Peter van Velzen schreef:Nogmaals, het feit dat iets een bepaalde figuur niet tegenspreekt (Kees van Kooten is zowel expert op het gebied van het nederlanderschap als ook iemand die het Engels beheerst), is op geen enkele manier een argument voor de positie dat hij een tekst geschreven heeft waarin niet vermeld wordt wie de schrijver is. Er zijn namelijk miljoenen anderen die het ook geschreven kunnen hebben.
Licht overdreven de totale joodse populatie in de 1e eeuw bedroeg hoogstens 8 millioen. Aangezien hoogstens 5% daarvan kon schrijven, is het aantal kandidaten slechts 400.000. Nog altijd een minieme kans dat een daarvan Mattheus was.

Ik probeerde Kasper de
logicafout die hij maakt duidelijk te maken door het te vergelijken met een anonieme goed geschreven tekst die ons voorgeschoteld wordt, waarna iemand beweert dat die door Kees van Kooten zou zijn geschreven, omdat hij de theoretische mogelijkheid heeft het geschreven te kunnen hebben. Het gaat dan om de groep Nederlanders in pakweg 60 jaar die het Engels beheersen en iets met de vpro te maken hebben.
De rekensom kun je zo klein mogelijk maken. Indien in die tijd slechts 2½ procent van die 400.000 christen-jood was die het Grieks beheerste, dan is er op basis van dit 'argument' één tiende van één promille kans dat Matteus de schrijver was, als ik het goed heb schrijf je dat in cijfers: 0,01%.
Het punt waar het om gaat is niet het cijfer, maar inzien dat opmerken dat hij de theoretische mogelijkheid bezat om een evangelie te schrijven geen argument
vóór het auteurschap van Matteüs is, want op basis van dit argument hebben
alle christen-joden die konden schrijven een evengrote kans. Als iemand dit soort eenvoudige logica niet begrijpt is het zinloos met iemand in gesprek te zijn.
Dat Kasper weinig nadenkt over wat hij schrijft kan men ook opmerken in de woorden van hem die Chaim naar voren haalt. Als je schrijft "persoonlijk ben ik overtuigd dat het
mogelijk Mattheus zou kunnen zijn geweest" dan kakel je als een kip zonder kop, want - aangenomen dat er een joods-christelijke Matteus bestond die het Grieks beheerste -, dan zijn we daar allemaal van overtuigd, want we kunnen met grote waarschijnlijkheid concluderen dat de auteur een Joodse christen was, en iemand van hen moet het dus geschreven hebben. Zo ben ik ervan overtuigd dat een willekeurige anonieme Engelse tekst die je tegenkomt waar over nederlandse stroopwafels gesproken wordt
mogelijk door Kees van Kooten is geschreven. Daar komt dus helemaal niets persoonlijks, noch overtuiging bij kijken, omdat je eenvoudig met een theoretische mogelijkheid, een feit aankomt.
Zoiets is nietszeggend en kan in geen geval tot argument gerekend worden in het voordeel van het auteurschap van Matteus, zoals Kasper doet. Nog erger wordt het wanneer hij vervolgt: "Ik presenteer dit niet en wil dit niet presenteren als een feit". Zo'n uitspraak laat zien dat je niets van de geschiedeniswetenschap begrijpt.
Niemand presenteert zaken uit het verre verleden als feit.
We hebben het in ons uiteindelijk oordeel niet over theoretische mogelijkheden, noch over feiten, maar over wat na geschiedkundig onderzoek waarschijnlijk en onwaarschijnlijk wordt geacht. Geschiedkunde heeft het altijd over
waarschijnlijkheden. Als je een Matteus wil poneren moet je kunnen laten zien dat de redenen hiervoor sterker zijn dan het alternatief "we weten het niet".
Kasper blijft zich blindstaren op wat
mogelijk is. Het komt bij hem nog steeds niet aan dat geschiedkundig onderzoek uitspraken doet over wat waarschijnlijk is en wat onwaarschijnlijk is. Je ziet dit keer op keer bij gelovige mensen. In recente tijden kwam ik het op Freethinker tegen bij Student:
Rereformed over Student:
HJW komt met het commentaar dat de uitleg van Student betreffende Lucas 2 een voorbeeld van confirmation bias is, voorkeur tot bevestiging, “de neiging enerzijds te letten op en te zoeken naar wat de eigen overtuiging bevestigt en anderzijds te negeren, niet zoeken naar of onderwaarderen van de relevantie van wat de eigen overtuiging tegenspreekt”, oftewel een werkwijze waar vooringenomenheid de dienst uitmaakt. Student wordt zo overheerst door de gedachte de bijbel gelijk te willen geven, dat hij kan aankomen met de meest vergezochte harmonisering van teksten die maar te bedenken is.
Zo wordt Student opnieuw geconfronteerd met het cruciale, door hem voortdurend genegeerde feit, dat zoeken naar redelijkheid gelijk staat aan het vergelijken van alle scenario’s met elkaar, waarbij je de mate van waarschijnlijkheid voor ieder scenario bepaalt en uiteindelijk kiest voor het scenario dat het meest waarschijnlijk is. Voor Student is dit volkomen nieuw. Hij staart enkel op de gedachte "een alternatieve verklaring is niet per se fout, dus heeft dat niets te maken met 'wankel onderbouwd'.
HJW geeft echter bijzonder scherp aan waar de schoen wringt: "Het is niet van belang OF je een verklaring weet te bedenken, vraag is: hoe geloofwaardig is je verklaring. Hoeveel aannames en noodgrepen moet je toepassen om tot een verklaring te komen." Maar nóg komt het niet aan bij Student. Hij antwoordt: "Wellicht kun je beter met argumenten komen dan blijven roepen dat mijn verhaal ongeloofwaardig is."
Dit antwoord laat goed zien dat Student wat hem aangezegd wordt niet kan vatten, omdat het vereist dat je de argumenten van de tegenpartij moet gaan bestuderen om te kunnen bepalen welk scenario waarschijnlijker is, en Student deze wetenschappelijke werkwijze nog nooit gevolgd heeft. Zich van het dilemma “vooringenomenheid versus redelijkheid” bewust worden staat natuurlijk gelijk aan geloofsfundamentalisme opgeven en is dan ook de zaak waar alles uiteindelijk omheen draait, en bijgevolg de moeilijkste opgave voor een fundamentalistisch gelovige."