Niet te geloven - recensie met overdenkingen van Rereformed

Geef hier je mening over boeken die je hebt gelezen.

Moderator: Moderators

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Niet te geloven - recensie met overdenkingen van Rereformed

Bericht door Rereformed » 18 jun 2019 07:49

Voor een forumdiscussie hierover: viewtopic.php?f=33&t=17765
.
Voor een antwoord van Willie van Peer op deze recensie: viewtopic.php?f=33&t=17819

Naar aanleiding van het boek: Willie van Peer: Niet te geloven (2019)
Deze boekbespreking is geschreven door Albert Vollbehr




Willie van Peer: Niet te geloven

Vakantie leesvoer. Vers van de pers, in april uitgekomen, en in mei al een tweede druk gekregen. Begin juni zit ik het al te lezen. De ondertitel, oftewel de frase die het boek nader toelicht, luidt: De werkelijkheid achter het Nieuwe Testament. Dat belooft veel goeds! Om het boek aan te schaffen werd ik echter het meest verleid omdat de schrijver laat weten:
Van Peer schreef:Het is allemaal begonnen in 1993

(nadat de schrijver in een Amerikaanse boekenwinkel een boek van de theoloog Burton Mack in handen kreeg. Na het lezen ervan was hij gefascineerd door het onderwerp.)
Van Peer schreef:Sindsdien ga ik door het leven met een misschien merkwaardige hobby: het onderzoek naar de oorsprongen van het christendom.

Ik deel deze hobby, maar hier een kwart-eeuw mee bezig te zijn is voor mij reden om even eerbiedig mijn pet voor af te nemen. Naar zo iemand ben ik bereid te gaan luisteren. Nog leuker wordt het wanneer ik verneem dat de schrijver een filoloog is. Fascinatie voor linguistiek is een rode draad in mijn leven. Na 42 jaar op het Fins gestudeerd te hebben (een taal die niet tot de indo-europese taalfamilie behoort) en de Finse cultuurgeschiedenis mij eigen te hebben gemaakt, mag ik mijzelf ook een beetje filologische bekwaamheid toerekenen.

Overigens is de schrijver van Niet te geloven een Vlaming. Wat de Nederlandse taal betreft word ik verrast door het herhaaldelijk gebruik van een zelfstandig woordje ”talig” (een talige situatie, een talige analyse), een woordje dat voor een Nederlander enkel bestaat als laatste deel van een samengesteld woord, zoals ”anderstalig, Engelstalig”. Vlamingen noemen wonderen ’mirakels’, hetgeen voor een Nederlander een middeleeuwse klank heeft; en evangeliën zijn voor Vlamingen evangelies, wat ik ook wel zou willen leren schrijven. Deze opmerkingen zijn niet bedoeld als kritiek op het Vlaams, maar enkel omdat taalgebruik mij altijd in hoge mate boeit. Voor de duidelijkheid: wanneer ik iemand Vlaams hoor praten vind ik het altijd het mooiste dialect van de Lage Landen.

Het probleem voor de liefhebber die al veel over het onderwerp gelezen heeft is natuurlijk dat 231 bladzijden tekst over de werkelijkheid achter het Nieuwe Testament onmogelijk diepgaand kan zijn. Het probleem wordt nog vergroot doordat de schrijver ook nog een hoofdstuk heeft over de vroeg-christelijke boeken die het niet haalden tot het Nieuwe Testament. Het boek is gedoemd om alles wat dieper gaat weg te laten. Tijdens het lezen van het boek zit dit me voortdurend dwars. Ik probeer het op te lossen door in dit commentaar menige zaak wat dieper uit te spitten, en menige stellige bewering op wat lossere schroeven te zetten. Laat ik om te beginnen iets rechtzetten waar ik in het bijzonder over viel. De brief aan de Hebreeën komt er in het boek heel bekaaid af, enkel twee zinnen, maar erger is dat de zinnen bovendien nergens op slaan:
Van Peer schreef:Er zijn in totaal veertien brieven van Paulus in het Nieuwe Testament. Maar daarvan zijn er slechts zeven authentiek. Zo wordt de brief aan de Hebreeën unaniem door de specialisten verworpen; die is beslist niet van Paulus. De stijl ervan is welsprekender en gepolijster dan enige andere tekst in het Nieuwe Testament. Meerdere onderzoekers noemen het een vervalsing.
Men vraagt zich hier af of Willie van Peer ooit de brief aan de Hebreeën heeft gelezen. Dan zou hij toch gemakkelijk hebben kunnen constateren dat de tekst onmogelijk een vervalsing kan zijn aangezien de auteur nergens bij name vermeld wordt. Het minste wat een commentator zou moeten doen is opmerken dat de doorwrochte theologische verhandeling vanwege expertise in Griekse taal, stijl en platonistische filosofie, niet door Paulus geschreven is, maar zeer wel vóór het uitbreken van de Joodse oorlog en de verwoesting van de tempel geschreven kan zijn, en misschien behoort tot de vroegste christelijke teksten (vanwege de centrale rol die verwijzingen naar de tabernakel spelen). Iets wat hoogst interessant is aangezien verwijzingen naar een historische Jezus volkomen ontbreken, en de verhandeling zelfs schijnt te zeggen dat Jezus nooit op aarde is geweest (8:4). Noch blijkt de schrijver van de Hebreeënbrief iets te weten over de christelijke rite van de eucharistie. In Hebr. 7 doet de schrijver zijn best om Melchizedek een voorschaduwing te maken van Jezus, maar terwijl het verhaal in Genesis over Melchizedek nota bene begint met dat hij koning van Jeruzalem was en Abraham tracteerde op brood en wijn, komt de schrijver niet op het idee dat dat iets met Jezus te maken zou hebben. En wanneer hij in Hebr. 9:20 Mozes aanhaalt, die zegt "Dit is het bloed van het verbond", komt het bij de schrijver niet op dat Jezus exact dezelfde woorden uitsprak.

Het meest fascinerende van het onderzoek naar de oorsprong van het christendom en de christelijke teksten zijn wat mij betreft niet de antwoorden, die in meer of mindere mate tentatief blijven, maar juist de vraagtekens die blijven staan, de alternatieve scenario’s die voorhanden zijn en die men in eigen denken kan ’uitproberen’ en op waarde schatten. Een opsomming van waar de consensus van geleerden op is uitgekomen is weinig interessant zonder te horen te krijgen waar precies zoiets op gebaseerd is, en hoe onzeker deze stand van zaken in feite is. Weliswaar laat Van Peer weten dat er de laatste tientallen jaren vele nieuwe ontdekkingen zijn gedaan, ”die een opmerkelijk licht werpen op Jezus en de ontstaansgeschiedenis van het vroege christendom”, maar er komt in het boek weinig naar boven wat men in 1980 niet ook al wist. Het opmerkelijke licht dat Richard Carrier in zijn lijvige boek On the Historicity of Jesus laat schijnen, ontbreekt op de boekenlijst van Van Peer. Eveneens ontbreekt het boek The Mystery of Acts geschreven door de meest vooraanstaande expert op het gebied van het boek de Handelingen der Apostelen, Richard Pervo. Het boek Handelingen speelt in Van Peers boek nagenoeg geen rol, hoewel bespreking ervan een hoofdpunt zou moeten zijn in een boek dat genoemde ondertitel heeft. Van Robert Price heeft Van Peer wel het geweldig informatieve boek The Incredible Shrinking Son of Man gelezen, maar jammergenoeg ontbreekt het baanbrekende boek The Christ-Myth Theory and Its Problems, waarin zo ongeveer alles wat de synoptische evangelisten over Jezus schrijven herleid wordt tot bewerkingen van oudtestamentische passages. Eveneens ontbreken de ogen-openende parel van Randel Helms, Gospel fictions, en het aanverwante boek van John Dominic Crossan, The Power of Parable: How Fiction by Jesus Became Fiction about Jesus. Ook ontbreekt Marc Goodacre, The Case Against Q, die het veronderstelde maar nooit gevonden document Q geheel van de baan veegt en met een eenvoudiger scenario aan komt: Lucas heeft voor zijn evangelie zowel gebruik gemaakt van Marcus als van Matteüs. Vreemd genoeg komt Van Peer wel aan met de unieke website van Marc Goodacre, NT Gateway, een overzicht van en verwijzing naar talrijke nieuwtestamentische academische studies.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie met overdenkingen van Rereformed

Bericht door Rereformed » 19 jun 2019 07:34

Inleiding

Van Peer wil mensen aan het denken zetten. Hoe erg het gesteld is met de onwetendheid betreffende het christelijke geloof illustreert hij aan de hand van een kostelijke test die hij ooit uitvoerde: hij vroeg aan willekeurige gelovigen en ongelovigen of ze wisten waar het Nieuwe Testament lag. Hij kreeg talrijke antwoorden, met het Vaticaan als populairste antwoord, maar blijkbaar nooit de reaktie dat de vraag onzinnig is. En toch kan hieruit geen conclusie worden getrokken dat de bijbelteksten in de moderne maatschappij geen rol meer spelen. Om het tegendeel te bewijzen komt hij met een voorbeeld:
Van Peer schreef: In februari 2015 verschijnt in Nederland een blad, getiteld Jezus! Oplage 80.000 exemplaren.
Ik ging via google even zoeken en vond een artikel hierover met de prachtige titel glossy Jezus ligt in alle winkels. Als iets duidelijk wordt uit dit EO-artikel dan is het wel dat de beste jongeman met meisjeshaar en baard enkel nog dient als entertainment: ”Jezus zou van gospel houden, of anders soul of reggae. Heel chill allemaal.” Het voorbeeld dient eerder ter illustrering van zowel de totale onwetendheid in onze moderne maatschappij als ook het afsterven van het aloude geloof. Dat laatste wordt nog onderstreept door het feit dat het de goedkeuring van de EO kan krijgen: ”Een glossy met potentie, zeggen we van EO Geloven”.
Dan had Nietzsche het 140 jaar geleden wel een stuk beter begrepen: "Jezus spreekt uitsluitend over het diepste innerlijk: 'leven' of 'waarheid' of 'licht', dat zijn woorden voor het diepste innerlijk, - al het overige heeft voor hem niets te betekenen. Op dit punt mag men zich in geen geval vergissen: een dergelijke symboliek par excellance staat per definitie buiten alle historie, alle natuurwetenschap, alle psychologie, alle boeken, alle kunst - zijn 'weten' is niets anders dan de reine dwaasheid [toespeling op Parsifal van Wagner] ten aanzien van het feit dat er zoiets bestaat. Cultuur is hem niet eens van horen zeggen bekend." [Antichrist §32]

Van Peer komt vervolgens met een uitspraak ter verklaring van zijn schrijven:
Van Peer schreef:U loopt hoogstwaarschijnlijk niet door het dagelijks leven met het Nieuwe Testament op zak. Maar het is wel een tekst die onze hele samenleving en cultuur verregaand en diepgaand heeft beïnvloed. Mijn respect voor religies is daarin gegrondvest.
En voegt eraan toe dat hij de kathedralen niet zou willen missen, evenmin de schilderijen van Rogier van der Weyden, de middeleeuwse maria-beelden, de gedichten van Hadewych, en de Matthäus-passion, voorbeelden van ”hoogtepunten van diepgang” in de Europese cultuur.

Van Peer somt vier principes op, door het christelijk geloof gecreëerde pilaren, waarop onze samenleving gegrondvest is:
-Het principe van de wederkerigheid (’Alles wat u wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen’ en ’Behandel anderen zoals jij je wilt dat ze jou behandelen’. Van Peer laat weten dat deze leer ook door Confucius werd geleerd, maar ze ontbreekt in de Islam.
-Het principe van waarachtigheid (=oprechtheid, nastreven van waarheid).
-Het principe van individuele verantwoordelijkheid,
-Het principe van het consensuele huwelijk (”vrijwillige vereniging van twee harten”).

Ik zou ervoor gestemd hebben deze 18 bladzijden inleiding weg te laten. Ze hebben geen betrekking tot het onderwerp, maar dienen ertoe de lezer ervan te overtuigen dat de schrijver het christelijk geloof respecteert en bedankt voor bepaalde waardevolle bijdragen aan onze cultuur. Of het helpt is nog maar de vraag. Afgezien van het feit dat het principe van wederkerigheid nogal voor het oprapen ligt en dus overal voorkomt, en het nog maar de vraag is in hoeverre het principe van individuele verantwoordelijkheid en het consensuele huwelijk nu zo duidelijk uit het christelijk geloof voortvloeien, moet Van Peer het aanvullen met:
Van Peer schreef:Er blijft nochthans een probleem.
Waarna hij een stukje schrijft over ”gruwelijke feiten” (uitroeiingen, heksenvervolging, oorlogen), die aan de christelijke godsdienst zijn ontsproten. Hij doet dat echter onder het kopje Het probleem van de kerkelijke overheid, dat vooral bestaat uit haar taak om het geloof te vrijwaren van ’dwalingen’, alsof dat laatste niet een probleem is dat automatisch volgt uit de christelijke theologie en alsof men het vrijwaren van dwalingen niet overvloedig al tegenkomt in de evangeliën en nieuwtestamentische brieven.
Het conflict met de wetenschap schrijft hij toe aan ”extreem vasthouden aan letterlijke interpretaties van teksten”. Dat het juist de wetenschap is die ons leert om de teksten in hun historische contekst te lezen en onze moderne opvattingen achterwege te laten wanneer we antieke teksten interpreteren, is iets waar Van Peer niet bij stilstaat. "In de historische contekst lezen" kan in plaats van gelovigen van hun geloof af helpen het effect hebben religieus fundamentalisme juist te versterken. Het is mij in discussies op freethinker duidelijk geworden dat dit een blinde vlek is voor veel mensen: conservatieve gelovigen lezen hun teksten in de regel niet zo opvallend onwetenschappelijk, (hoewel er natuurlijk ook voorbeelden zijn van groteske bijbelinterpretatie, zoals dispensationalisme). Het zijn juist opvallend vaak de vrijzinnigen en half-ongelovigen die zich van een onwetenschappelijke interpretatie bedienen.

Van Peer voegt er nog aan toe:
Van Peer schreef:Het blijkt dat de kerkelijke overheden zich eeuwenlang schuldig maakten aan bedrog – met als enig doel zichzelf te verrijken en hun macht te vergroten.

Maar Van Peers boek is niet bedoeld als afrekening met de vergissingen en wreedheden van de christelijke kerk. Daarvoor verwijst hij naar de monumentale tiendelige boekenserie van Karlheinz Deschner, Kriminalgeschichte des Christentums. Ik ben blij dat hij dit doet, maar jammergenoeg en onbegrijpelijkerwijze is deze belangrijke goudmijn aan informatie nog steeds niet in het Nederlands en zelfs niet in het Engels vertaald. Het lezen van een Engelse samenvatting ervan is echter genoeg om je af te vragen of de positieve zaken die Van Peer eerder opnoemde voldoende zijn om die te beëindigen met:
Van Peer schreef:Ik zou niet in een andere cultuur willen leven.
Waarom bovenstaande uitgesproken? Ten eerste is iedereen een product van de maatschappij waarin men is opgegroeid en aanpassen aan een andere cultuur en denktranten voor iedereen een moeizame zaak, oftewel is de opmerking dus nietszeggend, geen argument voor het superieure van de christelijke cultuur. Maar wanneer een bladzijde later naar de Kriminalgeschichte wordt verwezen vraagt men zich bovendien af of de uitspraak wellicht veel te lichtelijk gedaan is. Als men mij vraagt wat de essentie van boekgeloof is, de meest kenmerkende karakteristiek van boekgeloof, dan is het naar mijn bescheiden mening geloofsfanatisme, iets wat veel dieper gaat dan enkel ”de kerkelijke overheid”, een zo ongezonde trek in het menszijn dat het al het positieve overschaduwt. Deze werkelijkheid van het Nieuwe Testament is Van Peer blijkbaar nog nooit tegengekomen, hoewel het nota bene aan de basis ligt voor de kruisigingsdood van de superheld die nooit iets verkeerds deed of zei in het verhaal dat de evangelisten ons vertellen.

Daarenboven schijnt mij toe dat de reden waarom wij moderne mensen niet in een andere cultuur willen leven niet is vanwege de christelijke franje die aan onze maatschappij hangt, maar vanwege dat de generaties van en na de Verlichting juist een eind hebben gemaakt aan de heerschappij van het christendom, en individuele vrijheid en rationeel denken in onze maatschappij tot op zeer grote hoogte heeft verheven. De typische verworvenheid in ons westen van vrijheid van opinies is niet dankzij het christendom, maar desondanks het verzet van het christendom ontstaan. Of, anders gezegd, dankzij het verval van het christendom ontstaan.
Uiteraard is waar dat er goed te leven valt met wat er na de zestiger jaren van de vorige eeuw van het Europese christendom over is gebleven: een soort makke goedaardigheid en ietwat naieve goedwilligheid. Wat men kan zien door een willekeurige Britse TV-serie te bekijken, waar altijd wel een Anglicaanse vicar een innemende, zij het gezapige, meestal theedrinkende, rol speelt.

Van Peer vervolgt met op te merken dat het boek ook niet bedoeld is om de lezer aan te sporen een vroom leven te leiden. Wat hij er onmiddellijk op laat volgen is zelfs in niet mis te verstane woorden het omgekeerde, namelijk dat ”degelijke wetenschappelijke onderzoeksresultaten” een eind maken aan ”de opvatting, die juist veel van die religieuze opiniemakers verkondigen, dat de teksten van het Nieuwe testament door God zouden zijn geschreven, of ingefluisterd.”
Van Peer schreef:De reden ervoor is eenvoudig: in de wetenschap houden we geen rekening met bovennatuurlijke verklaringen. Als er een zonsverduistering plaatsvindt, verklaren we die niet door een goddelijke beslissing. Of door een bovennatuurlijk mirakel. Wetenschap zoekt niet naar bovennatuurlijke verklaringen, maar naar de overtuigendste, waarschijnlijkste, naar natuurlijke oorzaken, die door iedereen gecontroleerd kunnen worden. Het Nieuwe Testament is naar dit perspectief mensenwerk. En alle mensenwerk is onvolkomen en is niet vrij van fouten. De overheid van de katholieke kerk (en in mindere mate die van protestantse religie) verkondigt echter het dogma dat ze inzake geloofszaken onfeilbaar is. Daardoor herhaalt ze de fout die ze al met Galilei gemaakt heeft.
Even later drukt Van Peer de lezer op het hart dat de neutraliteit van de door hem aangedragen informatie centraal staat:
Van Peer schreef:De informatie die dit boek verstrekt is onder vakspecialisten volstrekt gemeengoed. Wanneer er wel controverses over bepaalde zaken zijn, wordt dit in de tekst uitdrukkelijk aangegeven.


Hierop volgt één van de naiefste redeneringen die ik in het boek ben tegengekomen:
Van Peer schreef:Een heel andere vraag die je je als lezer kunt stellen: bestaat door dit onderzoek niet het gevaar dat je je christelijk geloof zult verliezen? Of dat je die teksten van het Nieuwe Testament niet meer ernstig kunt nemen? Wellicht is het tegendeel het geval. Naarmate je meer begrip krijgt voor de ontstaansgeschiedenis en de achtergrond van deze teksten, groeit ook het besef wat voor moeite het heeft gekost om dit alles te bewerkstelligen. Je kunt het vergelijken met andere studies. Vermindert mijn waardering voor Shakespeare wanneer ik zijn teksten aandachtig bestudeer? Waarschijnlijk niet. Vindt iemand die kunstgeschiedenis heeft gestudeerd de schilderijen van Bruegel minder mooi? Luistert een muziekwetenschapper minder graag naar muziek van Mozart? Heeft een arts minder bewondering voor het menselijk lichaam? Is het heelal niet meer zo interessant wanneer je inzicht hebt in de structuur van materie?
Dit is een antwoord ”peren” daar waar gevraagd werd naar appels. Interessant zijn en bewondering voor is iets van een geheel andere orde dan religieus geloof, want het laatste is geloof hechten aan beweringen, en juist die beweringen worden door de wetenschap stuk voor stuk naar beneden geschoten. Ik concludeer dat Van Peer als een buitenstaander naar de gelovige wereld kijkt. Deze wereld is hem volkomen vreemd, omreden waarvan zijn commentaar het effect kan hebben langs of over hen heen te praten, zonder hen echt te raken.
Van Peer legt nader uit waarom er voor hem hier geen probleem is. Voor hem blijft er een goede reden over waarom bijbelwetenschap niemand van het geloof hoeft af te brengen:
Van Peer schreef:Geloof kan namelijk ook betekenen: een overtuiging hebben die tot daden aanzet. Iets wat je ’engagement’ kunt aanduiden. Bijvoorbeeld een engagement voor een rechtvaardiger wereld, voor vermindering van bittere armoede. Een typische houding die uit het Nieuwe Testament voortkomt: je inzetten voor medemenselijkheid. Zo’n engagement verdwijnt niet wanneer je merkt dat de kerkelijke visie op geloof niet strookt met de wetenschappelijke gegevens.

Maar dit is te gemakzuchtig ontwijken van de hamvraag. Een gelovige die zijn geloof verliest blijft er wellicht humanistische overtuigingen op nahouden. Maar dit betekent bepaald niet dat men zijn religieus geloof behouden heeft. De opvatting van Van Peer betekent dat men het woordje 'religieus' zo verdund heeft dat men een geëngageerde atheïst ook als religieus kan bestempelen. Oftewel men is dan bezig met een taalspel, heeft godsdienst synoniem gemaakt voor mensdienst.

Overigens mea maxima culpa! Toen ik ooit mijn boek Volwassen Geloof schreef kwam ik ook hierop uit, en het duurde daarna nog vele jaren voor mij om in te zien dat eerlijkheid gebiedt het denkproces nog wat verder te laten gaan. Het was voor een vroom gelovige een te grote stap om de gigantische ommezwaai in het denken van christen tot atheïst in één keer te doen.
Toen ik jaren later het boek in boekvorm uitgaf speelde ik met de gedachte het een andere titel te geven, maar na een reactie van Destinesia besloot ik dat het beter was om die titel te behouden, want het boek wil juist christenen aanspreken en het laat ook het denkproces zien van iemand die vanuit het christelijk geloof op weg gaat naar het ontgroeien ervan.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie met overdenkingen van Rereformed

Bericht door Rereformed » 20 jun 2019 07:58

Hoofdstuk 1 De blik van een wetenschapper

Willie van Peer begint zijn verhaal met de lezer uit te leggen hoe wetenschappelijk onderzoek te werk gaat, namelijk via zoeken naar bewijsmateriaal en zich houden aan de logica. Hij contrasteert het met een roman The Da Vinci Code van Dan Brown, waar beweringen eenvoudig op niets berusten.
Ik begin me inmiddels af te vragen of Van Peers boek misschien scholieren op het oog heeft. Voor een wat oudere lezer met wat algemene ontwikkeling begint het boek saai te worden.

Hoe logica werkt laat Van Peer zien aan de hand van een contradictie. Paulus laat in Rom. 10:13 horen dat al wie de naam van de Heer aanroept gered zal worden, maar Jezus, in Mt. 7:21, laat weten Niet ieder die tot mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het Koninkrijk der Hemelen. Van Peer stelt dat er drie mogelijkheden zijn:
1. Een van de twee uitspraken is onwaar
2. Allebei de uitspraken zijn onwaar
3. Er zijn twee opvattingen in het christendom die naast elkaar bestaan
Van Peer schreef:Wat is nu de eigenlijke boodschap? En wat moet een gelovige met dergelijke tegenspraken?
Een antwoord hierop krijgt de lezer niet, blijkbaar omdat de schrijver het als een retorische vraag beschouwt. De schrijver vervolgt met op te merken dat het Nieuwe Testament bulkt van de contradicties, en die ook in de Koran en Joodse Torah te vinden zijn, en eindigt met de conclusie:
Van Peer schreef:Het lijkt wel typisch voor deze ’heilige’ boeken dat ze interne contradicties bevatten. Het gevolg daarvan is meestal dat machthebbers de teksten uitlegden zoals het hun uitkwam. En dat doen ze eigenlijk nog steeds.

Opnieuw wordt de individuele gelovige hier niet aangesproken. Wellicht heeft Van Peer nooit deel uitgemaakt van een gemeenschap vrome gelovigen. Hoe de teksten gelezen worden is namelijk niet enkel maar een zaak van ’machthebbers’. Iedere vrome gelovige interpreteert contradicties op een manier die de contradictie ogenschijnlijk, dwz. voor de eigen psyche, opheft. Dat is nu juist de logica van vroomheid. Het volgt namelijk logisch direct uit het geloof dat de bijbel geïnspireerd is door God. De gelovige zal dus uitspreken dat de uitspraken allebei waar zijn, elkaar niet tegenspreken maar elkaar aanvullen. Sommige contradicties zijn harde noten om glad te strijken (voor kennismaking hiermee kan men een inkijkje nemen op één van de beroemdste onderwerpen op het freethinker forum Contradicties in de bijbel dat wel 80 pagina's heeft en in de loop van de jaren 262581 maal aangeklikt is!, of de ongelooflijke capriolen volgen die een fundamentalistische gelovige uitvoerde om het geboorteverhaal van Matteüs en Lucas met elkaar te harmoniseren), maar in dit geval kan het heel eenvoudig gedaan worden door op te merken dat Paulus vanzelfsprekend ervan uit gaat dat wie gered wil worden ook serieus meent wat hij zegt en er naar leeft, en niet maar enkel een formule oplepelt en veinst dat hij gelovige is. Aangezien dat laatste veel voorkomt kan de gelovige ook de uitspraak van Jezus voor waar houden.

