Bijbel en archeologie een zeer kleine poging tot een overzicht
( uit mijn persoonlijk archief )
De allereerste opgravingen in het Heilig Land, veelal in opdracht van christelijke universiteiten en instituten — later aangevuld door Israelische onderzoeksinstellingen — moesten aantonen dat de bijbel historisch juist was.
Het was werken met de spade in de ene hand en de bijbel in de andere.
Steden, muren, poorten, huizen — alles werd geïdentificeerd aan de hand van de bijbelse tradities.
Nederzettingen van Jozua, muren van David, forten van Salomo:
zie je wel,
de bijbel heeft tóch gelijk. Dat was ook de titel van de bestseller die de Duitse journalist
Werner Keller hierover in de jaren vijftig publiceerde:
Und die Bibel hat doch Recht.
God was níet dood.
Moderne Israelische reisgidsen lepelen deze verleidelijke identificaties nog steeds moeiteloos op.
Archeologen zélf kijken tegenwoordig met een zekere schaamte op deze periode terug.
Zij weten maar al te goed dat de oogst van al dat geploeter opmerkelijk schraal is geweest.
Al die identificaties zijn weinig meer dan wishful thinking.
Er is geen spoor te vinden van een uittocht uit Egypte, inclusief een verdronken farao, ook niet van een invasie door vreemde stammen in Palestina, ergens na 1500 voor Christus.
De resten laten geen culturele breuk zien, al die eeuwen niet, en de streek was toen trouwens stevig in Egyptische handen.
Geen spoor ook van een verovering (Jericho was toen al vele eeuwen
een ruïne) en
geen spoor van een koninkrijk onder David en Salomo.
Deze
«emancipatie» van de bijbelse archeologie is nog in volle gang.
De vooraanstaande Israelische archeoloog
Ze'ev Herzog kreeg een storm van
kritiek over zich heen toen hij het koninkrijk van David en Salomo een «mythe» durfde te noemen.
Toch heeft ze nu al geleid tot belangrijke
nieuwe impulsen voor het tekstonderzoek.
De traditionele opvatting luidde dat de oudste delen van de bijbel geschreven zijn aan het hof van Salomo, zo rond 1000 voor Christus — voor de goede orde: dat is nog altijd vier eeuwen voordat er elders vergelijkbare literatuur ontstond.
Nu Salomo's rijk onvindbaar blijft, wordt deze opvatting steeds moeilijker houdbaar.
De toekomst lijkt aan de zogenoemde nihilisten die ervan uitgaan dat de bijbel wellicht
snippers oude overleveringen bevat, maar verder grotendeels in de laatste vier eeuwen voor het begin van de jaartelling is geschreven. Dat hierbij sprake zou zijn van geschied schrijving zoals wij die kennen, achten zij uitgesloten.
De bijbelse geschiedenis, het historische «bewijs» voor een oeroud verbond tussen God en zijn volk, is niet meer dan vrome fictie.
En als er geen uitverkoren volk bestaat, dan ook geen
zoon van God, en ook geen wonderbaarlijke verrijzenis.
De bijbelse archeologie die het geloof had moeten redden van de negentiende-eeuwse bijbelkritiek zette uiteindelijk zelf nieuwe vraagtekens bij de kern van het christelijk geloof.
Nu het ernaar uitziet dat de bijbel veel later is ontstaan dan tot nog toe werd gedacht, wordt het interessant hem te vergelijken met de klassieke Griekse literatuur die om streeks dezelfde tijd, vanaf de zevende eeuw voor Christus, tot stand kwam. Gingen bijbelkundigen en classici elkaar tot voor kort uit de weg — de bijbel was immers naar ieders overtuiging eeuwen ouder dan de Ilias en Odyssee —, tegenwoordig weten ze elkaar steeds vaker te vinden, en de vergelijking leidt tot opmerkelijke resultaten.
Buitengewoon intrigerend bijvoorbeeld zijn de parallellen tussen de bijbelse en Griekse
tradities over het veroveren en besturen van nieuw land, die onlangs zijn aangestipt door de Amerikaanse oudtestamenticus
Moshe Weinfeld. Griekse kolonisten die van plan waren een nieuwe stad te stichten vroegen eerst advies aan de beschermgod van de stad over waar ze naartoe moesten. Eenmaal aangekomen werd het land door middel van het lot verdeeld over verscheidene «stammen» — volgens Homeros en Plato was
twaalf hierbij het ideale aantal.
