Hier mijn visie. De laatste postings heb ik nog niet kunnen lezen, dus dit is (nog) geen antwoord of zo.
Bondig weergegeven:
Omstreeks drieduizend jaar geleden leidden immense volksverhuizingen van noordelijke wilden tot de ineenstorting van hoge beschavingen van China tot Egypte. Overal leidde de val van tempels tot meer individueel en kritischer bewustzijn, maar verder was het effect erg verschillend aan weerszijde van de Indus rivier.
Ten Westen van de Indus begon, langs de grote rivieren een nieuwe opbouw van centralistische rijken, met als hoogtepunt het Perzische rijk, dat op den duur het hele gebied controleerde. Hier bracht het centrale bestuur de noodzaak van een centrale allesoverziende god, Ahura Mazda. Een monolithisch imperium vereiste een monotheistische ideologie. Maar vooralsnog was deze ideologie even dualistisch als de christelijke George W. Bush: “wie niet met ons is, is tegen ons.”
Om ecologische redenen is het ten oosten van de Indus niet tot zo'n concentratie en unificatie gekomen (Harappa lag reeds lang in ruine.) De onoverzichtelijke verscheidenheid van bergkammen, woestijnen, oerwouden, de vele bevolkingsgroepen en het gebrek aan concentraties van rivierklei, maakten dat het land bezaaid was kleine rijken met lokale goden, die weliswaar op allerlei manieren met elkaar in contact stonden, maar waarvan geen een ander kon overtroeven of onderwerpen op dezelfde schaal als de Perzen dat deden.
De ontreddering, en daarmee de filosofische vragen, hebben langer en grondiger gesudderd ten oosten van de Indus dan ten westen ervan. De eerste vragen over de natuur die de Grieken stelden werden eeuwen daarvoor neergeschreven in India, en de eerste vragen van de Romeinse filosofen over hoe men dient te leven werden reeds eeuwen daarvoor behandeld in China. Daarbij moet men het zo zien dat de bloedige campagnes van Xerxes en Alexander telkens het hele cultuurgebied hebben omgeploegd.
De documenten.
Oude verzen zijn niet geschreven door bevlogen negentiende eeuwse dichters op romantische zolderkamertjes. Ze werden geredigeerd door de best opgeleide ambtenaren, met een welbepaald doel. Ze werden trouwens ook behouden of verbrand door gelijkaardige ambtenaren met gelijkaardige doelen: voor het corpus aan oude teksten dat we vandaag bezitten is de inbreng van schrijvers en verbranders aan elkaar gewaagd.
Gelukkig willen auteurs altijd gelijk hebben. Als Origenes niet van leer had getrokken tegen Celsus, was Celsus nu vergeten. Enkel om hun gelijk te bewijzen hebben Augustinus en Mohammed de wetenschappelijke kennis van hun tijd verwerkt in hun teksten. Op dezelfde wijze werden filosofische speculaties opgenomen in de Vedas. Ik doel speciaal op de oudste upanishads, die talrijke filosofische speculaties zijn over de materiele wereld en de menselijke conditie. Ik leg de klemtoon op de oudste, omdat er upanishads geschreven zijn tot in de vroeg moderne tijd. Het heeft dus geen zin er één wereldbeeld in te zoeken, en de filosofie zo weg te werpen met het mystieke badwater.
Als in een upanishad over de wind wordt gesproken (ik geef maar een voorbeeld,) staat er het sanskriet vayu. Sommige vertalers zullen dit vertalen met “wind” en tot een redelijk samenhangende tekst komen. Anderen zetten “Vayu de god van de wind” en komen zo tot een spirituele tekst.
In
“Brahman-Knowledge: An outline of the Philosophy of the Vedanta as Set Forth by the Upanishads and by Sankara” geeft L. D. Barnett de essentie van het concept van
Brahma en Prāṇa. In de uitgave van
1911 lezen we (mijn vertaling uit het Engel):
“Dit concept, hoezeer ook vermomd in cosmogonische en mythische vorm, was in essentie strikt materialistisch. Maar zijdelings ontstonden in de school van de Brahmanas twee verschillende gedachtenstromingen – de doctrine van Brahma en van Prana. Brahma was in de eerste Vedische boeken een onzijdig naamwoord, dat verwees naar de bezwering of de bede van een priester, en van de magische kracht over goden, mensen en het universum. Prana daarentegen is feitelijk de adem van het lichaam, dus de lichamelijke kracht die het materiele bestaan ondersteunen. Zo ontstond de idee van een kosmische kracht, Brahma, als de ultieme realiteit en oorsprong van het waarneembare zijn, waarvan de kennis de grond was van de kennis van al de verschijnselen die eruit voortkwamen.
Dikwijls identificeren de oudere upanishads Brahma (en het individuele Zelf dat een is met Brahma), met de “levens-adem” in de microcosmos en zijn analogie, de wind van de macrocosmos.[...]”
Khândogya Upanishad I.11.5 schreef:Alle wezens komen samen in adem alleen, en van adem verrijzen ze. Dit is de godheid die bij de prastâva (hymnen) hoort. Als je hymnen had gezongen zonder dat te weten was je hoofd af gevallen, ondanks dat ik je had gewaarschuwd.”
Khândogya Upanishad VI.7.1 schreef:...vast gedurende vijftien dagen, maar drink zoveel water als je wil, want adem komt van water, en zal niet afgesneden worden zolang je water drinkt”.
Sorry, geen tijd meer om te vertalen. Prachtige verzen, bijna een materialistische parabel:
Khândogya Upanishad V.1.6ev schreef:The five senses quarrelled together, who was the best, saying, I am better, I am better.
They went to their father Pragâpati and said: 'Sir, who is the best of us?' He replied: 'He by whose departure the body seems worse than worst, he is the best of you.'
The tongue (speech) departed, and having been absent for a year, it came round and said: 'How have you been able to live without me?' They replied: 'Like mute people, not speaking, but breathing with the breath, seeing with the eye, hearing with the ear, thinking with the mind. Thus we lived.' Then speech went back.
The eye (sight) departed, and having been absent for a year, it came round and said: 'How have you been able to live without me?' They replied: 'Like blind people, not seeing, but breathing with the breath, speaking with the tongue, hearing with the ear, thinking with the mind. Thus we lived.' Then the eye went back.
The ear (hearing) departed, and having been absent for a year, it came round and said: 'How have you been able to live without me?' They replied: 'Like deaf people, not hearing, but breathing with the breath, speaking with the tongue, thinking with the mind. Thus we lived.' Then the ear went back.
The mind departed, and having been absent for a year, it came round and said: 'How have you been able to live without me?' They replied: 'Like children whose mind is not yet formed, but breathing with the breath, speaking with the tongue, seeing with the eye, hearing with the ear. Thus we lived.' Then the mind went back.
The breath, when on the point of departing, tore up the other senses, as a horse, going to start, might tear up the pegs to which he is tethered. They came to him and said: 'Sir, be thou (our lord); thou art the best among us. Do not depart from us!'
Then the tongue said to him: 'If I am the richest, thou art the richest.' The eye said to him: 'If I am the firm rest, thou art the firm rest'
The ear said to him: 'If I am success, thou art success.' The mind said to him: 'If I am the home, thou art the home.'
And people do not call them, the tongues, the eyes, the ears, the minds, but the breaths (prâna, the senses). For breath are all these.
Upanishad teksten naar
Max Müller