Hoewel de denkwijze van de vroom gelovige aan een logica gehoorzaamt is ze ook pathologisch. Het is alsof men geïnfekteerd is met een virus, waaraan men overgeleverd is. Hoe tragisch dit is wordt buitengewoon goed geïllustreerd in deze fascinerende video waar de atheïst Matt Dillahunty in gesprek is met een vroom gelovige. De (blijkbaar zwarte) gelovige wordt 'door God gesanctioneerde slavernij in de bijbel' voor de voeten gelegd, waarna de gelovige op alle mogelijke manier kronkelt om zijn moderne afkeer van slavernij te verenigen met zijn opvatting dat de bijbel het onmogelijk bij het verkeerde eind kan hebben. De ex-gelovige-maar-nu-atheïst Dillahunty wordt bijzonder emotioneel bij het aanzien hiervan, iets wat ik ook vaak heel sterk heb ervaren, en reden waarom ik ooit over bijbelgeloof begon te schrijven, en dat daarna 17 jaar lang vrijwel dagelijks heb gedaan. Het is één van de meest tragische gevolgen van vroom boekgeloof, en zet Van Peers uitspraak dat het christelijk geloof ons "het principe van waarachtigheid" geleerd heeft in een schril tegengesteld licht. Het is evenzeer andersom: het christelijk geloof heeft mensen aangeleerd hoe men blind kan blijven ten aanzien van zelfs onmiskenbaar bewijsmateriaal. Dit boekgeloof heeft het principe van onwaarachtigheid (intellectuele oneerlijkheid) tot op ongekende hoogte verheven; praktijken van propaganda en con-artists, gekoppeld aan geloofsfanatisme, tot een ware kunstvorm ontwikkeld.

Van Peer vervolgt met een stukje Nederlandse geschiedenis waar een Nederlander trots op mag zijn. Indien al het vorige was weggelaten zou het een uitstekend begin zijn van het boek. Het gaat namelijk om twee kopstukken die de basis hebben gelegd voor de bijbelwetenschap van alle latere eeuwen: Erasmus en Spinoza.
Erasmus kwam in 1516 aan met de eerste wetenschappelijke uitgave van het Nieuwe Testament, namelijk een uitgave van de Griekse grondtekst, samengesteld via critische vergelijking van diverse manuscripten.
Jammergenoeg moest men nog anderhalve eeuw wachten op Spinoza, die in 1670 als eerste kritiek op de bijbelteksten durfde te geven. Terecht merkt Van Peer hierbij op:
Van Peer schreef:Belangrijker nog is Spinoza’s inzicht dat we de mysterieuze passages in de teksten moeten begrijpen aan de hand van de situatie en de intentie van de auteur in zijn tijd.
Onbegrijpelijkerwijze laat Van Peer er op volgen:
Van Peer schreef:Met andere woorden: de Bijbel is niet een leerboek over natuurkunde, maar een werk over morele principes.

Dit is namelijk in het geheel niet wat bovenstaand inzicht beoogt te zeggen. Vreemd genoeg maakt Van Peer het weer goed door híerna aan te komen met wat bovenstaande wél beoogt te zeggen:
Van Peer schreef:Spinoza was daarmee de eerste die een historische interpretatie van de teksten ontwikkelde, en daardoor de grondlegger werd van de latere ontwikkelingen in de wetenschappelijke bestudering van de Bijbel.
De historische interpretatie bedoelt naar boven te halen wat de oorspronkelijke schrijver van de tekst in gedachten had toen hij zijn beweringen deed. Zo mag Genesis 1 vanzelfsprekend geen natuurkundeles zijn, maar laat het de lezer wel degelijk de gedachten en begrippen zien waarmee de schrijver vertrouwd was en waarop hij vertrouwde, zoals dat de twee grote lichten lampen waren, gemaakt door de schepper ten behoeve van het aardse leven; en zoals dat er boven de aarde een koepel (gewelf) is dat het water boven de aarde vasthoudt. En zo waren de schrijvers van de synoptische evangeliën van mening dat iemand die op de grond ligt en stuiptrekkingen heeft vanzelfsprekend door één of meerdere demonen bezeten was. De moderne gelovige die zich niet aan de opvattingen van de originele schrijver houdt maar de teksten metaforisch of dichterlijk of enkel symbolisch opvat maakt zich schuldig aan oneigenlijk gebruik van de tekst. Zoals al eerder opgemerkt is dit een blinde vlek voor veel mensen. In discussies met gelovigen word ik vaak beschuldigd van 'fundamentalistisch de bijbel te interpreteren', alsof 'men' tegenwoordig wel beter weet, en men begrijpt niet dat mijn manier van bijbellezen de wetenschappelijke is, de historische interpretatie. De bijbeltekst interpreteren op een manier die een modern mens wel aanstaat heeft geen andere grond om op te staan dan subjectieve willekeur, en is dus bij uitstek onwetenschappelijk.

Heel jammer dat de informatie over Erasmus en Spinoza zo uiterst summier opgesomd is. Het zou zoveel interessanter zijn geweest om er iets meer over te horen! Bij Erasmus bijvoorbeeld om te zien hoezeer het allemaal nog in de kinderschoenen stond in die tijd. Hij had enkel zeven manuscripten ter beschikking, allemaal late, vijf daterend uit de twaalfde eeuw en twee uit de vijftiende eeuw. Aangezien geen van de manuscripten het gehele Nieuwe Testament bevatte kon hij ten hoogste drie of vier kopieën van een betreffend nieuwtestamentisch boek met elkaar vergelijken. Van Peer schrijft dat hij zijn werk deed ”op grond van wat toen bekend was”, maar dit is niet geheel correct. Men weet dat Erasmus geen moeite deed om de Codex Basilensis, een kopie van het Nieuwe Testament die uit de achtste eeuw dateert en in de bibliotheek van de Universiteit van Bazel (waar hij zijn werk deed) ook voorhanden was, erbij te betrekken. Reden waarom de meeste wetenschappers stellen dat het hem niet zozeer te doen was om de oorspronkelijke tekst naar boven te halen, maar om via deze Griekse grondtekst de superioriteit van zijn eigen Latijnse vertaling aan te tonen. Van bepaalde gedeelten van het boek Openbaring had Erasmus geen Griekse tekst voorhanden, zodat hij zelf maar een Griekse vertaling maakte van de Latijnse tekst om het werk af te maken. Op zich een knap staaltje werk, maar met ’wetenschappelijk’ heeft dit nog weinig of eigenlijk niets te maken.
Iets anders wat leuk zou zijn geweest te vermelden is dat via dit werk van Erasmus ook de zogenaamde Comma Johanneum aan het licht kwam: een versgedeelte (in 1 Joh.5:7) dat in de vierde eeuw bij de Latijnse vertaling van het Nieuwe Testament erbij is verzonnen om het dogma van de drieëenheid beter te kunnen beargumenteren, en dus door iedere geestelijke gekend werd, maar niet in de Griekse grondtekst voorkomt. Nadat Erasmus de storm van protesten had gepareerd door op te merken dat de Griekse handschriften dit versgedeelte niet bevatten liet men een kersverse kopie maken van de Griekse tekst waar de woorden wél in voorkwamen, waarna Erasmus het in de derde editie opnam, hoewel hij best wist dat dit een volgende vervalsing was. Onwetenschappelijk, maar wellicht begrijpelijk wanneer we in het hoofd houden dat van ketterij (arianisme) beschuldigd te worden in die tijd dodelijke gevolgen kon hebben.

Overigens is de Comma Johanneum een voorbeeld van hoe weinig het wetenschappelijk onderzoek van invloed is op de gelovigen en hoe weinig kerkelijke autoriteiten bereid zijn misvattingen en vergissingen op te biechten en de wereld uit te helpen. Bijbelgenootschappen drukken dit versgedeelte vijfhonderd jaar later nog steeds af, in de NBG van 1951 drukte men het zelfs af in de lopende tekst, zodat het altijd gelezen blijft. Weliswaar plaatste men er haakjes omheen, maar zonder enige uitleg wat die haakjes betekenen. In de nieuwste bijbelvertaling is de tekst verhuisd naar een voetnoot, met begeleidende opmerking: ”Andere handschriften lezen:...”, alweer misleidend aangezien het de lezer achterlaat met het idee dat deze versie mogelijkerwijs de oorspronkelijke lezing is.

Hoewel ik hier het woordje ’misleidend’ in de mond neem, kunnen kerkelijke autoriteiten voor hun manier van werken een beroep doen op waar Van Peer vervolgens mee aankomt:
Van Peer schreef:Een simpel keurmerk ’dit is wetenschappelijk’ is niet te geven. Ook al omdat beweringen over ’feiten’ elkaar kunnen tegenspreken. En omdat wetenschap ook nog eens aan veranderende beoordelingen onderhevig is. Of omdat delen van wetenschappelijke theorieën niet in overeenstemming zijn met andere onderdelen.
Jammer dat ’trumpitis’ (het woordje feiten tussen aanhalingstekens zetten) ook bij Van Peer al ingeslopen is. Op deze manier geformuleerd maakt men wetenschap zo wazig dat vrome gelovigen die eenvoudig kunnen negeren. Ze hebben ”alternative facts”.

We worden vervolgens getracteerd op deze uitspraak:
Van Peer schreef:Op historische gegevens kun je geen statistische meta-analyse toepassen.
Waar de doorsnee lezer daarnet nog dacht in de lagere schoolbank te zitten, wordt hier opeens verwacht dat we het vocabulair van vaklieden beheersen. Iemand die dat inderdaad beheerst zal wellicht vallen over een pleonasme (meta-analyse is altijd statistisch, men behoeft net zo min ’statistische meta-analyse’ als ’houten boom’ te schrijven), de rest zal meta-analyse moeten googlen.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie met overdenkingen van Rereformed

Bericht door Rereformed » 21 jun 2019 06:43

(vervolg hoofdstuk 1 De blik van de wetenschapper)

Om aan te geven hoe nieuwtestamentisch onderzoek in de praktijk werkt komt Van Peer aan met een kopje Onze ’oefening’. De lezer krijgt een tabel met schriftpassages van de drie synoptische evangeliën en wordt verwacht die aandachtig ’horizontaal’ te gaan bestuderen, zoals wetenschappers dat doen, dwz parallelle teksten met elkaar te vergelijken. Dan blijkt al gauw dat vrijwel elke tekst in Marcus een overeenkomstige passage in Matteüs en Lucas heeft, maar omgekeerd nooit het geval is. En daarenboven bevatten Matteüs en Lucas onderling ook weer vrijwel identieke passages, vrijwel allemaal uitspraken/leringen van Jezus, die echter niet in Marcus voorkomen.
Hieruit concludeert men dat Matteüs en Lucas het evangelie van Marcus als bron hebben gebruikt. Tot zover is het voor de lezer heldere soep. Maar hierop volgt jammergenoeg een hoop onhelderheid:
Van Peer schreef:Niet verklaard echter is het feit dat de evangelies van Matteüs en Lucas zoveel overeenkomsten vertonen in passages die geen pendant hebben in de tekst van Marcus (Matteüs en Lucas wisten waarschijnlijk niet van elkaar dat ze een evangelie aan het schrijven waren). Dit wordt wel verklaard wanneer we aannemen dat Matteüs en Lucas naast de tekst van Marcus ook nog een andere tekst gebruikten, waaruit ze voor hun eigen evangelie hebben geput. Wat deze kan zijn, is lang een mysterie gebleven. Totdat Duitse geleerden voorstelden dat er een tekst moet zijn geweest waaruit zowel Matteüs als Lucas moet hebben geput, maar die Marcus niet had. Dit boek wordt door die geleerden het boek Q genoemd, Q naar het Duitse woord ’Quelle’, bron.

Allereerst zal het de lezer opvallen dat de tekst die Van Peer schrijft een beetje komisch overkomt. Er wordt een tekst geponeerd waar zowel Lucas als Matteüs uit hebben geput, maar Marcus blijkbaar niet kende; een tekst die lange tijd mysterieus is, maar uiteindelijk, wanneer Duitsers er de naam Q aan geven, opeens niet meer mysterieus is!

Daarenboven schrijft Van Peer hier een bewering die hij tussen haakjes zet. Uiteraard moet de lezer hiervoor argumenten gegeven worden, want eenvoudiger en meer voor de hand liggend dan een nooit gevonden, niet bestaande bron erbij te toveren, is dat ófwel Lucas zowel Matteüs als Marcus ter beschikking had, ófwel Matteüs de evangelies van Marcus en Lucas. De reden waarom Van Peer hier als axioma schrijft dat Matteüs en Lucas onafhankelijk van elkaar schreven moet liggen in het feit dat het geboorteverhaal dat Matteüs verzint geheel anders is dan het geboorteverhaal dat Lucas verzint, evenzo wijken de verslagen van de Bergrede zeer van elkaar af. Als één van twee bekend was met de ander zou hij zulke afwijkende verslagen niet hebben geschreven, is blijkbaar de redenatie. Maar iemand die zo redeneert redeneert vanuit een gelovig standpunt uit een later tijd, namelijk dat boeken die het tot de canon hebben gehaald elkaar niet tegen mogen spreken. Lucas laat zien dat hij er zelfs geen moeite mee heeft zichzelf tegen te spreken. Zijn verslag van de hemelvaart in zijn evangelie wijkt af van het verslag dat hij ervan geeft in het door hem geschreven boek Handelingen, en klaarblijkelijk is zelfs dat geen enkel probleem voor hem. Later in het boek geeft Van Peer zelf een voorbeeld waaruit blijkt dat Lucas bewust informatie die Paulus verschaft in één van zijn brieven verdraait. Ook dit is geen probleem voor hem.
Iemand die zijn bijbeltje kent zal weten dat het evangelie van Lucas begint met een proloog: ”Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken, … leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm op schrift te stellen.” Lucas laat dus weten dat hij een late schrijver is en velen hem zijn voorgegaan en hij daar weet van heeft. Indien Lucas schrijft dat er velen zijn die vóór hem een verslag hebben geschreven ligt het voor de hand dat hij ook bekend is met Matteüs. Het scenario dat Lucas gebruik heeft gemaakt van Matteüs en Marcus noemt men de Farrer-Goodacre theorie. Hiervoor kan men bij Marc Goodacre terecht, van wie één boek in zijn geheel op het internet te belezen is: http://synoptic-problem.com/synoptic_patterns.html.

De verdediging van het scenario dat Matteüs de evangelies van Lucas en Marcus gebruikte bij het opstellen van zijn evangelie kan men hier vinden. Om te zien hoe het bijbelonderzoek zich tot de allerkleinste details uitstrekt en van daaruit tot conclusies kan komen kan men ook hier een kijkje nemen.

Fascinerende puzzel!

Van Peer schenkt geen enkele aandacht aan deze wetenschappelijke scenario’s, alsof ze niet bestaan, hoewel deze zaken juist in recente decennia veel besproken zijn. Daarentegen laat hij wel een ander alternatief voorbijgaan:
Van Peer schreef:De visie dat Matteüs en Lucas beiden de tekst van Marcus en die van het boek Q hebben gebruikt, is een hypothese. Want het boek Q is niet gevonden. Het is wel een heel serieuze hypothese, die door veruit de meeste wetenschappers wordt aangehangen. Maar het is niet de enige hypothese. Er zijn ook andere visies, bijvoorbeeld dat Matteüs het oudste evangelie zou zijn (vandaar, volgens deze visie, dat in het Nieuwe Testament de tekst van Matteüs als eerste verschijnt). Deze hypothese heeft aanhangers en heeft ook voordelen ten aanzien van de oplossing hiervoor.
Een alternatief dat zelfs voordelen biedt? Een serieuze hypothese? (Dit scenario is de kerktraditie, ook wel Griesbach hypothese). Maar waarom dat scenario dan niet beter uitgelegd? En indien dit een serieus alternatief is dan is de vorige conclusie die Van Peer trok en ik heldere soep noemde (dat Matteüs en Lucas het evangelie van Marcus als bron hebben gebruikt) dus veel te snel getrokken en staat die op losse schroeven.

Waar Van Peer mee bezig is in 'onze oefening' heet in de bijbelwetenschap ”het synoptische probleem”. Het is één van de grootste probleemstellingen waar nieuwtestamentici zich al zo’n twee, drie eeuwen mee bezig houden. Voor mij zou dat al genoeg zijn om de lezer 'onze oefening' te besparen, want nuttiger zou zijn de lezer te vertellen wat specialisten over deze buitengewoon gecompliceerde zaak hebben gezegd en zeggen. Wat van een voorlichter die op de omslag van zijn boek laat weten De werkelijkheid achter het Nieuwe Testament uit de doeken te doen, minimaal verwacht mag worden is dat hij tenminste de frase "synoptisch probleem" voorbij laat gaan en aangeeft dat deze probleemstelling geen definitief antwoord heeft, maar deze zaak in het nieuwtestamentisch onderzoek van generatie tot generatie specialisten altijd ter discussie staat. Wil men in de rest van het boek uitgaan van de prioriteit van Marcus (prioriteit hier in de betekenis dat men Marcus beschouwt als bron voor Matteüs en Lucas), iets wat al sinds het eind van de 19e eeuw door de overgrote meerderheid van specialisten wordt aangehangen, en door velen als established fact wordt beschouwd, dan moet men vanzelfsprekend de redenen hiervoor aangeven, de superioriteit van deze aanname en de zwakheid van de prioriteit van Matteüs aantonen. Weglaten om welke redenen die oplossing geloofwaardiger is dan de prioriteit van Matteüs is onbegrijpelijk in een boek als dit, aangezien er kardinale implicaties kleven aan de keus die men maakt.

Wat namelijk zeer verhelderend zou zijn geweest, maar Van Peer weglaat, is aangeven waarom gelovigen zo graag de prioriteit van Matteüs voorstaan en het scenario van de prioriteit van Marcus verwerpen. Wanneer men tot de conclusie moet komen dat Marcus het eerste evangelie is komt een gelovige namelijk voor zeer grote problemen te staan: Marcus kent geen geboorteverhaal, geen leringen van Jezus en, - grootste verrassing -, geen enkel verhaal over verschijningen van de opgestane Jezus! Als men moet toegeven dat Marcus het eerste evangelie is, wordt men bijgevolg, als men eerlijk is, er bijna toe gedwongen te concluderen dat Marcus blijkbaar niets afwist van genoemde zaken die weggelaten zijn, want het is moeilijk voorstelbaar dat Marcus er wel kennis van had, maar ze niet belangrijk genoeg achtte ze te vermelden. Bijgevolg kan men dan ook concluderen dat de diverse verhalen die Matteüs, Lucas en Johannes vertellen over de verschijningen van de opgestane Jezus en zijn hemelvaart, uit de duim gezogen zijn. Jammergenoeg komt Van Peer niet met dit belangrijkste inzicht dat voortvloeit uit de prioriteit van Marcus.

Er zijn vele wetenschappelijke argumenten omreden waarvan de prioriteit van Matteüs weinig geloofwaardigheid heeft. Eén van de belangrijkste is wel dat dit scenario veronderstelt dat het evangelie oorspronkelijk in het Aramees is geschreven, terwijl wetenschappelijke studie uitwijst dat het evangelie geen vertaling is.
Wanneer men uitgaat van de prioriteit van Matteüs wordt men gedwongen om Marcus als een samenvatting van Matteüs te zien. Dan komt men ook voor onoverkomelijke problemen te staan: Welke schrijver zou het samenvatten zo doen dat de maagdelijke geboorte overgeslagen wordt, en praktisch alle leringen die Jezus verkondigde, waaronder de Bergrede en het OnzeVader, en de verhalen van zijn verschijning na zijn opstanding? En welke schrijver die wil samenvatten schrijft de verhalen die hij overneemt consistent iets langer (gedetailleerder) op dan het origineel dat hij samenvat? (Zie voor weer een fascinerend inkijkje in bijbelwetenschap: https://jimmyakin.com/2015/12/did-matth ... -mark.html ).

Laatstgenoemde zaak pleit voor de prioriteit van Marcus en talloze argumenten kan men naar voren halen om deze conclusie te bevestigen, zoals dat Matteüs vaak zaken die hij als fouten beschouwde in Marcus corrigeerde. Een goed voorbeeld hiervan is dat Marcus Herodes een koning noemt (Mc. 6:22,25,26,27). Matteüs (hoofdstuk 14) corrigeert dit in "tetrarch". Maar in vers 14 vergeet hij Marcus te corrigeren, en noemt hij Herodes per ongeluk "koning". Dit soort zaken bewijzen dat Matteüs Marcus kopieerde, en niet andersom. Een ander voorbeeld: Marcus vertelt dat de dochter van Herodes Johannes de Doper dood wil. Herodes wil dit helemaal niet, en wordt diep bedroefd, laat Marcus weten, maar hij had zijn dochter beloofd dat ze wat dan ook mocht vragen, dus moet hij er wel toestemming toe geven. Matteüs laat ook horen dat hij bedroefd is (14:9), maar even tevoren (in vers 5) had hij geschreven dat Herodes Johannes de Doper dood wilde. Matteüs veranderde dus iets aan Marcus' verhaallijn, maar kopieert delen van zijn verhaal, en merkte niet op dat zijn nieuwe versie niet logisch is.
Eenzelfde soort miskleun kan men vinden in het verhaal over de genezing van de melaatse in Mt. 8:1-4 en Marcus 1:40-45. In Marcus klopt het verhaal. Jezus en de melaatse waren alleen. Dus kan Jezus hem zeggen het aan niemand te vertellen. Maar Matteüs verzint er omstanders bij die de genezing gadeslaan. Vervolgens kopieert hij rustig de zin van Marcus waar Jezus de melaatse gebiedt het aan niemand te vertellen. Maar die opmerking heeft geen pas wanneer er een drom mensen omheen staat die het al gezien hebben. (Dit soort zaken noemt men "editorial fatigue").

Het evangelie van Marcus levert vaak ook theologische problemen op, die dan steevast opgelost worden in het evangelie van Matteüs. Voorbeelden: Marcus vertelt dat Jezus vanwege ongeloof geen wonderen kon verrichten. Mattheüs lost dit onvermogen op door het woordje 'kon' te veranderen in 'wilde'.
Marcus laat iemand Jezus aanspreken met 'Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?', waarop Jezus hem een reprimande geeft: Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, behalve God. Deze uitspraak laat overduidelijk zien dat Jezus zichzelf geen enkele goddelijkheid aanmatigde. Hij reageert zoals iedere vrome jood zou reageren. Vergelijk dit nu met dezelfde passage in Matteüs (19:16): "Nu kwam er iemand naar Jezus toe met de vraag: ‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’ Hij antwoordde: ‘Waarom vraag je me naar het goede? Er is er maar één die goed is. Als je het leven wilt binnengaan, houd je dan aan zijn geboden.’" Matteüs had de tekst van Marcus voor zich en verdraait het verhaal opzettelijk omdat de woorden van Marcus hem niet aanstaan.
Weer een ander voorbeeld:
Einde van het evangelie van Marcus: "Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden."
Matteüs verzint een vervolg op dit verhaal, namelijk verschijningen van de opgestane Jezus. Hij wordt daardoor gedwongen om de tekst van Marcus te verdraaien:
Matteüs: "Ontzet en opgetogen verlieten ze haastig het graf om het aan zijn leerlingen te gaan vertellen." (Mt. 28:8 ).
Nog een voorbeeld. Het evangelie van Marcus laat Jezus zich ondergeschikt maken aan Johannes de Doper. Hij laat zich door hem dopen. Matteüs geeft in zijn evangelie er blijk van met dit probleem bezig te zijn geweest, en geeft meteen een antwoord die de zaak voor hem gladstrijkt: "Maar Johannes probeerde hem tegen te houden met de woorden: 'Ik zou door u gedoopt moeten worden, en dan komt u naar mij?' Jezus antwoordde: 'Doe het nu maar, want op deze manier wordt Gods gerechtigheid vervuld.' " (Mt. 3:14,15)


Terecht merkt Van Peer op dat er altijd een zekere consensus onder specialisten heerst, maar niemand garandeert dat die consensus eeuwig stand houdt. Bijbelwetenschap is voortdurend in beweging. Op de vraag of geschiedkunde dan wel wetenschappelijk is, antwoordt hij vervolgens nogal gemakkelijk ”ja, uiteraard”, en stelt hij dat geschiedeniswetenschap over een eigen methodiek beschikt om wetenschappelijk te werk te gaan. Jammergenoeg wordt deze methodiek zelfs niet beknopt uiteengezet. Twee voorbeeldjes waar Van Peer mee aankomt slaan niet op het bijbelonderzoek, en laten de lezer een spitsvondigheid en twee vanzelfsprekendheden zien: ”Wanneer we geschiedenis als wetenschap beoefenen, moeten we dus voorzichtig te werk gaan”, ”Historische kritiek betekent dat je dingen bekijkt vanuit het standpunt van de mensen die in die tijd leefden”, - geen methodiek om tot conclusies te komen, laat staan één die stand houdt, wat betreft vele cruciale vraagstellingen. Dit betekent ook dat hij niet toekomt aan bespreking van kritiek die het Jezusonderzoek terechtwijst voor het volgen van een volkomen foutieve methodologie. Het is jammer dat het boek Proving History van Richard Carrier op zijn boekenplank ontbreekt, of dat hij niet gebruik heeft gemaakt van de schat aan informatie op ons freethinkerforum: viewtopic.php?p=463837#p463837

Aangezien al deze zaken niet door Van Peer zijn besproken bewijst hij zijn zaak geen dienst, want het laat op voorbeeldige wijze zien hoe onwetenschappelijk hijzelf te werk gaat. Zo schrijft Van Peer drie hoofdstukken verder op bladzijde 93:
Van Peer schreef:Kenden ze elkaars teksten? In enkele gevallen beslist, zoals we eerder hebben gezien, want zowel Matteüs als Lucas maakte gebruik van de tekst van Marcus, plus het boek Q.
Afgezien van dat de vraag hier overbodig is, aangezien de literaire relatie (geheel woordelijke overeenkomst) in hoofdstuk 1 via de oefening die de lezer moest doen nu net wél al aangetoond is, is het ”want” dat Van Peer er achteraan schrijft bijzonder storend, aangezien het in zijn boek enkel staat op benen van willekeur.