Weinfeld wees erop dat deze vestigings traditie (voor de goede orde: het gaat hier om een ideaal; de werkelijkheid was heel wat ruiger) nergens in het Nabije Oosten voorkomt.
Niet in Egypte en Babylonië, niet bij de Hittieten en de Assyriërs.
Alleen in de bijbel, in de verhalen over de verovering van Palestina.
Een directe beïnvloeding vanuit de Griekse wereld is de enige redelijke verklaring.
Dat vereist stevige culturele contacten en een zekere jaloezie aan joodse kant ten opzichte van de indrukwekkende expansie die de Grieken op deze manier hadden bereikt.
Beide voorwaarden suggereren dat de geschiedenis van de verovering van Palestina pas in de vierde eeuw te boek is gesteld naar Grieks voorbeeld.
zie verder ook
--->
http://www.religioustolerance.org/chr_arhs.htm
http://groups.msn.com/anti-creato/creaarcheologie.msnw
Bijbel ( 12 berichten )
Heilige boeken (1bercht )
Geschiedenis en archeologie ( 1 bericht )
De oorsprong van de menselijke beschaving (1 bericht )
De bijbel herbekeken /
De bijbel: wat we weten, wat we niet weten, en wat dat betekent
Eerst kwam, met 11 september2001, de islam in de belangstelling.
Nu keert de aandacht zich, naar de joods-christelijke traditie.
Heeft Abraham bestaan, en zo ja, wisten zijn nazaten David en Salomo van zijn bestaan af?
Is het Israëlisch-Palestijnse conflict gewoon een voortzetting van de onteigening van Ismaël ten voordele
van Izaäk?
Heeft Mozes de bijbel geschreven?
Bruce Feiler /Abraham, in Search of the Father of Civilisation
Bruce Feiler /De Bijbel achterna /Walking the Bible: a Journey by Land through the Five Books of Moses
John Dominic Crossan & Jonathan L. Reed /Excavating Jesus, beneath the Stones, behind the Texts
Israel Finkelstein & Neil Ascher Silberman : The Bible Unearthed
--
Nicolaas Matsier / De Bijbel volgens Nicolaas Matsier
Jeruzalem is in meer dan één opzicht het centrum van de monotheïstische wereld. Tot ze zich bedachten en zich naar Mekka keerden, richtten de moslims hun gebeden op die stad. Salomo liet er zijn tempel bouwen en Jezus ging er dood. De simpelste wandeling door de oude stad leidt tot bijbelse verwarring.
Want is Jezus begraven op de plaats waar hij gekruisigd werd?
Kon Het Laatste Avondmaal plaatsvinden op dezelfde locatie waar nu het graf van koning David wordt gesitueerd?
Plaats is schaars in Jeruzalem, elk huis lijkt op meer dan één wijze miraculeus of dan toch bijzonder te moeten zijn willen alle tradities aan hun trekken komen. Je gaat op zoek naar iets om je dorst te lessen en je passeert in afwachting van de dichtstbijzijnde cola twee staties van de kruisweg. Of je zoekt een telefooncel en men stuurt je naar de klaagmuur.
Archeologen weten van de meeste benoemde plaatsen in Jeruzalem dat ze allicht niet zijn wat ze geacht worden te zijn, en eigenlijk doet dat er ook niet toe. In de beroemde lappendekenkerk kussen gelovigen non-stop het graf van Jezus. Als het allemaal echt was - als de steen echt het graf van Jezus toedekte - zou er geen geloof nodig zijn. De steen overdekt nu een imaginair graf van Jezus. De devotie is er niet minder om.
Maar dat onderscheid tussen echt en verzonnen blijft een controversiële aangelegenheid.
