Het artikel heeft de volgende observatie:
Laten we het maar niet hebben over het feit dat neurowetenschappers ook wetenschappers zijn, en laten we in plaats daarvan focussen op de nadruk van het hele artikel. Het gehele artikel door blijft de auteur hameren op het belang van taal, de beperkingen daarvan en wat dhet betekent voor de wetenschap en voor religie.Boeddhistisch Dagblad schreef:Het aardige van het goddelijke binnenin is dat het wetenschappelijke en atheïstische ijkpunt er niet zo goed raad mee weet. De kritiek geldt de God buiten en boven ons. Wel melden zich nu neurowetenschappers die elke ervaring van zelf en identiteit, religieus of niet, herleiden tot de werking van onze grijze cellen. Ach, denk ik dan, ieder heeft recht op zijn eigen taalspel, ook breinonderzoekers die – met hun brein – denken het absolute ijkpunt te beheren.
Eerder zegt de auteur:
Taal is relatief, dus alles dat we in taal uitdrukken is dat ook? Is dat werkelijk wat hier gezegd wordt?Boeddhistisch Dagblad schreef:Tijd voor troost. Falend taalgebruik is alleen verontrustend als er een absoluut ijkpunt zou bestaan van perfecte, definitieve weergave. Heilige geschriften en geloofsbelijdenissen suggereren dat wel. Tegenwoordig pretendeert de wetenschap geijkte kennis te leveren. Maar dat ijkpunt bestaat niet, want alle taalgebruik, inbegrepen het theologische en wetenschappelijke, kent beperkingen. Taal heeft een open einde. Bonus: Dat maakt poëzie zo mooi.
Ik begrijp ook wel dat taal verandert, en dat we onze kennis continu aanpassen. Maar is het een werkelijk zo sterk gerelateerd aan het andere als de auteur suggereert?
Zou het niet zijn dat wetenschappers continu nieuwe ontdekkingen doen, en dat die ontdekkingen ervoor zorgen dat we onze kennis moeten aanpassen?
Ik had dit artikel veel korter kunnen maken:
Gods wegen zijn niet onze wegen.
Was dat echt zo moeilijk?