Daarover is in het nieuwe testament geen overeenstemming. De schrijver van de apocalyps is oorzaak geworden voor het chiliasme: Jezus' komst luidt een duizendjarige aardse regering van Christus in.
De brieven van Petrus laten echter iets heel anders weten: "Het einde aller dingen in nabij gekomen...hoe meer u deel hebt aan Christus' lijden, des te uitbundiger zal uw vreugde zijn wanneer hij in zijn heerlijkheid komt...Besef goed dat de tijd van het oordeel is aangebroken. Dat oordeel begint bij Gods eigen mensen." De tweede brief van Petrus voegt eraan toe: "De dag des heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelse sferen met gedreun vergaan en de elementen in vlammen opgaan."
Paulus in 1 Tess. laat horen dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden. "Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die in Christus gestorven zijn opstaan, daarna zullen wij die nog in leven zijn, samen met hen worden weggevoerd op de wolken, en gaan we de Heer in de lucht tegemoet om altijd bij Hem te zijn.
Jacobus schrijft: "Broeders, heb geduld tot de Heer komt". Blijkbaar hoeven we daarna niet geduldig meer te zijn. Veel meer weet hij er niet over te zeggen. Of het moet dit zijn: "Gelukkig is de mens die in de [aardse] beproeving staande blijft. Want wie deze proef doorstaat, ontvangt als lauwerkrans het leven, zoals God heeft belooft aan iedereen die Hem liefheeft." Oh, en dit nog: "U moet niet allemaal leraar willen zijn. Ons leraren staat een strenger oordeel te wachten."
De schrijver van de Hebreeën weet als het mogelijk is nóg minder: Er staat geschreven: "Nog een korte, korte tijd, dan komt hij die komen zal, hij blijft niet lang meer weg, en dan zullen mijn rechtvaardigen leven door hun geloof". Fijn dat dat geschreven staat.
Het evangelie van Johannes heeft de wederkomst van Jezus eenvoudig geheel uit het spoorboekje weggescheurd. Misschien wel zo slim.
Het is dus een heerlijk allegaartje wat je tegenkomt en eenieder kan er 2000 jaar lang van maken wat men wil.
Mainstream bijbelgeleerden geven ook zonder moeite aan dat er veel geredigeerd is. Zo wordt vrij unaniem ingezien dat het laatste hoofdstuk van het Johannesevangelie een latere redactie is. Hier en hier, voorbeelden van wat velen zien als redactie. Hier wordt de interpolatie van 1 Cor. 14: 34-35 besproken. En hier een voorbeeld van wat ikzelf beschouw als interpolatie. Zoals je ziet behelst ieder voorbeeld een flinke studie van het onderwerp.Dat de evangeliën tot ver in de tweede eeuw n. Chr..mogelijk herhaaldelijk redacties hebben gekend kom je vaker tegen, zoals op de Jesusneverexisted website van Kenneth Humphries en het gaat zelfs terug op niemand minder van Bruno Bauer kwam ik onlangs tegen.
Bij 'mainstream' theologen en bijbelgeleerden is het niet zo populair begrijp ik.
Wat betreft sommige zaken is redactie met grote zekerheid aan te wijzen, wat betreft andere zaken is de unanimiteit weer minder.
Niet alleen van Marcus, maar van alle nieuwtestamentische geschriften. Dit laat zien hoe weinig men met zekerheid kan weten. Ook hier geldt natuurlijk dat het ene voorstel speculatiever is dan het andere. De ene datering kan men op goede gronden voor waarschijnlijker houden dan de andere. Maar het rechtvaardigt niet optreden als zou men beschikken over bepaalde zaken die absoluut zeker zijn.Maar dateringen van evangeliën, vooral Marcus, springen alle kanten op, er schijnen zelfs optimisten te zijn die het in 50. n. Chr. willen plaatsen (een opmerking die ik tegenkwam in Dominion van auteur Tom Holland).
De inleiding tot een bijbelboek die in vele bijbels gegeven wordt is vaak je reinste misleiding omdat ze de lezer ogenschijnlijk zekerheid verschaffen. Zo lees ik in de inleiding tot de Hebreeënbrief in de Nieuwe Bijbelvertaling: "Het boek moet gedateerd worden in het laatste kwart van de eerste eeuw." Op grond van geen enkel argument. In werkelijkheid weet men absoluut niet wanneer het geschreven is, het kan zeer goed vóór het jaar 70 geschreven zijn, of waarom niet ná het jaar 100. Al in 1938 schreef George Barton:
G.A. Barton schreef:The problems connected with the epistle to the Hebreuws constitute a perpetual challenge to research. The data for the solution of some of these is so slight that, if an item of it be ignored and another item be over emphasized, almost any result desired by the investigator may be obtained.