Het boek The Bible Unearthed snijdt nogal fluks in de historische waarheden van de bijbel en dat leverde de auteurs (Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman) enkele woeste kritieken op van fundamentalistische christenen. Want als bijna alles Dichtung wordt (als Abraham niet bestaan heeft bijvoorbeeld, en de Exodus een zwaar overtrokken versie is van wat in het beste geval een migratie was die zich mondjesmaat voltrok) dan krijgt het geloofssysteem een deuk, en dan is dat voor mensen die zelfs het scheppingsverhaal (om juist te zijn de twee versies van het scheppingsverhaal) letterlijk blijven nemen niet minder dan heiligschennend.
Het helpt de gelovige als de bijbel toch af en toe de letterlijke waarheid verkondigt, en al enkele honderden jaren probeert men bewijzen aan te voeren voor de bijbelse verhalen:
het manna bestaat en smaakt inderdaad zoet, kwartels komen in de Sinaï af en toe uit de lucht gevallen, als je de juiste omstandigheden weet te vinden wil de zee weleens wijken voor Mozes en de zijnen, en waarom zouden de muren van Jericho niet tijdens het geschal zijn ingestort?
Deze 'bewijzen' bewijzen natuurlijk niet dat de bijbelse verhalen echt gebeurd zijn. Ze bewijzen in het beste geval dat enkele elementen ervan niet onmogelijk zijn.
Niettemin maakt dat ontbreken van een letterlijke waarheid de bijbel rijker. In zijn boek Abraham toont de Amerikaanse schrijver Bruce Feiler hoe de grote onduidelijkheid rond de status van deze aartsvader de drie grote monotheïstische tradities de mogelijkheid gaf om hem een centrale rol in hun geloof te geven.
Feiler legt uit hoe de bijbelschrijvers tot enkele eeuwen voor Christus schaafden aan diens verhaal. Ze brachten er anachronistische elementen in (de bijbel beschrijft hoe Abraham tamme kamelen verhandelde, terwijl kamelen wellicht pas honderden jaren na de vermeende tijd van Abraham werden getemd), maar ze maken het verhaal ook complex en interessant. Voor de joden was Abraham de eerste ware monotheïst, een man die de wereld van zijn vader, een maker van 'afgodenbeelden', verliet zonder bekende bestemming, omdat God hem dat had opgedragen en omdat hij op God vertrouwde. Met Abraham ontstond, in de woorden van Feiler, een draagbare God, een universele God, terwijl tot dan goden een vaste stek en een vast publiek plachten te hebben. Met Abraham begon ook een lange traditie van contracten met God.
God belooft weelde, kroost, een natie - en de mens belooft te gehoorzamen aan God of aan diens regels. In de joodse traditie is Abraham degene aan wie voor het eerst een volk en een land werden beloofd - het beloofde land, al werd die term toen nog niet gebezigd.
Abraham is, op aanstichten van God alweer, de uitvinder van de besnijdenis.
Voor de christenen werd Abraham een voorafspiegeling van wat Jezus zou overkomen. Abraham kreeg van God de opdracht om zijn zoon Izaäk te offeren. Zonder veel tegen te sputteren (en in andere gevallen heeft Abraham wel degelijk tegengesputterd, toen God Sodom en Gomorra wou vernietigen, onderhandelde Abraham uitvoerig met zijn opperwezen) ging hij op weg naar het punt waar het offer moest plaatsvinden, wat Abraham in een bepaalde interpretatie ook de voorloper maakt van het fundamentalisme (alles moet wijken voor God).
Dat offer zou een eerste versie kunnen zijn van wat uiteindelijk Jezus overkwam. God hield Abraham tegen toen hij Izaäk wou doden (al is dat niet helemaal zeker, volgens enkele exegeten heeft Abraham wel degelijk zijn zoon gedood), wat nog eens in de verf zet hoe straf het latere offer van Jezus wel was.
Voor vele moslims is Abraham (of Ibrahim) de eerste moslim, de eerste die zich onherroepelijk aan de wil van God onderwierp.
De naam van het bedoelde slachtoffer van Abraham wordt in de koran niet genoemd, maar over het algemeen gaan moslims er tegenwoordig vanuit dat God gevraagd had om Ismaël te slachten en niet Izaäk. Ismaël leefde volgens de koran later in Mekka, waar Ibrahim/Abraham hem enkele keren kwam bezoeken. Volgens de moslimtraditie heeft Abraham de Kaäba hersteld, waardoor hij een rechtstreekse voorloper van de profeet Mohammed werd. Zowel Jezus als Mohammed stammen volgens hun volgelingen rechtstreeks af van Abraham.
