Maar dat heeft toch alleen maar betrekking op de fysische werkelijkheid. Is er dan voor jou alleen maar het perspectief van de natuurwetenschappen? Dan ben ik benieuwd welke plaats je inruimt voor, om te beginnen, de psychologie?Hoe beperkt ons vermogen tot waarnemen ook is, en hoezeer we soms ook op de waarnemingen van anderen moeten vertrouwen, we weten alleen van de beperkingen van die waarnemingen vanuit andere waarnemingen. Daarom hebben we ook allerlei instrumenten ontwikkeld. Ik draag bijvoorbeeld een bril. Een ander heeft een hoorapparaat. Sommige dingen kunnen we direct als zodanig waarnemen, voor andere hebben we altijd instrumenten nodig en voor weer andere kunnen we slechts een theorie opstellen, die de waarnemingen die wij wel kunnen doen verklaart.
Is een theorie niet alleen maar een model van de werkelijkheid? Hoe kun je zeggen dat de werkelijkheid in feite – in feite! dus daadwerkelijk! – slechts een theorie is? Is dat een extreme vorm van materialisme of van idealisme? Indien jouw positie een materialisme is, dan kan de werkelijkheid geen theorie zijn, en als het idealisme is, wat maakt de waarneming dan van belang? Als de werkelijkheid een theorie is, wat komen we dan tegen in de waarneming? Of zijn er alleen losse waarnemingen en constructies die samen niets zeggen over het geheel? Maar dan is dat een - zij het geheel lege - metafysica.De werkelijkheid is daarom in feite slechts een theorie. Maar wel een theorie die in overeenstemming moet zijn met objectieve waarnemingen. Die waarnemingen, hoe beperkt ze ook zijn, zijn waarachtiger dan de theorie die ze verklaart. Zonder waarneming is de theorie zinloos. Wat zou het, of de kerstman bestaat, als hij nooit kadootjes bezorgt? Ik heb helemaal geen overdreven vertrouwen in de waarneming, maar het is helaas het meest ware dat wij hebben, en we zullen er ons mee moeten behelpen. Ik ben best sceptisch omtrent waarnemingen, maar ik ben nog sceptischer omtrent dingen die niet op waarnemingen gebaseerd zijn.
De eerste zin begrijp ik niet. Enerzijds is de maatstaf "het belang en de wensen van hen die aan anderen barmhartigheid bewijzen" maar anderzijds zit daarin een andere maatstaf verborgen, namelijk die "barmhartigheid" zelf. Immers alleen als we weten wat barmhartigheid is en dat dat een hogere waarde heeft, kunnen we het belang en de wensen respecteren van degene die barmhartigheid beoefenen. Is dat niet een cirkelredenering?Het rechte is – zowel voor jou als voor mij, denk ik – datgene wat in het belang is en volgens de wensen van hen die aan anderen barmhartigheid bewijzen. Elk mens die de anderen respecteert is een goed op zich. Dat kan vanuit jouw overtuiging en dat kan vanuit de mijne. Denk daaraan als je de daadwerkelijke problemen in deze wereld onverdenkt. Over almachtige goden hoeven wij ons geen zorgen te maken. Die kunnen prima voor zichzelf zorgen. Maar laten wij op de eerste plaats voor elkaar zorgen en niet aan een – al dan niet bestaand – denkbeeld overlaten, wat wij zelf kunnen doen. Mocht het denkbeeld toevallig ook in werkelijkheid bestaan, dan zal ze het ons niet kwalijk nemen, dat wij voor alle zekerheid zelf hebben opgetreden en de nood van onze medemens niet hebben afgedaan met ‘ik zal voor je bidden”.
Hoe weten we dan dat het respect voor anderen een goed op zich is? Denk je hier aan het idee van Imanuel Kant over het respect voor anderen? (Anderen kunnen geen middel zijn maar alleen maar doel van handelen.) Uiteraard hoeven wij ons geen zorgen te maken over almachtige goden. Je hebt mij alleen horen zeggen dat wij ons zorgen moeten maken over onszelf, en dat onze redding helemaal niet in onszelf gelegen is. Tenminste moet die gevonden worden in een waarde die boven het mens-zijn uitgaat. (Zegt ook Nietzsche en noemt die Übermensch, de mens is slechts een pijl over de afgrond.)
