Ik stel al mijn verschijnende visies steeds in vraag volgens de zelfonderzoek-principes van Advaita.Peter van Velzen schreef: ↑19 nov 2024 02:09 Zijn we het tóch nog érgens over eens! Overigens is mijn visie in mijn ogen juist, totdat ik er op een andere manier naar kijk, dan is de vorige soms achterhaald, (soms niet) dat zal voor de jouwe - in jouw ogen, ook wel gelden, denk ik.
Volgens Ramana Maharsi en later ook Nisargadatta Maharaj - dewelke prominente vertegenwoordigers zijn van Advaita Vedanta - ontstaat de illusie van een "ik" door identificatie met gedachten, overtuigingen en ervaringen. Bij zelfonderzoek blijkt dat dit "ik" geen echte kern heeft; het is slechts een verzameling conditioneringen en identificaties. Wat mensen een "visie" noemen, is in dat licht niets anders dan een projectie van die tijdelijke gedachten en overtuigingen, voortkomend uit de mind.
De vraag "Wie heeft een visie?" leidt bij Ramana Maharshi tot dezelfde conclusie als bij ander zelfonderzoek: er is niemand die werkelijk een visie bezit. Gedachten en inzichten verschijnen spontaan in het bewustzijn, zonder een centraal, permanent "ik" dat deze controleert of bezit.
Wanneer mensen zeggen: "Mijn visie tegenover jouw visie," dan verwijst dit naar een identificatie met de conditioneringen en perspectieven die vanuit hun specifieke lichaam-geestcomplex naar voren komen. Vanuit non-duale realisatie is er echter geen afgescheiden zelf dat een visie heeft. Wat verschijnt, verschijnt simpelweg, zonder een eigenaar.
Volgens Ramana Maharshi zijn discussies tussen atheïsten en gelovigen uiteindelijk gebaseerd op dezelfde fundamentele misvatting: de identificatie met het "ik" dat een positie inneemt. Zowel atheïsten als gelovigen gaan ervan uit dat er een afzonderlijk "ik" is dat iets kan geloven of niet geloven, en dat dit "ik" betekenis geeft aan hun standpunt.
Ramana zou waarschijnlijk zeggen dat dergelijke discussies zich volledig binnen het domein van de mind afspelen, die voortdurend polariteiten creëert—geloven versus niet geloven, bestaan versus niet-bestaan. Hij zou erop wijzen dat beide kampen zich vastklampen aan concepten en niet verder kijken naar de bron van deze overtuigingen. Voor hem is de enige wezenlijke vraag: "Wie is degene die gelooft of niet gelooft?"
Door deze vraag te stellen, richt hij de aandacht naar binnen, naar de oorsprong van het "ik" dat zich identificeert met een bepaalde positie. Wanneer deze bron wordt onderzocht, verdwijnt de hele constructie van geloof en ongeloof, omdat duidelijk wordt dat er geen onafhankelijk "ik" is dat iets kan vasthouden of afwijzen.
Met andere woorden: vanuit Ramana’s perspectief zijn dergelijke discussies zinloos zolang de deelnemers niet zien wie of wat deze discussie werkelijk voert. Hij zou mensen eerder aanmoedigen om voorbij deze polariteiten te kijken en de stilte te ontdekken waarin al deze concepten ontstaan en oplossen.
in de stilte van het doorzien van het "ik" lossen alle conceptuele tegenstellingen vanzelf op. In die stilte is er geen behoefte meer aan discussies, omdat de grond waarop ze rusten—het geloof in een afzonderlijk zelf dat standpunten inneemt—afwezig is.
Wat overblijft, is een moeiteloos zijn, waarin gedachten en woorden slechts verschijnselen zijn die komen en gaan, zonder een "eigenaar." Vanuit deze stilte kun je gesprekken en standpunten wel waarnemen, maar zonder erin gevangen te raken of ze persoonlijk te maken. Ze zijn als golven op een oceaan: ze komen en gaan, maar de oceaan zelf blijft onberoerd.