Van Peer buigt zich vervolgens over de mirakels (waarvoor Nederlanders het woordje wonderen gebruiken), en vraagt hoe men nu wetenschappelijk met die verhalen omgaat.
Van Peer schreef:Het beste antwoord dat ik ken, stamt van Bart Ehrman. Hij is één van de grote specialisten op het gebied van de studie van het Nieuwe Testament. Zijn redenering is uiterst overtuigend…De kern van het betoog van Ehrman: geschiedkundigen zoeken naar de waarschijnlijkste verklaring voor historische gebeurtenissen…Als we moeten kiezen tussen twee verklaringen, dan verkiezen we de waarschijnlijkste in de geschiedwetenschap…Dat is het eigenlijke werk van de historicus: de waarschijnlijkste verklaring geven van iets wat in het verleden heeft plaatsgevonden. Maar mirakels zijn juist de ónwaarschijnlijkste dingen…Ergo: wanneer iemand in mirakels gelooft, kan hij of zij dat onmogelijk doen op historische gronden.

Ik merk op dat ik me danig erger aan de manier waarop Van Peer hier schrijft. Waar het hier om gaat is één van de meest vanzelfsprekende zaken die iedereen met een succesvolle middelbareschoolopleiding zelf had kunnen formuleren. En iets wat Van Peer in de inleiding op bladzijde twintig de lezer al liet weten (”Wetenschap zoekt niet naar bovennatuurlijke verklaringen, maar naar de overtuigendste, waarschijnlijkste, naar natuurlijke oorzaken, die door iedereen gecontroleerd kunnen worden”).
Indien men al iemand bij name wil noemen die het bovenstaande uitgesproken heeft, zou het David Hume moeten zijn, die het als eerste verwoordde en als eerste een hele wetenschappelijke beschouwing gaf over wonderen, namelijk Of Miracles, hoofdstuk 10 van zijn boek An Enquiry concerning Human Understanding dat in 1748 verscheen. Zie ook: https://en.wikipedia.org/wiki/Of_Miracles . Hume schreef niet alleen de eerste beschouwing hierover, maar was zich er ook van bewust dat het voor alle tijden een doorslaggevende argumentatie is ("I flatter myself, that I have discovered an argument, which will be an everlasting check to all kinds of superstitious delusion, and consequently, will be useful as long as the world endures" - "Ik vlei mijzelf een argument gevonden te hebben dat voorgoed zal dienen als beteugeling van allerlei vormen van bijgelovige waan, en bijgevolg tot het einde van de wereld zijn nut zal bewijzen."). Waarna het gemakkelijk is te begrijpen dat Hume hoofdstuk 10 bij publicatie moest weglaten om geen aanstoot te geven aan lichtgeraakte gelovigen, maar minder begrijpelijk dat het blijkbaar niet in de boekenkast van Van Peer staat. [Voor een Nederlandse vertaling van deze beroemde tekst zie: De uitgelezen Hume, uitgeverij Lannoo, 2004]
Sindsdien hebben tienduizenden geschiedkundigen herhaald wat Hume schreef, en kan men zelfs op een freethinkerforum lezen hoe buitengewoon elegant men deze zaak kan verwoorden: viewtopic.php?p=463996#p463996

Maar nu komt Van Peer de lezer vertellen dat we voor ”het beste antwoord”, - alsof er meerdere wetenschappelijke antwoorden zijn -, bij ”een grote specialist” moeten zijn, genaamd Bart Ehrman, alsof hij de uitvinder is van een geniale nieuwe vondst. Bart Ehrman is iemand die zijn carrière en portemonnee gevuld heeft met het populariseren van wat in de bijbelwetenschap vaak al honderd jaar gemeengoed is. Om het ongebreidelde fundamentalisme in Amerika wat in te temmen. Komisch, onbegrijpelijk, irritant, ik weet niet welk woord ik ervoor moet gebruiken. Maar de zin na het woordje ”ergo” klopt, en daarmee wordt hoofdstuk 1 gelukkig afgesloten.

Het hoofdstuk laat me teleurgesteld achter.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie met overdenkingen van Rereformed

Bericht door Rereformed » 24 jun 2019 08:55

Hoofdstuk 2 Terug naar de bronnen

Van Peer schreef:Voor we dit hoofdstuk beginnen is een belangrijke opmerking op zijn plaats: echte eigentijdse bronnen over Jezus zijn er niet! Waarmee ik bedoel: betrouwbare, neutrale, eigentijdse en eigentijdse teksten die over Jezus handelen, zoals inscripties en officiële documenten. Dergelijke betrouwbare bronnen bestaan wel voor bijvoorbeeld de persoon van Pilatus. ’Harde’ bewijzen voor de figuur van Jezus en wat hij gedaan heeft, bestaan niet. Nergens. Ze zijn er gewoon niet. In dit hoofdstuk bespreken we wel een aantal teksten die naar Jezus verwijzen, maar ze dateren zonder uitzondering van een (soms aanzienlijk) latere datum. Er zijn nooit rechtstreekse ’bronnen’. Maar ze zijn het enige wat we hebben. Dus moeten we ze ook (kritisch) op hun inhoud onderzoeken.
Sommigen ontkennen het bestaan van Jezus. De redenen daarvoor kunnen flink uiteenlopen. Hoe krijgen we dus een betrouwbaar antwoord op de vraag naar zijn bestaan? In dit geval door de kritische bestudering van de historische bronnen.

Het vreemde is dat Van Peer hier inziet een belangrijke opmerking te maken, en wel drie keer het woordje 'betrouwbaar' in de mond neemt als zaak waar het om draait, maar er in wat volgt geen enkele conclusie aan verbindt of iets van kritische geest laat zien. Ook is zeer vreemd dat hij hier verwijst naar ’sommigen’ die het ontstaan van Jezus ontkennen, maar op deze ene zin na er verder in het boek geen enkele aandacht aan besteedt, alsof er geen argumenten voor bestaan anders dan genoemd ontbreken van primaire bronnen. Zelfs geen voetnoot die de geïnteresseerde lezer verwijst naar een wetenschapper die er meer over te vertellen heeft.
Van Peer vervolgt op deze manier:
Van Peer schreef:In dit hoofdstuk gaan we in op de bronnen die ons iets kunnen vertellen over de historische persoon Jezus. Alles bij elkaar levert dit een tamelijk magere oogst op. Maar als je alle bronnen samenneemt, lijkt het vrijwel onontkoombaar dat er ooit een Jezus van Nazareth is geweest.

Vervolgens komt Van Peer aan met de zak vol leeg: Romeinse bronnen van negentig jaar later die laten horen dat er christenen rondlopen, Koptische bronnen (Nag Hammadi boeken) die helemaal niet tot bronnen gerekend kunnen worden, een Joodse bron waarvan iedereen weet dat die door christenen vervalst is, om op het eind van het hoofdstuk te concluderen:
Van Peer schreef:Met grote waarschijnlijkheid heeft hij wel degelijk geleefd, ideeën verkondigd en volgelingen om zich verzameld, en is hij geëxecuteerd door de Romeinen.
De Romeinse bronnen beginnen met Plinius de Jongere die in het jaar 112 een brief schrijft aan keizer Trajanus en vraagt om raad. Samenscholingen zijn verboden, en hij is te weten gekomen dat er zogenaamde christenen zijn, mensen die samen komen om gemeenschappelijk een maaltijd te nuttigen, en samen hymnen zingen ”voor Christus zoals voor een God”.
Was het te moeilijk voor Van Peer om in te zien dat dit een bron is die het bestaan van christenen bevestigt, maar op geen enkele manier een bron die ons wat vertelt over het wel of niet bestaan van een historische Jezus? Waarom in vredesnaam moet Plinius de Jongere erbij gesleept worden?

De volgende getuige is Suetonius, een historicus die in het jaar 115 Het leven van de keizers publiceert en daarin vertelt dat Claudius (41-54) een edict uitvaardigde dat alle Joden Rome moesten verlaten, vanwege ordeverstoringen.
Van Peer schreef:Die orderverstoringen zouden hun oorsprong hebben gevonden 'door toedoen van Chrestus' (impulsore Chresto). Meer zegt hij niet. Was dit Jezus van Nazareth? We weten het niet zeker.
Een vreemd commentaar, want vanzelfsprekend kan de oproerkraaier niet Jezus van Nazareth zijn geweest, want er is geen enkele bron die hem in Rome plaatst in een latere tijd. Wat Van Peer wellicht bedoelt te zeggen is of we vanwege de naam Chrestus moeten denken aan joden die onderling kibbelden over de nieuwe sekte van Jezusvolgelingen. Maar dat is onmogelijk, omdat ’impulsore’ oproerkraaier betekent, de persoon die de orde verstoort, niet een zaak waarover men kibbelt. Misschien moeten we concluderen dat Suetonius hopeloos verward is. Ten hoogste geldt hij als bron voor het bestaan van christenen in Rome onder Claudius, maar hij kan niet beschouwd worden als bron voor het bestaan van een historische Jezus. Waarom laat Van Peer deze persoon de revue passeren als bron?

De volgende bron is Tacitus, een belangrijke historicus uit het jaar 116, die de imposante Annalen van het keizerlijk Rome publiceerde in 16 delen. De eerste bron om serieus te nemen. Tacitus schrijft:
”Nero beschuldigde valselijk diegenen die men christenen noemt. De persoon die oorspronkelijk deze naam, Christus, droeg, werd geëxecuteerd door Pontius Pilatus, toen Tiberius keizer was; maar het gevaarlijke bijgeloof, hoewel voor een moment onderdrukt, brak opnieuw uit, niet slechts in Judea, de plaats waar het onheil begon, maar zelfs in Rome.”
Van Peer schrijft:
Van Peer schreef:Hier hebben we in een notendop wel wat informatie die onafhankelijk bevestigt dat er een ’Christus’ was die door Pontius Pilatus ten tijde van keizer Tiberius is terechtgesteld, en dat hij volgelingen had – zelfs tot in Rome – in het jaar 64.

Het punt van belang is echter in hoeverre men kan schrijven ”informatie die onafhankelijk bevestigt dat er een Christus was”. Tacitus schrijft 90 jaar na de dood van de man in kwestie. In die tijd zou iedere christen die hij op straat was tegengekomen en ernaar had gevraagd hem dit antwoord hebben kunnen geven, iets wat zelfs R. T. France toegeeft in zijn boek The Evidence for Jesus (Ik schrijf 'zelfs', aangezien ik deze inmiddels overleden evangelische bijbelgeleerde kende; hij heeft mij indertijd les gegeven op wat tegenwoordig de London School of Theology heet):
R.T.France schreef:Tacitus' reference to 'Christus' is evidence only for what was believed about Christian origins at the time he wrote...by itself it cannot prove that events happened as Tacitus had been informed, and certainly it cannot carry alone the weight of the role of 'independent testimony' with which it has often been invested.

Jammergenoeg ontbreekt dit boek op de boekenlijst van Van Peer, alhoewel men bepaald geen specialist hoeft te zijn om het ook zelf te bedenken.

Ook laat Van Peer achterwege dat van Tacitus het merendeel van boek 5 en het begin van boek 6 verloren is gegaan, toevallig net de bespreking van de jaren 29-37, het meest relevante tijdsbestek voor christenen, hetgeen achterdocht wekt dat men wat betreft de teksten van Tacitus de hand van latere christenen niet kan uitsluiten.

Vervolgens de koptische bronnen, oftewel de Nag Hammadi boeken daterend uit de derde en vierde eeuw. Van Peer vertelt er wat achtergrond over, maar waarom ze hier voorbij gaan mag joost weten, onder bronnen voor een historische Jezus kunnen ze niet gerangschikt worden. Deze Nag Hammadi geschriften laten juist bijzonder goed zien op welk een bijna onvoorstelbare wijze er in het christendom van de eerste eeuwen aan de lopende band van alles puur verzonnen werd: talloze evangelies, apocalypsen van apostelen, handelingen van apostelen, gebed van Paulus, een hele verhandeling met de meest hoogdravende filosofische opvattingen van Jezus die hij na zijn opstanding aan de discipelen afleverde, een andere al even hoogdravende 'dialoog' van 'de Heer' en 'de redder' met zijn discipelen, een brief van Petrus aan Filippus, zelfs een apocalyps van Adam waarvan men het detail weet te vermelden dat Adam die aan zijn zoon Seth vertelde toen Adam 700 jaar oud was.

Wat de Joodse bronnen betreft krijgen we de Dodezeerollen onder de neus, die zoals iedereen weet niets over Jezus weten te vertellen. Indien men ze al als bron zou willen vermelden zouden ze juist wijzen in de richting voor het niet-bestaan van een historische Jezus, maar Van Peer is in eigen denken duidelijk niet bezig geweest met het zelf overdenken en afwegen van zaken die betrekking hebben op het wel of niet bestaan van een historische Jezus.

En dan is er tot slot natuurlijk nog Flavius Josephus en het beruchte Testimonium Flavianum, waarvan iedereen toegeeft dat christenen aan de tekst gesleuteld hebben of geheel opgemaakt.
Van Peer schreef:Desalniettemin heerst onder vakmensen een wijdverbreide consensus dat de kern van de twee passages in de Antiquitates Judaicae historisch betrouwbaar zijn, en dat Jezus wel degelijk bestaan heeft.
Desalniettemin? En voor het gemak maar geheel achterwege laten op grond waarvan men tot dit ’desalniettemin’ komt? En maar geheel weglaten dat pas Eusebius in de vierde eeuw deze vondst deed en een dozijn kerkvaders voor hem wel vlijtig Josephus lazen, maar de passage nooit tegenkwamen of het vermelden ervan de moeite waard vonden?
Wanneer, zoals in dit geval, iedereen het erover eens is dat christenen aan de tekst hebben gesleuteld kan men stellen dat de motivatie daartoe groter is wanneer er oorspronkelijk niets over Jezus stond dan wanneer hij wel degelijk door Josephus vermeld was. Iets wat door Josephus geschreven zou kúnnen zijn klinkt namelijk geloofwaardig en kan in apologieën gebruikt worden. Echter het aanvullen op de meest kinderachtige manier, zodat iedere lezer aan de echtheid van de passage begint te twijfelen, is wel de domste manier om je geloof te verdedigen. Een volkomen opgemaakte passage is naar mijn mening daarom waarschijnlijker dan een gedeeltelijke. Voor Van Peer zou ook interessant zijn dat Ken Olson in 2013 op overtuigende filologische gronden liet zien dat dit het geval is, en de gehele passage gefabriceerd is door Eusebius (iets waarvan men deze kerkvader al eeuwenlang heeft verdacht). Een jaar later kwam professor in de linguïstiek Paul Hopper eveneens tot de conclusie dat de gehele passage een christelijke interpolatie is van twee tot drie eeuwen na Josephus.

Ik ga hier niet verder in op het Testimonium Flavianum. Het internet bulkt van de discussies erover en Van Peer heeft niet de moeite genomen om de schrijver te lezen die meer dan welke andere persoon ook (Earl Doherty, 54 bladzijden!) aan de behandeling ervan besteedt. Bovendien laat hij hier zien dat hij de schrijvers die wél op zijn boekenlijst staan maar bar slecht leest. Bart Ehrman, de persoon van wie alle door hem geschreven boeken op Van Peers boekenlijst staat, verdedigde de historische Jezus een boeklang in zijn Did Jesus Exist? (2012), maar laat (toevallig op het punt dat hij het Testimonium Flavianum bespreekt) weten dat refereren aan buitenbijbelse vermeldingen van Christus nauwelijks of geen waarde heeft als evidentie voor de historiciteit van Jezus, aangezien ze allemaal zo laat zijn dat de getuigenissen - zelfs als we ze allemaal als autentiek beschouwen - enkel kunnen berusten op 'van horen zeggen', oftewel op wat christenen in die latere tijd zelf over hun geloof vertellen. Concluderen dat Jezus bestaan heeft moet volgens hem daarom op andere grond worden gedaan.
Het zou fijn geweest zijn als Van Peer deze cruciale woorden, die Ehrman ”my main point” noemt, wat langer zou hebben overdacht, en ook de opmerking die hij zelf eerder maakte wat serieuzer had genomen (”Wanneer we geschiedenis als wetenschap beoefenen, moeten we dus voorzichtig te werk gaan”), want het hoofdstuk beginnen met ”lijkt het vrijwel onontkoombaar dat er ooit een Jezus van Nazareth is geweest” en besluiten met ”met grote waarschijnlijkheid heeft hij wel degelijk geleefd” is een dubbel overstatement, om niet te spreken van grove misrepresentatie van het behandelde materiaal.

Hier komt eenzelfde onbegrijpelijke onwil aan de dag om kennis te maken met, en de argumentatie te vermelden van, Earl Doherty (Jesus Neither God Nor Man) en Richard Carrier (On the Historicity of Jesus), die boeken van zo’n 700 pagina’s schreven waarin het bestaan van een historische Jezus betwijfeld wordt, als die ik ooit aantrof bij Jona Lendering. Het resultaat is voor deze wetenschapsvoorlichters ronduit rampzalig, want waar Doherty’s en Carriers boeken beslist wetenschappelijk verantwoord zijn (Carrier is zelfs de enige specialist die een peer-reviewed boek heeft geschreven over de vraagstelling of Jezus een historische personage is), komen de praatjes van Lendering en van Van Peer wat dit onderwerp betreft als bijzonder ondeskundig over. Let wel, het was echt niet nodig geweest om het met Doherty en Carrier eens te zijn. Eenvoudig vermelden wat ze te zeggen hebben en vertellen waarom ze niet serieus genomen kunnen worden, of, nog gemakkelijker én wetenschappelijker, eenvoudig opmerken dat de meningen onder specialisten verdeeld zijn, had deze ramp kunnen voorkomen.

Jammergenoeg is de ramp nog groter dan ik had gedacht. Iemand maakte me er op attent dat er inmiddels ook een interview met Van Peer over zijn boek te beluisteren valt op YouTube: https://www.youtube.com/watch?v=TIhXYdYYiBA. Van Peer komt daar over als een aardige man met een aanstekelijk enthousiasme voor zijn onderwerp. Maar vanaf 3’20’’ kom ik opeens het volgende te horen:
Er zijn dus mensen die ontkennen dat Jezus geleefd heeft. Dat mag natuurlijk. Je kunt ook ontkennen dat de aarde rond is. Dat mag allemaal. Maar dat is natuurlijk redelijke onzin. We hebben voldoende bronnen om met zekerheid te weten dat er zo iemand geweest is….Wat weten we buiten de evangelies? We hebben drie Romeinse bronnen waarin over hem gesproken wordt. We hebben een aantal koptische bronnen, de Nag Hammadi codices, we hebben een aantal Joodse bronnen, vooral Josephus Flavius die aan het eind van de eerste eeuw heel duidelijk spreekt over die Jezus die door de Romeinen geëxecuteerd is.
Hier laat Van Peer zich met dezelfde betreurenswaardige arrogantie uit als die ik vier jaar geleden bij Jona Lendering en anderen opmerkte (viewtopic.php?p=462420#p462420): een arrogantie die hand in hand gaat met onwil om het onderwerp zelfs maar te bestuderen. Het resultaat van deze rare combinatie is dat deze arrogantie op de voet gevolgd wordt door de meest amateuristische beargumentering om zijn gelijk aan te tonen.


Alweer komt meneer Van Peer met de Nag Hammadi boeken aan, alsof hij geen enkel idee heeft wat in de geschiedwetenschap als een bron voor iemands bestaan kan gelden. Blijkbaar trommelt Van Peer in zijn volgende boek Clemens van Alexandrië op als een bron voor het bestaan van een historische Hercules.* Van Peer laat in het interview zelfs geheel onvermeld dat alle historici het erover eens zijn dat de passage in Josephus tenminste gedeeltelijk een christelijke vervalsing is, en we dus met een probleem zitten. Hij doet exact het tegendeel: juist de meest omstreden passage uit de geschiedenis van de bronnenkritiek zet hij neer als de belangrijkste: ”vooral Josephus …heel duidelijk”! Waar Van Peer in zijn boek nog sprak van "met grote waarschijnlijkheid" is hij nu inmiddels opgeklommen tot "met zekerheid weten".

* Eusebius, Preparation of the Gospel (10.12), reported that Clement could offer historical dates for Hercules as a king in Argos. https://en.wikipedia.org/wiki/Heracles
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie met overdenkingen van Rereformed

Bericht door Rereformed » 24 jun 2019 17:26

(Hoofdstuk 2: Terug naar de bronnen, vervolg)

Het is voor Van Peer dan weer wel gemakkelijk om in de rest van het hoofdstuk zijn kritisch vermogen te gebruiken ten aanzien van de bijbelteksten. De geboorteverhalen zijn op vele punten tegenstrijdig en gaan zelfs vergezeld met een onmogelijke, bizarre voorstelling:

Van Peer schreef:"En zie: de ster die zij in het oosten hadden gezien ging voor hen uit totdat ze boven de plaats waar het kind zich bevond stil bleef staan" (Mt. 2:9). Een detail: hoe kan een ster voor iemand uit gaan? Je kunt sterren wel gebruiken om je te oriënteren. De Poolster bijvoorbeeld, om het noorden te vinden. Maar dat een ster zich zo zou bewegen, dat is iets wat eigenlijk niet kan. En dan blijft ze juist in Bethlehem stilstaan. Het zal opnieuw duidelijk zijn: dit kan niet.

In feite staat het er in Matteüs nóg een graadje ongeloofwaardiger. Met ’plaats waar het kind zich bevond’ moet niet begrepen worden het stadje Bethlehem, maar exact het huis waar Jezus zich bevond, want de tekst van Matteüs wordt op deze manier vervolgd: ”Toen ze dit zagen waren ze zeer verheugd en ze gingen het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder.” Zo naief zie je het op kerstprenten dan ook vaak uitgebeeld.

Naar mijn mening terecht (zie hier en hier) maakt Van Peer zich vervolgens druk om de ieder jaar weer terugkerende kersttijd waarin de media steevast via Amerikaanse specialisten die toevallig ook gelovig zijn weer een broodje apekool over de kerstster laten vertellen. De ster kan dan weer verklaard worden door een zeldzame conjunctie van Jupiter en Saturnus, of door de conjunctie Jupiter Venus, dan weer kan de planeet Jupiter geheel alleen zorgen voor het fenomeen, dan weer wordt de komeet Halley er bij gesleept om Matteüs een handje te helpen.

