Wat verstaat u onder het woord vrijdenken? Aan welke definitie geeft u de voorkeur?
Hoewel deze vraag hier ongetwijfeld eerder gesteld en uitvoerig besproken zal zijn, denk ik dat het geen kwaad kan om hem nog eens nader te bekijken. Verwijzingen naar eerdere berichten zijn uiteraard welkom.
Wat mijzelf betreft, mijn aandacht gaat uit naar Nietzsche's gebruik van het woord Freigeist, wat een vertaling is van esprit libre, vrije geest, dat in het Nederlands ook wel eens wordt vertaald als ‘vrijdenker’, bijvoorbeeld door Thomas Graftdijk.
Ik kan mij op dit punt, zoals op een aantal onderwerpen meer, goed vinden in de manier waarop Nietzsche deze term naar voren brengt, bijvoorbeeld wanneer hij schrijft:
Wer von uns würde wohl Freigeist sein, wenn es nicht die Kirche gäbe?
Wie van ons zou er nog vrijdenker zijn als er geen Kerk was?
In het denken van Nietzsche is er sprake van een oppositie tussen het vrije denken van een vrije geest aan de ene kant, en het opleggen van de moraal door een instituut als de Kerk aan de andere.
Nu wordt het tegendeel waartegen je in oppositie verkeert, de vijand met wie je in strijdt verwikkeld bent, vaak als iets ongewensts beschouwd, als iets dat er maar beter niet had kunnen zijn. Alsof de wereld beter af zou zijn indien het zou verdwijnen! Zo niet in de filosofie. In de filosofie, bijvoorbeeld in die van Heraclitus en in die van Hegel, wordt oppositie juist beschouwd als de weg waarlangs het bestaan tot stand komt, vormen tegenpolen in hun strijd tezamen een hogere orde, een hogere structuur, die wel de eenheid der tegendelen genoemd wordt. Vrijwel alle filosofen zijn het er dan ook over eens dat oorlog de natuurlijke staat van de mens is.
Zo ook in Nietzsche. Hoewel fel tegen de Kerk gekeerd, is hij tevens dankbaar, is hij dankbaar bovendien voor de stijd die hij tegen de Kerk mag voeren, en geeft hij ook uiting aan zijn dankbaarheid voor dit vijandschap dat hem levenskracht schenkt.
Waar hij tegen is, waar hij zich tegen verzet, tekent hem als persoon. Niet zonder zelfgenoegzaamheid beschouwt hij het als “een eer, een uitverkiezing” voor het christendom dat hij er zich tegen verzet en er daarmee dus zijn naam aan verbindt – alleen het allerhoogste is het hem waardig zijn vijand te mogen zijn, want “tegen vliegen behoor je je arm niet te heffen.”
Hij ziet zichzelf als vrije geest in oppositie tegen de Kerk, en is uiterst dankbaar voor dit vijandschap, zoals tot uiting komt in zijn eigen versie van ‘heb uw vijanden lief’:
Der Speer, den ich gegen meine Feinde schleudere! Wie danke ich es meinen Feinden, daß ich endlich ihn schleudern darf!
De speer die ik werp naar mijn vijanden! Hoe dankbaar ben ik mijn vijanden, dat ik haar eindelijk werpen mag!
Nu is het algemeen bekend dat Nietzsche sterker is in het negatieve dan in het positieve, en het is belangrijk om zijn tegen-zijn niet al te zeer te verheerlijken. Toch denk ik dat er veel van waarde schuilt in zijn standpunt omtrent deze tegenstelling, veel wat ons kan helpen als we willen zien hoe het het gesteld is met het vrijdenken – en de mogelijkheid daartoe – in onze eigen tijd.
Hoe is het vandaag de dag met het vrijdenken gesteld, wanneer we zijn situatie vergelijken met de onze? Staat het vrijdenken vandaag de dag nog in oppositie tegen de Kerk? Hoeveel Kerk is er eigenlijk over om nog tegen te zijn?
Eerst kwam de Reformatie. Toen kwam de natiestaat die langzaam maar zeker alle kerkelijke activiteiten overnam. Zorg voor de zwakkeren, educatie, wetenschap, alle zaken die eens het exclusieve domein van de Kerk waren, zijn dat nu niet meer, en worden nu door de natiestaat uitgevoerd. En zelfs die stand van zaken komt vandaag de dag alweer ten einde, nu zij zienderogen vervangen wordt door een nog weer nieuwere, internationale orde.
De strijdt tegen de Kerk is gestreden, en gewonnen. God stierf al eerder, maar ook de Kerk is nu “onder onze messen leeggebloed.”
Is het wat dat betreft niet zeer vanzelfsprekend dat het vrijdenken van onze tijd veel minder dan voorheen tegen de Kerk gekeerd staat? Zij is toch geen waardige tegenstander meer te noemen! Ze begint meer en meer een reliek van vervlogen tijden te vertegenwoordigen, of we het hier nu mee eens zijn of niet.
Moet dan, als we bovenstaande oppositie serieus nemen, met het wegkwijnen van de Kerk niet ook het vrijdenken wegkwijnen, indien het zich geen ander vijandschap aanmeet om zich tegen af te zetten?
Is het, als Nietzsche gelijk heeft, niet geheel logisch dat als er vandaag de dag nog vrijdenkers zijn, dat zij zich dan tegen iets heel anders dan tegen de Kerk verzetten? Betekent vrijdenken zonder Kerk dan niet dat het vrijdenken zich een andere, waardigere tegenstander aan dient te meten?
Dat is de vraag!
En als dat zo is, als dat is hoe de zaken er voor staan, als we hier een verschuiving kunnen opmerken van dat waartegen het vrijdenken zich richt, is het dan niet even logisch dat de oude idee zich verzet tegen de nieuwe?
Dan zien we aldus twee vormen van vrijdenken, die elkaar wel moeten misverstaan. Het oude soort vrijdenken – dat tegen de Kerk gericht staat – verzet zich tegen het nieuwe, dat een verzet tegen een nieuwe vorm van monotheïsme, een nieuwe vorm van alleenheerschappij vertegenwoordigt. Dan zien we hier gebeuren wat Emerson als volgt beschrijft:
The new statement is always hated by the old, and, to those dwelling in the old, comes like an abyss of skepticism.
De nieuwe bewering wordt altijd gehaat door de oude, en komt voor zij die in het oude verblijven als een afgrond van scepsis.
Filosoferen hierover blijft boeiend.
Maar we moeten om geen verwarring te krijgen met "vrij denken" oftewel het vrije denken, duidelijk aangeven wat wordt bedoeld.
Hier hetgeen algemeen en ook op Freethinker verstaan wordt onder Wikipedia. Dit om langs elkaar heenpraten te vermijden.
Maria