Hieronder heb ik een column van prof. dr. B. Smalhout, destijds anesthesist in het AZU te Utrecht, overgetikt. (Voor wie het interessant vindt.) Ik heb een tijdlang onder deze man gewerkt en begrijp zijn ‘hartenkreet’ volledig.
De werkvloer
In toenemende mate komen berichten in de pers van grote conflicten tussen dokters onderling en met de leiding van het ziekenhuis waar zij werken. Specialisten worden op straat gezet. Afdelingen worden gesloten. Patiënten komen zorg tekort. Hoe komt dat?
Het probleem speelt al jaren en wordt steeds groter. In sommige ziekenhuizen heersen wantrouwen en grote ergernis. Dit resulteerde uiteraard in een slechte werksfeer, die ook afstraalt op de verpleegkundigen en de technische staf. Het is dé voedingsbodem voor intriges enerzijds en voor medische fouten anderzijds.
Een van de allereerste ziekenhuisrellen die in de publiciteit kwamen, was de weerzinwekkende samenzwering rondom de integere hartchirurg prof. dr. Koos Wieberdink. Hij was in 1963 tot de eerste hoogleraar in de hartchirurgie benoemd. Maar hij moest zijn kliniek wel van de grond af opbouwen. Er was aanvankelijk niet eens ruimte voor hem beschikbaar. In 1971 werd hij echter gedwongen ontslag te nemen uit het Academisch Ziekenhuis Utrecht. Hij kreeg een financiële tegemoetkoming, maar zijn carrière was gebroken. Hij publiceerde in 1975 over die maffia-achtige geschiedenis een boek met de titel ‘Open Hartchirurgie’. De door hem beschreven gebeurtenissen zijn nog steeds actueel.
Patiëntendokter.
In 2004 overkwam zijn collega uit Maastricht, prof. dr. Olaf Penn, hetzelfde. Penn was vanuit het Rotterdamse Dijkzicht Ziekenhuis (thans opgeblazen tot Erasmus Medisch Centrum) naar het Limburgse ziekenhuis St. Annadal (thans opgewaardeerd tot Academisch Ziekenhuis Maastricht) gekomen. Olaf Penn was een echte patiëntendokter die kritiek had op de oeverloze pretenties van het steeds aangroeiende contingent managers. Hij verweet ze patiëntengelden te besteden aan overbodige luxe, lease-auto’s en dure kantoren. De raad van bestuur besteedde in 1995 ongeveer 1 miljoen gulden aan juridische bijstand om prof. Olaf Penn, de luis in hun pels, kwijt te raken. Dr. Penn werkt thans in het Catharina-ziekenhuis te Eindhoven.
Vorig jaar berichtte de medische redacteur van dit dagblad, René Steenhorst, dat het in plusminus 50 procent van de ziekenhuizen misgaat tussen enerzijds de specialisten onderling en tussen dokters en de directies en de raden van bestuur anderzijds. Het struikelblok bleek in de meeste gevallen het management te zijn. Managers zijn de binding kwijt met de artsen. Ze weten niet wat er op de werkvloer gebeurt. Ze vergaderen alleen maar en zijn continu aan het reorganiseren.
Complicaties.
De lijst van probleemgevallen is lang. In maart jl. had een totaal gebrek aan samenwerking tussen chirurgen geleid tot ernstige medische complicaties in het Maasziekenhuis te Boxmeer.
De afdeling hartchirurgie van het universitair St. Radboud-ziekenhuis te Nijmegen is tijdelijk stilgelegd.
Er zijn soortgelijke problemen in veel ziekenhuizen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berichtte vorige maand dat het aandeel van het zogenaamde overheadpersoneel (de administratieve en managementsector) nog steeds toeneemt en er dus minder handen aan het bed en de operatietafel beschikbaar zijn.
Vele specialisten en verpleegkundigen zijn de terreur van het ziekenhuismanagement zat en vluchten naar privé-klinieken. Daar kunnen ze nog werken zonder stapels voorschriften, onleesbare rapporten en uitzichtloze vergaderingen in brabbeltaal. Het verwijt dat in het bijzonder de plastische chirurgen liever in een privé-kliniek geld verdienen dan in hun officiële ziekenhuizen de wachtlijsten wegwerken, is vermoedelijk niet gegrond. Vaak is het in hun officiële baan niet mogelijk meer operaties te verrichten dan het beperkte budget toelaat.
