Ik had z'n reactie inderdaad al gezien. En daar had GDon ook weer op gereageerd, dus daarom hieronder een overzicht van wat daarin gezegd wordt. Mijns inziens blijft er weinig over van Doherty's argumentatie, maar ga het vooral ook zelf lezen en oordeel zelf.
Justinus de Martelaar
Doherty stelt dat de historische Jezus echt ontbreekt in het stukje bekeringsverhaal van Justinus. Dit bekeringsverhaal wordt aangehaald in Justinus' dialoog met Trypho. Het staat aan het begin van het werk en is juist aanleiding om te gaan kijken of Jezus de Messias/Christus kan zijn. Hiertoe worden in de rest van het verhaal de Hebreeuwse geschriften (het OT) bekeken en toegepast op Jezus van Nazareth. In het bekeringsverhaal aan het begin van het werk wordt je dus nieuwsgierig gemaakt wie de Messias (Christus) dan zal zijn. Justinus zegt tegen Trypho (& vrienden): "If, then, you have any concern for yourself, and if you are eagerly looking for salvation, and if you believe in God, you may—since you are not indifferent to the matter become acquainted with the Christ of God, and, after being initiated, live a happy life.” Doherty haalt nog een quote aan uit het bekeringsverhaal:
He points to the Hebrew prophets. "These alone both saw and announced the truth to men" [my emphasis]. Where is the earthly Jesus in this category?
GDon is echter wakker genoeg om te zien dat het 'alone' hier als tegenstelling wordt gebruikt tegen de heidense filosofen van weleer. Dus niet tegenover Jezus die natuurlijk ook van alles had te vertellen.
Doherty gaat nog verder in op het bekeringsverhaal van Justinus. Hoewel dit verhaal gebruikt wordt in de dialoog met Trypho in een context van een historische Jezus, wil Doherty doordringen tot het oorspronkelijke bekeringsverhaal van Justinus. Dat kan natuurlijk, maar tegelijkertijd zegt hij:
But we must look beyond the text and take into account that this dialogue, together with the figure of Trypho, is a construction of Justin
Hij erkent dus dat Justinus hier een werk aan het schrijven is, waarin hij wat duidelijk probeert te maken, en tegelijkertijd wil hij het historische van het bekeringsverhaal vinden.
Tatianus
Doherty probeert te argumenteren dat Tatianus misschien wel geen leerling was van Justinus. We hebben dit niet van Tatianus zelf (hoewel hij Justinus wel een paar keer noemt), maar we horen dit via Tertullianus en Irenaeus. Hier wekt hij de indruk dat er generaties tussen deze mensen zat. Maar dat is ver bezijden de waarheid. Ze waren gewoon tijdgenoten. GDon vertelt verder dat ze zelfs allebei in Rome verbleven hebben. Irenaeus schrijft over de misvattingen van Tatianus, maar daarbij zit niets wat lijkt op het geloof in een niet-historische Jezus.
Bij Tatianus ontbreekt een vermelding van Jezus als het onderwerp 'de opstanding van de doden' is. GDon liet in zijn eerste reactie een voorbeeld zien bij Justinus waar dat ook gebeurt. Doherty geeft dit deels toe, maar vind de context anders, en verlangt daarom toch zo'n vermelding van Jezus bij Tatianus. GDon laat aan het begin van zijn reactie zien waarom Christus hier niet genoemd wordt. Justinus geeft namelijk ook een reden waarom hij Christus niet noemt als voorbeeld van de opstanding der doden. Justinus maakt namelijk onderscheid tussen argumenten voor gelovigen en argumenten voor filosofen. Refereren aan de opstanding van Christus zou alleen op geloof kunnen worden geaccepteerd. Om de filosofen te 'bestrijden' hebben ze andere argumenten nodig. Wees dus niet verbaasd als de filosoof Tatianus dit ook doet, zonder expliciet te vermelden dat hij een filosofisch antwoord geeft.
GDon somt tenslotte nogmaals zijn punten op uit zijn eerste commentaar op Doherty:
* Irenaeus's comments on Tatian's relationship with Justin and when he became a heretic;
* Tatian's reference to "God has been born in the form of man";
* Carrier's comments on Tatian being a prolific author so that his views were probably widely known;
* Tatian's referral to the "admirable Justin";
* similarities of the descriptions of the Logos between Tatian and Justin;
* the lack of any overt statement of non-historicity;
* the acclaim that Tatian's Address was given by later Christians
Dat Doherty dit niet genoeg vind is zijn probleem, vind GDon. Een volgend punt is de status van de gospels bij Tatianus. Hij heeft het wel over verhalen, maar volgens Doherty beschouwt Tatianus ze als verhalen, net zoals de Grieken ook verhalen vertellen. Hij hechtte geen autoriteit aan die verhalen. GDon heeft ook hier zijn antwoord klaar met twee citaten van diezelfde Tatianus waaruit blijkt dat Christenen: "do not act as fools, O Greeks, nor utter idle tales, when we announce that God was born in the form of a man", en even verderop: "Wherefore, looking at your own memorials, vouchsafe us your approval, though it were only as dealing in legends similar to your own. We, however, do not deal in folly, but your legends are only idle tales".
