(Weer een bijdrage in twee delen omdat het anders zo’n ‘lap’ wordt. Het is nu al zo erg!)
De uitspraken van de kerkvaders hebben de toon gezet, niet alleen voor de Middeleeuwen maar voor nog lange tijd daarna. Zelfs in onze tijd zijn de sporen nog te vinden. Wie dat niet ziet heeft volgens mij óf door zijn/haar jeugd nog geen historisch besef óf loopt met oogkleppen op, die aan de voorkant tezamen zijn gelijmd.
In de tweede eeuw van de bestaansgeschiedenis van de kerk won de organisatie à la het Romeinse Rijk het van de inhoud aan ‘waarheden’. Niet langer meer waren het de apostelen, profeten en leraren (mannen én vrouwen!) degenen die in de gemeente de toon aangaven, maar het hiërarchisch gezag van paus, bisschoppen en diakenen. Allemaal mannen!
De synode van Nimes (394) bepaalde dat vrouwen geen diaken meer mochten zijn en dat zij in de kerk dienden te zwijgen. De Oosterse kerken deden niet mee en sloegen ook niet het pad in van het verplichte priestercelibaat. Wie heeft er nu weer ‘alle gelijk’? En wat is of hoort nu tot ‘DE’ Traditie?
Het schisma tussen Westerse en Oosterse kerk dateert van 1054 na Christus. Leo IX was toen paus en hij bestond het om op het plein voor zijn paleis de vrouwen van priesters (die waren 'betrapt') bij opbod als slavin te laten verkopen. Het zou echter nog een eeuw duren voor het priesterhuwelijk kerkrechtelijk werd verboden. Pas op het concilie van Trente (1545-1563) werd dit verbod effectief.
Het gebod heeft evenwel niet zo goed gewerkt. Historisch onderzoek toont telkens weer aan dat de meerderheid der priesters in concubinaat leefde. ‘Veni videre libros et liberos meos’ zei menige pastor als hij bezoek kreeg: ‘Kom even kijken naar mijn boeken en kinderen’. Zelfs niet alle pausen gingen in dezen vrijuit. De gegevens over de Borgia-paus Alexander VI laat ik liever maar weg. Het wordt hier anders zo’n pornosite en dat laat ik liever aan anderen over. Maar het geeft te denken dat bij het concilie van Konstanz (1414) het aantal prostitué’s dat de stad binnen stroomde, tenminste even groot was als het aantal ‘celibataire’ conciliegangers.
In vele kloosters ging het er ook vrolijk aan toe. Vooral in de z.g. ‘dubbelkloosters’. De synode van Aken (836) spreekt zelfs van ‘hoerenkasten’.
Waar een strenge naleving van het celibaat werd afgedwongen leidde dat vaak tot seksuele afwijkingen. In de zelfkastijding, als deelname aan het lijden van Jezus, werden de seksuele gevoelens ‘gesublimeerd’ (naar een hoger plan verheven).
Zo wordt van de non Christine Ebner beschreven: Ze bedacht dat God haar beval zich van alle dingen te ontdoen. En dat verstond ze ook in die zin dat Hij wilde dat heel haar lichaam moest worden gepijnigd. Ze trok haar kleren uit en begon haar lichaam te kastijden, te beginnen bij haar hals. En zo pijnigde zij heel haar lichaam met slagen, zo hard zij maar kon slaan, zo lang tot zij haar hand niet meer kon opheffen. En zo geselde zij zichzelf driemaal met 500 slagen, de kleine niet meegerekend. En zij nam haar borst en schuurde die langs een egelpels tot de huid er bloedend bij hing. En toen zij het van pijn bijna niet meer uithield, dacht ze aan de folteringen van onze Heer. Daarna deed zij het nog drie keer ter ere van de Heilige Drievuldigheid.
En dit voorbeeld werd in de ‘vrome literatuur’ ter navolging voorgehouden.
In de reformatie was het weer toegestaan te huwen. Aan het vrouwbeeld veranderde er echter weinig.
* Calvijn ontzegde aan de vrouw de bevoegdheid om te onderwijzen want: ’dan staat zij boven de mannen terwijl zij onderworpen dient te zijn’.
* Luther zwoer het celibaat af maar… bevestigde verder alle vooroordelen van zijn tijd over de vrouw: ‘de man is intelligenter omdat hij bredere schouders en smallere heupen heeft. De vrouw heeft een groter zitvlak omdat het haar roeping is thuis te blijven en kinderen te krijgen’. De seksualiteit die daarvoor nodig was werd derhalve in de hervorming ietwat hoger gewaardeerd. Calvijn hief echter wel een waarschuwende vinger tegen ‘onbeheerste lust’ in het echtelijke bed.
Naast de uitspraken van de kerkvaders zijn er ook andere geluiden. In de hoofse ‘troubadourcultuur’ was de positie van de vrouw iets beter. Bij de Katharen (ketters dus!) werd de vrouw gezien als het product van een ondergod maar, als ze gedoopt was, was ze gered en van hetzelfde gehalte als de man. Bij haar hemelvaart zou ze veranderen in een man want vrouwen konden het Koninkrijk niet betreden.
Het is daarnaast opvallend dat in de Middeleeuwen zo’n opmerkelijk grote plaats wordt ingenomen door de ‘vrouwelijke’ mystiek, dit in tegenstelling tot de oudheid. Om een paar van de vele namen te noemen: Hildegard von Bingen, Mechtild van Maagdenberg, Getrudis van Helfta, Hadewijch, Birgitta van Zweden, Juliana van Norwich, Catharina van Siëna, Theresia van Avila en vele, vele anderen.
De ideeën van deze vrouwen zijn niet allemaal meer de onze, maar van een ongelijkwaardigheid van mannen en vrouwen is bij deze vrouwen weinig tot niets te merken.
Gelukkig zijn er ook een paar mannelijk mystici, die wat tegengas geven tegen de alomtegenwoordige vrouwenhaat. Meester Eckhart n.a.v. de lichamelijk gedefinieerde maagdelijkheid van Maria: ‘Maagd zijn betekent: de mens die leeg is van alle vreemde beelden, even leeg als toen hij er nog niet was. Zo staat de mens maagdelijk, vrij en open voor de hoogste waarheid, zonder enige hinder, zoals ook Jezus leeg en vrij was en op die manier maagdelijk in zichzelf. Als de mens aldoor maagd zou zijn, kwam er geen vrucht van hem. Om vruchtbaar te worden is het nodig dat hij vrouw is. ‘Vrouw’ is de edelste naam die men de ziel kan toekennen, veel edeler nog dan ‘maagd’.
Agrippa van Niedeheim achtte man en vrouw volledig gelijkwaardig aan elkaar en onderbouwt dat met een tekst van Jezus uit een van de apocriefe evangeliën: ’Als jullie die twee, man en vrouw, één maakt en als jullie het innerlijk maakt als het uiterlijk, en het boven als het beneden, en als jullie het mannelijke en vrouwelijke tot één maakt, zodat het mannelijke niet alleen mannelijk en het vrouwelijke niet alleen vrouwelijk zal zijn… dán pas zullen jullie binnengaan in het Koninkrijk’.
Tweeduizend jaar later zal de psychoanalyticus Carl Gustav Jung deze gedachte uitwerken in zijn befaamde ‘animus-anima-theorie’.
Groeten.
Fons.