Een vergelijking met vroeger dringt zich steeds meer op. Niet dat álles toen beter was, maar wel heerste er een andere mentaliteit. Voor artsen en verpleegkundigen was hun ziekeninrichting bijna een tweede huis geworden en de geneeskunde een soort tweede huwelijkspartner. Het bepaalde hun gehele leven. En als het nodig was, werden er soms zeer lange werkdagen gemaakt, want een uitgebreide wachtlijst was niet acceptabel. De organisatie was nog duidelijk en overzichtelijk. Tegenwoordig zou men daar het woord ‘transparant’ voor gebruiken.
Sociale ladder.
Boven aan de medisch ladder stond de geneesheer-directeur. Die liep net als alle andere dokters in een witte jas rond en hij werd als ‘dokter’ aangesproken. Aan het hoofd van de verpleging stond een klassieke directrice en die was altijd een zeer ervaren geneeskundige. Ook zij liep in uniform. De geneesheer-directeur en de directrice ‘liepen’ wekelijks visite op de afdelingen van het ziekenhuis. Ze kenden daardoor iedereen en wisten van alle problemen af.
Aan het hoofd van iedere ziekenhuisafdeling stond een ervaren specialist. Die was verantwoordelijk voor de gang van zake in zijn specialisme. Hij zorgde voor gelijkvormigheid in de klinische zorg.
Er was een duidelijke hiërarchie en iedereen wist waar hij aan toe was.
Eind zeventiger jaren begon de opkomst van het management. Oeverloos vergaderen, fuseren, reorganiseren en schaalvergroten waren minstens zo belangrijk als het zorgen voor de patiënten. De geneeskunde is daardoor in vele ziekenhuizen gedevalueerd tot een vorm van procesmanagement.
Dat degradeert patiënten via het begrip ‘cliënten’ tenslotte tot ‘productindicatoren’. Het is dan ook niet te verwonderen dat van vele werkers in de gezondheidszorg de arbeidsvreugde is onderdrukt en dat patiënten het spoor bijster raken in de huidige medische mammoetorganisaties. Er is daarover met de managers niet te praten. Ze komen van een andere planeet.
Toen ik onlangs nog eens probeerde, kreeg ik als antwoord: “Wij managers vervullen een aanjaagfunctie en faciliteren de veldpartijen met name door het scheppen van randvoorwaarden die geïmplementeerd moeten worden met een vertaalslag naar de werkvloer toe”.
Onder deze stortvloed van wartaal is het begrijpelijk dat de zo laatdunkend genoemde ‘werkvloer’ (waarmee dan de échte professionals worden bedoeld) er de brui aan geeft. De dokters en verpleegkundigen zijn ongelukkig en de patiënten betalen de tol.
Tot zover prof. Smalhout.
Groeten.
Fons.
De werkvloer
Moderator: Moderators
De werkvloer
Een theoloog die naar exactheid streeft, heeft de eerste stap gezet naar het atheïsme. Een atheïst is geen naïeveling, maar iemand die god nauwkeurig 'kent', voor wie dus veel zo niet alle godsvoorstellingen hun betekenis hebben verloren.
Re: De werkvloer
Laatst kwam ik wat statistische gegevens tegen over de werkvloer in de gezondheidszorg. Het aantal werkenden in de zorg is fors toegenomen. Ik meen mij te herinneren dat het aantal managers in de zorg gestegen was van 28.000 tot meer dan 70.000 binnen een periode van tien jaar. De administratieve druk is verveelvoudigd. En de meeste ziekenhuizen hebben de "boekhouding" verdubbeld. De invoering van DBC's heeft ondertussen een miljard gekost. Het geld is grotendeels opgegaan aan vergaderingen en het aannemen van nieuw personeel. Ook de afdeling automatisering maakt in de meeste ziekenhuizen een onstuimige groei door. Hiernaast zijn de avond/nachthoofden in veel ziekenhuizen verdwenen. De beveiliging is genivelleerd. Op veel afdelingen is er een minimale bezetting en de instroom loopt snel terug. En ga zo maar door.FonsV schreef:
Onder deze stortvloed van wartaal is het begrijpelijk dat de zo laatdunkend genoemde ‘werkvloer’ (waarmee dan de échte professionals worden bedoeld) er de brui aan geeft. De dokters en verpleegkundigen zijn ongelukkig en de patiënten betalen de tol.
Tot zover prof. Smalhout.
Groeten.
Fons.
Religie: Jezelf elke dag voorliegen tot je erin gaat geloven!