Zijn oudste zoon Ismaël, op aanstichten van zijn vrouw Sara verwekt bij een Egyptische slavin, en later op aanstichten van diezelfde Sara verbannen, werd de oer-Arabier, terwijl Izaäk, de zoon die hij bij de negentigjarige Sara verwekte, de vader werd van Jakob, de oer-Israëli.
Daardoor ligt Abraham, zelfs als hij niet bestaan heeft (en Feiler citeert een expert die beweert dat het best mogelijk is dat de koningen David en Salomo niet op de hoogte waren van het bestaan van de aartsvader, dat die met andere woorden een latere uitvinding is), eigenlijk ten grondslag aan het huidige conflict in het Midden-Oosten.
Feiler hoopt dat hij ook kan bijdragen tot de oplossing van dat conflict, dat de grote tradities elkaar vinden in de gemeenschappelijke aartsvader.
De Abraham van de bijbel is een boeiende, volgens Feiler wat verwaarloosde figuur (over Mozes werden films gedraaid, Jozef werd de held in een musical, op Jezus bedacht Monty Python een parodie, maar wie bezong Abraham?).
Hij reist een half leven rond met de belofte dat hem weelde, land en ontelbare nazaten wachten, maar behalve de weelde die hij vindt, lijkt niets bewaarheid te worden.
Hij blijft maar kinderloos en landloos.
Zijn echtgenote is honderd wanneer ze uiteindelijk Izaäk baart.
Het eerste stuk land dat de halfnomade Abraham bezit, is een plotje in Hebron waar hij zijn vrouw begraaft.
Abraham is behalve onderworpen aan God en radicaal ook verzoenlijk en billijk, wat hem dan misschien wel tot voorbeeld maakt van wie religieuze conflicten wil ontzenuwen. Hij lost een ruzie met zijn neef Lot op door grootmoedig aan hem de eerste keuze te laten: "Als u naar links gaat, ga ik naar rechts; als u naar rechts gaat, ga ik naar links." Lot kiest voor Sodom en Gomorra...
De vertaling uit van Feilers vorige boek, Walking the Bible (De Bijbel achterna, de titel van de vertaling is juister, er wordt in het boek maar weinig gewandeld).
Het Abraham-boek is boeiend omdat het actualiteit verworven heeft, omdat, in de lezing van Feiler, Abraham zowel de verdeeldheid als de mogelijkheid van verzoening van godsdiensten belichaamt, maar het vorige boek is omvattender en biedt meer inzichten.
Het is geriskeerd een 'reisboek' over de bijbel te schrijven - dat wordt algauw anekdotisch tot nietszeggend, of het toont een persoonlijke verdieping van het geloof van de schrijver. In het geval van Feiler biedt de reis bijna alleen voordelen. De boeken die hij beschrijft en achternareist (voornamelijk genesis en exodus), zijn zelf reisboeken. De protagonisten worden verbannen of slaan op de vlucht, ze dolen.
Feiler doolt met hen, en komt zo tot enkele conclusies die hem anders misschien zouden zijn ontgaan.
Hij vindt de wortels van de bijbel - daar is hij natuurlijk niet de enige - in twee rivierculturen, eerst Mesopotamië (waar een vergelijkbaar scheppingsverhaal de ronde deed, en waar in ettelijke versies over de zondvloed werd verteld), dan Egypte, waarna God zijn bijbelse volgelingen een land beloofde dat niet kon rekenen op een gulle rivier. God maakte zijn volgelingen dus afhankelijk van zijn grillen en zijn regen, van de cont
racten die hij met hen afsloot.
De reis is ook op een ander niveau relevant.
Feiler argumenteert dat
Feilers relatief snelle tocht door de bijbel (het boek is toch nog altijd ongeveer 500 bladzijden dik) toont de lezer ook patronen.
