn helemaal overtuigd dat de lezers uit de oudheid geen moeite hadden met letterlijk geloven wat deze geschriften vertelden, maar Paul schenkt er geen aandacht aan dat de pseudepigrafen eveneens verklappen met welk een gemak nieuwe religieuze verzinsels in de hellenistische tijd door gelovigen werden verzonnen en door velen verorberd als "heilige teksten". Zoals de beter geïnformeerde lezer weet strekt pseudepigrafie zich ook uit tot binnen het Nieuwe Testament. Geconfronteerd met deze grote mate van intellectuele oneerlijkheid en religieuze goedgelovigheid, en bijzonder zwakke basis voor beweringen die het christelijk geloof doet, waar denkt de gelovige geloofwaardigheid vandaan te halen wanneer hij/zij de wetenschappelijke evolutietheorie aanklaagt als ondeugdelijk?
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 06 jun 2018 10:24

Hoofdstuk 11

Charles Darwin: ontstaan en uitwerking van zijn evolutietheorie

Dit is voor mij het interessantste hoofdstuk in het boek van Paul tot nu toe. We krijgen een hoop wetenswaardigheden te horen over de ontwikkeling in Darwins denken gedurende zijn leven. De reden waarom Paul dit hoofdstuk voorbij laat gaan is hierin gelegen dat hij ermee wil aantonen dat de evolutietheorie deels voortvloeit uit de levensbeschouwing van Darwin en zijn tijdgenoten. Of dit gegeven de gelovige helpt is maar de vraag. Het zwaard snijdt namelijk aan twee kanten, maar altijd in grotere mate naarmate levensbeschouwing bij iemand een grote rol speelt. Oftewel het argument dat levensbeschouwing de wetenschappelijke benadering in de weg kan zitten of kan kleuren geldt vooral de overtuigd religieus gelovige. Bovendien moet niet worden vergeten dat religieuze overtuiging in onze cultuur als uitgangspunt gold, en een zienswijze die daar tegenin ging dus een zware opwaartse helling had om geaccepteerd te worden. Enkel een overweldigende hoeveelheid of zeer overtuigend bewijsmateriaal zou een ommekeer in het denken teweeg kunnen brengen.
Overigens is het niet mijn bedoeling om te ontkennen dat de wetenschap steeds ook beïnvloed wordt door het subjectieve. Ook daar waar men streeft naar zo objectief mogelijke verwerking en behandeling van gegevens ligt het subjectieve steeds op de loer. Mensen zijn nu eenmaal menselijk en hebben overtuigingen. En het sluipt overal en alles wat we doen binnen. Vandaag werd het geïllustreerd in de plaatselijke krant die ik lees. Daar stond een interview met een journaliste die haar 70-ste verjaardag viert. Ze kijkt terug op haar lange loopbaan en spreekt uit dat als een rode draad gedurende haar gehele carrière de gedachte aanwezig is geweest dat ze iets positiefs wil bijdragen aan de maatschappij, en daarom vaak bewust positief nieuws heeft opgezocht. En ook dat ze ervan bewust was dat een zo sober mogelijke opsomming van de feiten nooit de aandacht van de lezer kon trekken en zij daarom ieder artikel altijd aanvulde met "het menselijke".
Soms heeft men op (zogenaamd) wetenschappelijke basis conclusies getrokken die later herroepen moesten worden omdat ze duidelijk het resultaat waren van culturele of levensbeschouwelijke vooringenomenheid. Een beschamend voorbeeld is de wetenschappelijke rassenleer uit de 18e, 19e en vroeg 20ste eeuw, een buitengewoon interessant en leerzaam studieonderwerp, waar zelfs een Nederlandse wetenschapper (Pieter Camper) ook een grote rol in heeft gespeeld. Echter een niet gering lichtpuntje in deze zaak is het feit dat de wetenschappelijke methode in zich bergt haar eigen misstappen uiteindelijk aan het licht te brengen en te corrigeren. Deze kwaliteit houdt aan de andere kant in dat hoe langer een wetenschappelijke theorie stand houdt – vooral wanneer ze zoals in het geval van de evolutietheorie, constant onderzocht, uitgedaagd, bekritiseerd of tegengestaan wordt -, des te meer men erop kan vertrouwen.

Darwin begon als student medicijnen in Edinburgh. Zijn studie schoot niet erg op en na verloop van tijd maakte hij – blijkbaar ook op aandringen van zijn vader - de overstap naar Theologie in Cambridge. Zijn interesse voor natuurwetenschappelijke zaken bleven hem echter bezighouden, en deed hem besluiten om op het schip de Beagle mee te gaan voor een vijf jaar durende reis, gedurende welke hij de twee delen van Principles of Geology van Charles Lyell grondig bestudeerde.
Ik stuit vervolgens op een passage die mijn wenkbrouwen doet fronsen. Nadat Paul vermeldt dat hij op dertigjarige leeftijd trouwde met Emma Wedgwood, die hem tien kinderen schonk, waarvan twee zeer jong overleden, komt deze passage:
Paul schreef:Hij was financieel onafhankelijk en hoefde geen betaald werk te verrichten. Daardoor had hij veel tijd voor onderzoek en correspondentie. Door allerlei ziekten werd hij echter steeds meer belemmerd in zijn functioneren en was hij aan huis gebonden. De precieze aard van zijn ziekten is niet helemaal duidelijk, maar voor een deel waren ze psychisch van aard. Het is mogelijk dat deze ziekten samenhingen met het besef van de consequenties van zijn theorieën, vooral ten aanzien van het geloof in God.
De verzameling van klachten waaraan Darwin leed hebben nooit een diagnose gekregen: https://en.wikipedia.org/wiki/Health_of_Charles_Darwin
Voor de bewering dat deze ziekten deels psychisch waren krijgt de lezer een voetnoot:
Paul schreef:Huidige onderzoekers denken o.a. aan Agoraphobia en psychoneurosis, Bergman, The Dark Side of Darwin.
"Huidige onderzoekers"? Ik zie enkel een verwijzing naar één boek, een boek van Jerry Bergman dat men onmogelijk een sobere studie kan noemen. De schrijver is een bekende propagandist voor creationisme die de evolutietheorie "The greatest deception in history" noemt, en Darwin beschuldigt van "attempting to prove his so-called scientific beliefs, and his plot to "murder God" by challenging the then-dominant biblical worldview." Andere titels van deze schrijver spreken boekdelen: Silencing the Darwin Dissents, Hitler and the Nazi Darwinian Worldview, Censoring the Darwin Dissents, Slaughter of the Darwin Dissents.
Voorts is het enige wat aangeboden wordt door Bergman agorafobia en psychoneurosis. Beide zaken zijn "minor mental disorders" en geen ziekten. Paul had een verwijzing naar deze schrijver eenvoudig weg moeten laten. Het hierboven vermelde Wikipedia-artikel laat weten dat experts tenminste 20 verschillende diagnoses hebben gemaakt waaraan Darwins ziekte(n) mogelijkerwijze te wijten zou kunnen zijn.

Dat Darwin langdurige psychische benauwdheid ondervond van het verliezen van zijn orthodox-christelijke geloof is natuurlijk zeer waarschijnlijk. Niemand die zijn oprechte vroomheid heeft verloren heeft dit zonder een periode van psychische spanning gedaan. In het Victoriaanse tijdperk zal het nog behoorlijk benauwender geweest zijn.
De redenen en manier waarop Darwin zijn orthodox-christelijke geloof verloor zijn overigens geheel gelijk aan wat miljoenen christelijk opgevoede mensen die zijn gaan studeren hebben ondervonden:
Paul schreef:Hij studeerde aan de universiteiten van Edinburgh en Cambridge; daar kwam hij in aanraking met het historisch-kritische denken. Op den duur ging hij twijfelen aan de wonderen in de bijbel en zag hij ook steeds meer tegenstrijdigheden in de evangeliën. Toch ging hij in de tijd van zijn reis met de Beagle nog steeds uit van het morele gezag van de bijbel. Langzamerhand kwamen er echter steeds meer twijfels en uiteindelijk volgde de verwerping van de bijbel. In zijn autobiografie staat: "Aan boord van de Beagle was ik nogal orthodox, en ik herinner me dat ik hartelijk werd uitgelachen door een aantal officieren (hoewel die zelf orthodox waren) toen ik de bijbel aanhaalde als onweerlegbare autoriteit op het gebied van een of andere morele kwestie. Ik denk dat het het ongewone van de redenering was dat hen amuseerde. Maar geleidelijk was ik gaan inzien dat het Oude Testament – met zijn duidelijk misleidende wereldgeschiedenis, de Toren van Babel, de regenboog als een wonder, enzovoort, enzovoort en het aan God toeschrijven van gevoelens van een wraakzuchtige tiran – niet betrouwbaarder was dan de heilige boeken van de Hindoes, of de overtuigingen van welke barbaar dan ook." Charles verwerpt hier de bijbelse beschrijving van het verloop van de geschiedenis, zeker ook van enige gebeurtenissen die in het boek Genesis beschreven staan. Bovendien kan hij blijkbaar niet uit de voeten met de goddelijke vergelding zoals die in de bijbel naar voren komt. En wat de wonderen betreft schrijft hij: "Hoe meer we weten van de onveranderlijke natuurwetten, des te ongeloofwaardiger de wonderen worden". Ook zijn er volgens hem te grote verschillen tussen de evangeliën om deze betrouwbaar te laten zijn als verslagen van ooggetuigen.
De kritiek die Darwin hier geeft op het christelijke geloof kan gelden als synopsis van waarom miljoenen pakweg de laatste tweehonderd jaar vervreemd zijn van dat geloof. Iedere nieuwe generatie christelijk opgevoedde jongelui krijgt een kater van deze aangestipte zaken, zodra men als jong volwassene zich in talloze geloofszaken verdiept en wetenschappelijk geschoold wordt.
In zijn autobiografie laat Darwin weten dat het verlies van zijn geloof een langzaam proces was. Darwin laat tot mijn vreugde nog weten dat één van de doorslaggevende zaken om het christelijk geloof te verwerpen het geloof in helstraf was, een passage (vanaf het woordje "voelde") die door toedoen van zijn echtgenote Emma Darwin werd weggelaten in de eerste editie van De autobiografie:

"Dus langzaam maar zeker sloop het ongeloof bij mij binnen, tot het uiteindelijk totaal was. Het ging zo geleidelijk dat ik geen verdriet voelde, en ik heb er sindsdien nooit één enkele seconde aan getwijfeld dat mijn conclusie juist was. Ik kan in feite nauwelijks begrijpen dat iemand zou wensen dat het christendom de waarheid vertelt, want zo ja, dan laat de onverbloemde taal van de bijbeltekst zien dat mensen die niet geloven, waaronder mijn vader, mijn broer en bijna al mijn vrienden, eeuwigdurend gestraft zullen worden. En dit is een weerzinwekkende doctrine."
Paul schreef:Hier geeft Darwin blijk van een diepe overtuiging die van grote invloed is geweest op zijn leven en werk.
Ja, en? De onuitgesproken maar duidelijk voelbare insinuatie is dat Darwin zijn evolutieleer ontwikkelde om maar van de christelijke God af te komen, terwijl de enige gezonde conclusie die men hier kan trekken slechts is dat Darwin hier blijk geeft van een hoogwaardige humaniteit die bij orthodoxe christenen niet te vinden is.
Overigens duurde het niet lang voordat dit religieuze argument al in duidelijke bewoordingen werd uitgesproken. Paul laat horen dat de geoloog Sedgwick amper twee maanden na publikatie van Darwins boek aan Darwin schreef:
"Het [boek] lijkt de deur toe te sluiten voor elke visie (hoe zwak ook) op de God van de Natuur zoals aantoonbaar uit Zijn werken. Van begin tot eind is het een schotel onvervalst materialisme, knap gekookt en opgediend. (…) En waarom is dit gedaan? Om geen andere solide reden, dat weet ik zeker, dan om ons onafhankelijk te maken van een Schepper."

Darwin kwam echter nooit op het punt zich atheïst te noemen. In zijn autobiografie schrijft hij:
"In mijn meest extreme schommelingen ben ik nooit een atheïst geweest in de zin van het ontkennen van het bestaan van een God. – In het algemeen denk ik (en meer en meer naarmate ik ouder word) maar niet altijd, dat een agnost de meest correcte beschrijving van mijn denkwijze is."
Wat betreft het bestaan van een God schijnt Darwin zijn leven lang maar hebben zitten te dubben. Aan de ene kant schrijft hij in zijn autobiografie dat het moeilijk is aan te nemen dat het immense en grootse universum en het vermogen van mensen om in het verleden en in de toekomst te kijken, het resultaat zouden zijn van blind toeval, hetgeen voor het bestaan van een schepper met een intelligente geest zou pleiten. Maar aan de andere kant schrijft hij aan Asa Gray:

"Er is mij te veel ellende in de wereld. Ik kan mijzelf niet overtuigen dat een weldadige en almachtige God de sluipwespen geschapen heeft met de uitdrukkelijke bedoeling dat zij zich voeden binnen de levende lichamen van rupsen of dat een kat met muizen zou spelen."

Net als miljoenen anderen die hun geloof hebben verloren komt bij hem ook deze gedachte boven:
"Evenmin moeten we de mogelijkheid over het hoofd zien, dat de constante inprenting van een geloof in God een zo sterke en misschien erfelijke invloed uitoefent op de nog onvolledig ontwikkelde hersenen van kinderen, dat het zich bevrijden van het geloof in God even moeilijk voor hen zou kunnen zijn als het voor een aap is zich te bevrijden van zijn instinctieve angst en afkeer voor een slang."

Wat betreft theïstische evolutie had Darwin echter een uitgesproken mening:
"Ik zou absoluut niets geven voor de theorie van natuurlijke selectie, als die wonderlijke toevoegingen nodig heeft in enig stadium van ontstaan."

Paul somt de relatie van Darwin tot religieus geloof als volgt op:
Paul schreef:Hij nam nadrukkelijk afstand van de bijbel en van het christelijk geloof. Toch was hij geen uitgesproken atheïst en soms neigde hij naar het aannemen van het bestaan van een god als een eerste oorzaak. In wetenschappelijk opzicht was hij methodologisch naturalist. Ten aanzien van het geloof in een schepper was hij onzeker en hij verdedigde niet het metafysisch naturalisme. Nigel Williams schrijft terecht dat Darwin het sterkste argument dat er in de negentiende eeuw nog was voor het bestaan van een god, het ontwerpargument, heeft vernietigd.
Wat betreft de wetenschappelijke opvattingen van Darwin krijgt de lezer interessante zaken te horen. Paul wijst er allereerst op dat zowel het woordje evolutie (hetgeen vooruitgang aanduidt) als de gevleugelde frase survival of the fittest door de filosoof Herbert Spencer zijn bedacht, en pas later door Darwin zijn overgenomen. In eerste instantie gebruikte Darwin de termen "tansmutatie" en "geleidelijk ontwikkeld" (evolved) en "strijd om het leven".
In zijn latere De afstamming van de mens krijgen we prachtige voorbeelden van hoe beweringen die voor wetenschappelijk doorgaan er naast kunnen zitten. Darwin maakt onderscheid tussen ”barbaarse/wilde/lagere” soorten of rassen en ”beschaafde/hogere” soorten. Zijn verwachting is: ”In een toekomstig tijdperk, niet zo heel ver verwijderd, gemeten in eeuwen, zullen de beschaafde mensenrassen bijna zeker de wilde rassen over de gehele wereld hebben uitgeroeid en verdrongen.” Europeanen ziet hij als superieur en als lagere rassen ziet hij Hottentotten, negers, en Australische/Nieuw Zeelandse aboriginalen, inwoners van Tahiti en Fuego. Darwin zag ook de man als superieur aan de vrouw: ”Algemeen wordt aanvaard dat bij de vrouw de vermogens van intuïtie, van snelle waarneming en misschien van imitatie markanter zijn dan bij de man; maar op zijn minst zijn sommige van deze vermogens kenmerkend voor de lagere rassen, en daarom voor een verleden en lagere staat van beschaving. Het hoofdonderscheid in de intellectuele vermogens van de twee seksen is daarin zichtbaar dat de man, wat hij ook onderneemt, een hoger niveau bereikt dan de vrouw bereiken kan – of dit nu diep nadenken, rede of fantasie vereist of louter het gebruik van de zinnen en handen.”
Deze opvattingen werden in Darwins tijd gestaafd met wetenschappelijke bevindingen zoals metingen van herseninhoud. Darwin citeert een uitspraak van Vogt: ”Het is een opmerkelijk feit dat het verschil tussen de seksen, zoals met betrekking tot de schedelholte, toeneemt met de ontwikkeling van het ras, zodat de mannelijke Europeaan de vrouwelijke veel meer overtreft dan de neger de negerin.”
De onwetenschappelijke zaken vermenigvuldigden zich doordat de evolutieleer al snel werd verbonden aan het vooruitgangsgeloof dat in de 19e eeuw zeer sterk was. Al in 1877 werd de frase ”sociaal darwinisme” gebruikt, met een nadruk op de selectie van ”de sterkeren” in de maatschappij, waardoor de maatschappij zich naar hogere stadia kan ontwikkelen. Evolutie wordt hier verbonden aan doelgerichtheid. Evolutionisme ging hier veel verder dan feitelijkheden en kwam al gauw op het terrein van ideologie, waaronder eugenetica.
Paul geeft nog enkele voorbeelden van zaken die op het publiek indruk maakten, maar achteraf zeer onwetenschappelijk bleken, zoals deze:
Paul schreef:De evolutietheorie zorgde ook voor een intensieve zoektocht naar tussenvormen tussen dieren en mensen. Velen zagen de in hun ogen minder ontwikkelde rassen als een tussenstadium. De consequentie was bijvoorbeeld dat Ota Benga, een Afrikaanse pygmee uit Kongo, tijdens de St. Louis World Fair in 1904 aan het publiek gepresenteerd werd. Twee jaar later ging hij naar Bronx Zoo in New York en daar stelde men hem tentoon als een voorvader van de mens, samen met een paar chimpansees, een gorilla en een orang-oetan.

Paul vergeet erbij te vermelden dat de presentatie te danken was aan de presbyteriaanse zendeling Samuel Phillips Verner, die, blijkbaar zonder dat zijn religieuze geweten hem lastig viel, voor tentoonstellingen in Amerika naar kandidaten zocht en dit exemplaar van slavenhandelaren kocht. Wikipedia laat nog weten dat er een zwarte Amerikaanse dominee was die opkwam voor Ota op deze manier:

"'Our race, we think, is depressed enough, without exhibiting one of us with the apes ... We think we are worthy of being considered human beings, with souls." Gordon thought the exhibit was hostile to Christianity and a promotion of Darwinism: "The Darwinian theory is absolutely opposed to Christianity, and a public demonstration in its favor should not be permitted'."

Wat betreft de christelijke reakties op Darwins evolutietheorie zijn er naar mijn mening twee opvallende zaken te vermelden. De eerste is dat er vanaf het begin christenen waren die het bijbelse geloof in overeenstemming poogden te maken met deze nieuwe wetenschap. Al binnen een jaar na de publikatie van the Origin of Species betuigden zeven liberale theologen hun steun aan Darwins theorie in de bundel Essays and Reviews. Als één van de eersten kan ook de botanicus en Harvard professor Asa Gray genoemd worden. Gray was een vriend van Darwin met religieuze overtuigingen. Wikipedia laat dit weten:
Wikipedia schreef:
Darwin published On the Origin of Species on November 24, 1859.[126] The first printing was 1,250 copies, with some having been sent to America via ship; one of those was for Gray. Gray's copy arrived just before Christmas, and he read it between Christmas and New Year's.[127] Since there was no international copyright law at the time, Gray worked to protect the book from publishing piracy. According to American law at the time, a copyright could only be secured by an American edition being published by an American citizen, and royalties were not required to be paid to the author.[128] Gray arranged the first American edition of On the Origin of Species and was able to negotiate royalties on Darwin's behalf. Gray took a 5% royalty from the publisher, and Darwin was so grateful for Gray's efforts that he offered Gray some of his royalties.[128][129] Darwin held Gray in high esteem: he dedicated his book Forms of Flowers (1877) to Gray, and he wrote in 1881, "there is hardly any one in the world whose approbation I value more highly than I do yours."
Gray, considered by Darwin to be his friend and "best advocate", also attempted to convince Darwin in his letters that design was inherent in all forms of life, and to return to his faith.
Gray publiceerde al in 1861 in Amerika de hier te belezen brochure Natural Selection is not inconsistent with Natural Theology.