Mijn God is weerbarstig, omdat hij steeds weer iets anders doet dan ik denk. Blijkbaar is mijn beeld van God niet beslissend. Vandaar denk ik ook het beeldverbod in het Oude Testament. Ik kom mijn God elke dag tegen en elke dag hindert hij mij. Zoals ik ook elke dag zijn hand in mijn leven ervaar en zijn troost. Voor mij persoonlijk ligt die ontmoeting vooral in het gebed en de meditatie over de Bijbelse tekst. Wanneer ik wakker word spreek ik onmiddellijk een oud joods gebed uit, vrij vertaald: "ik dank u dat ik ook vandaag weer voor uw aangezicht leven mag, en dat u mijn ziel in mijn lichaam hebt hersteld, groot is uw trouw o heer die elke dag aan mij betoont." Met deze God kun je wel degelijk dagelijkse omgang hebben, de "verborgen omgang" waar Psalm 25 over spreekt. In het suizen van een zachte stilte, in een Bijbelse woord dat mij raakt en mijn denken en mijn daden in een bepaalde richting duwt, in de openheid voor wat anderen mij vandaag te zeggen hebben, hoor ik Zijn stem. Uiteraard wordt mijn beeld van God bepaald door de traditie en mijn gemeente en mijn opvoeding et cetera. Maar dat beeld dat ik heb is maar een persoonlijke, of gedeeltelijk sociale constructie, die steeds gecorrigeerd moet worden door de bijbel en de traditie en mijn ervaringen.Hoe kan jouw god weerbarstig zijn? Hoe vaak spreek je hem? Hoe vaak kom je hem tegen? Hoe vaak hindert hij je? Hoe bekritiseert hij jouw handelen? Als je god niet waarneemt, dan wordt zijn beeld geheel gevormd door de ideeën van mensen. Door je eigen ideeën de ideeën van de theologen voor jou, de ideeën van filosofen, de ideeën van de schrijvers van de bijbelboeken, de ideeën van de copyisten en de vertalers, misschien ook door de ideeën van de leden van jouw gemeente. Zij kunnen allen weerbarstig zijn. Maar waar en wanneer heeft jouw god er iets over te vertellen? Heb je zijn telefoonnummer of e-mailadres? Twitter je met hem of is hij een facebookvriend? Waarom zijn dit eigenlijk onzinnige vragen? Zouden ze niet zinnig moeten zijn?
Een totaal misverstand over de betekenis en strekking van het Oude Testament! Alsof het Oude Testament ons oproept om de weduwe, de de wees en de vreemdeling te minachten, en de naaste te haten, en niet borg te staan voor een broeder, en niet werkeloos toe te zien wanneer het bloed van een broeder wordt vergoten, alsof het Oude Testament weliswaar teksten bevatten die oppervlakkig gelezen genocide aanprijzen, – maar wie of wat dwingt ons toch om oppervlakkig te lezen? – Maar tegelijkertijd het heil voor alle volkeren aankondigt, de godsdienst van de staatsmacht onder kritiek stelt, man en vrouw gelijkwaardig maakt in de schepping, etc. dat alles laat zien dat dit een God is die zich zorgen maakt om de humaniteit van de mens. Dat alles in weerbarstige teksten die niet oppervlakkig gelezen moeten worden, maar een diepgaande studie en verwerking nodig hebben om te zeggen in onze tijd wat ze zeggen willen. Het is de oudste ketterij van de wereld, dat we de God van het Oude Testament uitspelen tegen de God van het Nieuwe Testament. Het is een van de wortels van het antisemitisme in de kerk geweest. (Marcion en in mindere mate Arius zijn daar verantwoordelijk voor.)Toen ik de god van mijn wensen verwierp heb ik me even afgevraagd of de god van het oude testament eigenlijk de ware god zou kunnen zijn. Maar als blijkt dat die god werkelijk is, dan wil ik er niets mee te maken hebben. Dan brand ik nog liever in de hel, dan dat ik die “onmens” zou willen dienen. Liever lijdt ik een eeuwige straf zoals Prometheus, dan dat ik mijn medemensen zal verzaken. Maar wees eens eerlijk: Geloof jij in zo’n god? Of geloof je in een god die ook het beste met de mensen voor heeft?
Dat is zeker een van de mechanismen, waarmee het geloof zich heel persoonlijk in de mens hecht. Het is de vader in psychologische zin, die de navelstreng losmaakt en ons verantwoordelijkheid en vrijheid geeft, die ons in de symbolische wereld van taal en cultuur binnenleidt, en die de eerste externe autoriteit representeert, een rol die later door morele waarden zal worden ingenomen. En die naar mijn overtuiging in het geloof juist gezuiverd wordt van de dwang binnen de cultuur, - we worden bevrijd van onze "aardse" vaders - omdat God als het Boven-Ik zonder beeld is, universeel, zonder dwang. Zo komt dit Über-Ich zuiver in ons leven te werken, en daarmee zijn we in de hoogste mate bevrijd!God “de vader” is te vergelijken met Freud’s Über-ich. Een internalisatie van de ouderlijke macht in de psyche van het kind. Veelal wordt dit bevorderd door de moeder die als authoriteit de – vaker afwezige – vader gebruikt. Het is van belang, dat het kind namelijk niet alleen braaf is als moeder er bij is, het is van belang dat het zijn gedrag zelf monitort, desnoods dus met behulp van de gedachte aan een ouder die níet aanwezig is.