De zondeval wordt steeds herhaald,
God verleent gratie, de mens beschaamt zijn vertrouwen en wordt bestraft, tot er een nieuwe periode van gratie volgt.
Hoewel hij Abraham later naar voren zal schuiven als een potentiële verzoener van de drie grote tradities, wordt Feiler in zijn voorgaande boek moedeloos als hij merkt hoe
Mozes, ook weer een figuur die een belangrijke positie inneemt in de drie tradities, totaal anders begrepen wordt door Jordaanse moslims met wie hij discussieert (Feiler is zelf een jood).
In de koran wordt het bijbelse verhaal vertaald tot bijna een succesverhaal.
Het element beloofde land is uitgegomd, en ook het feit dat Mozes er niet in slaagt dat beloofde land zelf te bereiken maakt dus niet langer deel uit van het verhaal.
De koran heeft Mozes zijn tragiek ontnomen.
Maar wat Feiler erger vindt: de moslims met wie hij discussieert, die op een boogscheut van het Israëlisch-Palestijnse conflict wonen, hebben zelfs geen flauwe notie van wat het beloofde land inhoudt voor joden.
Ze wonen zo dicht en toch zien ze enkel hun eigen waarheid.
Feiler bewandelt een immense materie.
Hij laat zich gidsen door experten (af en toe doet zijn boek denken aan The Songlines van Bruce Chatwin) die zijn eigen inzichten meteen in een kader laten plaatsen.
Feiler legt weliswaar uit wat hij behandelt, maar beginnende bijbellezers zoeken misschien een makkelijker, systematischer introductie.
Wie een overzicht, en niet noodzakelijk controverse zoekt, kan terecht De bijbel volgens Nicolaas Matsier. Dat l boek is allicht het meest handige voor mensen die hun bijbellectuur willen verdiepen.
Matsier loopt systematisch bijbelboeken af en geeft commentaar (het materiaal in dit boek verscheen eerder columngewijs in onder meer de krant Trouw).
Nieuwe inzichten heeft hij niet op het oog, maar Matsier is zeker nuttig voor wie de oude inzichten nog niet kende. En hij telt graag (Jozef, zoon van Jakob en vooral bekend als voorspeller van de plagen van Egypte, barst tot zeven keer toe in tranen uit, wat hem de grootste huilebalk van de bijbel maakt). Matsier is geneigd de gruwelen in de verf te zetten, die door leraren godsdienst weleens vergeten worden: de aanslagen tegen families van tegenstanders, David die als bruidsschat honderd voorhuiden van (gedode) Filistijnen moet tonen. Bij lezing van Matsier kom je, hoewel daar niet op gewezen wordt, tot de conclusie dat de wreedheden die God beval of zelf uitvoerde, niet onvergelijkbaar zijn met de wreedheden die zijn volgelingen nu bijvoorbeeld in de Palestijnse gebieden uitvoeren. De bijbel is niet minder wreed dan de huidige realiteit.
De
God van de joden is wreder dan de succesrijkste Palestijnse zelfmoordenaar - God doodt tijdens de exodus zijn eigen, weliswaar twijfelende en soms tegenpruttelende volgelingen met een gretigheid die aan sadisme grenst.
De God van het eerste bijbelboek, Genesis, valt, daar wijst Feiler ook al op, blijkbaar beter te pruimen dan de God van het tweede boek, Exodus.
De God van het tweede boek is een nukkige god, die zijn volgelingen in leven houdt met kwartels en manna, en uit rotsen spuitend water, maar die niet of minder vatbaar is voor onderhandeling en toegeving (anders zou hij toch op het laatste moment Mozes de kans hebben verleend om het beloofde land te zien), die niet terugschrikt voor een bloedbad meer of minder, en die geregeld koudweg onze noties van mensenrechten en billijkheid met voeten treedt.
De God van Exodus is een wrede god.
Ook een inzicht dat Matsier deelt met Feiler:
God wordt sterker naarmate het zijn volgelingen slechter vergaat. Ook dat mechanisme valt nu nog te merken in de Arabische wereld.
De strikt archeologische boeken zijn veel minder geschikt voor een breed publiek.
In
Excavating Jesus wordt gezocht naar historische vondsten, stenen of teksten, die een licht werpen op de stichtende figuur van het christendom.