Theophilus
Doherty heeft commentaar op de redenering van GDon. GDon stelt dat de naam Christus gehaat werd. Tegelijkertijd stelt hij dat rond het jaar 180, toen Theophilus schreef, de christelijke boodschap bij veel mensen bekend was. GDon reageert hierop. Hij stelt dat deze twee dingen samen kunnen gaan. De Christenen wilden hun situatie verbeteren en legden nadruk op de filosofische kant van het christendom. De namen Jezus en Christus werden achterwege gelaten, en men wekte de indruk dat het om een filosofische school ging. Op die manier konden ze op een rationelere manier behandeld worden, en hoopten ze dat de vervolingen zouden stoppen.
Vervolgens heeft Doherty commentaar op GDon over de vleeswording. Volgens Doherty ontbreekt de incarnatie van de Logos in het werk van Theophilus. GDon haalt dit citaat uit Theophilus aan:
"The Word, then, being God, and being naturally produced from God, whenever the Father of the universe wills, He sends Him to any place; and He, coming, is both heard and seen, being sent by Him, and is found in a place."
Gegeven dat dit geschreven is rond het jaar 180, gegeven dat Theophilus expliciet noemt dat hij de proloog van het evangelie van de evangelist Johannes citeert, gegeven dat rond 180 de evangelien bekend waren, concludeert GDon mijns inziens terecht dat de lezers daar de incarnatie van de Logos in zouden lezen.
Doherty probeert zijn argument over het ontbreken van de Logos-incarnatie kracht bij te zetten door een stukje verder te citeren van Theophilus
"Not as the poets and writers of myths talk of the sons of gods begotten from intercourse [the translator adds: with women], but as truth expounds, the Word, that always exists, residing within the heart of God."
"Hoe kan het", vraagt Doherty zich af, "dat Theophilus ontkent dat het met de Logos net zo is als met de goden uit de mythes? Volgens Theophilus was Jezus toch juist wel geboren?". GDon's antwoord is dat de christenen de geboorte van de Logos niet zagen als het
begin van de Logos. De Logos was pre-existent. Hiervoor haalt GDon eerder in het artikel al quotes aan van Aristides en Tertullianus. Hierin ontkennen deze HJ'ers ook dat goden geboren kunnen worden.
Nog een quote van Theophilus wordt aangehaald. Het christendom is volgens Theophilus:"not modern or fabulous but ancient and true". Hoe kan dat als Jezus niet superlang geleden werd geboren? Ook hier weet GDon duidelijk te maken dat Theophilus niet opvalt ten opzichte van andere christenen uit die tijd, zoals Justinus de Martelaar. Ook hij maakt in zijn werk duidelijk dat het christendom oud is. De christenen hadden een goed motief om dit te doen, omdat de Romeinen niet op nieuwe godsdiensten zaten te wachten. Een nieuw ontstane godsdienst zou geen respect krijgen. Een godsdienst is iets wat oude papieren dient te hebben.
Dit thema wordt nog verder bekeken. Doherty stelt dat de volgende quote welhaast uitsluit dat Theophilus een historische Jezus in gedachten heeft:
And therefore it is proved that all others have been in error; and that we Christians alone have possessed the truth, inasmuch as we are taught by the Holy Spirit, who spoke in the holy prophets and foretold all things.
Ook hier zien we Theophilus duidelijk proberen te maken dat het christendom oude papieren heeft. De profeten voorspelden immers al van alles. Dit zien we terug bij Justinus de Martelaar. Hier wordt een citaat van gegeven, plus een uitleg van Karen Armstrong:""[Justin Martyr] argued that Christians were simply following Plato, who had also maintained that there was only one God. Both the Greek philosophers and the Jewish prophets had foretold the coming of Christ - an argument that would have impressed the pagans of his day, since there was a fresh enthusiasm for oracles." De christenen proberen concepten te gebruiken die aansloegen bij de heidenen. Ze betrekken daarbij hun denkwereld zoals de vele goden en filosofen, waaronder dus ook Plato.
Doherty gaat verder met Theophilus' kennis van het evangelie van Johannes. Die zou zeer beperkt zijn, omdat Theohilus even later de volgende uitspraak doet:
everyone who keeps God's law and commandments can be saved, and, obtaining the resurrection, can inherit incorruption.
Dit is in tegenspraak met hetgeen in dat evangelie van Johannes staat. Jezus zegt: "I am the Resurrection and the Life". Hier haalt GDon wederom Karen Armstrong aan om duidelijk te maken dat er toentertijd geen officieel dogma was over de verlossing. Dat men alleen gered kon worden door het bloed van Jezus was toen nog geen algemeen bekend iets. Doherty zoekt dus iets in Theophilus' werk wat in die tijd nog niet aanwezig was. Een anachronisme dus. Een tweede punt dat nog wordt genoemd is dat ook de christenen direct volgend op Theophilus helemaal geen commentaar hebben op zijn werk. Integendeel, hij ontvangt juist lof voor zijn apologetiek.