Wat ik dan weer niet snap is dat Van Peer zijn beschouwing over de geboorteverhalen eindigt met:
Van Peer schreef:Nogmaals, het is een prachtig verhaal bij Matteüs, en ik had het als kind niet willen missen. Maar het is een verhaal. Een symbolisch verhaal. Mooi en stichtend. Mensen samenbrengend. Maar niet echt gebeurd. Mooie verhalen hebben wij mensen beslist nodig. En het verhaal van Matteüs is oneindig mooi.
Oneindig mooi? Wat is dat nu voor een onzinnige conclusie? Wat mij betreft is deze houding bijzonder kortzichtig. Beseft Van Peer de implicatie van historische interpretatie? De evangelisten hebben hun geboorteverhalen zeker niet bedoeld als sprookje, of als puur symboliek of metafoor of om in een gezellige kerstsfeer te komen, noch is het in de 2000 jaar lange geschiedenis van het christelijk geloof door gelovigen op deze manier opgevat. Ook vraag ik mij af of Van Peer de implicatie van ’stichtend’ beseft. Het woordje betekent "in een godsdienstige stemming brengend" en staat in feite gelijk aan religieuze indoktrinatie. Dát is namelijk hoe het verhaal 2000 jaar lang heeft gewerkt op kinderen.
Indien men ’stichtend’ wil opvatten als ’opbouwend’ dan antwoord ik dat als ik nog religieus zou willen zijn ik de geboorteverhalen zou aanklagen als exact het omgekeerde, namelijk de degradatie van godsdienst tot iets kinderachtigs, tot iets banaals en primitiefs, de aanbidding van een superheld en redder waaraan zelfs sterren gehoorzaam zijn. Iemand die zijn Oude Testament kent weet dat aanbidding van een mens of denken dat sterren boodschappen van God doorgeven, regelrecht ingaat tegen wat daar wordt onderwezen, en we hier dus geconfronteerd worden met heidendom, iets wat bijna alle Joden millennia lang hebben begrepen.
En mensen samenbrengend? Hoe oppervlakkig om dit ’oneindig mooi’ te noemen. Hoe weinig vereist het om in te zien dat het christendom tesamen met de islam de grootste verdeler van de mensheid is! Tesamen met de islam een eeuwige vloek, een eeuwig verderf, een onsterfelijke schandvlek van de mensheid. Ga eens in de afgelopen 2000 jaar een kerk binnen en kijk wat er gebeurt wanneer één schaapje over een ’oneindig mooi’ verhaal een andere mening is toegedaan!
Deze oppervlakkigheid kan men ook daaruit opmaken dat Van Peer de lezer nergens in zijn boek tracteert op de bizarre of ronduit verwerpelijke leringen van Jezus, zoals de Jezus die aan waanvoorstellingen van een spoedig einde van de wereldorde lijdt, of de gigantische waanvoorstelling dat hij ooit rechter zal zijn die het eeuwige lot van alle mensen beslist, de ziekelijke dreigementen met helstraf, de Jezus die geen familiewaarden heeft, de buitengewoon naïeve Jezus die leert dat God in alles wat men nodig heeft voorziet, en die leert dat men God om alles bidden kan en Hij het zal verhoren, dat men geen verzet moet bieden aan het kwaad, of wijst op het ongebreidelde fanatisme dat spreekt uit een vers als: "Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn." (Lc. 14:26) Om maar te eindigen met een tekst die de doorsnee lezer van het boek waarschijnlijk nooit gelezen heeft, maar aan een boek dat "de werkelijkheid achter het Nieuwe Testament" beschrijft, beslist niet had mogen ontbreken:

"Jezus zei: Mensen denken misschien dat ik gekomen ben om vrede op de wereld te brengen.
Zij weten niet dat ik gekomen ben om verdeeldheid te zaaien in de wereld: vuur, zwaard en oorlog.
Want er zullen er vijf zijn in een huis, drie zullen tegen twee zijn, en twee tegen drie.
De vader tegen de zoon, de zoon tegen de vader.
En zij zullen staan als eenlingen."
(Thomasevangelie 16)

O, nu kan ik beter even mijn honden uitlaten en in het zomerse Finse bos gaan rondlopen. Van Peer laat tenslotte in zijn boektitel Niet te geloven op overduidelijke manier zien dat zijn boek geen voorspraak is voor het christelijk geloof. Het verschil tussen hem en mij is dat vroom geloof nooit tot zijn leven heeft behoord. Hij is de dans van vroom geloof ontsprongen en leest de bijbel met een koel gemoed zoals ik de Griekse mythen lees.

njah…Griekse mythen heb ik ook altijd kinderachtig gevonden. Geef mij liever de eerste en vierde ballades van Chopin, de laatste twee pianosonaten van Beethoven, de prelude en fuga in cis-kleine terts van Bach (BWV 849) gespeeld door Richter https://www.youtube.com/watch?v=ugSXVymv6b8 en het Andante uit het tweede pianoconcert van Sjostakovich. Zulke cultuurmonumenten staan op ongenaakbare hoogte. Als ik ooit met die muzieknoten en een piano op een onbewoond eiland de rest van mijn leven zou moeten doorbrengen zou dat voor mij genoeg zijn om me gelukkig te laten voelen. Mijn vuistregel: hoe minder woorden, des te beter cultuurmonument.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie met overdenkingen van Rereformed

Bericht door Rereformed » 24 jun 2019 17:56

(hoofdstuk 2: Terug naar de bronnen, vervolg)

We hebben Romeinse, Koptische en Joodse bronnen achter de rug, de geboorteverhalen ontmaskerd als verzinsels, en worden vervolgens getracteerd op het kopje Zijn de evangelies door God gedicteerd? Een slechte kop voor een bladzijde die de christelijke opvatting van inspiratie behandelt, aangezien het christelijk geloof dit nooit beweerd heeft. Het is een idee dat door de islam gepredikt wordt. Gelukkig concentreert Van Peer zich in de bespreking ervan op de hoofdzaak, namelijk dat we met een historisch twijfelachtig relaas geconfronteerd worden. Welke opvatting van inspiratie men ook heeft, men zou van een God toch meer verwachten.
Van Peer schreef:Om te beginnen: we hebben gewoon geen authentieke teksten van God. Een almachtige en alwetende God had ons toch gemakkelijk een betrouwbare tekst kunnen bezorgen? Nu hebben we alleen heel veel kopieën van kopieën. Maar ook een origineel is gebaseerd op verhalen die tijdens of na het leven van Jezus mondeling werden verteld, en die voor altijd verloren zijn gegaan.
Van Peer schreef:Geen van de evangelies bevat een betrouwbaar relaas van de gebeurtenissen. Het zijn verhalen die een diepere boodschap willen meedelen, zonder aanspraak te maken op een historisch accurate beschrijving.
Hoezo geen aanspraak op accuratie? Is Van Peer niet bekend met de proloog van Lucas?, gaat er onmiddellijk door mij heen.
Mijn klomp breekt wanneer ik lees dat Van Peer in de volgende zinnen juist de proloog van Lucas erbij haalt:
Van Peer schreef: Geen van de auteurs zegt ook dat hij getuige was. Het duidelijkst is dit te lezen bij Lucas. Over zijn voorgangers zegt hij dat zij geprobeerd hebben de gebeurtenissen weer te geven ’aan de hand van gegevens’, welke ons werden overgeleverd door mensen die van het begin af aan ooggetuigen waren’ (Lc. 1:2, mijn cursivering). Lucas vervolgt dan met de mededeling dat hij zijn best heeft gedaan om alles grondig te onderzoeken. Hij zegt met andere woorden dat hij er zelf niet bij geweest is, maar alles uit andere bronnen heeft gehaald. Duidelijker kan het haast niet.
Inderdaad duidelijker dan Lucas het zegt kan men niet aangeven dat hij, ondanks dat hij geen ooggetuige is, wel degelijk aanspraak maakt op het geven van een historisch accurate beschrijving. Hoe deze boodschap Van Peer ontgaat is mij een raadsel. Overigens slaat Van Peer hier een andere passage met dezelfde boodschap van betrouwbaarheid over, één die ons zelfs een ooggetuige op de mouw wil spelden, namelijk het einde van het Johannesevangelie: ”[de leerling van wie Jezus hield]…Het is deze leerling die over dit alles getuige aflegt, en deze dingen beschreven heeft. Wij weten dat zijn getuigenis betrouwbaar is.” (Dit hoofdstuk behoort niet tot het oorspronkelijke Johannesevangelie, maar is er later bijgeschreven).
Juist dit gegeven, dat we in de evangelieën ontegenzeggelijk geconfronteerd worden met talloze onjuistheden, terwijl de schrijvers ons ervan willen verzekeren dat het wel degelijk allemaal echt gebeurd is, creëert voor de gelovige deze benauwde situatie die schreeuwt om opgelost te worden (men moet op zoek naar een apologeet die het allemaal glad strijkt), of men verliest zijn geloof, want we hebben hier te maken met misleiding. Indien het christelijk geloof ons het belang van waarachtigheid heeft aangeleerd, is het wel zeer ironisch dat juist de sterke ontwikkeling ervan dat geloof de das om doet. Hier iets voor de gelovigen om te overdenken: een gelovige die atheïst wordt is niet goddeloos, maar iemand voor wie oprechtheid en waarheid belangrijker is dan het voor de doorsnee gelovige is. Laatstgenoemde gaat de worsteling ermee altijd zoveel mogelijk uit de weg.

Van Peer komt nooit op het punt dat hij misleiding opmerkt en daar conclusies uit trekt. Hij volgt de lijn die vrijzinnig gelovigen ook altijd volgen: de evangelieschrijvers bedoelen het allemaal niet zo letterlijk, ze schrijven geen proces-verbaal van feitelijke gebeurtenissen, het is hun enkel om de spirituele boodschap te doen, een boodschap van nederigheid en liefde. Blijkbaar waren het padvinders die enkel pech hadden om in de oudheid te leven en niets konden googlen.
Een kijk op de zaak die ik beschouw als oppervlakkig en, zoals men uit bovengenoemde bijbelteksten zelf kan opmaken, onjuist.

De ontkenning van goddelijke inspiratie krijgt vervolgens een bewijs in drie delen. Geografische onjuistheden worden behandeld, waarna een bladzijde Historische onjuistheden, en tot slot nog een bladzijde Culturele onjuistheden. Ik vraag me af hoe dit alles door Van Peer in het hoofdstuk Terug naar de Bronnen is gestopt, want de lezer wordt op een hoop onjuistheden attent gemaakt, maar we horen niets over bronnen waaruit de schrijvers putten. Blijkbaar is de gedachte dat juist de afwezigheid van een goddelijke bron typerend is voor de evangelies en het Nieuwe Testament dus bovenal gelezen moet worden als menselijke, wellicht al te menselijke, documenten.

De totaal verschillende geboorteverhalen die Matteüs en Lucas geven roepen echter dringend de vraag naar de bron op. Van Peer gaat er als axioma van uit dat de evangelisten putten uit een mondelinge overlevering, maar afgezien van enkele gemeenschappelijke basiselementen (Nazareth, Bethlehem, Maria, Jozef) moeten we dan denken aan twee volkomen verschillende, oftewel onafhankelijk van elkaar rondgaande mondelinge overleveringen. Aangezien het gaat over gebeurtenissen die dertig jaar eerder zouden hebben plaatsgevonden dan de rest van de evangelieverhalen, het vroegste evangelie (Marcus) geen geboorteverhaal heeft, en oudtestamentische teksten een opvallende rol spelen in de verhalen van zowel Matteüs als Lucas, alsof ze aan de hand daarvan gecreëerd zijn, ligt het wellicht meer voor de hand te denken aan literaire creatie ("original construction") van desbetreffende evangelist dan er twee elkaar tegensprekende mondelinge overleveringen achter te denken. Dit soort zaken zijn m.i. veel interessanter te overdenken dan beschouwingen over mogelijke onjuistheden. Jammergenoeg snijdt Van Peer de vraagstelling niet aan.

Wat de geografische onjuistheden betreft noemt Van Peer dat Marcus Jezus eerst naar Tyrus laat gaan, daarna via Sidon naar het meer van Galilea. Galilea is ten zuidoosten van Tyrus, maar Sidon is naar het noorden!
Van Peer schreef:Dat is natuurlijk te gek: van Mechelen ga je niet naar Brussel via Antwerpen, net zo min als je van Amsterdam naar Utrecht reist via Den Helder.
Als ik me weer even als apologeet opstel lijkt het me toch wel mogelijk om deze zaak glad te strijken. ”Vertrok uit Tyrus en ging via Sidon naar het meer van Galilea” (Mc. 7:31) hoeft men enkel zo te lezen dat het woordje ’via’ betekent ”na eerst nog ook Sidon te bezoeken”. Marcus bedoelt wellicht te zeggen dat Jezus zowel (eerst) Tyrus als (daarna) Sidon bezocht alvorens weer met een boog door de Decapolis terug te gaan naar het meer van Galilea. Toegegeven, hij zegt het misschien wat stuntelig, maar Grieks was niet zijn moedertaal.

Van Peer laat nog een tweede voorbeeld voorbij gaan. Jezus drijft een duivel uit ’aan de overkant van het meer van Galilea, in het land van de Gerasenen’, net waar hij de boot uitstapt, terwijl de stad Gerasa wel vijftig kilometer ten zuidoosten van het meer ligt. Een apologeet zal wel beweren dat ’het land van Gerasenen’ héél uitgestrekt was. Maar dat is wellicht helemaal niet vergezocht, want het gebied ten oosten van het meer van Galilea was dun bevolkt heidens gebied. Men had daar niet veel te zoeken, en kon dat hele gebied dus gemakkelijk met die term aanduiden. In het Oude Testament heet het ”het land van Geshur”, wie weet had het in die tijd nog steeds die naam maar wist Marcus geen raad met die naam en maakte er Gerasenen van, naar een naam van een hem bekende stad.
Het interessantst is dat Matteüs beide voorbeelden getracht heeft glad te strijken. In het eerste geval schrijft hij keurig: ”En Jezus trok zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon” (Mt. 15:21 ) en in het tweede geval ”Toen hij in het land der Gadarenen was gekomen” (Mt. 8:28), naar Gadara, een stadje dat wat dichterbij ligt, zo’n 10 kilometer van het meer vandaan. We hebben hier weer goede voorbeelden die op de prioriteit van Marcus wijzen.

Als historische onjuistheid laat Van Peer voorbij gaan dat er geen volkstelling heeft kunnen zijn omreden waarvan een Galileeër naar Judea zou hebben moeten gaan (de gebieden stonden onder het bestuur van verschillende bewindvoerders), maar ook (wat men minder vaak te horen krijgt):
Van Peer schreef:Waarom zou een hoogzwangere vrouw die op het punt staat te bevallen, zo’n goede 150 kilometer te voet gaan (van Nazareth naar Bethlehem) zonder dat daar een goede aanleiding toe was? Merk bovendien op dat zij enkele dagen na de geboorte nog eens zo’n 150 kilometer lopend aflegt, dit keer dwars door de woestijn (van Bethlehem naar Egypte) En dat met een pasgeboren baby. Maria lijkt wel heel sportief: een marathonloopster! Of had ze een ezeltje om op te zitten? Een luxegoed in die tijd. Maar goed, zelfs dan nam de reis vijf dagen in beslag. Vijf dagen vlak voor een bevalling, de hele dag op een ezel. Is dit verhaal ’waarschijnlijk’? Nee, het is hoogst onwaarschijnlijk. Opnieuw moeten we vaststellen: dit is een mooi verhaal, en je kunt er ook diepere symbolische betekenissen aan verbinden. Maar natuurlijk is het niet echt gebeurd.
Ter verdediging van de fiction producers moet toch wel opgemerkt worden dat Matteüs niets wist van de eerste 150 kilometer (die door Lucas verzonnen is). Deze evangelist laat Maria dus maar de helft van de marathon lopen. En Lucas bespaart Maria een tocht door de woestijn (die weer enkel door Matteüs verzonnen is).
Toen ik dit scenario bij het avondeten aan mijn Finse vrouw voorlegde bleek 150 kilometer geen probleem voor haar te zijn. Tsja, Finse vrouwen hebben nu eenmaal sinds mensenheugenis laten zien dat ze taaier zijn dan mannen. Ze merkte enkel op dat Maria blijkbaar de geboorte nog niet verwachtte en dat die wellicht door die reis werd opgewekt. Paulus noemt zichzelf een misgeboorte, maar Jezus als vroeggeboorte had ik nog nooit overdacht.

Ik vraag me nu af hoe Van Peer heeft vastgesteld dat ook dit weer een mooi verhaal is, mij lukt het me maar niet. Een diepere symbolische betekenis, fiat, want die spelt Matteüs zelfs uit voor de lezer: de kindertjes van Bethlehem die gedood worden zijn een vervulling van een oudtestamentisch vers, en de vlucht naar Egypte al evenzeer, en de uiteindelijke verhuizing naar Nazareth ook al weer. Allemaal voorspeld! Wees, lezer, hiervan dus zeer onder de indruk van het goddelijke!

Maar in plaats van mooi komt bij mij enkel weer het woordje misleidend naar boven, want het zijn stuk voor stuk nepprofetieën. De originele teksten hebben niets maar dan ook niets te maken met een voorzegging over het leven van ene Jezus. Wat Matteüs doet is bewijzen fabriceren voor de betrouwbaarheid van het christelijk geloof. Bewijzen van de allerbelabberdste kwaliteit. Tegenwoordig heb ik bij het lezen van de bijbel steeds als hoofdgedachte dat het zo diep en diep tragisch is hoe bewust gecreëerde oplichting en onwaarheid, een hele civilisatie, een halve wereld, 2000 jaar in zijn greep heeft kunnen houden, het leven van ontelbare mensen tot in details heeft bepaald. Dat er zelfs in deze moderne tijd nog miljoenen intrappen. Er zijn eigenlijk geen woorden voor zo’n diepe tragiek.

Als culturele onjuistheid krijgen we te horen dat Maria naar men moet aannemen een 15, 16 jaar oud zwanger meisje was, dat volgens het verhaal van Lucas helemaal alleen op reis gaat om haar nicht die in Judea woont te bezoeken.
Van Peer schreef:Het is zelfs niet eens in de eenentwintigste eeuw mogelijk voor een jonge vrouw in Palestina om alleen op stap te gaan, laat staan over een afstand van 150 kilometer!
Ik zou zelf dit argument niet durven te gebruiken. De moderne Islamitische cultuur kan men niet zomaar gelijkstellen aan de opvattingen in de Hellenistisch-Romeinse tijd.

Van Peer komt vervolgens met een minder onschuldige culturele onjuistheid. In de tweede brief aan de Korintiërs (2 Kor. 11:32,33) vertelt Paulus dat de Syrische stadhouder de stad liet bewaken om hem te vangen, zodat hij door de stadsmuur gesmokkeld moest worden. In het later geschreven boek Handelingen is de Syrische stadhouder opeens veranderd in ”de Joden”, die Paulus om het leven wilden brengen (Hand. 9:23-25).
Van Peer schreef:Wat hier doorsijpelt is een doelbewuste strategie om de Joden in een kwaad daglicht te stellen. De kiem van tweeduizend jaar anti-judaïsme wordt hier gelegd. En God zelf zou deze Jodenhaat geïnspireerd hebben?
Niet de vraag die Van Peer stelt is hier van belang, aangezien al is opgemerkt dat van goddelijke inspiratie sowieso geen sprake kan zijn. Van belang is dat we hier bevestigd zien dat Lucas geen geschiedschrijver is, maar iemand die bewust geschiedenis fabriceert, al naar gelang het zijn theologie dient. Zoiets op te merken schreeuwt erom deze zaak dieper uit te spitten. Maar jammergenoeg komt Van Peer daar niet aan toe in zijn boek.

Maar het zal duidelijk zijn dat ik er weer een reden bij heb om het nooit te hebben over ’mooie bijbelverhalen’. Het gaat hier weer om onvoorstelbare tragiek; probeer voor een moment eens om 2000 jaar lang anti-judaïsme te overzien. Ondanks dit voorbeeld dat hij zelf geeft zet het Van Peer wat de mooiheid van de bijbelverhalen betreft toch niet op een ander spoor. Van Peer kent dat gevoel van mij duidelijk niet. Waar ik op het eind van het hoofdstuk de tragiek enkel een nog groter dieptepunt zie bereiken, ziet Van Peer enkel een triviale fout. Hij besluit zijn hoofdstuk met deze zin:
Van Peer schreef: Ten slotte levert de wetenschappelijke studie van de bronnen dat sommige religieuze dogma’s op triviale fouten berusten, zoals de opvatting dat Jezus uit een maagd zou zijn geboren.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 25 jun 2019 12:33

Hoofdstuk 3: Babylonische spraakverwarring


In dit hoofdstuk geeft Van Peer wat achtergronden van de complexe taalsituatie en hoe taalonderzoek licht kan werpen op de interpretatie van de nieuwtestamentische teksten. Ik begon aan het hoofdstuk met de verwachting dat Van Peer dit hoofdstuk tot een hoogtepunt zou maken van zijn boek, aangezien hij filoloog is, maar word andermaal teleurgesteld. Het begint al in de eerste alinea van het hoofdstuk:
Van Peer schreef:Een verrassing: het Nieuwe Testament is geschreven, inderdaad, integraal in het Grieks. Niet het klassieke Grieks van Homerus of Sophocles, maar zogenaamd Nieuwtestamentisch Grieks. Eenvoudig Grieks. Dat moest ook, want iedereen, ook gewone mensen die niet hadden gestudeerd, moesten het zonder problemen kunnen begrijpen.
De lezer krijgt hier sterk de indruk dat ’nieuwtestamentisch Grieks’ een uitvinding van de nieuwtestamentische schrijvers zou zijn, een bewuste strategie van de schrijvers om zo eenvoudig mogelijk te schrijven om de teksten zo toegankelijk mogelijk te maken.
In werkelijkheid schreven ze doodgewoon in de gemeenschappelijke voertaal van het Romeinse Rijk, op dezelfde manier als wij modern Engels als wereldvoertaal gebruiken en ook op literair niveau geen boeken schrijven in Shakespeare Engels. Het was wat men noemde Koine-Grieks (koine=gemeenschappelijk), gegroeid uit het dialect dat Atheners spraken ten tijde van Alexander de Grote en in de eeuwen daarna, op dezelfde manier als dat het moderne Engels gebaseerd is op het dialect dat vanuit het hart van het Britse imperium gegroeid is. En het moet ook gezegd worden dat gewone mensen die niet gestudeerd hadden het Grieks echt niet konden verstaan indien het niet toevallig hun moedertaal was, laat staan zonder problemen, net zoals een gewone Europeaan die niet gestudeerd heeft geen gesprek in het Engels kan voeren. Oftewel dat bovenstaande laatste zin echt een onzinargument is.

Marcus staat bekend om zijn bijzondere stijl, misschien te vergelijken met wat men tegenwoordig een stripverhaal noemt. Wie weet deed hij dat bewust om zijn evangelie voor een zo groot mogelijk publiek aantrekkelijk te maken. Men komt in het Nieuwe Testament echter ook voorbeelden tegen van buitengewoon hoogontwikkeld literair vermogen, zoals de brief aan de Hebreeën, die zelfs "gewone gelovigen die wél hebben gestudeerd" in de regel nooit doorgeworsteld hebben, op enkele passages na die de dominee altijd eruit pikt. Ook Lucas en Johannes hebben een prachtige gepolijste stijl.

Taal verraadt in de eerste plaats stijlverschillen. Op basis hiervan kan een taaldeskundige bijvoorbeeld met zekerheid vaststellen dat de eerste brief van Petrus door een andere persoon geschreven is dan de tweede brief van Petrus, of dat de zogenaamde pastorale brieven van Paulus met zekerheid niet van Paulus afkomstig zijn, of dat een bepaalde passage een latere interpolatie is. Hoewel dit de allerbelangrijkste zaken zijn die hier besproken zouden kunnen worden, en voor een filoloog wellicht de interessantste, besteedt Van Peer er in het volgende hoofdstuk jammergenoeg maar één schamele bladzijde aan.

Hij blijft op het niveau dat voor het merendeel van de lezers die in zijn boek rondsnuffelen bijzonder saai zal zijn, wellicht zelfs reden om het boek maar weer op de boekenplank te zetten en verder ongelezen te laten:
Van Peer schreef:De vaststelling dat het Nieuwe Testament oorspronkelijk in het Grieks is geschreven, verbaast veel mensen. Sprak Jezus dan Grieks? Onwaarschijnlijk.


Van Peer vervolgt met vele bladzijden achtergrond hoe de Hellenistische wereld ontstond.
Aan het eind ervan schrijft hij een passage van belang:
Van Peer schreef:Wie in die tijd enige invloed wilde uitoefenen, kon dat maar beter in het Grieks doen. De directe volgelingen van Jezus waren het Grieks echter niet machtig. En dus kunnen de evangelies onmogelijk door hen geschreven zijn. Wat ons meteen naar cruciale vragen voert over de betrouwbaarheid van uitspraken in het Nieuwe testament. Want als die teksten niet door volgelingen van Jezus geschreven zijn, wie waren die auteurs dan?
Van Peers boek is bijzonder geconcentreerd op de evangeliën. Hier zou een uitstekende plaats zijn om ook de brieven even te noemen die volgens de kerktraditie door eenvoudige vissers-apostelen geschreven zijn (Petrus, Jacobus, Johannes, Judas).
Van Peer vervolgt met de lezer te vertellen dat Jezus Aramees sprak, de belangrijkste semitische voertaal in die tijd, met dien verstande dat hij uiteraard het Galilese dialect ervan sprak. Hij tracteert de lezer op een reconstructie van het OnzeVader-gebed naar het Aramees. Vervolgens krijgen we te horen dat dat gebed niet in het oudste evangelie staat.
Van Peer schreef:Als dat gebed voor christenen zo belangrijk is, dan zou je dat toch mogen verwachten? Dat is absoluut geen toeval. Maar hangt samen met de wijze waarop die afzonderlijke evangelies zijn ontstaan.
Dat is niet echt een antwoord op de interessante vraag. We krijgen het ook later niet. We moeten het doen met het verhaaltje wat we in hoofdstuk 1 al kregen te horen, dat Marcus niet beschikte over een zogenaamd document Q. De allerinteressantste vraag ”Waarom dan niet, als de leringen van Jezus voor christenen zo belangrijk zijn, dan zou je dat toch mogen verwachten?”, of een even pientere vraag "Waarom zou Marcus voor een lering die zo centraal staat dat iedere christen die uit zijn hoofd kent moeten beschikken over een document om het te kunnen vermelden in zijn evangelie?", wordt niet gesteld en daarop krijgen we dus ook geen antwoord.

Van Peer vervolgt met wat gedachten over geletterdheid.
Van Peer schreef:Wie kon lezen ten tijde van het ontstaan van het Nieuwe Testament? Daar is nogal wat onderzoek naar gedaan. En de conclusie is dat hooguit 3 procent van de inwonders in Palestina kon lezen. Schrijven is nog een andere vraag. De auteurs van de evangelies moeten hoogopgeleide sprekers van het Grieks geweest zijn. Met andere woorden: de teksten in het Nieuwe Testament stammen niet van de volgelingen van Jezus.
Dit had beter verwoord moeten worden. Uiteraard waren de schrijvers wel volgelingen van Jezus. Van Peer bedoelt blijkbaar te zeggen dat het niet de eenvoudige Galilese vissers waren die als leerlingen van Jezus voorbij komen in het Nieuwe Testament. Aangezien dit echter niet door de evangeliën zelf beweerd wordt, is de laatste zin een vreemde eend in de bijt.

Overigens neem ik zo’n uitspraak als ”hooguit 3 procent” altijd met een flink korreltje zout. Het schijnt mij altijd toe dat een wetenschappelijke benadering zich niet laat verleiden tot zekerheid met zo’n grote mate van precizie. William V. Harris in zijn boek Ancient Literacy schat "full literacy" op hooguit 10% en "partial literacy" (dus kunnen lezen) op hooguit 20%. Dr. John Knight Lundwall schat het percentage in Palestina op 20-40%. Niet dat laatsgenoemde het beter weet dan anderen. Wat men uit deze volkomen van elkaar verschillende cijfers kan leren is dat we hier enkel met gissingen te maken hebben. Wat betreft een veel hoger cijfer dan Van Peer geeft merk ik op: daar valt veel voor te zeggen, aangezien de joodse godsdienst gebaseerd was op heilige schriften, dus beduidend verschilde van de andere culturen. Zelfs voor de eerste eeuw heeft men bewijs voor het gebruik van tefillin.
Van Peer schreef:Trouwens, ook al deden ze dat, we weten uit stevig wetenschappelijk onderzoek dat ooggetuigen vaak onbetrouwbaar zijn. Maar goed, er zijn geen getuigen. Dit is een redelijk onthutsende conclusie. Er is dus geen enkel geschrift van iemand die Jezus gekend heeft. Niet één. Alle teksten in het Nieuwe testament zijn van de hand van mensen die Jezus nooit hebben ontmoet. Zonder uitzondering. Laten we dit even bezinken. Er zijn geen getuigen van wat Jezus ooit gezegd of gedaan heeft in het Nieuwe Testament. Ook niet in de apocriefe evangelies. Ook niet in de Nag Hammaditeksten. Ook niet in de Dode Zeerollen. Dat wil nog niet zeggen dat Jezus nooit geleefd heeft. Alleen: er zijn geen direkte getuigen van. Dus de hele christelijke godsdienst berust op geen enkel ooggetuigenverslag.
Het stoort mij vreselijk dat Van Peer in zijn boek voortdurend van de hak op de tak gaat. Een onthutsende zaak zou al in de inleiding duidelijk gemaakt moeten worden en niet pas op bladzijde 74. Maar het is in de aanvang van hoofdstuk 2 al voorbijgekomen als belangrijke opmerking die ik uit zijn boek citeerde, maar blijkbaar was het toen niet zo onthutsend, want toen ging het hem enkel om te kunnen zeggen ”onontkoombaar dat hij geleefd heeft” en ”met grote waarschijnlijkheid heeft hij wel degelijk geleefd”. Nu is het echter zo onthutsend dat Van Peer hetzelfde zevenmaal herhaalt om het goed te laten bezinken. Maar het laten bezinken doet hij zelf maar halfslachtig, want het is duidelijk niet zo onthutsend dat er voor hem nu een mogelijkheid opdoemt dat Jezus een later verzonnen geheel fictieve personage is. De eerste gedachte die hij na dit onthutsende nieuws heeft is dat Jezus direct gered moet worden als iemand die natuurlijk wel geleefd heeft.

