Kijken of iemand mij hierin wil volgen. . .
Wat is tijd?
Wij hebben de neiging de “wereld” als een continuüm te zien. Iets dat wij oneindig kunnen uitbreiden dan wel verdelen. Befaamde voorbeelden van het oneindige verdelen zijn het beroemde verhaal van Achilles en de schildpad, of van de pijl die haar doel “nooit” kan bereiken. De quantum-mechica doet ons echter vermoeden dat zo’n continuüm waarschijnlijk helemaal niet bestaat. Mogelijkerwijs bestaan er alleen gebeurtenissen, waarvan we de plaats in de ruimte en de volgorde in de tijd kunnen vergelijken met die van andere gebeurtenissen.
Tussen ruimte en tijd zit een principieel verschil. Wij kunnen ruimte altijd meten in twee tegenovergestelde richtingen, maar tijd kunnen we alleen waarnemen in het verleden, De toekomst is ons onbekekend. Dit heeft te maken met de toename van entropie. Meer entropie betekent minder veranderingen en derhalve meer herinneringen; dwz toestanden die blijven.
Denk niet dat herinneringen alleen bestaan in het menselijk bewustzijn, of zelfs alleen maar in hersenweefstel. Een foto, een geschreven tekst, een archeologische vondst, een fossiel een geologische laag, het zijn allemaal herinneringen. En ze zijn dat in zekere zin ook als wij ze ons niet bewust zouden zijn. Het zijn blijvende gevolgen van gebeurtenissen, die we dáárom gebeurtenissen in het verleden noemen, en ze zijn altijd het gevolg van toegenomen entropie.
Herinneringen zijn geen deel van een continuüm ze zijn juist persé discontinu. Ze waren er eerst niet en later wel, ze zijn hier niet en daar wel.
Tellen is een vorm van herinneren. Als we tot honderd hebben geteld, dan weten we dat we langs 1, 2,3 enzovoort t/m 99 zijn geweest. We hoeven die reeks niet als 100 aparte herinneringen te bewaren, omdat we haar kennen, en aan de hand van 100 ons altijd weer de hele reeks voor de geest kan halen. Tellen is anders dan meten. Ook daarbij gebruiken we twee punten (van een meetlat die we bijvoorbeeld langs twee punten leggen waarvan we de afstand willen meten), waarbij we ons altijd direct alle tussenliggende meetpunten kunnen herinneren, maar we hoeven bij een meting niet langs elk van die tussenliggende meetpunten te gaan. Als we tellen moeten we dat wel. Alleen als we uitgeteld zijn, is het niet langer noodzakelijk. Hebben we eenmaal iets geteld, dan kunnen we daarna het getelde weer – zoals een meetlat – langs twee nieuwe punten leggen, en op die manier het meten vereenvoudigen.
Tijd is met name het fenomeen dat je moet tellen. Je kunt niet twee punten in de tijd langs elkaar leggen. Waarom niet? Omdat je de tijd niet in twee richtingen kunt bewegen, Hij gaat constant dezelfde kant op. Alle gebeurtenissen die wij ons herinneren, schuiven consequent op richting verleden. Einstein heeft inmiddels uitgelegd dat dit niet altijd met dezelfde snelheid gebeurd, maar het feit dat het slechts in een richting kan is nog steeds onweerlegbaar.
De meting van tijd is daarom een probleem. We moeten haar altijd tellen, en als we twee mensen onafhankelijk van elkaar (dus in stilte!) tot honderd laten tellen, merken we bovendien dat ze niet op hetzelfde moment, klaar zijn met tellen. Hoe komen we aan betrouwbare tellers?
Wel die werden gevonden. Geen van allen zijn ze perfect, maar we hebben er steeds meer en ook steeds betrouwbaarder gevonden. Enerzijds waren daar de hemellichamen. De opkomst of ondergang van de zon kon worden gebruikt om dagen te tellen. Een zonnewijzer kon worden verdeeld in 12 gelijke delen die we “uren” hebben genoemd. We konden grotere hoeveelheiden tijd meten, tussen nieuwe maan en nieuwe maan (een maand) en tussen twee momenten waarop de zonsopgang het meest Oostelijk of ook tussen die waarom ze het westelijk lagen (een jaar). We konden ook kleinere hoeveelheden meten, door identieke zandlopers met evenveel zand erin, op hun kop te zetten, en te kijken wanneer ze leeg waren.
Uiteindelijk werd ontdekt dat ook een slinger van een bepaalde lengte een constante tijd nodig leek te hebben om een keer te slingeren. Het slingeruurwerk kon nog veel kortere tijdseenheden meten, met name secondes. Uiteraard werd daarbij telkens vergeleken met de andere eenheden, en probeerden we steeds nauwekeuriger hun verhoudingen vast te stellen. Tegenwoordig gebruiken we als ijkpunt het aantal periodes van de straling die overeenkomt met de overgang tussen twee energie-niveuas van het ceasium-133 atoom. Daarvan passen er 9 miljard, 192, miljoen, 631 duizend en 770 in een seconde. Ik vraag me af hoe vaak een dergelijke nauwkeurigheid in werkelijkheid gemeten kan worden
Het principe is echter altijd hetzelfde gebleven, bepaal de tijd met behulp van betrouwbare tellers, en vergelijk haar met makkelijk te constateren gebeurtenissen. (zoals zonsopgang). Dan weten we bijvoorbeeld hoe laat het is.
De konsekwentie van deze manier van tijd meten, is dat tijd in feite een hoeveelheid herinneringen is. De herinneringen aan het aantal zonsopgangen, het aantal tikken van de klok, het aantal zandkorrels in de zandloper, het aantal periodes in de cesiumstraling. En nogmaals voor die herinneringen zijn helemaal geen zelfbewuste wezens nodig. Een machine kan het beter en betrouwbaarder.