Beste Gralgrathor. Ik ben bij de benadering van het 3 stationsprobleem niet uitgegaan van mijn heelalmodel, omdat ik dan helemaal niets kan uitrekenen. Ik heb het met de klassieke speciale relativiteitstheorie benadert, om aan te geven dat het dan al moeilijk genoeg is. Wellicht verklaart dat jou gebrek aan begrip. (dat en een rottige tikfout). Sommige van mijn antwoorden hieronder zijn dus wellicht overbodig, in geval je hebt aangemomen dat ik die onmogelijke moeilijke berekening wel heb geprobeerd. Maar ik plaatst ze voor het geval dat, je dat niet hebt verondersteld.
Gralgrathor schreef:Peter van Velzen schreef:Ik ga ervan uit dat het licht uit station1 er gewoon 3 keer langer over doet om de aarde te bereiken als dat vanuit station3 en 1,5 keer zo lang als dat vanuit station2
Zonder algemene relativiteit, ja. Met, nee.
Jij had geen versnellingen ingebouwd dus er is alleen sprake van speciale relativiteit toch?
Peter van Velzen schreef:Dat betekent dat als wij constateren dat het signaal 3 lichtjaren aflegt in 3 jaar tijd, een waarnemer in station 3 constateert dat het slechts 2,598076211 lichtjaar heeft afgelegd
Volgens mij moet je nog even uit de doeken doen hoe jouw hypothetische universum in dit geval in elkaar zit: wat is de versnelling die elk station ondervindt? (En als encore: hoe verkrijgt het die versnelling?)
Ik ging niet uit van een hypothetisch universum alleen van de drie hypothetische stations uit jouw voorbeeld. Om een geloofwaardig verhaal te kunnen brouwen, heb ik slechts de beginafstand verkleind tot 1 lichtjaar. Ik ga helemaal niet uit van enige versnelling. (Waarom denk je dat toch?) Maar van onversnelde eenparige bewegiingen.
Peter van Velzen schreef:Vanuit de aarde gezien beweegt station3 weliswaar met een snelheid van 0,5C maar station2 beweegt zich niet met de lichtsnelheid maar met 0,8C
O fuck, wacht, je hebt mijn stations omgedraaid.
Eh nee, jij liet het signaal bij station1 beginnen en via station2 en dan 3 uiteindelijk bij de aarde belanden. Dat heb ik gehandhaafd hoor. Ik heb alleen een kloksignaal geïntroduceert dat vanuit de aarde naar de 3 stations werd gestuurd, en dat dus de andere kant op gaat.
Peter van Velzen schreef:Proberen we eens de klokken gelijk te laten lopen door vanuit de aarde aan kloksignaal
Aargh, ik weet niet of het het gebrek aan koffie is of het onmogelijk vroege tijdstip (al om 10:00 uit bed! op een
zondag!!! schande!), maar ik word er geen wijs uit. Dit bijvoorbeeld:)
Het is toch heel eenvoudig,We zenden vanuit de aarde gewoon één puls per seconde uit. Verder heb ik als gepensioneerde vrijdenker uiteraard niets speciaals met zondag.
Peter van Velzen schreef:Station 2 heeft echter bij aankomst van het signaal uit Station2 al heel wat meer kloksignalen van de aarde ontvangen
Heb je de stations nu opnieuw omgedraaid, of zit je me te fukken?
Ondanks drie keer nalezen, had ik deze tikfout toch niet gezien. Het is uiteraard het signaal uit
station1 (verzonden op het moment dat daar voor het eerst hetkloksignaal vanaf de aarde was ontvangen) dat in station2 aankomt. Sorry, het is een heel hinderlijke terkortkoming van me. Moet ik je een potje Moccona opsturen?
Peter van Velzen schreef:Gralgrathors probeerde echter te redeneren door de snelheden tussen de stations gewoon bij elkaar op te tellen
Wel, niet echt, aangezien recessie-snelheid geen snelheid is. In afwezigheid van een globaal referentiekader is snelheid een lokaal fenomeen, tenslotte. Maar ja, als je niet uitgaat van een constante versnelling van verre sterrenstelsels, dan volgt een "recessie-snelheid" bepaald door de Hubble-constante en de hoeveelheid tussengelegen ruimte. ?)
Daar introduceer je alweer een versnelling! Waar haal je die toch vandaan? Wat versneld er? Ik zie vooralsnog slechts eenparige onversnelde bewegingen.
Peter van Velzen schreef:Het eerste is uiteraard in strijd is met de relativiteitstheorie.
Hoe dan? Het valt niet onder SR, want: geen globaal referentiekader, en het is consistent met AR.
Peter van Velzen schreef:Het is alleen maar een woord voor de hypothetische bol met een straal gelijk aan de Schwarzschildradius rond het zwaartepunt van een massa
Nee. De Schwarzschild-radius is de radius waarbinnen de massa zich moet bevinden om een waarnemingshorizon te vormen. Voorbeeld: de Aarde heeft een Schwarzschild-radius ter grootte van een voetbal. Er vormt zich geen waarnemingshorizon, want de massa van de Aarde bevindt zich niet binnen die radius. Zou hij dat wel doen, dan zou een zwart gat vormen.
Je blijft maar vasthouden aan je magische taalgebruik. Er “vormt: zich helemaal niets. We “noemen” het alleen geen waarnemingshorizon indien de massa zich niet binnen die bol bevind. Maar fysiek is er niet noodzakelijkerwijs iets op die afstand aanwezig.