Maar goed, wat heeft dit alles nog met de taalanalyses te maken? Van Peer merkt het ook op en komt met een volgend kopje Merkwaardige mirakels. Hij bekijkt het verhaal van Jezus’ lopen op water ”vanuit een talige invalshoek”. Volgens hem kan dat mirakel namelijk eenvoudig verklaard worden via taalanalyse. Hij legt uit dat het Grieks een ’synthetische’ taal is. Dat is een term uit de linguïstiek waarmee talen worden aangeduid die veel doen aan verbuigen van woorden, al naar gelang de betekenis. De verbuigingen worden oa. ’naamvallen’ genoemd. Talen die weinig of niet aan verbuigingen doen noemt men overigens ’analytische’ talen. In die talen heeft men een hoop aparte kleine woordjes die de betekenis duidelijk maken. Het Nederlands en Engels zijn voorbeelden van dat laatste. Het Fins, dat ik (toevallig dit jaar exact) tweederde van mijn leven heb gesproken, is een taal die bijzonder synthetisch is. Zo is het woord ”kirjastoissammekin” doodgewoon in het Fins en betekent het ”ook in onze bibliotheken”. Het Finse woord zit op deze manier in elkaar: kirja=boek, -sto=plaats waar de zaak aangetroffen wordt, i=meervoud, -ssa=in, -mme=ons, onze, -kin=ook. Hier nog een leuke: "Peseytyisitkö kanssani?" = "Would you like to take a shower with me?" Het Fins heeft maar twee woorden nodig voor waar men in het Engels negen woorden nodig heeft.
Terug naar het Grieks: in de zin ”theorousin ton iesoun peripatounta epi tes thalesses”, die in onze bijbel vertaald is met ”zagen zij Jezus over de zee gaan”, wordt het woordje ”epi” gevolgd door een genitief. In dat geval kan het woordje in het Nederlands vertaald worden met ”op” of ”bij”. In Xenophon (400 v.Chr.) komt ”epi tou potamou” voor, dat vertaald wordt met ”bij de rivier”.
Van Peer schreef:In beide gevallen gaat het om een locatie bij een water (rivier, meer). Jezus wandelde dus bij (en niet op) het meer. Daarmee lijkt het mirakel opgelost. De meest voor de hand liggende vertaling is niet ’op’, maar ’bij’ of ’langs’ het water. Hoe eenvoudig de wereld kan zijn. En hoe ingewikkeld religies de wereld kunnen maken.
Ik sta perplex van deze uiteenzetting. Ten eerste maakt Van Peer het heel ingewikkeld door wel een bladzijde lang te schrijven over hoe de Griekse taal in elkaar zit, terwijl dit allemaal overbodig is en de zaak waar het om gaat eenvoudig in één of twee zinnen gezegd had kunnen worden, reden waarom ik er het Fins bij haalde, dat net zo min iets met de zaak te maken heeft en bovendien veel ingewikkelder is en ik toch in drie regels helder uit kan leggen. Ten tweede staat een voorbeeld van Xenophon erbij halen gelijk aan een frase in een modern Engels boek uit te leggen op basis van het taalgebruik in de tijd van Shakespeare. Ten derde is Johannes de laatste evangelist die erover schrijft, en gaat men voor de betekenis van het verhaal in de eerste plaats naar de oudste bron. Ik sta nog meer paf wanneer ik drie bladzijden verder lees:
Van Peer schreef:Maar nu moeten we toch een (behoorlijke) stap terug doen. Talige analyses zoals de vorigaande zijn uiterst nuttig, maar ze moeten wel gerelateerd zijn aan de context waarin de talige uitingen voorkomen. Dat hebben we – om didaktische redenen – in het voorgaande verwaarloosd. Maar kijken we nu even terug naar dat fragment van Johannes. Dan blijkt dat deze analyse niet opgaat. Want het is duidelijk dat de leerlingen van Jezus zich in de boot op het meer bevinden. Er staat: ”Het meer werd woelig, want er stond veel wind. Na ongeveer vijfentwintig of dertig stadiën geroeid te hebben zagen zij Jezus te voet over het meer tot vlak bij de boot komen en zij werden bevreesd.” (Joh. 6:18,19).
Dit alles wordt trouwens ondersteund door hetzelfde verhaal in twee andere evangelies. Daar is het verhaal veel complexer. Bij Matteüs zien de volgelingen Jezus komen en worden ze bang omdat ze denken dat hij een spook is…Hier gaat de analyse van ”epi” natuurlijk niet meer op, want ze zijn midden op het meer.
Van Peer schiet zijn eigen uitleg die de wereld zo eenvoudig maakte hier dus geheel naar beneden, waarna de lezer wel móet achterblijven met de gedachte dat we hier geen ”uiterst nuttige” maar volkomen ”nutty” uitleg voorgeschoteld kregen. (Let wel: ”nutty” in de moderne informele betekenis, niet in de betekenis die het had voor Shakespeare :wink: ).

Toch blijft Van Peer een bladzijde later volhouden dat Johannes gelezen moet worden alsof Jezus eenvoudig op de oever langs het water liep en er in de originele versie dus geen sprake is van wonder. Alsof Johannes, de evangelist die zo’n honderd jaar na Jezus schrijft, de meest originele versie heeft. Alsof zo'n doodgewone zaak honderd jaar lang mondeling overgeleverd wordt, alsof Johannes niet al wel enkele oudere evangelieën ter beschikking heeft waar hij ditmaal besluit iets van over te nemen.
Van Peer laat weten dat de versie van Matteüs via de uitbreiding van het verhaal met Petrus die ook even op het water loopt, maar er dan vanwege gebrek aan geloof in valt, een later verzinsel is:
Van Peer schreef:Vermoedelijk zijn de minder spectaculaire versies van Johannes en Marcus de eerste, de originele. En heeft Matteüs het verhaal meer ’vertellenswaard’ gemaakt.
We zijn nu al tamelijk intensief met de Griekse tekst van het Nieuwe Testament bezig geweest. En dat bleek heel nuttig. Want het verheldert.
Uiteraard verraadt Matteüs hier dat hij zaken eenvoudig uit zijn duim zuigt (en hebben we weer een bevestiging voor de prioriteit van Marcus bij), maar daarnet had Van Peer toegegeven dat zijn eerdere uitleg over de tekst van Johannes vanwege de contekst waarin het staat ”natuurlijk niet opgaat”, en bovendien laat Marcus er geen enkele twijfel over bestaan dat hier sprake is van op het water lopen en niet maar langs de oever. Hoe Van Peer kan denken dat hij zaken heeft verhelderd is onbegrijpelijk. Het tegendeel is het geval. De lezer moest in een roeibootje een half taalkundig meer van geleerdheid doorworstelen om uiteindelijk achterom te kijken en op te merken dat hij nog geen meter is opgeschoten en het hele meer van Galilea vertroebeld is.

Van Peer vervolgt met wat achtergrond te vertellen over de eerste Griekse vertaling van wat wij het Oude Testament noemen, de Septuagint, en de latere officiële kerkelijke vertaling van de bijbel in het Latijn, de Vulgaat.

Vervolgens krijgen we een uitgebreide verhandeling over de maagdelijkheid van Maria. Van Peer had al eerder gewezen op de "triviale vergissing" waar dit op gebaseerd is (de Septuagint heeft per abuis het Hebreeuwse woordje voor ’meisje’, ’jonge vrouw’ vertaald met ’maagd’), maar nu wordt het nog eens twee bladzijden lang uitgelegd. De lezer krijgt zelfs Jesaja 7:14 in het Hebreeuws onder ogen, inclusief de masoretische klinkertekens die ongetwijfeld de lezer zullen helpen het beter uit te spreken, en nog de Encyclopedia Judaica, die laat weten dat het hier gaat om ”een tweeduizend jarig misbegrip van Jesaja 7:14…dat geen enkele indicatie geeft over de kuisheid van de vrouw in kwestie”.

[Is misbegrip Vlaams of is het een slordigheid van de schrijver, een contaminatie van onbegrip en misvatting? Of misschien een anglicisme, slordige vertaling van het woordje "misinterpretation"? Sorry, maar Dr. E. I. Kipping behoort tot mijn favoriete video's.
O, wacht, het woord komt inderdaad éénmaal voor in een boek uit 1804, De leer der Hervormde kerk bijzonder van den Heidelbergschen Catechismus, verdedigd tegen deszelfs aanvalleren door E. Kist, predikant te Dordrecht!]


Van Peer schreef:We zien hier weer hetzelfde fenomeen opduiken als in het geval Galilei. Kerkelijke autoriteiten beroepen zich op teksten die ze letterlijk willen verstaan. En komen daarmee in onoverkomelijke problemen. Zo’n houding heeft ook een naam: fundamentalisme.
Aangezien de maagdelijkheid van Maria één van de meest besproken hot issues is, en ook minder omslachtig uitgelegd had kunnen worden, zou het veel interessanter zijn geweest om te horen hoe precies diverse katholieken en protestanten uit onze tijd met dit zo definitief aangetoond probleem omgaan. Van Peer maakt hier opnieuw de fout dat hij iets wijt aan letterlijk lezen, alsof men wel beter zou moeten weten, terwijl in werkelijkheid de fundamentalisten Matteüs exact lezen zoals Matteüs het bedoelde te zeggen, oftewel ze volgen hier voorbeeldig de historische interpretatie van Matteüs, er is wetenschappelijk niets in te brengen tegen hun interpretatie van Matteüs. Het probleem zit dus niet in moderne gelovigen die Matteüs verkeerd lezen, maar in hoe de Joodse schrijver van het evangelie van Matteüs het Oude Testament zo heeft kunnen interpreteren zoals hij deed, en waarom ook Lucas het woord parthenos, maagd, gebruikt (Lc. 1:27). Aangezien Van Peer steevast reageert met 'letterlijk lezen' komt deze voor zijn onderwerp ("de werkelijkheid achter het Nieuwe Testament") belangrijker vraag niet bij hem op.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 25 jun 2019 16:30

¨
(hoofdstuk 3: Babylonische spraakverwarring, vervolg)

Als laatste onderdeel van dit hoofdstuk dat de taal centraal laat staan krijgen we een kopje Jezus als ’Cynisch’ filosoof. Weer krijg ik een gevoel dat Van Peer van de hak op de tak gaat. In ruim twee bladzijden wil hij nu samenvatten waar diverse specialisten hele boeken over geschreven hebben. Had hij dat maar gedaan! Maar na een halve bladzijde raakt hij verstrikt in het verhaal van de tempelreiniging. Dat verhaal past op één kenmerk van de cynische filosoof (”…nog een duidelijke parallel: de cynici waren veelal uit op verstoring van de openbare orde”), waarna meer dan de helft van de tekst aan beschrijving en uitleg van dit voorval wordt besteed, en uiteraard weer vermeld moet worden hoe het allemaal niet erg geloofwaardig klinkt.

In de laatste alinea krijgt een ijverige lezer gelukkig nog te horen waar er meer over kan worden gelezen:
Van Peer schreef:Meerdere specialisten (onder anderen F. Gerald Downing, Burton Mack, John Crossan, en R.B. Branham en M.-O. Goulet-Cazé) zien zeer veel overeenkomsten tussen de idealen en de retorica van Jezus en die van de cynische filosofen. En er is nog een interessant argument. De stad Gadara in het toenmalig Palestina was een centrum van cynische filosofie! En lag op een dagreis te voet van Nazareth. Dus in ieder geval was de invloed van de cynische filosofie in het Palestina van 2000 jaar geleden heel tastbaar aanwezig. Was Jezus dan een cynische filosoof? Zeker weten doen we het niet. Hoe het ook zij, hij past in ieder geval vrijwel naadloos in die traditie, hoewel hij natuurlijk geen Griek, maar een Jood was.
Overigens is de afstand van Nazareth tot Gadara ongeveer 60-70 kilometer. Als eerder werd opgemerkt dat 150 kilometer wel vijf dagen duurt indien men beschikt over een snelle ezel, dan komt deze "dagreis te voet" over alsof de schrijver argumenten bedenkt al naar gelang hij ze nodig heeft. (Een dagreis te voet of per ezel is ongeveer gelijk, en men rekent er de afstand van 25 tot 35 kilometer voor.)

De rij specialisten kan nog aangevuld worden met Gerd Theissen, Abraham Malherbe, Ronald Hock, John Kloppenborg, Leif Vaage en Ron Cameron.
Om het interessant te maken had Van Peer de tempelreiniging met één zin kunnen afhandelen, en kunnen benoemen wat nu precies die overeenkomsten zijn die de specialisten sinds het midden van de tachtiger jaren van de vorige eeuw op dit spoor hebben gezet. En juist dat laat Van Peer volkomen onvermeld. Het gaat namelijk in de eerste plaats om het opvallend gebruik van een bepaalde literaire stijl die typisch is voor de Cynici en bekend staat als ”chreia”. Christelijke en Cynische prediking volgde exact ditzelfde literaire model, ze zijn niet van elkaar te onderscheiden. Een chreia (letterlijk: iets nuttigs) is een hele korte beschrijving van een gebeurtenis of situatie, gevolgd door een hele scherpe opmerking. Oftewel een uitstekende manier om iets mondeling over te leveren.

Voorbeelden:

-Diogenes werd gevraagd waarom hij een standbeeld om een aalmoes vraagt. Hij antwoordde: Zodat ik geoefend word in niets te krijgen.

-Een man die gevraagd werd om Jezus te volgen zei: Laat mij eerst mijn vader begraven. Maar Jezus zei: Laat de doden de doden begraven.

Dit is de allerkortste vorm, maar soms is de chreia wat uitgebreider.

Deze chreia zijn vrijwel allemaal afkomstig van het veronderstelde boek Q. De laatste opmerking van Van Peer ”hoewel hij natuurlijk geen Griek, maar een Jood was” wordt problematisch wanneer men zich bedenkt dat Q een rondgaande collectie cynische wijsheden zou kunnen zijn, die christenen eenvoudig op naam van Jezus hebben kunnen zetten. Heel veel chreia zijn namelijk niet specifiek Joods. Bijvoorbeeld veel uitspraken in de Bergrede zijn geen weerslag van specifiek Joods denken (wat Van Peer later in zijn boek met voorbeelden uit oudere Egyptische bronnen bevestigt), maar hebben enkel arme, rechtenloze mensen op het oog, of geven algemeen gezond verstand advies:

-Zalig zijn de armen van geest, want voor jullie is het koninkrijk van de hemel

-Jullie zijn het zout der aarde. Indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmee zal het gezouten worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.

-Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet evenzo?

-Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen. Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen. Waar je schat is, daar is je hart ook.

-Het oog is de lamp van het lichaam. Dus als je oog helder is, zal heel je lichaam verlicht zijn. Maar als je oog troebel is, zal er in heel je lichaam duisternis zijn.

-Maak je geen zorgen om jezelf en over wat je zult eten of drinken, noch over je lichaam en over wat je zult aantrekken. Is het leven niet meer dan voedsel en het lichaam niet meer dan kleding?

-Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld. Ze werken niet en weven niet. Ik zeg jullie: zelfs Salomo in al zijn luister ging niet gekleed als een van hen. Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last.

-Oordeel niet, opdat jij niet geoordeeld wordt. Want op grond van het oordeel dat je velt, zal jij geoordeeld worden, en met de maat waarmee jij meet zal jou de maat genomen worden.

-Geef wat heilig is niet aan de honden en gooi je parels niet voor de zwijnen. Ze zouden het maar vertrappen met hun poten, zich omkeren en jou verscheuren.

-Vraag en het zal je gegeven worden, zoek en je zal het vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want eenieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt wordt open gedaan.

-Behandel anderen steeds zo als je zou willen dat ze jullie behandelen.

-Ga door de nauwe poort naar binnen. Want wie de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.

-Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen, maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels? Zo draagt elke goede boom goede vruchten, maar een slechte boom draagt slechte vruchten.

Allemaal heel algemene uitspraken, waarvan een freethinker anno 2019 geen moeite heeft er heel wat van te onderschrijven! Deze wijsheden lijken in geest en stijl dan ook sterk op wat overal in de Hellenistische wereld door cynici gepredikt werd. De door Van Peer genoemde Gerald Downing laat weten dat het algemeen toegegeven wordt dat ook de regels die voor het rondtrekken worden gegeven (Mt. 10 vanaf vers 5) overal elders in het Romeinse Rijk overeenkomstig zijn.

Het evangelie van Thomas laat zien hoe gemakkelijk zo’n collectie cynische filosofie toegeëigend kan worden. Het enige wat is vereist, is voor vrijwel iedere uitspraak de woordjes ”En Jezus zei:” te schrijven. En Matteüs voegt er af en toe een regeltje over ”jullie hemelse Vader” bij om het religieus te maken.

Daar kan men als room op de taart nog aan toevoegen dat Matteüs de chreia vaak in een heel andere contekst heeft staan dan Lucas. Het OnzeVader gebed bijvoorbeeld laat Matteüs afleveren als deel van de Bergrede, dus aan hele volksmassa’s onderwezen. In Lucas is het echter een privégesprek van Jezus met zijn discipelen. De teksten hebben dus geen contekst en de bron kan dus zeer goed een lijst met enkel uitspraken zijn.
Men zal begrijpen dat een historische Jezus hierdoor iets verder de mist in wordt geschoven, want het is nu onmogelijk om een authentieke uitspraak van Jezus te onderscheiden van wat algemeen gepredikt werd door wijsheidsleraren. Geen idee of Van Peer niet toegekomen is aan deze gedachte of dat hij met opzet al deze dingen weglaat, omdat hij dan de vraag naar de historische Jezus weer zou moeten behandelen en daar geen zin in heeft.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 25 jun 2019 16:50

Voordat ik dit hoofdstuk 3 afsluit moet ik even nog vermelden hoe het nu precies zit met de masturberende Jezus. Dit kwam op ons forum ter sprake toen niemand het boek nog gelezen had: viewtopic.php?p=563875&sid=5bb2a932b5a4 ... fa#p563875
Ik kan nu zeggen dat het allemaal loos alarm was, en Van Peer hier geen enkele steek laat vallen. Hier is de tekst die hij schreef:
Van Peer schreef:Wél een verschil van deze 'hondse' filosofie met de Jezus zoals we die uit het Nieuwe Testament kennen, is dat de cynici de sociale conventies schaamteloos overtraden. Toen Diogenes een keer publiek op een plein in Athene had gemasturbeerd, gaf hij als toemaatje: 'Het zou toch heel praktisch zijn wanneer ik mijn honger kon stillen door over mijn maag te wrijven.' Zulke schaamteloze uitspraken en handelingen zijn in het Nieuwe Testament niet overgeleverd. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat Jezus ze niet ook begaan heeft. Het is wel denkbaar dat latere vertellers die eruit hebben 'gefilterd'. Anderzijds hebben we weinig aanwijzingen voor schaamteloosheid in de teksten die we hebben.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 26 jun 2019 14:17

Hoofdstuk 4: De teksten van het Nieuwe Testament

Dit hoofdstuk zou ik zelf als het interessantste en belangrijkste beschouwen in een boek dat Van Peers ondertitel heeft. Tot mijn verbazing is het met twaalf bladzijden juist het kortste van alle hoofdstukken; zelfs de inleiding van het boek was eenderde langer. Daarbij moet nog aangetekend worden dat twee bladzijden van het hoofdstuk besteed wordt aan de achtergrond voor het verschijnen van de eerste officiële versie van de bijbel in Engeland (King James Bible, 1611) en in Nederland (Statenvertaling, 1637), hetgeen beter in een apart hoofdstuk gedaan had kunnen worden. Dan had Van Peer ook andere hoogstinteressante zaken aan kunnen snijden die met bijbelvertaling te maken hebben, zoals dat vondsten van veel oudere manuscripten van het Nieuwe Testament in de 19e eeuw de nieuwere bijbelvertalingen op vele punten deed afwijken van de versies die in de 17e eeuw uitgegeven werden, en zorgden voor een nieuwe reden voor gelovigen om eindeloos onder elkaar te kibbelen. En hoe heerlijk zou het zijn geweest voor een filoloog om ook de Nieuwe Bijbelvertaling erbij te halen. Te vermelden dat die nieuwe vertaling niet meer, zoals alle oudere vertalingen, de brontekst centraal heeft staan, maar de verstaanbaarheid voor de moderne lezer. Zodat de bijbel op honderden plaatsen onherkenbaar is, zelfs soms zo verminkt is dat ik van bewust aangebrachte vervalsing spreek wanneer ik in die nieuwe vertaling telkens lees dat Paulus zich richt tot ”broeders en zusters”, en opmerk dat al het patriarchale van de bijbelcultuur zoveel mogelijk verdonkeremaand is. Hoezeer het christelijk geloof aan het afsterven is kan men hieraan afmeten dat ik, atheïst, mij hierover al 15 jaar druk maak, maar ik op het internet in al die vijftien jaar geen gelovigen tegenkom die van bovenstaande een punt hebben gemaakt.

Neemt niet weg dat ik de opmerkingen die weinig met de bijbelteksten te maken hebben het interessantst vond om op gewezen te worden. Ik vroeg me bijvoorbeeld een paar dagen geleden af hoe het toch kwam dat men aan het begin van de 16e eeuw opeens die belangstelling had voor de Griekse grondtekst van het Nieuwe Testament. Ik krijg nu het antwoord van Van Peer:
Van Peer schreef:De Vulgaat zal gedurende meer dan duizend jaar de officiële versie van de Bijbel zijn in de katholieke kerk. Een Latijnse vertaling dus.
De kennis van het Grieks stijgt echter opzienbarend na 1453, na de val van Constantinopel…Tijdens de belegering van de stad zagen heel wat intellectuelen de bui al hangen, en vluchtten. Veel van hen kwamen in het Westen en gaven zo hun kennis van het Grieks door aan wetenschappers in onze contreien. Vooral in Italië kwamen veel van deze vluchtelingen terecht. En droegen daardoor rechtstreeks bij aan de opkomst van de renaissance.
Ik hoor ook dat de King James Bible voor 90% de tekst van Tyndale is, de man die in Engeland als eerste de bijbel vanuit het Grieks en Hebreeuws in het Engels vertaalde (al begonnen in 1522 maar pas gepubliceerd in 1535) en als dank daarvoor ervan beschuldigd werd met opzet de bijbel te hebben verdraaid en daarvoor op de brandstapel terechtkwam.

Ook lees ik deze buitengewoon interessante voetnoot:
Van Peer schreef:Tussen 1585 en 1630 emigreren 850.000 mensen uit de Zuidelijke Nederlanden naar het noorden! Een ongeziene economische en intellectuele aderlating – of injectie, al naar gelang vanuit welk perspectief je het bekijkt.
En krijg ik te horen dat in de eerste twintig jaren na de publicatie van de Statenvertaling van de bijbel er een half miljoen exemplaren van verkocht werden! Op een totale bevolking van minder dan 2 miljoen! Dat is iets om heel lang bij stil te staan.

Goed, Van Peer heeft nu enkel nog tien bladzijden over om het over de teksten van het Nieuwe Testament te hebben.
Wat de evangeliën betreft krijgen we eerst dingen te horen die Van Peer al eerder heeft opgemerkt:
Van Peer schreef:Het Nieuwe Testament is niet door één persoon geschreven. Welke taal spraken die evangelisten dan? Ook dat is weer niet zo heel duidelijk. In ieder geval kenden ze goed Grieks, anders hadden ze die teksten niet kunnen schrijven… Ze hebben hun verhalen ’van horen zeggen’, van wat anderen zeiden wat Jezus gezegd zou hebben. De auteurs van de evangelies hebben Jezus nooit gekend.
Waarna we weer opnieuw horen dat de discipelen van Jezus ongeletterde vissers waren of handwerklieden die onmogelijk Griekse teksten zouden kunnen schrijven. Daarna wordt de lezer weer getracteerd op een roeitocht over het meer van Galilea die weer geen meter vooruit brengt:
Van Peer schreef:Kleine variaties in hun Grieks kunnen iets zeggen over waar ze woonden…Misschien is het niet zo heel duidelijk hoe wetenschappers te werk gaan bij de identificatie van auteurs. We stelden al: kleine variaties in het Grieks maken duidelijk waar die evangelisten woonden of vandaan kwamen. Daarom een voorbeeld uit eigen taalgebied. In een Vlaamse krant stond een interview met de befaamde Nederlandse voedseldeskundige Louise Fresco. In het interview komt het volgende citaat voor: ”De opname van stikstof in planten is een gelijkaardig verhaal.” Voor wie een beetje thuis is in de Nederlandse taal, is het volstrekt duidelijk dat Fresco dit niet gezegd kan hebben. Waarom? Omdat Nederlanders het woord ’gelijkaardig’ niet gebruiken. Dat is een Vlaamse variant, waarvoor Nederlanders het woord ’gelijksoortig’ hanteren. Op basis van dit woordgebruik kun je dus als lezer besluiten dat de tekst niet de oorspronkelijke woorden van de geïnterviewde weergeeft. De auteur van het artikel is duidelijk iemand uit Vlaanderen, die de oorspronkelijke woorden heeft aangepast.
Een uitstekend voorbeeld. Het doet me denken aan de diverse malen dat ik op het freethinkerforum gebande forumgebruikers die terugkwamen met een andere gebruikersnaam kon ontmaskeren via hele kleine details in taalgebruik, zie hier en hier.