De meerderheid van de christenen kon de evolutietheorie niet aanvaarden. Paul schrijft:
Paul schreef:De evolutietheorie was een grote aanslag op de zekerheden die het christendom tot op dat moment aan de Europese bevolking had gegeven. Darwin overtuigde velen ervan dat de wereld onderworpen was aan natuurlijke wetten en dat de oorsprong van de soorten ook op die manier benaderd moest worden.
In verband hiermee kan de naar mijn mening tweede opvallende zaak vermeld worden, namelijk:
Paul schreef:Het belangrijkste algemene argument tegen Darwin was dat er zonder goddelijk ontwerp een morele chaos zou ontstaan.
Opvallend, omdat dit argument tot op de dag van vandaag nog altijd door christenen als een hoofdkritiek wordt aangevoerd, terwijl dit echt geen argument genoemd kan worden, aangezien moraal perfect natuurlijk verklaard kan worden.

Paul laat Bertrand Russell voorbij gaan, die de gevolgen van de acceptatie van de evolutietheorie op deze manier onder woorden heeft gebracht:

Russell: "Dat de mens het product is van oorzaken die geen voorstelling van het resultaat hadden; dat zijn afkomst, zijn groei, zijn hoop en vrees, zijn liefdes en zijn overtuigingen slechts het resultaat zijn van een toevallige ordening van atomen; dat geen vurigheid, geen heldendom, geen intensiteit van denken en voelen een persoonlijk leven in stand kunnen houden na het graf; dat alle eeuwenlange arbeid, alle toewijding, alle inspiratie, heel de helderheid in de middagzon van de menselijke geest bestemd zijn voor uitsterven in de onmetelijke dood van het zonnestelsel en dat de hele tempel van menselijke prestaties onvermijdelijk moet worden begraven onder het puin van een geruïneerd universum – al deze dingen zijn, zo niet buiten kijf, dan toch bijna zo zeker dat geen filosofie die ze verwerpt, kan hopen stand te houden. Alleen binnen dit kader van deze waarheden, alleen op het stevige fundament van bikkelharde wanhoop kan de ruimte van de ziel voortaan veilig gebouwd worden."

In deze woorden van Russell uit 1903 proeft men nog gehechtheid aan de grootse prestaties van de mens en aan de grote waarde die hij aan zichzelf gaf. Iets wat men ook tegenkomt in de beroemde tekst van Nietzsche over de dolleman op de markt. Vandaar dat het ook eindigt met "bikkelharde wanhoop van de ziel". Ik, een eeuw verder, kan die menselijke trots bij mezelf niet bespeuren, noch bespeur ik enige moeite met het accepteren van de volkomen nietigheid van de mens en een mensenleven. Het onverklaarbare raadsel van het leven is voor mij enkel hoogst interessant en verwonderlijk. Het wegvallen van alles doet me echter niets. Sterven van mezelf doet me net zo weinig als wanneer ik het verwelken en afsterven van een bloem gadesla: het behoort tot de kern van het leven, net als eten en drinken en slapen. De volledige afwezigheid van wanhoop of triestheid bij het aanzien van deze feiten lijkt me ook de reden waarom religie geen enkele aantrekkingskracht meer op mij heeft. Religie is voor mij het opblazen van de mens, een dwaasheid, ridicuul met het oog op de moderne kennis waarover we beschikken. En omgekeerd, het vasthouden aan religie in onze tijd schijnt mij toe een uiting te zijn van niet kunnen leven met de gedachte dat een mensenleven en zelfs de mensheid maar een zaak van enkele ademtochten is, het is de uiting van een mens die geestelijk nog niet volwassen is geworden.

Paul eindigt dit hoofdstuk met een onbegrijpelijke verwijzing naar Jan Hendrik van den Berg die ooit een boek geschreven heeft Koude rillingen over de rug van Charles Darwin (1984). Blijkbaar is deze verwijzing bedoeld voor de religieuze lezer om de moed er in te houden. Deze psychiater vroeg zich af waarom men zo verknocht is aan de evolutieleer, en betoogde dat de evolutieleer vooral een niet-wetenschappelijk doel dient, iets wat ik maar zeer moeilijk bij mezelf kan bespeuren, en waartoe ook de geciteerde woorden van Russell totaal geen aanleiding geven, maar ik heb het boek niet gelezen (na lezing van deze boekbespreking heb ik echter ook geen lust dat ooit te doen). De schrijver kan de evolutietheorie niet afwijzen vanwege de last van het bewijsmateriaal, maar betoogt dat men kan vermoeden dat in de levende natuur "meer werkt dan enkel stof", aangezien ze beheerst wordt door geest. Dit feit zou duiden op het bovennatuurlijke, een conclusie waarvan het verband mij ten enenmale ontgaat, maar iets wat christenen als zwak argument altijd maar weer naar voren halen.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 16 jun 2018 09:38

Hoofdstuk 12 Zondvloedgeologie

Professor Paul besteedt een apart hoofdstuk aan de ontwikkeling van de geologie en het christelijke antwoord daarop. Dit is begrijpelijk wanneer men zich bedenkt dat deze ontwikkeling voorafging aan de evolutietheorie van het leven, en het inzicht dat de aarde miljoenen jaren oud is een noodzakelijke voorwaarde was voor het ontstaan ervan. Kan men de notie van een oeroude aarde afwijzen, dan valt bijgevolg automatisch de hele evolutietheorie weg. Bijbelgelovers hebben van meet af aan de geologische wetenschap tegengesproken door te wijzen op de bijbelse zondvloed, die men als antwoord op alle geologische kwesties meent te kunnen aanvoeren. Vooral rechtopstaande bomen dwars door verschillende aardlagen komen in Pauls bespreking meerdere malen voorbij als aanwijzing dat de aardlagen in korte tijd ontstaan zijn.

De basis voor de geologische wetenschap is het uniformitarisme (alle geologische verschijnselen kunnen verklaard worden door tegenwoordig op te merken natuurlijke processen), waar met afzonderlijk goddelijk ingrijpen geen rekening wordt gehouden. Aangezien de natuurlijke processen traag werken volgt automatisch de conclusie dat men aan bijzonder lange tijdsperioden moet denken. Deze opvatting werd voor het eerst in 1794 uiteengezet en verdedigd door de Schot James Hutton, een Deïst die van mening was dat de oudtestamentische godsdienst berustte op bijgelovige noties, wreedheid en onwetendheid, iets wat nog steeds als een paal boven water staat en door het bijbelse zondvloedverhaal nota bene tot in de puntjes wordt geïllustreerd, maar Paul liever ziet als bewijs van vooringenomenheid. Het uniformitarisme werd pas algemeen aanvaard via het werk van Charles Lyell die zijn Principles of Geography in drie delen publiceerde (1830-1833). Deze boeken waren van beslissend belang voor de ontwikkeling van het denken van Darwin.

Paul vermeldt wel dat George Cuvier in 1813 een rivaliserende theorie - catastrofisme - naar voren bracht, ook dat deze theorie tot aan Lyell veel invloed had, en ook dat deze theorie de geschiedenis van de aarde eveneens rekte tot een veel langere tijd dan wanneer men uitgaat van het boek Genesis, maar toch valt hij enkel het uniformitarisme aan door te stellen dat het op retorica berust. Hij haalt hiervoor de opvatting van Gould aan:
Paul schreef:Volgens de paleontoloog Stephen Jay Gould was het werk van Lyell geen poging de aanwezige geologische kennis systematisch te beschrijven, maar een gepassioneerde uiteenzetting met een steeds weer herhaald argument. Lyell was advokaat van beroep en zo ging hij te werk. In feite waren de catastrofisten veel meer met empirisch onderzoek bezig. Het geologische archief lijkt catastrofes te vereisen: rotsen zijn gescheurd en verwrongen, diersoorten zijn weggevaagd. Om dit te omzeilen drukte Lyell zijn verbeelding op de feiten. In plaats van veldonderzoek te doen, gebruikte hij retorica en het is de ironie van de geschiedenis dat Lyell won (Gould, Catastrophes and Steady State Earth). Niet de feitelijke gegevens, maar de overtuigingskracht en redeneertrant van Lyell hadden de grootste invloed, aldus Gould.
Ik ken het boek/artikel van Gould niet, noch is het bestaan ervan op het internet te vinden buiten creationistische websites, maar lees op dit moment juist het boek The Sixth Extinction van Elizabeth Kolbert (aan te bevelen voor iedereen die zoals ik weinig van geologie weet) en ben daarom ervan op de hoogte dat de moderne geologie het uniformitarisme inmiddels heeft aangevuld met catastrofisme: de natuurlijke geschiedenis van de aarde verloopt gedurende zeer lange tijden volgens het uniformitarisme, maar wordt heel af en toe onderbroken door een zeldzame catastrofe, of in de woorden van een paleontoloog, ”long periods of boredom interrupted by panic”. Een daarvan werd aan het eind van de zeventiger jaren aangetoond en gepubliceerd in 1980 (Extraterrestial Cause for the Cretaceous-tertiary Extinction). Men spreekt tegenwoordig over vijf momenten van catastrofaal uitsterven van vele levensvormen (Eind Ordovicium, Laat Devoon, Eind Perm, Laat Trias en Eind Krijt, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Geologische_tijdschaal), en de huidige eeuw zou een zesde moment kunnen betekenen.