Ondertussen ben ik tot de conclusie gekomen, dat de
aanname dat de uitdijing eigenlijk geen beweging is in de klassieke zin, precies is gedaan vanwege het bezwaar dat als men dat wel doen, het heelal zich nooit zou kunnen uitbreiden voorbij haar eigen Schwarzschildradius. De waargenomen verwijdering wordt dus verklaard als een combinatie van een klassieke beweging (die wel onderhevig is aan de zwaartekracht) en een “schaalvergroting” die daar onafhankelijk van is.
Als deze schaalvergroting onderhevig zou zijn aan de regels voor snelheidsadditie volgens de speciale relativiteitstheorie, dan is er dus nergens een verwijdering die groter is dan de lichtsnelheid. En zou het heelal uiteindelijk op oneindige afstand tot stilstand, komen maar op elke eindige afstand ineen moeten storten. Daarom heeft men bovendien de
aanname gedaan dat zij daar niet aan onderhevig is.
Ik heb het gevoel dat hier nog een steekje los zit aan de theorie. Het probleem is het volgende. Aangenomen dat het heelal een begin kent. Is er een bol met als straal de leeftijd x de lichtsnelheid, waarbinnen zich alles moet bevinden dat we “nu” vanuit de aarde kunnen waarnemen. Verder is er veronderstelde afstand vanaf de aarde waarop zich dat deel van de ruimte bevindt dat een “recessie” vertoond ten opzichte van de aarde ter grootte van de lichtsnelheid. Dit is – geloof ik – wat met de “Hubble sphere” noemt. Deze is “nu” gelijk aan de hubble constante * de afstand in megaparsecs, maar breidt zich in toekomst uit. Ze groeit met dezelfde afstand die zij “nu” heeft, in de tijd die het licht nodig heeft om die afstand af te leggen. Logischerwijs, is er ook een afstand – welke tweemaal zo groot is, waarop de ruimte een “recessie zou vertonen van tweemaal de lichtsnelheid. Elk licht vanaf een afstand die groter is dan deze, beweegt zich volgens de logica van de kosmologen dus weg van ons met een snelheid groter dan de lichtsnelheid, en kan dus nooit door de groei van deze Hubble sphere achterhaald worden. Dat leidt tot de onontkoombare conclusie , dat volgens de theorie datgene dat zich “nu” tussen 13,7 en 27,4 miljard lichtjaar afstand van ons bevindt uiteindelijk zichtbaar kan worden, maar datgene dat zich “nu” verder weg bevindt nooit. Waarom het zichtbare heelal nu toevallig precies half zo groot is als het heelal “nu” dat ooit zichtbaar kan worden, is in het geheel niet duidelijk. De enige manier waarop dit effect vermeden kan worden is aannemen dat de “Hubble constante” in het verleden kleiner is geweest dan nu, en nog altijd naar de toekomst toe groeit. Dat is dan ook wat men heeft “waargenomen”. Elke andere ontdekking zou onbegrijpelijk zijn geweest. Ik verbaas mij er eigenlijk over dat deze ontdekking de kosmologen verbaasd heeft. Ze hadden het van te voren kunnen weten.
Een andere reden waarom men dat had kunnen weten, is dat een constante uitdijing, in het verleden tot een oneindige grote hubble constante had moeten leiden. Immers als de stelsels zich daadwerkelijk van elkaar zouden verwijderen, dan bevondt het stelsel op één megaparsec afstand zich 6,85 miljard jaar geleden op een halve megaparsec afstand, en als de “snelheid”al die tijd identiek zou zijn geweest, dan zou de “Hubble constante:” toen, het dubbele geweest moeten zijn van wat zij nu is. Als men de tijd blijft halveren, blijft de hubble constante verdubbelen. Dus gaat de Hubble constante naar oneindig als het tijdstip sinds de big-bang naar nul gaat. De uitdijing moet dus ook om die reden in het verleden kleiner geweest zijn, om deze conclusie te vermijden!
Ik ben het overigens volledig met de geleerden eens dat de universele roodverschuiving niet wordt veroorzaakt doordat de verre stelsels op relativistische wijze van ons af bewegen. Alleen doe ik minder aannames dan de kosmologen. Ik ga er direct vanuit de de waargenomen roodverschuivig helemaal niet in verband moet worden gebracht met een relatieve snelheid. Maar inderdaad met een versnelling (zoals jij grappig genoeg ook telkens weer aanvoert). Alleen heb ik een
reden voor die versnelling, terwijl de big-bang theoretici die er met de haren bij moeten slepen, omdat ze eerst uitgaan van een eenparige niet versnelde verwijdering. In mijn theorie creërt het zwarte gat dat het heelal (,zelfs een deel ervan al) is, direct een roodverschuiving.
Zoals al gezegd, waarschijnlijk is mijn model niet te onderscheiden van dat van de big-bang theoretici. Het probleem is echter dat ik dat niet kan narekenen. Jouw drie-stations-probleem, was me al bijna te machtig. (en het blijkt jouzelf nog steeds te machtig te zijn, al komt dat wellicht door mijn vermaledijde tikfoutjes). Laat staan een probleem waar de speciale relativiteitstheorie niet eens opgaat, en we de algemene moeten gebruiken. En dan nog wel in combinatie met een Schwarzschildradius die niet geldt voor het hele heelal, maar voor een eindig deel ervan. Daar helpt koffie ook niet meer.
“Hoofdpijn” zou mijn vrouw zeggen.