Maar over hoe dit onderzoek op de bijbelteksten is toegepast, en over wat het heeft opgeleverd laat Van Peer zich met geen woord uit. Wat heeft de lezer er nu aan te horen te krijgen dat men op basis van kleine details kan uitpluizen waar ze woonden, maar vervolgens niet te horen krijgt waar ze woonden? Ik heb het hele boek al een keer doorgelezen en weet dat hij ons in het volgende hoofdstuk gelukkig nog wat erover vertelt, maar de frustratie wordt enkel maar groter: bij Marcus schrijft Van Peer "Waar het geschreven is weten we niet", maar voegt er dan meteen aan toe dat het voor een niet-joods publiek geschreven is en latinismen die men in het evangelie aantreft "zouden erop kunnen wijzen dat het om een gemeenschap in Rome ging". Matteüs "schreef voor een Joods-christelijke gemeente hoogstwaarschijnlijk in Antiochië" (107), maar twee bladzijden later schrijft Van Peer "Dit evangelie werd waarschijnlijk geschreven in Damascus" (109). Misschien moet Van Peer de Van Dale er nog eens op naslaan voor de betekenis van "waarschijnlijk". Lucas ook al in Antiochië, maar dat is volgens de kerktraditie, niet vanwege wat taalonderzoek uitwijst. Vraag niet hoe het mogelijk is dat hij (zoals Van Peer eerder beweerde) Matteüs niet kende terwijl ze nota bene in dezelfde stad woonden. En Johannes wordt volgens de traditie in Efeze neergezet.
Uiteindelijk krijgen we dus antwoorden, maar geen van die antwoorden is wat ons beloofd werd, namelijk dat men op basis van kleine variaties in hun Grieks iets kan zeggen over waar ze woonden! De conclusie "Rome" voor het evangelie van Marcus op basis van latinismen is een mogelijkheid, maar zeer tentatief, zoals men na het lezen van deze link zelf kan concluderen.

De frustrerende schrijftrant herhaalt zich in de korte tekst over de nieuwtestamentische brieven. We horen dat een hele rits brieven van Paulus niet authentiek is, maar geen woord wordt besteed aan de beargumentering ervan, en ook later krijgen we daarover niets te horen. Hoewel men zou denken dat dit voor een filoloog juist het allerinteressantst is om over uit te weiden! Ik vond het tenminste zelf ooit heel boeiend om me er in te verdiepen en erover te schrijven: viewtopic.php?p=386243#p386243 . Zoals men in laatstgenoemde link kan lezen is het ook hoogstinteressant om in de brieven van Paulus op zoek te gaan naar latere interpolaties. Wat toevoegingen in de teksten betreft gaan er in het boek van Van Peer enkel twee voorbij. De passage Marcus 16:9-20, een gedeelte dat met zekerheid niet tot de oorspronkelijke tekst heeft behoord (oftewel niet voorkomt in manuscripten van voor de vijfde eeuw) . En de passage Johannes 7:53-8:11 (verhaal van de overspelige vrouw).
Van Peer schreef:Daarbij rijst de vraag hoe dat verhaal er dan in gekomen is. Daar is redelijke consensus over: waarschijnlijk heeft een kopiïst het er als een ’glosse’, een aantekening in de marge, naast geschreven, en een volgende kopiïst vond dat dit eigenlijk overeenkwam met de geest van de tekst in het algemeen, en zette dat nu in de tekst waarna het door de volgende kopiïst gewoon werd gekopieerd. Enzovoort.
Ik vraag me af van wie Van Peer dit denkbeeld heeft overgenomen. Een marge in manuscripten is nooit zo breed dat men daarop een heel verhaal van wel elf verzen lang kan schrijven. Hooguit een woord of twee.
De christelijke obsessie met seks doet de uitleg die Augustinus ooit gaf veel redelijker klinken, te meer daar men ook handschriften tegenkomt die op de plek van het verhaal een lege ruimte neerzetten, oftewel de kopiist van die manuscripten heeft er weet van dat hier een bepaalde tekst staat, maar laat die bewust weg:

Sommige kleingelovigen, of beter gezegd vijanden van het ware geloof, zijn naar het mij toeschijnt zo bang dat hun vrouwen het zondigen vergeven zou worden, dat ze van hun manuscripten de vergeving die de Heer gaf aan de overspelige vrouw verwijderden, alsof hij, die had gezegd ”Zondig niet meer”, toestemming had gegeven om maar te zondigen. (De Adulterinis Conjugiis 2:6–7)

De behandeling van de brief aan Jacobus doet Van Peer op een hoogst onbevredigende manier die de lezer armer in plaats van rijker maakt:
Van Peer schreef:Er is een brief van Jacobus. Dat is dus de broer van Jezus, en diens ’opvolger’, genoemd ’de Rechtvaardige’. Hij wordt de eigenlijke leider van de christelijke groep in Jeruzalem na Jezus’ dood. Het oudste manuscript van deze brief dateert echter uit de derde eeuw. Volgens sommigen is ook deze brief een geval van pseudo-epigrafie, waarmee bedoeld wordt dat iemand zich uitgeeft voor Jacobus om zo het geschrift meer gezag toe te kennen. Trouwens, die broer van Jezus, Jacobus genaamd, kon niet schrijven en beheerste waarschijnlijk al helemaal niet het Grieks. In 62 wordt Jacobus door de hogepriester Ananus wegens godslastering ter dood gebracht…De feiten worden verhaald in Flavius Josephus. En het relaas is tamelijk betrouwbaar. Maar zoals gezegd zijn er wel problemen met de authenticiteit van de brief.
Men vraagt zich af of Van Peer de brief van Jacobus heeft gelezen. De aanhef ervan is als volgt:
”Jacobus, een dienstknecht van God en van de Here Jezus Christus, groet de twaalf stammen in de verstrooiing.”
Staat daar iets over een broer van Jezus? Staat daar dat hij de bijnaam heeft ”de Rechtvaardige”? Hoe kan dit in vredesnaam een pseudepigrafie zijn? Maar het kan wél iets anders zijn, want het opvallendste van de brief is dat er in de hele brief met geen woord wordt gesproken over wat Jezus deed of ooit zei. Heeft Van Peer zich niet afgevraagd hoe in vredesnaam dit mogelijk is? Heeft hij zich daarna niet verwonderd dat men maar twee kleine frases, - in de aanhef ”en van Jezus Christus”, en in Jac. 2:1 de woordjes ”in onze Here der heerlijkheid, Jezus Christus” -, hoeft door te strepen om geconfronteerd te worden met een door en door soliede Joodse tekst die nooit van Jezus noch van Paulus gehoord heeft, maar in plaats daarvan naar teksten in het Oude Testament verwijst (2:8, 4:6)? Een schrijver die het kan hebben over ”het in u geplante woord dat uw zielen kan behouden”, maar in plaats van hiermee de boodschap van het kruis en Jezus’ opstanding te bedoelen, enkel ethisch gedrag in zijn hoofd heeft.
Gaat er hier geen lampje branden dat het dus misschien geen toeval is dat we enkel late kopieën van Jacobus hebben? Heeft hij ook geen weet van het doolhof aan Jacobussen waar men in het Nieuwe Testament mee geconfronteerd wordt? Weet hij niet dat wanneer men de frase ”die Christus genoemd werd” doorstreept in de passage van Flavius Josephus (oftewel beschouwt als latere interpolatie of glosse van een christen), deze Jacobus opeens verandert in de broer van de Joodse hogepriester die Ananus opvolgde, Jezus de zoon van Damneus?

Het evangelie van Johannes krijgt vervolgens een aparte behandeling, waarin Van Peer rake dingen zegt:
Van Peer schreef:Opvallend is verder dat met uitzondering van het lijdensverhaal geen van de verhalen in het Johannesevangelie in de synoptische evangelies voorkomen. En zelfs wanneer ze dezelfde stof behandelen, is de stijl van de synoptische evangelies ook totaal verschillend van die van Johannes. Jezus spreekt in Johannes vrijwel uitsluitend over zichzelf als God: wie hij is, waar hij vandaan komt, waar hij naartoe zal gaan, en hoe hij de weg is naar het eeuwige leven. En hoe hij altijd al heeft bestaan. In die zin kunnen we zeggen dat de Jezus in Marcus en die in Johannes twee totaal verschillende mensen zijn! Hij predikt niet wat hij in Marcus predikt. Met Johannes verandert het christendom fundamenteel van karakter. In de synoptische evangelies is Jezus een apocalyptische prediker. Hij ziet de wereld waarin hij leeft als onrechtvaardig. En verkondigt dat het einde daarvan nabij is. daarna zal God oordelen en de rechtvaardigen belonen en de onrechtvaardigen straffen. Dit einde valt snel te verwachten.
Maar…de omwenteling komt niet – ook niet na zijn dood! En de eerste tijdgenoten sterven, zonder dat Jezus’ profetie bewaarheid is geworden. Dit plaatst de christenen voor een ernstig probleem. Johannes lost dat op door de horizontale lijn negentig graden te kantelen: de nieuwe orde wordt boven (de hemel) en onder (de aarde). Johannes schept hiermee een volstrekt nieuwe religie, het christendom. Waarin nauwelijks nog een spoor van de leer van Jezus is terug te vinden.
Van Peer schetst hier uitstekend de situatie, met woordjes en frases als ’opvallend’, ’totaal verschillende mensen’ en ’volstrekt nieuwe religie’, ’fundamenteel verandert van karakter’ en uitroeptekens. Wat hier dus allerduidelijkst naar voren komt is dat een christelijke tekst die in de bijbel is opgenomen zo geschreven kon worden dat het niets met een historische persoon Jezus te maken had, maar alles met de theologische overtuigingen van een evangelist of gemeenschap waartoe hij behoort, en dat men geen enkel probleem had met de fabricage van een historische setting en wonderlijke gebeurtenissen en twistgesprekken en verzonnen uitspraken om deze theologie voeten in aarde te geven. Zijn de tafels hierna niet geheel omgekeerd, en begint het er nu niet zo uit te zien dat the burden of proof betreffende het wel of niet bestaan van een historische Jezus niet bij de ontkenners ervan ligt, maar bij de personen die beweren dat hij met zekerheid of grote waarschijnlijkheid geleefd heeft? Om welke reden is het onwaarschijnlijk dat Marcus niet al over dezelfde werkmethode beschikte als die Johannes aan de dag legt, wanneer we in acht nemen dat Paulus en de andere brievenschrijvers en vele andere christelijke teksten niets van een historische Jezus weten?

Als bijna een toevalligheid laat Van Peer midden in de behandeling van de brieven van Paulus een wetenswaardigheid over Marcus weten:
Van Peer schreef:Paulus’ (authentieke) brieven zijn de oudste bronnen van het christendom, geschreven in circa 48-56. Het oudste evangelie, dat van Marcus dateert van twintig jaar later, dus bij benadering rond het jaar 70 (exacte data zijn natuurlijk niet te geven).
Onbegrijpelijkerwijze wordt de datering op geen enkele manier beargumenteerd. Een lezer die zich afvraagt of hij het later misschien uitlegt, krijgt in het volgende hoofdstuk inderdaad daar iets over te horen, maar komt tezelfdertijd in nog troebeler vaarwater terecht. Op pagina 104 schrijft Van Peer:
Van Peer schreef:De tekst van Marcus is het oudste evangelie. Daarover heerst de grootst mogelijke consensus onder specialisten. De tekst werd geschreven rond 60-75. Er is een verwijzing naar de verwoesting van Jeruzalem in Mc. 13:2. Daaruit concluderen sommigen dat dit evangelie tussen 66 en 70 geschreven werd.
Drie pagina’s verder, op blz. 107, schrijft Van Peer alsof hij geen idee heeft dat hij nota bene al twee keer een datering voor Marcus heeft gegeven:
Van Peer schreef:Geschreven werd het evangelie vermoedelijk rond de jaren 66-70, dus samenvallend met de Joodse opstand en de verwoesting van Jeruzalem.
Bladeren we vervolgens helemaal naar het eind van het boek dan krijgen we nog een tijdlijn van Van Peer aangeboden, met betreffende Marcus deze informatie:
Van Peer schreef:70-71 Evangelie van Marcus geschreven
Er bestaat dus ”de grootst mogelijke consensus onder specialisten” dat Marcus vóór de Joodse oorlog, tijdens de Joodse oorlog of na de verwoesting van Jeruzalem geschreven is! Wie zou dat nu ooit gedacht hebben!
Indien de datering gebaseerd is op de verwijzing naar de verwoesting van Jeruzalem, hoe precies zou het vóór of tijdens de Joodse oorlog geschreven kunnen zijn? Ná die oorlog lijkt de enige redelijke datering, maar waarom Van Peer op de tijdlijn heel gedetailleerd 70-71 neerzet, wanneer zijn allereerste opmerking was dat exacte data natuurlijk niet te geven zijn, is een raadsel.

Het boek Handelingen en het boek Openbaring krijgt beide een paragraafje. Te kort om te becommentariëren of iets van belang op te merken, of het zou moeten zijn dat Van Peer weer een contradictie vindt. Lucas spreekt zichzelf tegen (vergelijk Hand. 9:7 met Hand. 22:9).

Van Peer had er goed aan gedaan om de fascinerende boeken van Dennis MacDonald aan zijn collectie boeken toe te voegen. De boeken laat zien hoe sterk de verhalen van de evangelisten hun parallellen hebben in de Griekse en Romeinse mythen over superhelden, van het geboren worden tot het verdwijnen in de lucht. Deze geleerde heeft overigens ook een fascinerende alternatieve oplossing voor het synoptische probleem: https://www.amazon.com/Two-Shipwrecked- ... ef=sr_1_12

Wat het boek Openbaring betreft geef ik de lezer liever een verwijzing naar A History of the End of the World: How the Most Controversial Book in the Bible Changed the Course of Western Civilization (2007) geschreven door Jonathan Kirsch. Om een uitstekend idee te krijgen van hoe iemand die het wereldeinde voor zijn eigen generatie voorspelde, hetgeen, overeenkomstig de gang van zaken in alle tijden, niet uitkwam, eindigde als bron voor religieuze waanzin van alle eeuwen:

Above all, the moral calculus of Revelation—the demonization of one's enemies, the sanctification of revenge taking, and the notion that history must end in catastrophe—can be detected in some of the worst atrocities and excesses of every age, including our own.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 27 jun 2019 12:08

Hoofdstuk 5: De vier evangelisten

Van Peer vangt aan de verschillen tussen de vier evangelies te kenmerken:
Van Peer schreef:Deze verschillen zijn van een geheel andere orde dan de onnauwkeurigheden en tegenstrijdigheden waarover we al eerder spraken. Het gaat hier om existentiële verschillen. Dit zijn niet steeds andere verhalen, nee, hier is Jezus telkens een andere Jezus. Die vier Jezussen lijken wel sterk op elkaar, maar hun wezen verschilt dramatisch.
Van Peer vervolgt met een kenschetsing van ieder evangelie.


Het Markusevangelie
Van Peer schreef:In de tekst van Marcus duikt voor de eerste keer in de geschiedenis het begrip ’evangelie’ op. De auteur schept daardoor een totaal nieuw literair genre.
Wat Van Peer hier schrijft is niet geheel correct, en dit heeft verstrekkende implicaties. Hij blijkt niet bekend te zijn met wat bekend staat als De kalender inscriptie van Priene, een fascinerende tekst waarin we exact de woorden en begrippen terugvinden waarmee Marcus in zijn eerste zin (”Begin van het evangelie van Jezus Christus [zoon van God]”) zijn evangelie begint:

Het scheen de Grieken van Azië goed toe, in de woorden van de hogepriester Apollonius van Menophilus Azanitus: ”Aangezien Voorzienigheid, die alle zaken bestiert en zich intens bezighoudt met ons leven, ons in volmaakte beschikking Augustus gaf, die zij verzadigde met deugd opdat hij de mensheid ten dienst zou zijn, en hem zond als Redder (soter), zowel voor ons als voor ons nageslacht, opdat hij een eind zou maken aan alle oorlogen en alle dingen op orde zou stellen, en aangezien hij, de Keizer, in zijn verschijning (zelfs onze verwachtingen overtrof), alle voorgaande weldoeners overtreffend, en voor het nageslacht zelfs geen hoop naliet om ooit te kunnen overtreffen wat hij heeft gedaan, en aangezien de verjaardag van de god Augustus het begin was van het evangelie voor de wereld, dat via hem gekomen is”…

(It seemed good to the Greeks of Asia, in the opinion of the high priest Apollonius of Menophilus Azanitus: “Since Providence, which has ordered all things and is deeply interested in our life, has set in most perfect order by giving us Augustus, whom she filled with virtue that he might benefit humankind, sending him as a savior, both for us and for our descendants, that he might end war and arrange all things, and since he, Caesar, by his appearance (excelled even our anticipations), surpassing all previous benefactors, and not even leaving to posterity any hope of surpassing what he has done, and since the birthday of the god Augustus was the beginning of the good tidings for the world that came by reason of him,” which Asia resolved in Smyrna.)

De tekst kan hier gevonden worden, inclusief een bespreking ervan. Deze bespreking maakt heel duidelijk dat Marcus en ook de andere evangelisten in hun terminologie en boodschap nauw aansloten op de keizercultus die overal in het Romeinse Rijk bekend was en gepaard ging met feestelijkheden en verhalen met in die tijd typische bewijzen (tekenen) van goddelijkheid.

Van Peer vervolgt:
Van Peer schreef:Door één geniaal iemand geschapen: ene (onbekende) Marcus. En al meteen doet het zijn invloed gelden: ongeveer 90% van de tekst is terug te vinden in het evangelie volgens Matteüs, en circa 60% ervan in het evangelie volgens Lucas…Wie die Marcus was weten we niet. Maar Marcus is een Romeinse naam, en wel de populairste naam in het Romeinse Rijk.
Erg storend is hier dat Van Peer nergens in zijn boek uitlegt dat de naam Marcus niet gebaseerd is op de tekst van het evangelie, maar op de kerktraditie. De tekst van het evangelie bevat helemaal geen naam van de auteur. De naam is gebaseerd op wat latere kerkvaders beweerden wat Papias, bisschop van Hiërapolis in het begin van de 2e eeuw, schreef:

De oudste [de apostel Johannes] zei ook nog: Marcus werd de tolk van Petrus en schreef nauwkeurig, weliswaar niet in volgorde, alles op wat hij zich herinnerde van wat de Heer had gezegd of gedaan. Want hijzelf [Marcus] had de Heer niet gehoord en was hem niet gevolgd, maar construeerde zijn leringen via chreiai. Marcus deed er niet verkeerd aan toen hij aldus sommige dingen uit zijn herinnering optekende. Want voor één ding droeg hij zorg: niets weg te laten van wat hij gehoord had en zich daarin niet aan valse beweringen schuldig te maken.

Van hieruit maakt men (terecht en redelijk) op dat de persoon waar Papias het over heeft niet maar een of andere onbekende Marcus geweest kan zijn, maar het enkel Johannes Marcus kan zijn, die in de Handelingen van de Apostelen en in de brief van Paulus aan Filemon, de brief van Paulus aan de Kolossenzen en de eerste Petrusbrief vermeld wordt. Hij zou dan na zijn samenwerking met Paulus en Barnabas nog als tolk voor Petrus gewerkt hebben.

Eén van de belangrijkste zaken waar wetenschappelijk bijbelonderzoek mee aankomt is wel dat deze kerktraditie door vrijwel alle bijbelwetenschappers wordt verworpen. Studie van het evangelie laat er bijvoorbeeld geen twijfel over bestaan dat Marcus een heel goed doordachte verhaallijn presenteert, die overgenomen wordt door de andere synoptische evangeliën, en dus totaal niet beantwoordt aan de kenschetsing van Papias volgens welke Marcus de zaken niet in chronologische volgorde schreef. Marcus presenteert zelfs een zeer doordachte literaire constructie, het tegendeel van een hutspot van mondeling overgeleverde anecdotes. Het evangelie van Marcus laat ook niet horen dat het gebaseerd is op een ooggetuigeverslag, noch laat het een stijl zien die doet denken aan ooggetuigeverslag. Ook kan het evangelie gekenschetst worden als overeenstemmend met de theologie van Paulus. Maar die was volgens de brieven van Paulus in strijd met die van Petrus. Petrus wordt in het evangelie bovendien opvallend neergezet als een domoor en sufferd. Ook krijgt Petrus in zijn evangelie geen vergeving of tweede kans voor zijn verloochening. Petrus verloochent Jezus en daar houdt het mee op. Ook laat Paulus in 1 Kor. 15:5 horen dat Petrus (Kefas) de eerste was aan wie de opgestane Jezus verscheen, maar heeft Marcus daar geen weet van. Het is dus vrijwel onmogelijk om deze woorden van Papias enig gewicht te geven. Te meer daar Papias zich bovendien nog laat kennen als de naiefste persoon die iemand zich maar kan voorstellen. Wat hij schrijft over het einde van Judas is als een sprookje van de gebroeders Grimm.
Maar valt Papias weg, dan valt uiteraard ook Van Peers "ene (onbekende) Marcus" weg. De naam wordt enkel gebruikt omdat die ingeburgerd is.

Terecht kenschetst Van Peer het evangelie van Marcus als ongeslepen, vol van aktie, met een Jezus vol gebreken (hongerig, moe, toornig, verrast, niet alles wetend, bibberend, familie die hem voor gek verklaart, Jezus geneest een blinde pas na de tweede poging, en in één plaats kan hij geen wonderen doen vanwege ongeloof), en volgelingen die maar nooit iets begrijpen, veel zaken die latere evangelisten eruit weg moesten poetsen. Van Peer legt deze kenmerken uit als een aanwijzing voor authenticiteit (wat men noemt het criterium van de verlegenheid), maar dit is een bijzonder zwak criterium. Eenvoudig tijd van een minder ontwikkelde theologie is voldoende om dit resultaat op te leveren: er bestonden nog geen redenen waarom zulke zaken gelovigen in verlegenheid zouden brengen. Op precies dezelfde manier als dat het originele einde van Marcus voor de schrijver blijkbaar heel normaal was en niemand in verlegenheid bracht. Er waren blijkbaar nog helemaal geen verschijningslegenden van een lichamelijk opgestane Jezus gecreëerd. Al deze zaken zijn dus wel een argument om het evangelie van Marcus als oudste te beschouwen.


Het Matteüsevangelie
Van Peer schreef:Een opvallend verschil van het Matteüsevangelie met het Marcusevangelie is dat Matteüs een Joodse naam is.
Een bladzijde later voegt hij eraan toe:
Van Peer schreef:Volgens de traditie was hij een belastingcontroleur (dus geen visser; zie Mt. 9:9). En belastingcontroleurs waren in die tijd notoir corrupt.
Alweer legt Van Peer niet uit dat het evangelie anoniem is en de benaming ervan enkel een conventie waar men zich gemakshalve maar van bedient. Hij vertelt de lezer niet waar de traditie op gebaseerd is, en waarom wetenschappelijk onderzoek deze traditie verwerpt. Waarom hij vermeldt dat belastingcontroleurs corrupt waren is al helemaal een raadsel. Van Peer zal het wellicht niet zo bedoeld hebben, maar de losse opmerking klinkt als een insinuatie dat het evangelie daarom wel corrupt zal zijn. Tot deze kerktraditie behoort echter ook het verhaal dat Matteüs na zijn bekering juist alles probeerde goed te maken en dus bijzonder oprecht was!

Maar vreemd is dat Van Peer überhaupt deze traditie voorbij laat gaan. Hij begint zijn hoofdstuk 5 zo:
Van Peer schreef:We weten intussen dat Matteüs grote delen van Marcus heeft overgenomen…
Waarbij ik weer moet aantekenen dat ”we” dit geenszins weten. Het is in het boek niet aangetoond, we kunnen dus hooguit Van Peer op zijn woord geloven. Van Peer meent het te weten. Welnu, indien hij dit weet, weet hij bijgevolg ook dat de kerktraditie met zekerheid onjuist is, aangezien een ooggetuige zijn evangelie uiteraard niet schrijft door 90% van een ander evangelie te kopiëren.
Wat anders is het vermelden van de kerktraditie zonder uitleg en gebruik van de naam Matteüs alsof men nog steeds denkt te weten dat ene Matteüs het geschreven heeft, dan de lezer hopeloos in verwarring brengen?

Wat de datering betreft schrijft Van Peer het volgende:
Van Peer schreef:Er komen geen latinismen in zijn tekst voor, dus zijn lezers zijn Griekssprekend. En de verwijzingen naar Joodse gebruiken en rituelen worden niet uitgelegd, waaruit je mag opmaken dat hij schreef voor een Joods-christelijke gemeente, ongeveer rond de jaren 80-90 van onze jaartelling, hoogstwaarschijnlijk in Antiochië.
Hoe kan men de datering en plaatsbepaling opmaken uit het feit dat Joodse gebruiken en rituelen niet worden uitgelegd? :shock:

Ik begin steeds somberder te worden over de kwaliteit van dit boek, hoe langer ik doorga met commentaar erop te leveren. Wat me inmiddels het meest bedroeft is dat er op de achterflap van het boek met koeienletters en uitroepteken geschreven staat ”Bijzonder helder en wetenschappelijk verantwoord!” – em. prof. dr. Etienne Vermeersch.