Neen! Waarden die wij met elkaar bedenken en invullen, zijn niet gelijk te stellen aan de geboden die een geheel van verplichtingen omschrijven binnen een verbondsrelatie van wederkerige trouw. Oppervlakkig gezien gaat het om dezelfde dingen, zoals bijvoorbeeld niet liegen. Maar mag je liegen om een onderduiker te beschermen? Moet je de overheid altijd gehoorzamen? Er is een grote reeks van bijzondere vragen die aan elk van deze schijnbaar overeenkomstige waarden te stellen zouden zijn. En bovendien is elk van deze geboden eigenlijk te beschouwen als een titel van een groot aantal afgeleide, veel concretere leefregels. En tussen haakjes, begeren betekent hier je zinnen zetten op iets, waarbij je overweegt op welke wijze je het voor jezelf kunt verwerven. Het is niet alleen maar het innerlijk gevoel van jaloezie of lust. Een meer seculiere vertaling van het eerste en tweede gebod zou zijn, dat je in elk van de geboden de wet zelf – de Grote Ander – moet respecteren - het Über-Ich is dan de Ander, en niet de "eigen" vader of de eigen cultuur of het eigen volk of wat dan ook! Het is niet langer een "ander die op mij lijkt" - , omdat vanuit die houding van respect voor de Ander, de fundamentele houding van respect voor anderen - inclusief de lastige anderen die NIET op mij lijken - voortkomt, en dat is nu precies de eigenlijke motivatie en drijfveer in elk van de bijzondere geboden en hun afleidingen.De wettekst die de decaloog wordt genoemd en eigenlijk de naam van de joods-christelijke god draagt (het eerste van de tien woorden), is deels een samenvatting van de waarden die ouders over de gehele wereld hun kinderen wel moeten bijbrengen: Je mag je broertje en zusje niet slaan. Blijf van andermans spullen af, lieg niet, bedrieg niet, en deel eerlijk (ik heb een afwijkende mening ten aanzien van het laatste gebod, het gebiedt mijns inziens om een ander het zijne te gunnen en te geven. Niet om niet te “begeren”). Daaraan voorafgaande wordt de wet (JHVH) boven alles geplaatst. Je mag hem geen gelijken geven, moet zijn naam respecteren, hem herdenken, en tenslotte ook je vader en je moeder die hem hebben gevormd en voor hem model hebben gestaan, eerbiedigen.
Het is volgens mij evolutionair helemaal niet verklaarbaar, dat wij zoiets als moraal hebben, dat wil zeggen dat wij de onderscheiding tussen goed en kwaad maken, in plaats van de onderscheiding tussen het nuttige en nutteloze, wat bevorderlijk voor mijzelf of mijn stam is, of wat schadelijk voor mijzelf of mijn stam is. Evolutionair gezien zijn wij er immers op uit om te overleven en onze genen door te geven. Samenwerking kun je daaruit afleiden, zeker. Maar is dat dan de kern van de moraal? Alles wat het overleven dient in een bepaalde context, en in samenwerking met anderen geschiedt, is goed. Maar samenwerking met wie? Ter wille van het overleven van wie? Is het evolutionair verklaarbaar dat de mens zichzelf als "mens" ziet, of ziet hij zich primair als man tegenover vrouw, Ukrainer tegenover Rus, westerling tegenover oosterling etc. Wie moet dan overleven?Dat de mensen overal ter wereld moraal kennen, is evolutionair goed verklaarbaar. Wij zijn sociale dieren die het moeten hebben van samenwerking; van wederzijdse hulp. Daarom kennen we morele verplichtingen, want alleen als die na worden gekomen verloopt de samenwerking optimaal. Het is dus wel degelijk een kwestie van eigenbelang en voordeel, maar van gezamelijk en wederkerig eigenbelang en gezamelijk en wederkerig voordeel. En die gezamelijkheid omvat tegenwoordig vrijwel de ganze wereld. Deels zijn onze hersenen hier voor gebouwd, deels levert onze opvoeding daar een (vanuit de opvoeding gezien) noodzakelijke bijdrage aan, en deels denken wij daar ook zelf over na. Niet alleen filosofen en ethici, maar vrijwel elk mens.
Wat zegt dat bijvoorbeeld over de moraal in de tijd van het Nationaal socialisme? Is het dan goed ter wille van het overleven een ander te verraden? Immers, het niet verraden van een vijand van het regime, zou wel eens schadelijk kunnen zijn voor je eigen volk. Zo is het je ook ingeprent in die tijd, je hebt nooit anders gedacht dat het goed was. Waarom dan die buurman niet verraden, die van joodse afkomst is? Dan moet er toch een moraal zijn met een absoluut onderscheid van goed en kwaad, gebaseerd zuiver op het respect voor anderen, met name voor de zwakkeren – die zegt dat een dergelijke handeling verraad is aan de humaniteit? Hoe zou je een dergelijke uitzonderlijke morele positie kunnen verklaren vanuit de evolutionaire biologie? Ik zie dat niet.
Vriendelijke groet,
Robbert