Paul laat achterwege de reden te vermelden waarom Cuvier zich tot (herhaald) catastrofisme gedwongen zag. Cuvier was de eerste die ontdekte dat vele diersoorten uitgestorven waren (hij ontdekte zelf 49). Verschillende uitgestorven diersoorten werden aangetroffen in verschillende aardlagen.
Het citaat van Gould komt op mij over als een weinig doordachte overname van de tekst die hier te belezen is, aangezien Paul het cruciale feit weglaat dat ook de toenmalige catastrofisten de aarde als miljoenen jaren oud beschouwden, en catastrofisme door geen enkele geoloog begrepen wordt als een gebeurtenis die vijfduizend jaar geleden plaatsvond, noch als een zondvloed die de gehele aarde omvatte.

Paul geeft vervolgens een overzicht van engelstalige "scriptural geologists", vanaf een boek dat verscheen in 1838 (George Young) tot boeken uit 1951 (Rehwinkel) en 1961 (Whitcomb en Morris), die via het idee van een wereldwijde zondvloed, waaraan men alle catastrofale bijwerkingen verbindt die de geologie nodig heeft om het feitenmateriaal te kunnen verklaren, blijven vasthouden aan een korte geologische geschiedenis van de aarde. Dit historische overzicht is interessant, vooral de vermelding van Gosse die het probleem van een oude aarde ludiek oploste door eenvoudig aan te nemen dat God de wereld schiep met een schijnbare ouderdom van miljoenen jaren, inclusief fossielen van dieren die in werkelijkheid nooit geleefd hadden. Ook is interessant dat het voor Paul geen bedenkingen geeft dat de "vader van de zondvloedgeologie" George McCready Price, aanhanger was van een sekte met veel vreemdsoortige geloofsopvattingen (zevendedagsadventisten), die hij vast en zeker afwijst. Hij lost dat op door te zeggen dat deze persoon zijn opvattingen niet zelf ontwikkelde maar overnam van voorgangers, hoewel hij vermeldt dat velen geen samenhang zien tussen wat deze persoon schreef en oudere 'schriftuurlijke geologen'.

Maar wat mij het meest verbaast is dat Paul volledig onbesproken laat waar de geologische wetenschap van vandaag de dag zich op beroept voor de bepaling van de ouderdom van de aarde, namelijk de radiometrische metingen, iets wat iedereen op zoek naar informatie op basis waarvan men de ouderdom van de aarde bepaalt, onmiddellijk tegenkomt. Of men nu rekening houdt met een wereldwijde zondvloed die eruit ziet als een Hollywoodcatastrofe film of niet, doet weinig ter zake wanneer men op basis van andere gegevens niet ontkomt aan een geschiedenis van de aarde van 4½ miljard jaar en een universum van 13,8 miljard jaar .

Wat mij ook verbaast is dat het overzicht eindigt met vermelding van het enige boek dat voor een lezer uit onze tijd die op zoek is naar hoe bijbel en moderne geologische wetenschap kunnen samengaan enige relevantie heeft. Dit boek wordt afgedaan met enkel een minieme behandeling waar men bovendien totaal niet wijzer van wordt:
Paul schreef:De Australische geoloog Andrew Snelling geeft in samenwerking met de Amerikaanse organisatie Institute for Creation Research inzijn tweedelige boek Earth's catastrophic past, Geology Creation & the Flood, 2009, met ruim elfhonderd pagina's een veel wetenschappelijker benadering dan in de zojuist genoemde boeken van Rehwinkel, Morris en Whitcomb wordt besproken. Snelling is dankbaar voor wat zij gedaan hebben en is het principieel met hen eens, maar kiest op heel wat punten een andere benadering.
Op welke punten een andere benadering en op welke punten wetenschappelijker krijgt de lezer niet te horen. Een boek van 1100 bladzijden lijkt me reuze interessant en klinkt imposant, maar als de officiële introductie van het boek op amazon op deze manier begint dooft mijn interesse uit:
Boekomschrijving schreef: He starts from a position of biblical inerrancy, and delves deeply into geology. Early chapters weave a careful scriptural case for the Flood's catastrophic nature and global extent. From that firm foundation, he ventures into the world of geology.
Het is één ding er op te wijzen dat wetenschap nooit geheel waardenvrij is, maar hier zien we bevooroordeeldheid uitgeroepen tot deugd. Dat is te vergelijken met het verschil tussen opmerken dat iedere politicus zich schuldig maakt aan liegen en Trump voor wie het net zo natuurlijk is als ademen.

Een lezer van het boek geeft op Amazon deze opmerkingen:
boekrecensie schreef: I like the current Creationist consensus. Particularly brilliant and beautiful is accelerated nuclear decay, the most recent addition to the other tenets (ecological zonation, catastrophic plate tectonics, a single ice age, etc.) which remarkable evidence points to. And this is an area of particular interest to me after I read The Quantum Enigma: Finding the Hidden Key. The idea of accelerated nuclear decay fits very nicely with The Quantum Enigma, which is awesome.
Hier hebben we dus het creationistische antwoord op die radiometrische metingen die Paul achterwege liet. Ik ben een leek op dit gebied, maar bovenstaande ruikt naar argumentering die we in conspiracy theories tegenkomen. Ik sla daarom de RationalWiki er over op, waar ik naar verwachting dit krijg te lezen:
RationalWiki schreef: Radioisotopes and the Age of the Earth (RATE) was a project by creation pseudoscientists from the Institute for Creation Research (ICR) to study radiometric dating as applied to the age of the Earth. The results of the RATE team supposedly bring into question the accuracy of radiometric dating, attempt to show a young Earth, and support the reliability of the Bible.
RATE included John Baumgardner, Andrew A. Snelling, and Russell Humphreys, all of which have accredited degrees in their respective fields. Their study focus included Polonium halos, dating of Grand Canyon rocks, potassium-argon and argon-argon dating, helium diffusion in zircons, and Carbon 14 decay.
RATE's cherry picking and shoehorning of scientific data is matched only by their blatant disregard for legitimate scientific study and the scientific method. Their work has been largely discredited by a diverse number of physicists, engineers, geologists, and religious organizations. For example, in Helium Diffusion Rates Support Accelerated Nuclear Decay, Humphries et. al. state:
”The high helium retention levels suggested to us and many other creationists that the helium simply had not had enough time to diffuse out of the zircons, and that recent accelerated nuclear decay had produced over a billion years worth of helium within only the last few thousand years, during Creation and/or the Flood. Such acceleration would reduce the radioisotopic time scale from megayears down to months.”
This and many other spurious claims were thoroughly discredited by Henke [2005-2010]:
”By inaccurately modeling the helium diffusion rates in the zircons, making numerous invalid assumptions and assuming some unfounded miraculous increases in radioactive decay rates, Humphreys...concluded that the zircons are only "6,000 ± 2,000 years old."
Furthermore, Loechelt [2009] states:
”[Humphries] challenges his critics that the burden lies with them to disprove his accelerated nuclear decay model. This assertion is false. Since I had previously demonstrated that an explanation consistent with the established position of the scientific community is possible, an equal if not greater burden lies with Humphreys to disprove that model, which he has not yet done. A good scientist should always give fair and open-minded consideration to all competing ideas, including those that are not his own. For Humphreys to dismiss my work, which was thoroughly documented in a 37 page technical paper (Loechelt, 2008c), with only three paragraphs of unsubstantiated rhetoric in a web article (Humphreys, 2008) demonstrates his lack of serious scholarship.
Genoeg! De theoloog Paul is wat geologie betreft niet relevanter dan wanneer ik mijn mond erover open doe.
Liever eindig ik de bespreking van ”zondvloedgeologie” hiermee:
Verdediging van het zondvloedverhaal is zotheid in het kwadraat, want het is naast de grootste goedgelovigheid bovendien de verdediging van een God die volgens het verhaal uitgeroepen kan worden tot grootste massamoordenaar aller tijden. Waarom iemand behoefte heeft aan de aanbidding van zo’n monster is mij een raadsel, hoewel ik inmiddels beter zou moeten weten. Het is tenslotte eigen aan de mens om beduveld te willen worden en despotische alleenheersers op te hemelen en achterna te lopen.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 27 jun 2018 09:52