Terug naar het onderwerp. De datering van Matteüs berust enkel en alleen op de prioriteit van Marcus, oftewel hangt enkel en alleen af van de datering voor Marcus. Wanneer Matteüs een kopie, verbetering en uitbreiding is van Marcus, dan moet men een tijd laten verstrijken waarin Marcus algemeen bekend wordt en zijn verslag voor het gevoel van de gelovigen theologische gebreken begint te vertonen die men wil corrigeren, oftewel men behoefte krijgt aan aanvullingen, correcties en weglaten van bepaalde zaken. Indien de redelijkste datering voor Marcus een tijdje ná de verwoesting van Jeruzalem is, wanneer we het ruim nemen de jaren 70-75, dan moeten we voor het ontstaan van Matteüs redelijkerwijs 10 tot 20 jaar daarbij optellen, dus 80-95. Voor het gemak mag men de vroegste dateringen aanhouden (Marcus 70, Matteüs 80) maar altijd moet in het achterhoofd worden gehouden dat het ook later kan zijn.

Terecht merkt Van Peer op dat het evangelie van Matteüs door een Jood en voor Joodse gelovigen geschreven is. In zijn evangelie is Jezus strikt gebonden aan de mozaïsche wet en laat hij Jezus uitspreken dat die wet hooggehouden moet worden tot het einde van de wereld. Alles wat gebeurt laat Matteüs voorzeggen in het Oude Testament. Matteüs verzint ook farizeeërs als tegenstanders van Jezus, en maakt van de discipelen beste jongens waar de gelovigen zich mee kunnen identificeren. Voorts maakt hij van Petrus het hoofd van de christelijke kerk.

Van Peer besluit zijn bespreking met de opmerking:
Van Peer schreef:Ook voor Matteüs geldt dat we te maken hebben met een kunstig en complex artistiek werk.
Jammergenoeg laat Van Peer niet het hoogtepunt van deze kunstigheid zien. Men heeft namelijk opgemerkt dat het evangelie vol zit met chiastische structuren. Bijvoorbeeld het passieverhaal in het evangelie van Matteüs, dat begint in Mt. 26:1 en loopt tot 28:10, heeft een ingenieuze chiastische structuur. Om het zo kort mogelijk uit te leggen hier het volgende schema van het passieverhaal
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M Jezus door Petrus verloochend
L
K
J
I
H
G
F
E
D
C
B
A

Zie hier en hier voor andere voorbeelden.
Deze kunst doet denken aan kunstige muziekcomposities, waarbij men natuurlijk het eerst denkt aan Bach.

Randel Helms heeft aangetoond hoe Matteüs zijn passieverhaal kunstig creëert aan de hand van oudtestamentische teksten: viewtopic.php?p=189047#p189047

Dit alles heeft uiteraard diepgaande implicaties voor wat betreft de historiciteit, maar hier komt Van Peer niet aan toe.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 27 jun 2019 17:00

(Hoofdstuk 5: De vier evangelisten, vervolg)

Het Lucasevangelie

Van Peer laat weten dat voor velen het Lucasevangelie van alle synoptische evangeliën de favoriet van de bijbellezers is. In ieder geval in Finland met kerstmis! Maar het is niet de favoriet van de Amerikaanse gelovige astronomen die met kerst hun portemonnee vullen door sterrenwichelaars gelijk te geven. Lucas laat keurig de fabel van de kindermoord weg die Matteüs bedacht om de heilige familie in Egypte te krijgen en geeft er herdertjes en engelenkoren voor in ruil. Het Lucasevangelie is dus veel geschikter om kinderen voor te lezen. Overigens heb ik er in het voorgaande geen gewag van gemaakt, maar moet ik, nu het erom gaat hoe mensvriendelijk Lucas schrijft, toch melden dat Van Peer een flinke uitglijder maakt wanneer hij ons op bladzijde 56 en 57 dit vertelt:
Van Peer schreef:Maar in het Lucasevangelie komt nog een ander spectaculair verhaal voor, dat van de kindermoord....Er is nog een opvallend detail in dit evangelie dat we niet mogen vergeten: het bezoek van de wijzen (Lc. 2)
De verhalen staan natuurlijk niet in het evangelie van Lucas maar in het evangelie van Matteüs.

Lucas krijgt ook pluspunten omdat bij hem de medemenselijkheid van Jezus het meest opvalt.
Van Peer schreef:Zijn Griekse naam (Loukas), is een frequent voorkomende naam. Omdat zijn kennis van de geografie van Palestina nogal gebrekkig is, wordt aangenomen dat hij er niet woonde. Waar hij zijn evangelie schreef, is niet zeker. Er is een sterk vermoeden dat het in de Syrische stad Antiochië is geweest, eveneens twintig jaar na de Joodse opstand. Die stad wordt namelijk meermaals vermeld in de Handelingen, waarvan hij ook de auteur is, dus ongeveer gelijktijdig met Matteüs. Hij is een volgeling van Paulus – misschien is hij door Paulus tot het christendom bekeerd; hij wordt ook als zodanig genoemd in een authentieke brief van Paulus (Filemon 1:24).
Wat de plaats van ontstaan betreft krijgen we hier een argumentering die geen enkele wetenschappelijke waarde heeft. Indien iemand ”De werkelijkheid achter het Nieuwe testament” wil beschrijven is dit zelfs bij uitstek de manier waarop men dat niet moet doen. Moeten we hieruit concluderen dat de geschiedkundige methode een opgestoken natte vinger is waarna men "een sterk vermoeden" heeft?


Net als in de andere gevallen laat Van Peer niet weten dat het evangelie en (van dezelfde schrijver) het boek Handelingen anoniem zijn. Hij schenkt de lezer de indruk dat de naam van de schrijver bekend is en zo goed als vast staat. Het is uiteraard alweer de overlevering die deze geschriften toeschrijft aan Lucas, omdat het laatste deel van Handelingen een verhaal bevat van een reis van Paulus, waar de schrijver steeds spreekt over ”wij”. Speurneuzen trekken daar gemakkelijk de conclusie uit dat de schrijver dus één van de reisgenoten van Paulus was. Na rondneuzen in Handelingen vallen sommigen af omdat ze bij name genoemd worden, maar Lucas en Titus blijven over! Aangezien een brief van Paulus de frase heeft ”de geliefde dokter Lucas” (Kol. 4:14), heeft de traditie hem aangenomen als schrijver, omdat een dokter ontwikkeld Grieks kan schrijven en bemiddeld is. Een bevestiging in 2 Timoteüs 4:11 waar we te horen krijgen dat Lucas op het eind van Paulus’ leven als enige nog steeds bij hem was, beklinkt de zaak!

Afgezien van het feit dat 2 Timoteüs met zekerheid geen authentieke brief van Paulus is, is dit hele argument echter onbruikbaar geworden nadat Vernon Robbins opmerkte dat schrijven in de ”wij”-stijl een literaire techniek was in de oudheid, een vertelperspectief dat veel gebruikt werd in de verhaalkunst van reizen.

Daarenboven zijn er ettelijke zaken die specialisten doen concluderen dat we aan een veel latere tijd moeten denken. Lucas geeft er ten eerste blijk van dat de verwoesting van Jeruzalem al een hele tijd achter de rug is. In zijn ”rede over de laatste dingen” (Lc. 21) verbreekt hij de verbinding tussen de verwoesting van Jeruzalem en de wederkomst van Jezus. Hij last er kundig een zin in die ontbreekt in de eerdere evangelies om ruimte te maken voor een langere onbepaalde tijd: ”en Jeruzalem zal vertrapt worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn” (21:24). In Handelingen verzint hij vervolgens dat Jezus de discipelen nog wel 40 dagen onderwijs voor insiders over ”het Koninkrijk Gods” gaf, waarna de discipelen echter nog even dom zijn als tevoren en vragen ze of Jezus ”in deze tijd het koningschap voor Israel herstelt”. Dat dit verhaal zo onrealistisch is dat het wel een kunstmatig gecreëerde literaire creatie móet zijn, is overduidelijk. Op deze manier maakt Lucas het de lezer duidelijk, niet de discipelen van Jezus, dat ze moeten ophouden met steeds maar denken dat Jezus heel spoedig terugkomt.
Vandaar ook dat Lucas met een vervolgverhaal komt, de geschiedenis van het christendom.
Misschien eindigt het boek Handelingen op een onbevredigende manier omdat hij ook nog een deel drie plande, waar uiteindelijk niets van gekomen is.

Voorts merkt men op dat het boek Handelingen (geschreven ná het evangelie van Lucas) een poging is om het Paulinische christendom te verzoenen met het joodse christendom. Lucas verheft Paulus tot de status van Petrus via een serie parallelle wonderen, hij verzint een verhaal (Cornelius) dat van Petrus ook een prediker tot de heidenen maakt (vergelijk dat met de werkelijkheid: Galaten 2), en verzint een verhaal dat van Paulus een farizeeër maakt die de mozaïsche wet onderhoudt (Hand. 23:6, 21:24), en hij laat Paulus zich braaf onderwerpen aan ”de twaalf” in Jeruzalem, in directe contradictie met Galaten 1:15-19. Deze gang van zaken is de weerslag van een lange tijd later dan de tijd van Paulus.
Op dezelfde manier is Handelingen een creatie om een kerk te laten zien die heel keurig in Jeruzalem is begonnen, en die geheel door ”het centrale bestuur” wordt overzien en bestuurd. ”De twaalf” zijn benodigd voor de goedkeuring van zeven diakenen, de bekering van Samaritanen, van heidenen, het werk van Paulus. De werkelijkheid van het Nieuwe Testament is alweer geheel anders: Paulus schrijft dat hij zijn leringen niet van apostelen, maar direct van de Heer had ontvangen (blijkbaar via visioenen), en hij blijkt geen hoge dunk te hebben van de apostelen in Jeruzalem. Na zijn bekering raadpleegde hij ze niet eens. Lucas noemt de oudsten ook ”bisschoppen” (episkopous) in Handelingen 20:28 https://biblehub.com/interlinear/acts/20-28.htm . Dit woord wordt in bijna alle bijbels verdonkermaand door het te vertalen met de term ”opzieners” (in Engelse bijbels ”overseers”), wat het letterlijk betekent. Al deze zaken duiden op een latere tijd waarin christelijke theologie vanwege radikaal uiteenlopende zienswijzen gestroomlijnd moest worden.

In recente decennia zijn ook vele argumenten naar boven gekomen waaruit men concludeert dat Lucas weet heeft gehad van de geschriften van Flavius Josephus.

Dit alles in acht genomen resulteert in een vroegste datum voor Lucas/Handelingen omstreeks het jaar 100, maar meer waarschijnlijk nog later.

Deze late datering betekent ook dat het zeer waarschijnlijk is dat Lucas kennis had van Matteüs. Waar Handelingen Petrus en Paulus aan elkaar vlecht, is zijn evangelie een poging om het Torah-vrije christendom van Marcus te verenigen met het Torah-verplicht-onderhouden van Matteüs. Het geboorteverhaal van Lucas is een bewuste hertelling van het verhaal van Matteüs. Via Josephus grijpt Lucas een volkstelling onder Quirinius aan om zijn verhaal te creëren, en verschuift hij de geboorte van Jezus tien jaar vooruit.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 05 jul 2019 15:39

(Hoofdstuk 5: De vier evangelisten, vervolg)

Het Johannesevangelie

De kenschetsing van Johannes is in het vorig hoofdstuk al voorbij gekomen. Typerend voor de schrijfstijl van Van Peer is dat het hier opnieuw gedaan wordt, met benoeming van wat nieuwe details:
Van Peer schreef:Met Johannes zijn we het verst verwijderd van de historische feiten…Bij Johannes verlaten we locaties: we bevinden ons in de eeuwigheid! Jezus als de eeuwige zoon van God die de mensen onderricht over wie God eigenlijk is. Dit is een volledig ander werk, met een totaal andere inhoud. We moeten het dus beschouwen als een zelfstandig, in zekere zin zelfs eigenzinnig werk. Het begint al bij de diepzinnige proloog. Bij Johannes wordt Jezus niet geboren. Dat hoeft ook niet want hij was er altijd al… We hebben hier met een totaal andere spiritualiteit te maken, een van een transcendent gebeuren, dat de grenzen van de historische feiten doorbreekt. Bij de drie synoptische evangelies kregen we nog de indruk dat de (vooreerst mondelinge) tradities over Jezus redelijk homogeen waren. Die indruk wordt door het evangelie volgens Johannes heftig tegengesproken. We moeten er dus van uitgaan dat er ook in de eerste eeuw al verschillende tradities rond de figuur van Jezus in omloop waren…Wie gelooft dat de vier evangelies allemaal over hetzelfde gaan, onderschat de complexiteit aanzienlijk. Zoiets centraals als ’gij zult uw naaste beminnen als uzelf (Mc. 12:31) of ’Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten’ (Lc. 6:27) – deze twee centrale (en revolutionaire) boodschappen die het christendom heeft gebracht, ontbreken volledig in Johannes! Dit maakt al voldoende duidelijk dat de historische betrouwbaarheid van dit evangelie uiterst laag is.
Heel pijnlijk is hier op te merken dat Van Peer blijkbaar niet op de hoogte is van de boeken van Mozes, want de uitspraak van Jezus in Marcus komt uit Leviticus 19:18, oftewel is eenvoudig de leer van het Joodse geloof, en dus geenszins revolutionair. Erger is dat het er in de bijbeltekst nota bene uitgespeld wordt; men kan het dus zelfs niet op conto van onwetendheid zetten: "Een der schriftgeleerden kwam tot hem en vroeg hem: Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod? Jezus antwoordde: Het voornaamste is: ’Luister Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand en met geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze, bestaat niet.’ En de schriftgeleerde zei tegen hem: ’inderdaad, Meester…’"

Wat revolutionair is, is de uitspraak van Lucas, die hij overnam van Matteüs, waar het zo geformuleerd wordt: ”Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult u haten. Maar ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen…Wanneer u alleen uw broeders groet, waarin doet u dan meer dan wat doodnormaal is? Doen ook de heidenen niet hetzelfde?”

Het ”uw vijand zult u haten” komt overigens uit Psalm 139, iets waar men in bijbels met verwijzingen naar schriftplaatsen typisch geen verwijzing naar krijgt, maar liever verzwegen wordt: ‘O God, dat gij toch de goddelozen ombracht - gij, mannen des bloeds, wijkt van mij - die arglistig van u spreken en Uw naam tot leugen gebruiken, Uw tegenstanders. Zou ik niet haten, Here, wie U haten, niet verafschuwen wie tegen U opstaan? Ik haat hen met een volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.’

De revolutionaire uitspraak die Marcus onbekend is, maar Jezus in Lucas doet, komen we ook tegen in de brief van Paulus aan de Romeinen: ”Weest blij in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed, bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op de gastvrijheid. Zegent wie u vervloeken, zegent en vervloekt niet. Weest blij met de blijden, weent met de wenenden. Weest onderling eensgezind…Weest niet eigenwijs. Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen.”
Het interessante is dat deze leer tussen neus en lippen gezegd wordt, en Paulus zich niet ervan bewust is dat het ”zegent wie u vervloeken” volgens Luc. 6:27 van Jezus afkomstig is, hetgeen de vraag doet rijzen of het wellicht omgekeerd is: de woorden van Paulus zijn later in de mond van Jezus gelegd.
Kijk, dít zijn zaken die een boek met Van Peers onderwerp fascinerend zouden maken, maar die we nooit tegenkomen.

Van Peer doet voortdurend aannames die allang achterhaald zijn of ter discussie staan. Zo legt hij in alle toonaarden uit dat het Johannesevangelie geen enkele historische betrouwbaarheid heeft, en het laatstgeschreven evangelie is, maar schijnt hij er toch van uit te gaan dat het evangelie berust op een onafhankelijke mondelinge traditie die in de eerste eeuw in omloop was rond de figuur van Jezus (zo betitelt hij het Johannesevangelie als ”aparte bron” voor het open graf van Jezus op bladzijde 145). Zoiets is natuurlijk volledig ongerijmd, want werkelijk alles wijst er juist op dat het evangelie een geheel opgemaakte literaire creatie, verzonnen verhaal is, waarbij de schrijver de vorige evangelies gebruikt heeft, maar die volledig heeft aangepast aan zijn totaal andere tweede-eeuwse theologie. Het heeft eenvoudig niets te maken met een onafhankelijke mondelinge traditie die teruggaat op een historische persoon. Van Peer laat het de lezer op alle mogelijke manieren weten, terwijl deze conclusie die voor het oprapen ligt hem volledig schijnt te ontgaan:
Van Peer schreef:[De Jezus van Marcus] is een andere Jezus dan die van Johannes: een boven alles verheven goddelijk schepsel, dramatisch ingebed in gedragen en plechtige poëtische beschouwingen over de vorm en de zin van alles. Ook het taalgebruik is anders. In de synoptische evangelies is er niets wat ook maar enigszins lijkt op de uiterst verheven en poëtische taal van de proloog. Dat taalgebruik is ook sterk ritmisch: elk begrip wordt in de volgende zin verder uitgediept, en elke strofe ontwerpt een nieuw thema, uitgesproken lyrisch, met verwijzingen naar het begin van het Oude Testamen, het scheppingsverhaal. Dit evangelie wordt verder gekenmerkt door de lange en meditatieve theologische redevoeringen en afscheidspreken (Joh 14 tot 17)

Dezelfde halfslachtigheid en onhelderheid kan men weer opmerken wanneer Van Peer de naam Johannes behandelt, een datum voor het evangelie geeft en de plaats van schrijven probeert te benoemen. We krijgen deze informatie:
Van Peer schreef:Het [evangelie] is een kleine eeuw na de gebeurtenissen geschreven. Levende getuigen zijn er op dat moment niet meer. En het is onwaarschijnlijk dat Johannes nog iemand van hen heeft ontmoet of gesproken.
Hier legt Van Peer alweer niet uit dat de naam Johannes enkel gebruikt wordt bij gebrek aan beter. Hij wekt bij een onwetende lezer de indruk dat de schrijver inderdaad Johannes is. Een bladzijde later krijgen we echter dit te horen:
Van Peer schreef:De traditie wil dat de auteur van dit evangelie de leerling was van wie Jezus het meest hield. Zo wordt hij in de tekst opgevoerd: ”de door Jezus beminde leerling” (Joh. 20:2) en ”de leerling van wie Jezus hield (Joh. 21:7). Die omschrijving wordt wel zes keer herhaald. Desalniettemin kan de auteur niet een volgeling van Jezus zijn geweest. Ten eerste geldt dat die, net als de andere apostelen, een arme, ongeletterde visser was. Ten tweede kan hij dat niet zijn vanwege de tijd. De tekst van het evangelie dateert van circa 100-120. Dan zou hij dat geschreven hebben toen hij (ten minste) tachtig, misschien honderd jaar oud was. Bijzonder onwaarschijnlijk. Onder specialisten is dit daarom nauwelijks een punt van discussie: deze Johannes was in geen geval die geliefde leerling van Jezus.
Waar hij verbleef, is wel met enige waarschijnlijkheid bekend: Efeze, waarvan de ruïnes zich in West-Turkije bevinden. Daar moet het evangelie volgens Johannes, rond 100-120 geschreven zijn, maar zeker weten we het niet. Dat is dus minstens 70 jaar na de dood van Jezus. In wezen lijkt het te gaan over het contrast (of conflict) tussen Joodse en christelijke gemeenschappen, die geleidelijk meer uit elkaar groeien. In het Johannesevangelie wordt inzake anti-Joodse gevoelens een tandje bijgezet. En inderdaad is het een regelrechte bron voor anti-Joodse gevoelens.
Waar moet ik beginnen met het rechtzetten van zaken? Laat ik beginnen met ”de leerling die Jezus liefhad”. Ten eerste wordt hier geen naam genoemd, en is het evangelie dus anoniem. De evangelist komt dus aan met een ooggetuige die zogenaamd het dichtst bij Jezus heeft gestaan, maar hult hem tegelijkertijd in anoniemiteit. Dit wijst erop dat dit een literaire kunstgreep is, om een laat evangelie dat essentieel van de vorige verschilt uit te kunnen roepen tot de enige betrouwbare. Ten tweede weet men dat het laatste hoofdstuk een latere toevoeging is aan het evangelie (het einde van hoofdstuk 20 is al een einde), dus de claim op een ooggetuige die daar gegeven wordt (21:24) is ook al dubieus. Ten derde kan men opmerken dat deze opgetrommelde ooggetuige sowieso een literaire creatie is, aangezien alle andere evangeliën totaal niets weten over deze ooggetuige. Alles wat het evangelie over deze persoon vertelt, zoals dat hij aan Jezus’ boezem ligt bij het laatste maal, bij de kruisiging aanwezig is, Jezus aan hem vraagt om voor zijn moeder te zorgen en dat hij als eerste bij het open graf komt, wordt door de andere evangelies via opvallende totale onwetendheid hierover tegengesproken. Ten vierde kan opgemerkt worden dat de enige leerling waarvan gezegd wordt dat Jezus hem liefhad en aan zijn boezem ligt Lazarus is (Joh. 11:3,5,36, 12:1,2, 9-11), waarvan ook gemakkelijk het gerucht kan ontstaan dat hij niet meer hoeft te sterven (Joh. 21:21-24), en dus zelfs de ’Johannes’ van de traditie maar uit de lucht is gegrepen, en meer voor de hand ligt dat Lazarus door de evangelieschrijvers bedoeld is. Maar het verhaal van Lazarus in het Johannesevangelie is puur een verzinsel.

Ten vijfde komt Van Peer weer aan met onheldere dateringen. Op bladzijde 116:
Van Peer schreef:De tekst van het evangelie dateert van circa 100-120.
Op bladzijde 118:
Van Peer schreef:Het evangelie waarschijnlijk rond het jaar 100.
Het woordje 'waarschijnlijk' heeft geen enkele wetenschappelijke waarde. Immers de reden voor het jaar 100 is dat gelovigen moeten toegeven dat het een laat evangelie is, maar het tezelfdertijd willen toeschrijven aan een ooggetuige (Johannes), iemand die nog in leven moet kunnen zijn. Aangezien wetenschappelijke studie van het evangelie duidelijk maakt dat er geen sprake is van ooggetuigeverslag valt Johannes, of welke andere ooggetuige ook die men zou kunnen postuleren, eenvoudig weg, en daarmee ook de drang om het maar zo vroeg mogelijk te dateren.
In de bijbelwetenschap is men sinds de negentiger jaren tot de conclusie gekomen dat Johannes met alle vorige evangelies, en met name met het evangelie van Lucas bekend is. Dat betekent dat het evangelie op minimaal tien jaar na Lucas gedateerd moet worden, dus beduidend later dan het jaar 100, tot ergens ver in de tweede eeuw. Men kan zelfs de invloed van het Marcionisme bespeuren, (ca. 140-155), daar waar het evangelie in de proloog beweert dat niemand vóór Jezus God gezien of gekend heeft, en de Joodse bijbel als ”jullie Wet” bestempelt en de vijanden van Jezus als ”de Joden” worden aangeduid.
Wanneer Van Peer met zijn jaar honderd als vroegste datum aankomt, dus 70 jaar na Jezus, is weer storend dat hij van daaruit een berekening maakt dat de schrijver ten minste tachtig geweest moet zijn. Maar dat maakt hem tot een tienjarige discipel van Jezus in de tijd dat Jezus optrad! Voor de minimum leeftijd moet men toch wel tien jaar er bij tellen.

Maar al deze berekeningen om te laten zien dat het onwaarschijnlijk is dat de discipel Johannes het evangelie geschreven heeft zou Van Peer eenvoudig naast zich neer gelegd kunnen hebben omdat het op allerlei door hem genoemde gronden al duidelijk is geworden dat het evangelie niets maar dan ook niets te maken heeft met een ooggetuigeverslag. Enkel het feit dat de schrijver van het evangelie voortdurend de vijanden van Jezus neerzet als "de Joden" laat al doorslaggevend zien dat de schrijver zelf geen Jood, oftewel geen ooggetuige is.
Het evangelie is een hoog-verheven literaire filosofisch-theologische verhandeling uit de tweede eeuw waar men zogenaamde gebeurtenissen bij verzonnen heeft, om te dienen als vervanging van de synoptische evangeliën, die er op allerlei manieren mee in strijd zijn. Dit is zo duidelijk geworden dat Van Peers conclusie, de samenvattende laatste paragraaf die hij schrijft na alle evangeliën behandeld te hebben, kant noch wal raakt. Eerst laat hij opnieuw weten dat de vier Jezussen die ons worden voorgeschoteld niet aan elkaar kunnen worden gebreid. Maar dan vervolgt hij nota bene direct met de omkegeling van deze conclusie:
Van Peer schreef:Elk van die adaptaties brengt een andere boodschap en heeft daarvoor een andere Jezus nodig. Je zou kunnen argumenteren dat die vier evangelies gewoon andere aspecten van dezelfde Jezus tekenen. Dat kan. Maar de verschillen zijn wel heel groot.
Nee! Dat kan juist niet! Dat heeft Van Peer met name in de behandeling van het evangelie van Johannes juist heel duidelijk gemaakt. Enkel iemand die een christelijk bijltje te hakken heeft doet dat, niet iemand die wetenschappelijk te werk wil gaan.