Gespecialiseerde recensenten bejubelen het werk maar
voor een buitenstaander valt het vooral op hoe weinig betrouwbaar materiaal er te vinden is.
The Bible Unearthed is interessant maar gaat helemaal in op controverses waarvan de niet zo bijbelvaste lezer misschien het bestaan niet eens vermoedde.
De algemene stelling van het boek is dat de bijbel veeleer de wereld weergaf van wie hem schreef dan van wie beschreven werd.
En dat
Mozes niet de auteur was van de Pentateuch (de eerste vijf bijbelboeken), schijnt niemand van de hier vermelde auteurs meer aan te vechten.
Slotsom:
de bijbel komt uit deze serie boeken tevoorschijn als een interessant, gruwelijk, veelvoudig te interpreteren, bijwijlen contradictorisch boek (de koran, hoewel ook niet contradictievrij, is veel gerichter, hij bevat minder intern conflict, minder emotie, wat hem mijns inziens als literatuur ook armer maakt).
Feiler laat in zijn De Bijbel achterna een expert aan het woord die het boek onvergelijkbaar beter en rijker noemt dan Shakespeare.
Niet iedereen zal het daarmee eens zijn, maar het boek verdient zijn populariteit, het verdient met een frisse neus gelezen of herlezen te worden.
(Rudi Rotthier )
Nicolaas Matsier is geneigd de gruwelen in de verf te zetten, die door leraren godsdienst weleens vergeten worden:
de aanslagen tegen families van tegenstanders, David die als bruidsschat honderd voorhuiden van (gedode) Filistijnen moet tonen
Een inzicht dat Matsier deelt met Feiler:
God wordt sterker naarmate het zijn volgelingen slechter vergaat
De Bijbel op de grens tussen fictie en non-fictie
Dat de wereld door God geschapen is in zeven dagen, geloven enkel nog fundamentalistische christenen en Joden die ieder Bijbels woord letterlijk nemen. Maar wat met de rest van de verhalen uit het Oude Testament? Bestond de oervader Abraham echt? Klopt het dat het onderdrukte Joodse volk uit Egypte vluchtte om zich in het beloofde land te vestigen?
De archeologen Israël Finkelstein en Neil Silberman legden feiten naast verhalen en stelden vast dat de Bijbelauteurs een goede pen hadden, maar heel vaak kort door de bocht gingen.
Stel dat de Bijbel gerangschikt moet worden in onze hedendaagse boekenlijstjes. Behoort het dan tot de fictie of de non-fictie?
"Goede vraag, maar niet evident om te beantwoorden", zegt Neil Silberman, coauteur van het pas gepubliceerde boek De Bijbel als mythe, eigenlijk een Nederlandse vertaling van het boek The Bible Unearthed, dat in 2001 voor veel ophef zorgde in (vooral) de Angelsaksische wereld.
De auteurs leggen in het boek de archeologische vondsten en feiten uit het Midden-Oosten naast de verhalen uit het Oude Testament. Hun conclusie is duidelijk. Het eerste stuk van de Bijbel is een document dat in de zevende eeuw voor Christus moet zijn geschreven. En niet, zoals de meeste verhalen doen uitschijnen, in de periode van 2.200 tot 500 voor Christus.
Silberman:
"In het Oude Testament staan zeker verhalen en zaken die historisch kloppen, maar vaak gaat het toch om mythes en metaforen. De werkelijkheid werd vaak 'gedramatiseerd' en simpeler gemaakt voor de lezer. Neem nu het verhaal van de oervader Abraham en zijn zonen, uit het boek Genesis, dat zich afgespeeld zou hebben tussen 2.200 en 1.800 voor Christus. Er is echter geen enkel archeologisch bewijs gevonden dat hij heeft bestaan."
Alle specifieke gegevens die in het verhaal staan, werden door de archeologen gecheckt: plaats- en persoonsnamen, lokale gebruiken... geen enkel spoor van de oervader.
In de Bijbel staat wel dat hij een kameel gebruikte als lastdier.
"Maar dat gebruik werd pas in de zevende eeuw voor Christus ingevoerd", zegt Silberman.