Hoofdstuk 13

Christelijke theologen in het evolutiedebat sinds Darwin


In dit hoofdstuk is de kloof tussen wat Paul beoogt en wat hij ten tonele voert gigantisch. De reden voor het hoofdstuk maakt hij duidelijk via een citaat van de 19e eeuwse theoloog Robert Dabney dat als motto boven het hoofdstuk staat:
Dabney schreef:Heel wat moderne geologen nemen de theologen hun kritische opmerkingen kwalijk, als waren zij een onbekwame, onbeschaamde en onwetende groep. (…) Maar logica is logica; en als deskundigen in een speciale wetenschap hun vooronderstellingen uitgelegd hebben op hun zelfgekozen wijze, is het eenvoudig absurd een andere groep opgeleide mensen te verbieden hun conclusies te begrijpen en te beoordelen. Wat anders was het doel van hun publicaties? Of bedoelen zij dat eenvoudige dogmatisme te praktiseren dat zij in ons, godsdienstdocenten, zo afwijzen?
In principe heeft Dabney hier gelijk, te meer wanneer men zich bedenkt dat deze uitspraak in de zeventiger jaren van de 19e eeuw werd gedaan, toen wetenschappelijke bevindingen nog veel minder ingewikkeld waren dan ze soms nu zijn voor iemand met een weliswaar hoge maar geheel andersoortige opeiding. Maar de door Dabney genoemde geologen beschuldigen de theologen van onbekwaamheid, onbeschaamdheid en onwetendheid. En dat is nu exact wat Paul in dit hoofdstuk via uiteenzetting van wat diverse theologen uitspreken illustreert. Hij voert een cavalcade ten tonele, waar de lezer voornamelijk getracteerd wordt op een uitputtend arsenaal aan aangevoerde drogredenen, onwetendheid, valse karakterisering van de evolutietheorie en volslagen irrelevante kritiek van theologen die zich tegen de evolutietheorie verzetten. Het hoofdstuk is des te rampzaliger vanwege dat hij vermeldt dat er vanaf het begin ook een grote mate van aanvaarding was van de evolutietheorie en dat veel theologen bereid waren om de uitleg van Genesis te combineren met de nieuwe wetenschap, en dat er veel publikaties zijn verschenen over die integratiepogingen. Dit laat zien hoe buitengewoon zwak en willekeurig de basis is waar de theologen zelf op staan: men kan blijkbaar alle kanten op met hun religieus geloof op basis van geloof in diezelfde bijbel.
De moderne lezer die Pauls boek leest om zijn eigen standpunt ten aanzien van bijbelgeloof en evolutieleer te bepalen wordt met het hoofdstuk ook geen dienst bewezen. Wat is de relevantie van talloze opmerkingen die honderd jaar of langer geleden werden gemaakt voor het debat van vandaag? Men kan ze achteraf ontmaskeren als incorrect of voortkomend uit onbekwaamheid. Het is hooguit interessant voor theologen om een opsomming van de standpunten van diverse kopstukken te hebben.
Wanneer tenslotte het overzicht onze eigen tijd nadert, ziet men het christelijke bastion in een diep moeras wegzinken, waaruit het zich onmogelijk meer kan omhoog hijsen, maar onherroepelijk op weg is naar de volledige irrelevantie. Het beeld van de tegenwoordige tijd is een religieuze kakofonie, maar bovenal troosteloos. Wat iemand uit deze tijd het meest opvalt is dat er onder christenen geen enkele eenstemmigheid meer is. Zelfs de twee Nederlandse dagbladen die men nog met recht christelijk kan noemen voeren een volledig tegengesteld beleid. René Fransen (ook op dit forum bekend), wetenschapsredacteur bij het ND, bepleit het theïstisch evolutionisme, en Bart van den Dikkenberg, wetenschapsredacteur bij het RD, richt zich op publicaties die de evolutieleer afwijzen en het klassieke scheppingsgeloof aanhangen. ”Daarmee is het ook erg moeilijk om andersdenkenden te overtuigen”, laat Paul horen. De waaier van christelijke houdingen varieert van anti-darwinisme tot christelijk darwinisme, waartussen ook nog halfbakken aanvaarding van de evolutieleer (evolutie vond plaats maar niet zonder op bepaalde tijden ingrijpen van God) en ”veel christenen die geen afgeronde mening hebben en het aan anderen overlaten zich met dit onderwerp bezig te houden”. Ik denk zelf dat deze laatstgenoemde groep de grootste is. Ook denk ik dat indien ze zich er in zouden verdiepen ze hun geloof zouden verliezen. Wellicht weet men dat zelf ook wel en is dat de reden om het onderwerp maar zoveel mogelijk op de zolderkamer te laten liggen. Paul laat Gijsbert van den Brink de laatste woorden van het hoofdstuk uitspreken, waarmee men het gemakkelijk eens kan zijn:
Gijsbert van den Brink schreef:Een atheïstische of agnostische levensbeschouwing volgt niet logisch dwingend uit het (neo-)darwinisme (…), maar deze wordt er naar het mij voorkomt wel in hoge mate door gesuggereerd.


Maar laat ik nu de grabbelton aan theologische drogredenen voorbij doen gaan. Ik laat ze enkel de revue passeren en laat de ontmaskering van de redeneringen als drogredenen over aan de lezer zelf.

Paul begint zijn overzicht met ”de relatief onbekend gebleven” Robert Dabney, die in de zestiger en zeventiger jaren van de 19e eeuw voordrachten hield die later gebundeld zijn tot een boek Systematic Theology.
-Hij laat weten dat natuurlijke selectie een intelligente keuze van iemand veronderstelt. Aangezien de natuur van de evolutionisten blind en toevallig handelt kan ’natuurlijke selectie’ slechts een metafoor zijn.
-Waar variaties in soorten gevonden worden, is de algemene tendens een degradatie.
-Een van de grote fouten van de evolutietheorie is de veronderstelling dat de metafysica ongegrond is; een opvatting die uit het positivisme voortkomt. Het is echter onjuist om het geloof buiten beschouwing te laten.
-Een geoloog mag zich niet losmaken van de bijbel voordat hij bewezen heeft dat zijn hypothese de enige ware is. Heeft de wetenschap dat ooit gedaan?
-De schepper heeft zijn getuigenis gegeven over het bovennatuurlijke ontstaan van alle zaken die waargenomen worden. Dat getuigenis overstijgt alle argumenten waarmee achteraf vanuit natuurlijke analogieën conclusies worden geformuleerd omtrent een natuurlijke oorsprong.
-De inductieve methode (conclusies trekken uit waarnemingen) is van toepassing op onze tijd, maar niet van toepassing op de onbekende situatie in het verleden.
De ludiekste drogreden die ik bij deze vrome man vind is de volgende:
-Zelfs als de evolutiehypothese in wetenschappelijk opzicht waarschijnlijk zou zijn, in het licht van alle bekende en fysieke feiten en wetten, is het aan de Almachtige om de herkomst van de mens te beoordelen. En Zijn oordeel staat in de Bijbel en die geeft een andere herkomst aan.


Benjamin Warfield komt op mij over als een persoon die men beter maar kan overslaan dan zijn tijd aan verspillen. Zijn positie kwam er op neer dat indien de evolutieleer waar blijkt te zijn geen nood, want de evolutieleer kan goed geïntegreerd worden in het christelijk geloof (hoewel hij nooit moeite deed om Genesis 1-3 uit te leggen en hij ook opmerkte dat de schepping van Eva niet in overeenstemming gebracht kan worden met de evolutieleer). Maar aangezien men geen definitieve uitspraak over de geldigheid van de evolutieleer kan doen behoeft men nu geen wijzigingen aan te brengen in de christelijke theologie. Deze positie die kool en geit spaart is de reden waarom christenen er nu over kibbelen of hij nu wel of niet evolutionistisch theïst genoemd kan worden.

De volgende prediker die even voorbij komt is de beroemde, bombastische Engelse demagoog Charles Spurgeon, waarvan we enkel te horen krijgen dat hij in 1861 een lezing gaf met een opgezette gorilla naast hem op het podium. Dit clowneske optreden was blijkbaar bedoeld als reden waarom de evolutieleer afgewezen kon worden. Voorts laat Spurgeon nog weten:
Charles Spurgeon schreef:Er is geen haar van waarheid op deze hond vanaf zijn kop tot zijn staart, maar het splijt en verscheurt de eenvoudigen.
Blijkbaar was Spurgeon zelf eenvoudig genoeg om zich niet bezig te houden met onderbouwing van wat hij uitsprak. Uiteraard blonk hij zoals alle fundamentalisten wel uit in helderheid wat betreft inzicht in wat op het spel stond:
Spurgeon schreef:Als Gods woord waar is, is evolutie een leugen. Ik neem geen blad voor de mond. Dit is niet het moment voor zachte woorden.
De rest van het hoofdstuk besteedt Paul aan Nederlandse theologen. De eerste die besproken wordt is Abraham Kuyper. Met de omschrijving ”de voorman van de Doleantie” slaan waarschijnlijk al zijn jongere lezers de uitvoerige uiteenzetting van Kuypers gedachten betreffende de evolutieleer over. Wat opvalt is hoezeer Kuyper het centrale mechanisme van evolutie en talloze andere zaken volledig misverstaat:
-De evolutieleer zet door haar struggle for life tot machtsusurpatie aan. In de onderlinge strijd moet het sterke over het zwakkere triomferen.
-Is de evolutieleer waar dan moet het meest volstrekte nihilisme op de dusver gangbare levens- en wereldbeschouwing worden toegepast.
-Als de evolutieleer de overwinning behaalt, dan is het gedaan met de verdraagzaamheid en staat vervolging van alles wat christelijk heet voor de deur.
-Ethiek is volgens darwinisten ontstaan uit het materiële. Van zonde of schuld is geen sprake. Ook van een ziel kan geen sprake zijn. Maar hoe zit het dan met plicht? Want plichtsbesef komt altijd voort uit een hogere norm die buiten de mens ligt.
-De handboeken waarin de evolutieleer geslopen is moeten terzijde gelegd worden en we mogen onze kinderen aan geen enkele onderwijzer die de evolutieleer aanhangt, toevertrouwen.

Ik hoor van Paul ook dat de dwaze opvatting (waar ik eerder kritiek op gaf) dat Genesis 1 een regelrecht door God aan Adam en Eva geopenbaarde tekst is die daarna mondeling werd overgeleverd totdat Mozes het op schrift stelde, van Abraham Kuyper afkomstig is, of al bij hem gevonden wordt. We krijgen ook te horen hoe sommige latere christenen van Kuyper, net als van Warfield, toch een halve theïstische evolutionist hebben geprobeerd te maken. Hoe onmogelijk zoiets is kan men bijvoorbeeld hieruit opmaken:
Abraham Kuyper schreef:Een mens dient voorts te geloven dat God alzo feitelijk in het Paradijs sprak [en dat] in deze eerste hoofdstukken een verhaal voor ons ligt van gebeurtenissen, die zich alzo werkelijk hebben toegedragen, en waarin metterdaad diezelfde woorden gesproken zijn, die ons als gesproken worden bericht.
We zijn inmiddels gekomen aan het begin van de 20ste eeuw, en horen vervolgens wat Herman Bavinck, hoogleraar dogmatiek aan de VU en in Nederland nog steeds vereerd met scholen die zijn naam dragen, ervan dacht. Hij komt met deze kritiek op de evolutieleer:
-De zwakkere exemplaren en soorten sterven niet naar de eis van natuurlijke selectie uit, maar blijven tot de huidige dag naast de sterken voortbestaan.

De periode tot voor de tweede wereldoorlog wordt afgesloten met ”de kwestie Geelkerken” die in 1926 eindigde met een gereformeerd synodebesluit dat iedere andere dan de letterlijke opvatting van het paradijsverhaal in strijd was met de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Na die wereldoorlog, in de vijftiger jaren komt N.H Ridderbos (niet te verwarren met zijn één jaar oudere broer H.N. Ridderbos) die ”voor een niet-letterlijke interpretatie van de scheppingsdagen” pleit, en de wetenschappelijke ouderdom van de aarde en de organische natuur van miljoenen jaren aanvaardt, en ook de bezwaren tegen de bronnenhypothese laat vallen. Grappig is dat deze geleerde man die vakkundig bezig was met de uitvoering van euthanasie op het christelijk geloof, toch dapper bleef volhouden dat de exegese weliswaar moet luisteren naar wat de natuur- en geschiedwetenschap te melden heeft, maar uiteindelijk de kennis die de exegese uit de Schrift afleidt moet prevaleren!