Ik ben tot de conclusie gekomen dat Van Peer niet beseft dat hij in het spinnenweb van de bijbelwetenschap altijd te maken heeft met twee stromingen die allebei hun webben spinnen: specialisten die zo wetenschappelijk mogelijk proberen bezig te zijn en specialisten die verbonden zijn aan een kerk, en er een persoonlijk christelijk geloof op nahouden. Laatstgenoemde specialisten worden gedwongen om zich tot koorddansers te ontwikkelen. Ze willen wel zo ver als maar mogelijk is wetenschap beoefenen, maar de beoefening van religie of het gebonden zijn aan een bepaalde kerk doet hen altijd terugschrikken voor conclusies die voor het onderhouden van geloof te ondermijnend zijn. Zelfs Bultmann had een religieuze achtergrond en deed zijn wetenschappelijk werk om aan te kunnen komen met een in onze tijd geloofwaardige religieuze boodschap. Iemand die zich bezighoudt met theologie moet altijd in zijn achterhoofd houden dat theologie bij uitstek niet waardenvrij beoefend wordt, maar religie altijd en overal op de achtergrond een rol speelt en op de loer ligt. Bijbelwetenschappers die als atheïst aan bijbelwetenschap zijn begonnen en tot specialist uitgegroeid, zijn zeldzamer dan zeldzaam.

De conclusie van Van Peer is volkomen nietszeggend. De lezer blijft achter met een ’kan dus zus zijn, of kan geheel anders zijn’. Niemand wordt er wijzer van. Voor Van Peer zelf blijft het ook een bijzonder onheldere soep, want terwijl hij Johannes de discipel wegstreept, blijft hij weer wél vasthouden aan de traditie dat het evangelie in Efeze geschreven is. Zelfs ’met enige waarschijnlijkheid’. Waar in vredesnaam haalt hij die waarschijnlijkheid vandaan?
De lezer kan opnieuw tot de conclusie komen dat bijbelwetenschappers maar met een opgestoken natte vinger staan om maar vanalles ’met waarschijnlijkheid’ te kunnen uitkramen.

Maar bijbelwetenschap is het tegendeel van onheldere soep. Zij maakt talloze zaken volkomen helder. Slechts gelovigen maken er een onheldere soep van, want voor hen moet wetenschap altijd zo goed mogelijk aan het geloof en de traditie verbonden worden.
Dit is waar bijbelwetenschap op uitgekomen is: het evangelie van Johannes is geen onafhankelijke bron voor een historische Jezus (iets wat Van Peer op bladzijde 145 van zijn boek even vergeet), noch heeft het ook maar iets met een mondelinge overlevering te maken die teruggaat op een historische Jezus. Het is een puur literaire creatie uit de tweede eeuw. Het heeft verschillende redacties gehad. De schrijvers zijn bekend geweest met de andere evangelies, vooral Lucas, maar die hebben ze volkomen vrij aangepast op de voor deze christelijke groepering gewenste theologie. Vaak is deze theologie volkomen in strijd met de synoptische traditie, en is het Johannesevangelie geschreven om exact het tegendeel aan te tonen. Zo heeft de schrijver van het Johannesevangelie niets op met de apocalyptische prediker Jezus, of de instelling van het avondmaal als ritueel, noch weet zijn Jezus ook maar iets over boze geesten die Jezus uitdrijft.
Als heel goed voorbeeld van omdraaiing tot het tegendeel moge dienen iets wat tot het hart van het Marcusevangelie behoort, het zogenaamde Messiasgeheim. Dit wordt door het Johannesevangelie volkomen omgekeerd. In laatstgenoemd evangelie doet Jezus juist niets anders dan zeggen dat hij aan God gelijk is en bewijst hij het met ’tekenen’ (wonderen), die door de evangelist zelfs genummerd worden.

Jammergenoeg laat Van Peer deze buitengewoon interessante kwestie die de beroemde theoloog Wrede als eerste al bijna 120 jaar geleden naar voren haalde, nauwelijks voorbij komen in zijn boek. Ik zal het beknopt bespreken:

In Marcus wordt men geconfronteerd met geheimhouding. Niemand mag vertellen dat Jezus de Messias is, niemand mag vertellen over wonderen die Jezus doet. ”En de onreine geesten wierpen zich voor Hem neder, telkens als ze Hem zagen, en zij schreeuwden, zeggende: Gij zijt de zoon van God. En herhaaldelijk verbood Hij hun Hem bekend te maken”. Dit gaat zelfs zo ver dat men in Marcus 4:11 vv. kan lezen dat Jezus aan de massa in gelijkenissen spreekt opdat ze de boodschap niet begrijpen. De ware boodschap wordt enkel aan de discipelen van Jezus in het privé uitgelegd: ”Aan jullie is het geheim van het Koninkrijk van God onthuld, maar tot hen die buiten staan, komt alles in gelijkenissen, opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, opdat zij zich niet bekeren en hun vergeven worde.” Tegenwoordig weet men dat deze voor ons buitengewoon onbegrijpelijke redenering kenmerkend was voor de gang van zaken in de populaire mysteriereligies van de Hellenistische tijd. Marcus gaat zelfs zo ver dat hij zijn evangelie eindigt met de opmerking dat de getuigen van het open graf niemand iets vertellen. Men mag het waarom ervan langdurig zelf overdenken en het mij vertellen als men het beter weet, maar persoonlijk zie ik na het lang en vaak overdacht te hebben geen enkele andere geloofwaardige reden waarom in Marcus het messiasgeheim zo prominent aanwezig is, dan dat hij de eerste was die een verhaal bedacht waarin de aanbeden Christus-figuur neergezet wordt als historische personage. Het messiasgeheim was het antwoord dat hij bedacht en iedere gelovige kreeg, die zich erover verwonderde nooit eerder van alle zaken die Marcus vertelt gehoord te hebben.

Matteüs en Lucas hadden dit probleem al niet meer, en dus hoeven ze deze soep niet meer zo heet op te dienen. Ze laten om te beginnen wat gezegd wordt in Marcus 4 eenvoudig weg. Matteüs verzint ook verschijningen van de opgestane Jezus, en moet daarom de laatste zin van Marcusevangelie veranderen in het tegendeel. Ook maakt Matteüs één uitzondering: ”Dit is een verdorven en trouweloze generatie. Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van de profeet Jona. Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Zoon des Mensen drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven”. Een hint die op de opstanding van Jezus doelt. Oftewel hij schenkt één teken. Vandaar dat hij er op het eind van zijn evangelie ook voor zorgt dat de hogepriesters via de Romeinse bewakers over het open graf te weten krijgen.
Lucas neemt dit teken over en verzint er bovendien nog de gelijkenis van Lazarus bij (Lc. 16:19-31), die eindigt met het motto: ”Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat”, en in Handelingen 2 de publieke verkondiging van de opstanding aan de Joden.

Maar Johannes veegt dit messiasgeheim volkomen van tafel, en doet juist het omgekeerde. Doorheen zijn evangelie laat hij Jezus ’tekenen’ doen. Hij verandert de personage Lazarus van de gelijkenis in Lucas in een werkelijk bestaand persoon, die sterft en door Jezus wordt opgewekt, om als grandioos wonderteken te dienen. De tekenen worden opgevoerd als bewijs van Jezus' messiasschap en als reden waarom de discipelen in hem geloofden. Bij het eerste wonderteken kan men bijvoorbeeld lezen: ”Dit heeft Jezus in Kana, in Galilea, gedaan als eerste wonderteken; hij toonde zo zijn grootheid en zijn leerlingen geloofden in hem.” Wanneer even later Jezus om een teken gevraagd wordt (Joh. 2:17,18), wordt hij niet boos, zoals in de andere evangelies, maar antwoordt hij dat zijn opstanding een teken zal zijn, en laat de evangelieschrijver erop volgen (2:23) dat velen ’tot geloof in zijn naam’ kwamen ’omdat ze de wondertekenen zagen die hij deed’. Even later in Joh. 6:2 horen we dat een grote massa mensen achter hem aan liep ’omdat ze de wondertekenen die hij bij zieken deed, gezien hadden’. In 6:14 na weer een wonderteken roepen ze uit ’Hij moet wel de profeet zijn die in de wereld zou komen’, en willen ze hem tot koning uitroepen, waarna Jezus zich in eenzaamheid terugtrekt. In hoofdstuk 7, 9, 10 herhalen zich deze redeneringen; zelfs de Joodse elite beklaagt zich erover dat Jezus steeds maar wondertekenen verricht waardoor de mensen achter hem aanlopen. Dit obsessief zich bezighouden met wonderen als bewijs voor de juistheid van het Jezusgeloof is een centraal kenmerk van het Johannesevangelie, en geheel in strijd met de vorige evangelies. Indien de opwekking van Lazarus niet al het absurde hoogtepunt is krijgen we het nog op het eind, wanneer er aan de twijfelende Tomas nog tastbaar bewijs wordt geleverd, om het geloof maar zo overtuigend mogelijk te maken. Vandaar ook dat de schrijver van het Johannesevangelie er een ooggetuige bij verzint. Eén van zijn hoofddoelen is zijn evangelie zo geloofwaardig te maken via veelvuldige ’bewijzen’. Hoe obsessief de schrijver met deze gedachte bezig is kan men opmaken uit het feit dat de frase ’getuigenis afleggen’ wel 31 maal herhaald wordt in het evangelie. Dit maakt het evangelie ook het meest propagandistische evangelie, en is bijgevolg dus een reden te meer om het niet serieus te nemen als geschiedschrijving. Als dit nog niet helemaal duidelijk is geworden kan men het ook opmaken uit de ellenlange redevoeringen die Jezus in het evangelie houdt. Dat kunnen enkel literaire creaties zijn van een schrijver; ze gaan onmogelijk terug op werkelijk uitgesproken redevoeringen.

Overigens hier nog een blinde vlek van Van Peer: Hij houdt voor Jezus’ optreden het traditionele tijdsbestek van drie jaar aan, maar dit is enkel een uitvinding van de schrijver van het Johannesevangelie, die door hem als zeer onhistorisch bestempeld wordt. In de synoptische evangeliën, waar Van Peer en alle anderen die op zoek zijn naar een historische Jezus hun informatie uit weg moeten halen is er enkel sprake van één jaar.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14284
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 06 jul 2019 19:08

Hoofdstuk 6: Lijdensverhaal en verrijzenis

In dit hoofdstuk gaat Van Peer zes aspecten voorbij die in het lijdens- en verrijzenisverhaal van de evangeliën naar voren komen. Aangezien alle evangeliën culmineren in het relaas van het sterven van Jezus en zijn opstanding, en dit gebeuren de kern vormt van het christelijk geloof, krijgen ze speciale aandacht.
Van Peer concludeert op het eind van het hoofdstuk dat de evangeliën bijzonder onbetrouwbaar zijn wat het lijdensverhaal van Jezus betreft, hetgeen hij met een opsomming van talrijke details heel duidelijk maakt. Zoals al eerder opgemerkt heeft ook deze conclusie geen enkel gevolg voor Van Peers zekerheid dat een historische Jezus door de Romeinen gekruisigd is.
Van Peer schreef:Wat ook opvalt is dat dit deel van de evangelies meer dan andere onderdelen ondergesneeuwd is met citaten uit het Oude Testament. Die moeten bewijzen dat alles wat hier verteld wordt, al voorspeld werd.
Van Peer komt niet op de gedachte, die men ook al in de geboorteverhalen kan krijgen, dat het verhaal wellicht aan de hand van bijbelcitaten gecreëerd is.

De intocht in Jeruzalem

Wat deze intocht betreft geeft Van Peer een rake opmerking:
Van Peer schreef:Wanneer dit verslag op waarheid berust, laat het zien hoe Jezus niet slechts een kleine schare volgelingen had, maar ook op populariteit kon rekenen bij grotere groepen in de Joodse samenleving. Helemaal onverwacht komt dit niet. De eerste eeuw is zwanger van verwachtingen – van verzuchting naar bevrijding.
Voor een wat diepgaander vervolg hierop zou hij het bijzonder scherpe boekje van Robert Price Killing History (een bijtend commentaar op een populair boekje geschreven door Bill O’Reilly en Martin Dugard Killing Jesus) hebben kunnen lezen. Price laat weten:
Robert Price schreef:De uitroep ”Gezegend hij die komt in de naam van Jahweh!” komt uit Psalm 118. De kreet wordt vervolgd met ”Wij zegenen u uit het huis van Jahweh!” Oftewel dit is de standaard begroeting van iedere pelgrim die voor het heilige feest komt opdagen. Dit is de reden waarom Matteüs, Lucas en Johannes in de tekst van Marcus veranderingen aanbrengen. Ze willen er de intocht van de Messias van maken, feestelijk verwelkomd door een schare bewonderaars. Matteüs verandert daarom Marcus’ tekst ”Gezegend het komende koninkrijk van onze vader David” in ”Hosanna voor de Zoon van David!” Oftewel de schare van Marcus ziet uit naar een toekomstige Davidische dynastie en Joodse onafhankelijkheid die ooit zal komen, maar de schare van Matteüs verwelkomt Jezus als de persoon die het koningschap zal bekleden. Quite a difference. Lucas verandert de tekst van Marcus eveneens: voor het woordje ”hij” in ”Gezegend hij die komt…” substitueert hij ”de koning”. Johannes laat het woordje ”hij” staan, maar schrijft achter de zin ”de koning van Israel”, om hetzelfde te zeggen: ”Gezegend hij die komt in de naam van de Heer, de koning van Israel”.
Wat dit alles betekent: Marcus, de vroegste versie, laat Jezus door de massa niet uitroepen als Messias, maar begroet hem eenvoudig als één van de pelgrims op het feest dat messiaanse hoop op onafhankelijkheid van Rome doet aanwakkeren. De notie dat Jezus door de massa op palmzondag werd begroet als Messias is een latere inkleuring van het verhaal, en maakte geen deel uit van de originele versie.
Hoewel Van Peer niet opmerkt dat Jezus in de oudste versie van de intocht niet als Messias bejubeld wordt, is hij toch op zijn scherpst wanneer hij schrijft:
Van Peer schreef: Een goede vraag daarbij is waarom het Joodse volk Jezus zo bejubelt bij de intocht in Jeruzalem en enkele dagen later om diens bloed schreeuwt. Maar uit massapsychologisch oogpunt hoeft dit niet echt verwonderlijk te zijn. Hysterie in een grote groep mensen is iets wat vluchtig en veranderlijk is. En ook gemakkelijk te manipuleren.

Het laatste avondmaal
Van Peer schreef:Na de intocht huren de volgelingen een zaaltje om gezamenlijk een maaltijd te gebruiken. Dit is niet het Joodse paaslam, maar een gewoon avondeten.
Geen idee waarom Van Peer dit meent te moeten schrijven. Zowel Marcus als Matteüs laten deze maaltijd gebeuren op de avond waarop het pesachfeest begint, en Lucas maakt het nog duidelijker door Jezus te laten zeggen: ”Ik heb er hevig naar verlangd dit pesachmaal met jullie te eten”. Maar Johannes verschuift het naar een dag eerder, en maakt het tot een doodgewone maaltijd. Johannes verzint ook dat Judas door Jezus wordt weggestuurd, waarna zijn discipelen begrijpen dat Judas inkopen gaat doen, iets wat op de pesachmaalavond onmogelijk zou zijn. Johannes verandert het tijdstip om theologische redenen: hij wil Jezus op de dag dat het paaslam geslacht wordt laten sterven, ten bate van de symboliek dat Jezus het ultieme paaslam is.

Van Peer houdt zich vervolgens bezig met de rol van Judas. Aangezien Jezus bekend was en bovendien vermeld wordt dat hij zich gewoonlijk ’s nachts op dezelfde plaats ophield (de Olijfberg) kan men zich afvragen wat er te verraden viel.
Van Peer schreef:Waarschijnlijk heeft Judas het verraad gepleegd, niet door Jezus te kussen, maar door de Romeinen in te lichten over wat Jezus in privékring over zijn koningschap gezegd heeft.
Dit is weer één van Van Peers waarschijnlijkheden die geen been heeft om op te staan, want Marcus laat weten dat Jezus niet door de Romeinen gevangen werd genomen, maar door ”een bende, die door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten was gestuurd”, waarna hij naar het huis van de hogepriester werd weggevoerd. De Romeinen hadden op dit punt nog helemaal niets met Jezus te maken.

Het is duidelijk dat er eenvoudig geen geloofwaardig motief verzonnen kan worden. Paulus heeft geen enkele weet van een verrader. Alles wat over Judas verteld wordt zijn eenvoudig opgemaakte verzinsels, hetgeen men goed kan zien aan de ontwikkeling van de evangelieschrijvers. Marcus geeft helemaal geen motief voor het verraad. De geldelijke beloning krijgt hij er helemaal onverwachts als bonus bij. Matteüs probeert het verhaal redelijker te maken en maakt er daarom van dat Judas Jezus verried om er aan te verdienen. Johannes doet daar nog een schepje bovenop en laat weten dat Judas voortdurend geld stal uit de kas. Lucas haalt er zwaar geschut bij en geeft als motief dat de Satan Judas binnenvoer. Tsja, dan wordt alles begrijpelijk en heb je verder geen motief meer nodig.

Wat Van Peer schrijft over de instelling van het avondmaal komt regelrecht uit het arsenaal van de Jezus-mythicisten, echter zonder dat hij dat beseft en dus zonder dat hij er enige consequenties aan verbindt:
Van Peer schreef:Centraal in het gebeuren staat een tekst die Jezus zou hebben uitgesproken, en die nog steeds herhaald wordt tijdens eucharistievieringen in het christendom: [volgt 1 Kor. 11:23-25]
Gelovigen herkennen deze tekst meteen, want het is een tekst die hen door de veelvuldige herhalingen in het geheugen gegrift staat. Dit is de allervroegste formulering van de eucharistieritus. Maar waar komt de tekst vandaan? Gelovigen zullen hier een kleine schok ondergaan, want hij is van…Paulus. Die niet bij het laatste Avondmaal aanwezig was! Hoe kan Paulus dan die tekst hebben verspreid? Heeft hij hem van ’horen zeggen’? Heeft iemand van de apostelen die wel aanwezig was het hem gezegd? Dat laatste is al helemaal ongeloofwaardig, want Paulus lag volledig overhoop met de apostelen. Logisch, want meneer komt daar allerlei dingen over Jezus verkondigen, terwijl hij hem nooit gezien of gesproken heeft! Terwijl de apostelen Jezus in eigen persoon hebben meegemaakt. Paulus maakt er trouwens geen geheim van waar hij die tekst vandaan heeft: Paulus beroept zich erop dat hij deze woorden heeft ’ontvangen’ (parélabon). Hoe, waar en wanneer (en van wie) zegt hij niet. We moeten hem maar op zijn woord geloven. Dit en dergelijke passages toont dat Paulus duidelijke autoritaire kenmerken vertoont. Vandaar ook zijn openlijk conflict met de twaalf! De tekst over de instelling van de eucharistie is in elk van de synoptische evangelies vrijwel hetzelfde. Maar die evangelies zijn aanzienlijk later geschreven (na het jaar 70) dan de brieven van Paulus (ca. 55). Dus Paulus kan zijn formulering niet uit de evangelies hebben gehaald, want die waren er nog niet. Veel waarschijnlijker is dat de evangelies de formulering van Paulus hebben overgenomen.
Van Peer beseft niet dat hij een puzzelstukje op zijn plaats legt, maar een ander stukje dat er nota bene naast ligt om ingepast te worden niet opmerkt: de enige manier waarop Paulus zich deze autoritaire houding kan aanmeten is door het werkwoord paralambano, ”ontvangen”, te lezen in de betekenis die het in de Griekse mysteriereligies heeft, namelijk in de betekenis van ”ontvangen van God”, ”ontvangen via openbaring”. Van Peers opmerking "Hoe, waar en wanneer (en van wie) zegt hij niet" is incorrect want 1 Kor. 11: 23 zegt heel duidelijk: "Want zelf heb ik bij overlevering van de Here (απο του κυριου) ontvangen" (gr. apo = eng. from: For I received from the Lord). Wellicht is Van Peer op het verkeerde been gezet door de Nieuwe Bijbelvertaling, waarin dit visioen is weggewerkt door het valselijk te vertalen met "Wat wat ik heb ontvangen gaat terug op de Heer zelf". Dat Paulus met zekerheid zeker zijn autoriteit laat berusten op openbaring persoonlijk aan hem, maakt hij nog duidelijker in Galaten 1:11-12: ”Ik verzeker u, broeders, dat het evangelie dat ik u verkondigd heb niet door mensen is bedacht – ik heb het niet van een mens ontvangen of geleerd – maar door openbaring van Jezus Christus”. De contekst van deze uitspraak in Galaten is juist waar Van Peer het over heeft, namelijk dat hij uitvaart tegen de andere apostelen. Hij kan opboksen tegen die apostelen omdat hij denkt zijn leer van godswege gekregen te hebben.

In 1 Kor. 15:3 gebruikt Paulus voor de derde keer deze uitdrukking: ”Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en hij is begraven en op de derde dag opgewekt, naar de Schriften, en hij verscheen aan Kefas, daarna aan de twaalf.” Hier zien we dat hij de openbaring onder andere ”ontvangt” via het lezen, oftewel via dat hem van Godswege begrip werd geschonken bij de interpretatie van de Schriften. Het eerste ”naar de schriften” leest hij in Jesaja 53 en het tweede ”naar de schriften” in Hosea 6:2. Op deze manier wordt Christus aan hem geopenbaard.

Van Peer komt zover dat hij voorstelt dat de woorden van Paulus afkomstig zijn, maar de natuurlijke gedachte die daar uit voortvloeit, dat daarmee automatisch de noodzaak verdwijnt dat de scène in de geschiedenis heeft plaatsgevonden, komt niet bij hem op. Hierbij kan ook nog aangetekend worden wat Alfred Loisy ooit lang geleden naar voren bracht, dat het verhaal van de instelling van de eucharistierite impliceert dat het al een gebruik is in de religieuze gemeenschap waarvoor de evangelieschrijver schrijft. Voor de lezer van het evangelie zijn de woorden begrijpelijk, maar voor de personen in het verhaal (de discipelen van Jezus) niet. Ook op die manier bekeken wijst het meer op een geconstrueerd verhaal dan op een gebeurtenis in de geschiedenis. Dit wordt nog versterkt door wat Van Peer (en vele anderen met hem) vervolgens als groot probleem opmerkt:
Van Peer schreef:Maar hier rijzen ook ernstige problemen: eten van menselijk vlees en drinken van bloed is uitdrukkelijk verboden in de Joodse wet! (Lev. 17:10). Het is dus onvoorstelbaar dat deze tekst door Jezus zou zijn uitgesproken! Er is ook geen enkele aanwijzing dat de volgelingen van Jezus * (onder leiding van zijn broer Jacobus) een dergelijke ritus zouden hebben uitgevoerd. Nergens. Integendeel, zoiets was voor hen gewoon ondenkbaar.
*Het is mij intussen duidelijk geworden dat Van Peer met het woordje 'volgelingen' meestal de twaalf discipelen van Jezus bedoelt.

Van Peer haalt er vervolgens nog de Didache ("De instructie van de Twaalf Apostelen") bij, daterend uit de late eerste eeuw of vroeg tweede eeuw, waar wel een aanwijzing voor de viering van een maaltijd in beschreven staat, maar zonder connectie met wat wij kennen als de eucharistierite uit de bijbel.
Van Peer schreef:Het is duidelijk: er is in deze vroeg-christelijke tekst geen enkele verwijzing naar het lichaam en het bloed van Jezus. Blijkbaar kenden de eerste christenen dit ritueel van vlees en bloed hoegenaamd niet.

Maar ook deze puzzelstukjes die hij op de juiste plaats legt hebben voor hem geen enkele consequenties voor de historiciteit van Jezus. Van Peers gedachten volgen deze gang:
Van Peer schreef:Het onthutsende aan deze gegevens is dat de woorden van de eucharistie nooit door Jezus zijn uitgesproken, en niet door Jezus kunnen zijn uitgesproken, aangezien de joodse wet (waar hij zich nauwgezet aan hield) zulke praktijken ten strengste verbiedt. Sterker nog, als men hem had meegedeeld dat hem ooit deze woorden in de mond zouden worden gelegd, dan zou hij in afgrijzen zijn teruggedeinsd!
Conclusie: de woorden van de eucharistie zijn niet van Jezus, maar een fantasie van iemand die de boodschap van Jezus hooghartig terzijde heeft geschoven, ten voordele van zijn eigen verbeelding. Dat deze afwijzing van Jezus’ boodschap het rituele kernstuk is gaan uitmaken van de christelijke godsdienst, is zonder meer onthutsend.
Het is buitengewoon interessant hier op te merken hoe iemand die zich nooit in het Jezusmythicisme heeft verdiept, zonder het te beseffen daar rakelings bij langs gaat. Men hoeft slechts een paar puzzelstukjes verder aan te leggen om een helder antwoord te hebben op al dit raadselachtige. Deze puzzelstukjes liggen voor het oprapen.
De ”iemand” die fantaseerde was Paulus. Paulus schoof niets hooghartigs terzijde, aangezien hij totaal niets wist over een historische Jezus; de historische Jezus was nog niet gecreëerd (reden waarom ook de Didache geen historische Jezus kent). Noch was het in zijn eigen ogen een fantasie; hij had de informatie ontvangen via goddelijke openbaring. Paulus schiep de theologie van het plaatsvervangend lijden van Jezus en de identificatie van de gelovige hiermee.
Als Van Peer vervolgens zijn eigen analyses van het vorige hoofdstuk serieus neemt zou hij meteen kunnen concluderen dat een ”Jezus die zich nauwgezet hield aan de Joodse wet” nooit bestaan heeft: dat was namelijk de creatie van Matteüs. De oudste creatie van een historische Jezus hield zich helemaal niet nauwgezet aan de Joodse wet; volgens Marcus verklaarde die Jezus bijvoorbeeld al het voedsel rein. En de nog weer later gecreëerde Jezus van het Johannesevangelie overtrad met zijn ”Ik ben” uitspraken de Joodse wet zozeer dat indien deze Jezus een historische verschijning was geweest hij overal ter plekke gestenigd zou zijn; deze Jezus was in de verste verten geen Jood, maar een Grieks-Hellenistische esotericus.
Born OK the first time

Gesloten