Opgravingen in dorpen die in het boek Genesis als belangrijk werden omschreven, toonden ook aan dat ze ofwel niet bestonden ofwel heel klein waren en pas in de achtste of zevende eeuw voor Christus van belang werden. Judea bijvoorbeeld werd al in die vroege periode een grote maatschappelijke en politieke rol toebedeeld, maar die kreeg het pas veel later.
Heeft Abraham dan nooit echt bestaan? Silberman:
"Het zwakke punt van archeologie is natuurlijk dat we nooit met individuele bewijzen kunnen komen. De sterkte is dat we een breder verhaal kunnen vertellen over de samenleving van toen. Wellicht zijn de oervaders en hun verhalen een samenstelling van verschillende historisch bestaande figuren en families met een complexe familiegeschiedenis. Hun verhalen en belevenissen zijn metaforen, mythes. Verhaallijnen worden simpeler en sterker gemaakt om meer te imponeren. Niet vergeten dat er in die tijd sowieso geen strikte scheiding bestond tussen fictie en non-fictie, tussen literatuur of politieke, maatschappelijke of theologische teksten."
Een ander voorbeeld van een iets te sterke en scherpe pen, vindt de archeoloog in het verhaal van de exodus, de vlucht van het onderdrukte Joodse volk uit Egypte. Onder leiding van Mozes zou het dan, na een lange tocht door de woestijn, het beloofde land Kanaän bereiken.
Silberman is sceptischer over de exodus.
"Er zijn geen bewijzen voor één grote migratiegolf, geleid door één man. Wel zijn er door de eeuwen heen heel wat kleinere verhuizingen geweest. Een complexe sociale transformatie dus, met verschillende soorten volkeren en leiders." Ook de heroïsche daden van David of Salomon moeten met een flinke korrel zout genomen worden.
Het Oude Testament afdoen als pure fictie, is ook veel te kort door de bocht, oordeelt de Amerikaanse archeoloog, die sinds een aantal jaar het Ename Expertisecentrum voor Erfgoedontsluiting vzw, nabij Oudenaarde, leidt.
Of zoals de auteurs in het boek schrijven:
"De kracht van het Bijbelverhaal schuilt in zijn boeiende en samenhangende verwoording van de tijdloze thema's van de bevrijding van een volk, het onophoudelijk verzet tegen de onderdrukking en het zoeken naar sociale gelijkheid. De welsprekende taal van de Bijbel geeft uitdrukking aan het diepgewortelde gevoel van een gemeenschappelijke oorsprong, ervaring en bestemming die elke menselijk gemeenschap nodig heeft om te kunnen overleven."
Na de publicatie van de Engelstalige versie in 2001 kregen de auteurs bakken kritiek over zich heen gestort. Die kwam vooral uit fundamentalistische hoek, die de Bijbel letterlijk interpreteert.
"We waren zogezegde cultuurbarbaren die de Joods-westerse hoekstenen van de samenleving onderuit probeerden te halen. Alsof de wereld eindigde na de publicatie van ons boek. Maar er waren ook heel wat positieve en geïnteresseerde reacties."
Maar wat antwoordt hij dan op de visie dat de Bijbel niets minder is dan het woord van God zelf.
"Natuurlijk is de Bijbel het werk van mensen die iets te vertellen hadden, maar je kunt ook zeggen dat hun inspiratie goddelijk is. Zoals de werken van Shakespeare ook door een goddelijke muze zijn geïnspireerd. Kijk, er zijn al sinds eeuwen discussies over de historische waarde van de Bijbel. Bijna iedereen aanvaardt nu dat God de wereld niet heeft geschapen in zeven dagen, dat Adam en Eva niet de eerste mensen waren.
Sinds de evolutieleer van Darwin weten we wel beter; het zijn metaforen die je niet letterlijk mag interpreteren. De wetenschap en de archeologie zijn telkens mee opgeschoven in het onderzoeken van de verhalen. Natuurlijk is en blijft de Bijbel heel waardevol, anders zou ik er als archeoloog ook niet zoveel tijd van mijn leven in hebben gestoken."
Israël Finkelstein en Neil Silberman, /De Bijbel als mythe,.