In 1967 wordt het eerdere besluit van de gereformeerde synode herroepen.

De hervormde Hendrikus Berkhof (1973) gaat uit van het evolutieproces en verpakt het religieuze in zeer hoogdravende taal:
-Zonde is niet een val vanuit een hogere werkelijkheid, maar de weigering om te stijgen naar de hogere werkelijkheid van liefdesgemeenschap met God.
Als interessante en verrassende zijdelingse opmerking, die ik zal proberen te onthouden, laat Berkhof ook weten dat de scheppingsleer in de eerste plaats niet is gereduceerd door de natuurwetenschap, maar door de moderne bijbelwetenschap. Het scheppingsbericht kon niet van Mozes afkomstig zijn. Alle scheppingsconcepties werden vanaf dat inzicht primair gezien als menselijke geloofsgetuigenissen.

Wanneer Paul aankomt op theologen die nog steeds leven blijkt dat de christelijke boodschap gekrompen is tot de piep van een muis. Anderhalve bladzijde wollige tekst over wat ene Jacob Klapwijk (geb. 1933) van mening is kan worden samengevat in: volledige acceptatie van evolutie, met lardering, stiekeme toevoeging, van een vleugje God en religieus geloof:
-Toeval kan dienstbaar zijn aan een doel en inspelen op planmatigheid. Op de lange termijn blijkt de evolutie niet een warrig, maar gestructureerd veranderingsproces.
-De evolutieleer kan geen verklaring geven voor deze doelgerichtheid. Daarom is geloof nodig voor aspecten als troost en uitzicht.

Het dieptepunt komt bij de bespreking van Abraham van de Beek (geb. 1946). Deze hoogleraar troost zich met de gedachte dat de evolutieleer ook wel weer een keer ter ziele kan gaan, aangezien er altijd haken en ogen aan gezeten hebben en er af en toe een barst in komt en aanpassingen gedaan moeten worden. Dat wil echter niet zeggen dat de creationisten dan alsnog gelijk krijgen. Er komt dan gewoon een andere seculiere theorie voor in de plaats. Dit betekent echter weer niet dat van de Beek de evolutieleer afwijst. Integendeel, hij verdedigt in een publikatie de afstamming van de mens ’van de apen’, en heeft deze ludieke uitspraak:
van de Beek schreef:De christologie van Chalcedon is niet eerder serieus genomen, dan wanneer we niet alleen zeggen dat Jezus Christus God uit God en Licht uit licht is, maar ook dat Hij ”van de apen afstamt”.
Van de Beek wijst de door en door christelijke driedeling ”goede schepping, gevallen schepping en verheerlijkte schepping” af als onzin. Er is slechts sprake van één enkele realiteit, die van dood en lijden, waarin Adam niet anders kon dan zondigen, en waarin het goed was dat de slang in de tuin was, want die was er met het oog op Christus.
Paul besluit zijn bespreking van van de Beek fijntjes af met de woorden:
Paul schreef:Andere auteurs oordelen dat een dergelijke gedachtengang (al wordt die nog zo Christocentrisch gepresenteerd) moeilijk te verenigen is met de wijze waarop de bijbel spreekt over de gebeurtenissen in de eerste hoofdstukken van Genesis.
De opvattingen van Gijsbert van den Brink worden vervolgens door Paul uiteengezet. Wat hier het meest opvalt is dat hij hierop geen enkel commentaar geeft.

De Christelijk Gereformeerde Kerken en Vrijgemaakte Kerken (let op het meervoud! Een leek zal daar nooit uit wijs worden) zijn inmiddels ook niet meer wat het geweest is. Paul laat de Apeldoornse hoogleraar Oosterhoff voorbij gaan die heel slim, maar voor heldere denkers het onbestaanbare gelooft, namelijk dat Genesis 2 en 3 zowel feiten weergeven als symbolische taal is. Deze hoogleraar is wel zo helder dat hij kan uitspreken dat er voor een veronderstelling van een mondelinge overlevering van Adam tot Mozes niet de minste grond is. Aangezien deze opvatting voor Paul van levensbelang is verwijt hij Oosterhoff dat hij hiervoor geen argumenten aandraagt, en vergeet hij dat men juist argumenten moet aandragen indien men het tegenovergestelde wil beweren.

De reaktie van de Rooms-Katholieke Kerk komt ook voorbij in de bespreking van Paul. Hier valt op dat die kerk tot op zeer recente tijd opvallend stil geweest is over de evolutieleer, iets wat men wijt aan de jammerlijke voorgeschiedenis van de veroordeling van Galilei. Grappig dat de katholieken daar zo over denken, terwijl de gereformeerde Paul in onderhavig boek uitvoerig heeft betoogt dat daartoe geen reden is! Maar in 1996 verklaart dan eindelijk een paus (Johannes Paulus II) dat de evolutietheorie ”meer dan een hypothese” is. Knap werk, want dat is inderdaad wat men in de wetenschap met een theorie bedoelt te zeggen.
De katholiek van vandaag hoeft niet meer per se te geloven dat God door de tuin liep. De ontwikkeling van de soorten is in principe ook mogelijk, zo lang de doelgerichtheid van het proces maar niet ontkend wordt. Men mag ook geloven in de overgang van aap tot mens, indien men maar blijft vasthouden aan het geloof dat dit een gevolg was van rechtstreeks ingrijpen van God, omdat materie geen immateriële ziel kan voortbrengen. Ook moet men oppassen niet mee te gaan met polygenisme, de opvatting dat het menselijke geslacht op meerdere plaatsen onafhankelijk van elkaar ontstaan is, aangezien de christelijke leer aangaande de zondeval dan in de knoop komt.
In de Nederlandse editie van de Katechismus voor de Rooms-Katholieken, uitgegeven in 1997, is men wel zo modern om catechismus met een k te schrijven, maar wordt het onderwerp ’evolutie’ niet aangeroerd. Inmiddels heeft in een nieuwe druk de k plaats moeten maken voor de mode van het hernieuwde conservatisme dat de c in ere herstelt, maar de evolutie blijft afwezig.

Paul laat vervolgens nog wat geschiedenis de revue passeren die mij persoonlijk bekend is. Koos van Delden presenteerde in 1977 via de EO het televisieprogramma Adam of aap. Heel leuk om via het internet nog eens te bekijken: https://vimeo.com/search?q=adam+of+aap . We krijgen te horen over de Evangelische Hogeschool, de naam Willem Ouweneel komt voorbij, Amerikaanse creationisten Rehwinkel en Morris worden vertaald, het tijdschrift Bijbel & Wetenschap verschijnt. Wat is er in die tijd een hoop aan de smalle weg tot christelijk behoud getimmerd!
...Maar krijgen tot slot te lezen:
Paul schreef:De laatste jaren heeft de EH echter afstand genomen van het creationisme. In het basisjaar worden nu verschillende benaderingen van het onderwerp schepping en evolutie met de studenten besproken.

Toen ik nostalgisch zat te zoeken naar "Adam of aap" kwam ik ook een minder fraai tafereel tegen, iets waar ik totaal niet van op de hoogte was aangezien ik sinds 1978 niet meer in Nederland woon: https://www.digibron.nl/search/detail/0 ... h-gelukkig .

Cees Dekker nam in 2008 afstand van het Intelligent Design creationisme, en de EO is ook niet meer wat het geweest is. Andries Knevel nam in 2009 als directeur van de EO afscheid van het creationisme.
Op ons forum is destijds aan beide heren ook aandacht besteed:
Cees Dekker
Andries Knevel


Ik vind het jammer dat de veranderende theologische opvattingen van mijn oude idool, meneer Ouweneel, niet uitgebreid beschreven worden. Blijkbaar is Paul van mening dat de man wat evolutie en bijbelgeloof betreft niet tot de door mij vetgedrukte groep van bovengenoemde kopstukken behoort, maar als een voetnoot de geschiedenis ingaat. Ouweneel doet overigens zijn best om dit te voorkomen. Hij heeft net zijn 7589ste boek over het onderwerp gepubliceerd, met de titel Adam, waar ben je? en wat doet het ertoe? Geen atheïst had een betere titel kunnen verzinnen, maar het boek is, zoals al deze boeken, enkel bestemd voor de gelovige christen, die er bovendien 30 euro voor over heeft om voor de zoveelste maal hetzelfde te horen.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14236
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: M.J.Paul: Oorspronkelijk - recensie Rereformed

Bericht door Rereformed » 02 jul 2018 10:05

Hoofdstuk 14

Kritiek op de evolutieleer


Zou ik een gelovige christen zijn dan had ik het bijltje er na hoofdstuk 13 geheel ontmoedigd bij neergegooid. Juist het feit dát er onder christenen geen enkele eenstemmigheid gevonden wordt wat betreft enkele van de meest essentiële onderdelen van menselijke kennis, de ouderdom van de aarde, en het proces van evolutie, resulteert erin dat het christelijk geloof zichzelf de das om doet: christenen zitten in een spagaat, waar de gelovigen aan de ene kant de gelovigen aan de andere kant op uitstekende gronden geheel ongeloofwaardig kunnen maken. De theïstische evolutionisten verkrachten de bijbel, de creationisten verkrachten de wetenschap. In zo’n moeras kan men enkel kiezen uit twee manieren om te stikken.

Gelovigen die het moderne wetenschappelijke wereldbeeld integreren in hun geloof verliezen de autoriteit van de bijbel, de basis voor het christelijke geloof, en ondermijnen het geloof daarmee op een fatale wijze. Wat zij in de regel niet beseffen, maar een atheïst zeer goed, is dat deze gelovigen bezig zijn met het plegen van euthanasie op het christelijk geloof, het een goede dood schenken. Dat is het kenmerk van alle vrijzinnig geloof: het geloof zo verdunnen dat je het weliswaar nooit op hoeft te geven, maar de prijs die je ervoor betaalt is dat het ook nagenoeg irrelevant wordt.