GDon had eerder gezegd dat Theophilus ook een werk
tegen Marcion heeft geschreven. Dit komt uit het werk van Eusebius. Doherty vindt dit maar onbetrouwbaar, omdat Eusebius 1,5 eeuw na Theophilus schrijft, en het werk verloren is gegaan. We kunnen er daarom niets over zeggen, aldus Doherty. Hier reageert GDon nog op door te vragen of er historici zijn die vragen hebben bij
deze uitspraak van Theophilus.
Athenagora en de brief aan
Diognetus slaat GDon over, omdat er geen nieuwe data wordt geleverd door Doherty.
Minucius Felix
GDon begint met te stellen dat Minucius Felix gerelateerd lijkt te zijn aan twee werken van Cicero, en twee werken van Seneca. Dat wekt de indruk dat het werk geschreven is voor de ontwikkelde heidenen en dat het in een vorm is geschreven die ze konden waarderen.
Doherty's reactie begint met vier quotes waar GDon niks mee heeft gedaan. Hij reageert er alsnog op.
1. "Is it not ridiculous either to grieve for what you worship, or to worship that over which you grieve?". Dit doen christenen niet zegt GDon, met de vraag aan Doherty waar hij dat wel ziet
2.Therefore neither are gods made from dead people, since a god cannot die; nor of people that are born, since everything which is born dies....For why, if they [i.e., gods] were born, are they not born in the present day also?" Dit soort uitspraken zien we terug bij zowel HJ'ers als MJ'ers. GDon zet aan het
begin van zijn reactie 9 quotes neer. Acht hiervan zijn van mensen die in een historische Jezus geloofden. Eentje niet. GDon vraagt aan te wijzen welke dat is. Die quotes slaan op het doodgaan van goden. Voor christenen was het Jezus niet ontstaan bij de geboorte, maar was hij pre-existent. Hij bestond al voor hij geboren werd, en daarom kunnen ze op de manier spreken zoals we hier zien.
3. "Why should I refer to those old wives' fables, of men being changed into birds and beasts, into trees and flowers? If such things had ever happened, they would happen now; but since they cannot happen now, they have never happened." Dit slaat direct op de Romeinse goden. GDon vraagt zich af wat dit te maken heeft met een historische Jezus die ten tijde van Minucius Felix allang niet meer op aarde was. Het gaat zelfs te ver om te zeggen dat Minucius Felix helemaal niet in wonderen geloofde, zoals bijvoorbeeld bij gebedsgenezingen. Het gaat namelijk over mensen die veranderen in flora en fauna.
4. "And yet, although so much time has elapsed and countless ages have passed, is there a single trustworthy instance of a man having returned from the dead like Protesilaus, if only for a few hours? All these figments of a disordered brain, these senseless consolations invented by lying poets to lend a charm to their verse, to your shame you have hashed up in your excessive credulity in honor of your god." Dit wordt gezegd door de heiden tegen de christen, en is dus niet verrassend.
Doherty vervolgt. De scepticus in het verhaal doet allerlei beschuldigingen aan het adres van de christenen. Middenin dat lijstje staat dan het aanbidden van een gekruisigde crimineel. Als dit het centrale punt van het christelijke geloof is, waarom staat het er dan gewoon middenin? Als Octavius dan antwoord gaat geven, dan noemt hij dit punt gewoon in volgorde waarop de scepticus dat ook deed. Het krijgt geen speciale aandacht. Voor Doherty is dit reden om te denken dat Minucius helemaal niet geloofde in een Jezus-figuur zoals de evangelien ons die presenteren.
GDon laat dan in de context zien dat er wordt gezegd dat christenen helemaal geen crimineel aanbidden. Zelfs geen earthly being. Dit lijkt juist te bevestigen wat Doherty beweert, maar hier komt weer het punt naar voren dat christenen Jezus toen al als God zagen. We zien dat bijvoorbeeld (weer) bij Tertualianus: "mortal beings (come) from mortals, earthly ones from earthly". Van Tertulianus accepteren we dit, maar van Minucius Felix niet? Omdat we toevallig van Tertullianus nog veel meer geschriften hebben? Dat lijkt me geen goede reden.
Bronnen
1.
Doherty's reactie
2.
GDon reactie daar weer op
Het is best leuk om die brieven door te lezen. Je ziet telkens weer argumenten van Doherty floppen. Dit valt vooral op als je ziet dat een argument dat wordt toegepast op een schrijver, hetzelfde gezegd kan worden van mensen die overduidelijk wel in een historische Jezus geloven. Je ziet dit bijvoorbeeld als je Tatianus en Justinus de Martelaar vergelijkt, of Minucius Felix met Tertullianus.