Aan de andere kant, een theoloog zoals Paul, die dit volkomen beseft, en de autoriteit van de bijbel daarom zo hoog mogelijk wil houden, zit automatisch opgescheept met het moeten afwijzen van zowel een oeroude aarde als de evolutie van het leven. En daarmee timmert hij aan de weg om het christelijk geloof tot eenzelfde dwaze bezigheid te maken als het beoefenen van alchemie en astrologie. Hij wordt gedwongen om de wetenschappelijke evidentie voor de oeroude aarde en de evolutie van het leven aan zijn laars te lappen, exact op dezelfde manier als de predikers van samenzweringstheorieën de werkelijkheid benaderen: door voor het minst waarschijnlijke te kiezen en het hardnekkig koste wat kost blijven verdedigen. Hoe ongeloofwaardig deze keus is wordt goed geïllustreerd in dit hoofdstuk, waar Paul een bespreking geeft van de belangrijkste christelijke evolutie-kritische boeken met hun belangrijkste argumenten. Er komen drie personen voorbij, een rechtsgeleerde die een jaar op de evolutietheorie heeft gestudeerd, een wetenschapsfilosoof, en een persoon die zowaar bioloog is, maar aangeeft op filosofische gronden het atheïsme te hebben opgegeven! Om met die laatste maar te beginnen:
James Bishop schreef:…it was not science itself that caused him to doubt his atheism. Instead, it was what he saw as the consequences of atheistic science that got him questioning his philosophy. While still studying at university Rossiter became further convinced of his atheistic views and would even go on to become quite antagonistic towards religion and belief in God. But Rossiter says that it was two big existential questions that got him to question his atheism. On one winter’s night in March of 2008 after he and his wife had finished celebrating an academic milestone she went to bed, but he stayed up to ponder the celebration. He found himself asking three questions.
The first question focused on the objective nature of morality that is inexplicable on an atheistic worldview where morals are no more than mere personal preferences, “On what rational grounds,” says Rossiter, “could I care about the state of the planet (or even my family) after I’m gone? And what did I even mean by ‘good’ or ‘bad’? I couldn’t argue that any objective morality existed apart from our subjective experiences. Any moral laws that might objectively exist – whether or not anyone ascribes to them – would be beyond our grasp, and we would have no objective or rational reason to obey them if they did exist.”
Secondly, if atheism was true then nothing ultimately mattered in the end since meaning and purpose are merely subjective illusions conjured up in the minds of men in a universe that couldn’t care, “Nothing mattered. This is Dennett’s ‘universal acid’ and Darwin’s ideas applied that acid to the human condition. If molecules led to cells, and cells to organs, and organs to bodies, then the ‘molecules-to-man’ hypothesis was true. We really were just wet computers responding to external stimuli in mechanical and unconscious ways. No soul, no consciousness. Just machines. I was completely and utterly devastated”.
This led him to the realization that atheism was philosophically bankrupt. It supplied life with no meaning whatsoever, and could not provide a rational foundation for the objective moral standard inherent to him and his fellow human beings.
https://jamesbishopblog.com/2017/01/28/ ... istianity/

Bovenstaande is voor mij van doorslaggevende betekenis om bij deze persoon niet te rade te gaan. Behalve dat hier de domheid betreffende moraal ten top stijgt, en deze persoon zijn nihilisme niet herkent als een ziekte waaraan hij lijdt, moet een evaluatie van de argumenten voor evolutie beslist worden op basis van enkel en alleen natuurwetenschappelijke onderzoeksresultaten.
Rossiter blijft overigens geloven in een oeroude aarde, hetgeen betekent dat het bijbelgeloof even zo duidelijk bakzeil haalt. Hij staat duidelijk niet in het kamp dat Paul wil verdedigen.

Het hoofdstuk wordt voordat het begint al ontsierd door de tenenkrommende uitspraak van Pascal, als motto boven het hoofdstuk geschreven, ”Er is genoeg licht voor hen die willen zien en het is donker genoeg voor hen die dat niet willen.” Het is al erg genoeg om ook het tweede deel van het citaat voorbij te zien gaan (christenen laten dat in de regel wijselijk weg), maar binnenkomen met dit citaat laat aan iedereen zien dat je niet naar objectiviteit zoekt, de argumenten niet voor zichzelf wil laten spreken, maar subjectieve gevoelens laat prevaleren. Daarmee ondermijn je op een fatale manier wat je beoogde, namelijk dat een oeroude aarde en de evolutieleer op wetenschappelijke gronden afgewezen kan worden.

Zoals het hele boek van Paul laat zien heeft Paul zijn geloof opgehangen aan het Amerikaanse fundamentalisme. Hoezeer het moderne evangelische geloof overal over de wereld gevoed wordt vanuit Jesusland, en alle red state domheid die daarmee samenhangt – om maar wat te noemen: de politieke verbinding met ultra-rechts, eindtijdfanatisme, anti-wetenschap, samenzweringstheorieën - heeft een eigen boekwerk nodig. Ik volsta met op te merken dat dit Amerikaanse fundamentalisme de volgende spijker in de doodskist van het christelijke geloof vastnagelt en dit versneld zal gebeuren nu het zich geallieerd heeft met Trump.

Paul begint het hoofdstuk met een overzicht van de Intelligent Design beweging. De popularisering van de term is te danken aan Phillip E. Johnson die in 1991 het boek Darwin on Trial schreef.
Op Freethinker is deze persoon vanaf 2005 slechts enkele malen voorbij gekomen en op deze manier beschreven:
Tsjok45 schreef: ID is alleen maar een manoeuver om hun debiliserende "hersenspinsels " in het onderwijs te smokkelen ... Gewoon gelobby en politiek. Niets verwonderlijk: een van de founding fathers van de beweging (Phillip Johnson) was (is) niet voor niets rechtsgeleerde in de "spitstechnologische" top-advocaterij, retoriek en sofisterij.
Wahlers schreef: Als je [de rechtsgeleerde] Johnson 'gelooft' dan raad ik je aan om je de volgende keer tijdens een rechtsproces te laten verdedigen door de bioloog Miller! Want in dat geval zal de bioloog Miller gelijkwaardig een uitstekende advocaat zijn!...of toch niet!?!
Theoloog schreef: Phillip Johnson, de vader van de ID-beweging is een jurist die meent dat allerlei maatschappelijk kwaad zijn oorsprong heeft in het leren van het darwinisme op scholen.
Er wordt op Freethinker nog een citaat gegeven dat in 2005 door Peter Vermij in Intermediair heeft gestaan:
Phillip Johnson, een wedergeboren Presbyteriaanse rechtsgeleerde in het Californische Berkeley, neemt een sabbatical in Londen. Een jaar lang verdiept hij zich in de evolutietheorie, en komt naar eigen zeggen veel stoplappen en cirkelredeneringen tegen. Het leidt uiteindelijk tot zijn in 1991 uitgegeven boek Darwin on Trial.

Aan het boek is op Freethinker nooit aandacht besteed, het is nooit becommentarieerd, en blijkbaar door geen enkele forummer gelezen. Maar voor iemand als Paul is het boek zo indrukwekkend dat hij wel zes bladzijden uittrekt voor een bespreking ervan!
De volgende kritische overwegingen die door Paul opgesomd worden komen in het boek voorbij. Misschien leuk voor iemand om te becommentariëren:
1-Voorbeelden via het werk van kwekers en telers zijn niet geldig, aangezien dit geen natuurlijke, maar kunstmatige selectie is. Kunstmatige selctie is juist een argument tegen de evolutie: het laat zien dat men enkel beperkte veranderingen kan aanbrengen, geen overgang naar een nieuwe soort.
2-Darwin vond de seksuele selectie belangrijker dan tegenwoordig het geval is. Er is hier soms zelfs sprake van een tegenspraak met zijn benadering. Seksuele voorkeur voor bijvoorbeeld een vrouwtjespauw voor de meest bijzondere verenpracht druist in tegen de aanpassing om te overleven.
3-Het fossiele archief wijst niet in de richting van geleidelijke ontwikkeling. Maar wie een sprongsgewijze evolutie aanneemt verliest het verklaringsmechanisme dat Darwin aanvoerde. Maar er is ook geen mechanisme bekend dat zulke grote veranderingen verklaart.
4-De meeste soorten vertonen geen gerichte veranderingen tijdens hun bestaan op aarde. Ze zijn aan het einde van een periode nagenoeg hetzelfde als aan het begin. Nieuwe soorten duiken altijd plotseling op, en kan men niet geleidelijk zien ontwikkelen.
5-Een probleem bij de bewijskracht van gevonden fossielen is dat paleontologen ze in de regel in het bestaande schema proberen onder te brengen. Zelden of nooit wordt een nieuw fossiel gebruikt om het schema te beproeven.
6-Er zijn zeer weinig voorbeelden die aangeboden worden als tussenvorm. Eén ervan is bijvoorbeeld de Archaeopteryx, die als tussenvorm tussen reptielen en vogels wordt beschouwd. Maar vaststellen kan men dit niet. Ook zegt één enkel dier weinig over de vele tussenvormen die er geweest moeten zijn.
7-Het darwinisme kan het ontstaan van het leven niet verklaren. Er is nog steeds geen enkele aanwijzing dat leven spontaan kan ontstaan.
8-Wetenschappelijk naturalisme is een filosofie: men neemt eenvoudig aan dat er op geen enkel moment een bovennatuurlijk Wezen de natuurlijke gang van zaken heeft beïnvloed. Speelt men niet volgens deze arbitrair opgelegde spelregel, dan wordt men niet serieus genomen.

De volgende persoon die het creationisme geloofwaardigheid moet schenken is Stephen C Meyer (notitie voor mezelf: niet te verwarren met de katholieke theoloog John P. Meier en de biologieprofessor Paul Z Myers). Paul vestigt de aandacht op een boek uit 2013, dat een bestseller werd: Darwin’s Doubt.
Paul schreef:Hij verbaast zich over het beroep van zijn critici op de creatieve kracht van toevallige mutaties en natuurlijke selectie, omdat die processen er nog niet konden zijn voordat het leven begon.
Hij richt zich ook op de zog. Cambrische explosie van levensvormen (meer dan 500 miljoen jaar geleden), hetgeen volgens hem nog steeds een probleem is voor de theorie van Darwin. De verklaring zoeken in de onvolledigheid van het fossiele archief blijkt volgens hem geen stand te houden. Stephen Meyer is ruimschoots op het internet te beluisteren.
Op Freethinker komt een verwijzing naar Darwin’s Doubt eenmaal langs. De forummer HenryII geeft een belangrijke kanttekening
HenryII schreef:Stephen Meyer is filosoof en apologeet, géén bioloog of paleontoloog.

Dit wordt door Paul niet vermeld! Google levert op dat hij inderdaad wetenschapsfilosoof is.

De christen Kasper krijgt op Freethinker van heeck dit te horen:
heeck schreef:Stephen Meyer zijn Crea-Fiction is wetenschappelijk afgemaakt, gefileerd en (ook) in Science naar de prullenbak verwezen.
Fijn te weten, jammergenoeg ontbreken de links naar (oftewel de argumenten) waar men dit alles kan nalezen en bestuderen.
Het is echter niet moeilijk om wat inmiddels als beste kritiek op het boek van Stephen Meyer te boek staat op het internet te vinden. Mijns inziens volstaat deze vernietigende kritiek als antwoord op het hele hoofdstuk van Paul.

Deze kritiek wordt herhaald door P Z Myer in een lezing die ook de moeite waard is in zijn geheel te beluisteren.
Wat men hieruit kan leren is dat creationisme gelijk staat aan preken op de kansel: het wordt gedragen door de kunst van retoriek. Uiteraard, want dat is het voedsel waar de gelovige mens geheel op leeft, het is de adem die hij in- en uitademt. Een religieus persoon is per definitie niet geïnteresseerd in feiten. Feiten zijn leuk voor zover ze het geloof ondersteunen. Zo ze dit niet doen dan richt men zich op de bezigheid ze uit te roepen tot fake. De oplichter Trump heeft een zeer scherpe neus gehad om zijn christelijke achterban geheel te bespelen.

Alsof Paul wil aangeven dat hij ook wel weet dat wetenschappelijke kritiek op de evolutieleer bijzonder schamel is, gooit hij het voor de zekerheid nog maar eens over de boeg van de ”christelijke filosofie”. Een rampzalig besluit, want we worden nu getracteerd op onbegrijpelijke brabbeltaal, waaruit ik concludeer dat Paul er zelf ook niets van snapte, maar hij met een stofzuiger maar wat woorden opviste die de indruk wekken hooggeleerd te zijn. Egbert Schuurman, hoogleraar in de reformatorische wijsbegeerte, voorziet de lezer van deze wijsheid:
Paul schreef:[Schuurman] wijst het evolutionisme af en geeft aan dat de onherleidbaarheid van de scheppingsordinantie en de bestaande individualiteitsstructuren in het evolutionisme met voeten getreden worden.
Wellicht moet men jarenlange ervaring hebben met kerkgang in een zwarte kousen kerk om dit gebruik van woorden te vatten. Voor zover ik er, na het lang overdacht te hebben, uit wijs kan worden wordt hier gezegd dat God in de scheppingsweek onveranderlijke soorten heeft geschapen, en dat dit geloof door de evolutieleer op oneerbiedige wijze aan de kant wordt geschoven.
Op naar de volgende zin. Het wordt nóg mooier:
Paul schreef:De onherleidbaarheid van modale aspecten leidt tot het inzicht van de onoverschreidbare grenzen tussen mensen en dieren, tussen dieren en planten en tussen planten en dingen
Als iemand het nu op wil geven dan kan niemand het hem kwalijk nemen. Maar iemand die er naar gaat zoeken op het internet komt erachter dat ”reformatorische wijsbegeerte” hetzelfde betekent als ”de fanclub van meneer Dooyeweerd”, een Amsterdamse hoogleraar in de filosofie die in de dertiger jaren van de vorige eeuw zijn geheel eigen termen bedacht:
Wikipedia over Dooyeweerd schreef: Heel de werkelijkheid (kosmos) kan in ken-gebieden onderscheiden worden, waarbij binnen elk gebied eigen wetten gelden. Hij noemde deze kringen 'wetskringen' of 'modale aspecten van de werkelijkheid'. Deze kringen kennen onderling een duidelijke rangschikking. Elke entiteit in de werkelijkheid behoort tot een bepaalde 'wetskring' waarin het als subject fungeert en waarin het zich houdt (of dient te houden) aan de wetten die voor die kring gelden. De entiteit kan in een 'hogere' wetskring wel een rol spelen, maar niet als subject, slechts als object. De 15 aspecten of wetskringen waarin Dooyeweerd de werkelijkheid onderscheidde zijn;
1 het getalsmatige
2 het ruimtelijke
3 het kinetische
4 het fysische
5 het biotische
6 het psychische
7 het analytische
8 het historische
9 het talige
10 het sociale
11 het economische
12 het esthetische
13 het juridische
14 het ethische
15 het pistische
Voor zover ik het nu kan begrijpen is meneer Schuurman van mening dat mens, dier, plant en levensloze materie van elkaar zo gescheiden zijn dat ze niet uit elkaar gegroeid kunnen zijn, omdat wanneer ze gereduceerd worden tot de oerdeelgebieden waaruit ze bestaan, die Dooyeweerd in zijn totaliteit dacht te kunnen opsommen, wij niet wijzer worden en ze dus geen brug vormen.
Het doet er eigenlijk niet toe of we van dit genie nu wat begrepen hebben of niet. De conclusie die er nu achteraan komt is namelijk duidelijk:
Paul schreef:Hij constateert dat ondanks de toename van wetenschappelijke kennis de geschapen werkelijkheid een mysterie is en blijft.
Dit is natuurlijk een opmerking die iedere middelbare scholier had kunnen maken.
Maar waar is de argumentatie die de evolutieleer en de oeroude aarde omver werpt?
De wetenschapsfilosoof negeert mijn vraag en zet zijn betoog voort met het enige wat voor hem belangrijk is:
Paul schreef:Het wetenschapsgeloof in het academische Westen pretendeert de werkelijkheid volledig in zijn greep te kunnen krijgen. Dit autonome denken ondermijnt de kracht van het christelijk geloof en tracht dat geloof te overheersen of zelfs geheel uit te drijven.
Hier bereikt demagogie een hoogtepunt. Let op hoe voor christenen ”autonoom denken” een vreselijke zonde is. Men moet zich altijd schikken naar wat de bijbel zegt. Doe je dat niet dan zit je fout. Uiteraard volgt hieruit dat wetenschap en christelijk geloof natuurlijk nooit samen kunnen gaan, en waarheid nooit uit de mond van een christen verwacht kan worden, maar dit is het allerlaatste wat een christen ooit toegeeft.
De christelijke lezer vraagt zich nu af of hij in een zesdaagse scheppingsweek en een aarde van 6000 jaar oud moet gaan geloven. Men ziet hem rode oortjes krijgen…’zoiets kan ik toch tegen niemand zeggen, iedereen zal me uitlachen’. De filosoof knikt instemmend en heeft er een prachtige oplossing voor gevonden:
Paul schreef:De scheppingsdagen zijn ’de dagen van het ontstaan van de wording van de werkelijkheid’. Dat is voor ons onbegrijpelijk en nooit te doorgronden. Wij dienen er rekening mee te houden dat we er wetenschappelijk gezien geen zinnig woord over kunnen zeggen.
De wording en ontwikkeling van het leven liggen niet binnen het bereik van de wetenschap.
Een schitterende cop-out! Je gooit hier alle debatten over hoe de eerste hoofdstukken van de bijbel gelezen moeten worden van tafel, én alles wat de wetenschap denkt te kunnen zeggen over het verleden. Negeer het gewoon en herhaal vooral het woordje ”ondoorgrondelijk” - waar, zoals iedereen weet, de christenheid al 2000 jaar met succes op geoefend heeft en een beproefd middel is gebleken om het geloof te behouden.

Recente schepping
Het hoofdstuk is een beetje rommelig. Na nog een boekenlijst gegeven te hebben en een lijst van creationistische tijdschrijften en organisaties besluit Paul nog een lijst van argumenten te geven die pleiten voor een jonge aarde/recente schepping. Ik laat ze hier voorbij komen voor een geïnteresseerde die deze argumenten misschien wil becommentariëren:
1-Er ligt weinig sediment op de zeebodem. Erosie van gebergten via rivieren naar de zee gesleept zou veel meer sediment moeten opleveren, zozeer zelfs dat gehele continenten verdwenen zouden moeten zijn na verloop van miljarden jaren. Hiermee samenhangend is de geringe hoeveelheid zout in de zeeën.
2-In gesteenten bevinden zich heel wat lagen die geplooid zijn terwijl ze geen breuken vertonen. Hieruit volgt dat ze in vloeibare vorm bestonden en daarna stolden. Dit duidt op een snel ontstaan van gesteenten.
3- Recente vondsten van zacht weefsel in de botten van dinosauriërs (rode bloedcellen, hemoglobine, bloedvaten, collageen) vormen een sterke aanwijzing dat ze recenter geleeft hebben dan 65 miljoen jaar geleden.
4- Het zonnestelsel is jonger dan meestal wordt aangenomen op basis van nieuwe gegevens over zonreacties (hydrogeen in helium) en temperatuurwijzigingen van de zon.
5-Het snelle verval van het magnetische veld van de aarde (5% per jaar) wijst erop dat het veld niet ouder kan zijn dan ongeveer 10.000 jaar.
6-de aanwezigheid van helium in radioaktieve gesteenten. Heliumatomen zijn vrij klein en kunnen gemakkelijk ontsnappen. Toch is er in sommige zogenaamde oudere rotsen erg veel helium gevonden.
7-In fossielen, steenkool en diamanten kan C-14 worden aangetroffen, terwijl de halveringstijd slechts 5730 jaar is.
8-Kometen kunnen hooguit maar een paaar miljoen jaar bestaan en niet de miljaren die ons zonnestelsel toegedacht worden.
9-De aanwezigheid van DNA in bacteriën die op 250 jaar oud geschat worden. DNA breekt relatief snel af en bovendien is het gevonden DNA identiek met dat in nu levende bacteriën, terwijl er evolutie verwacht wordt.
Born OK the first time

Gesloten