In feite is het geloof in een 'hiernamaals' eerder te vinden dan het geloof in een 'god'.
Het oordeel had plaats in de 'Zaal van Maat'. Het woord betekent toevallig inderdaad 'maatstok'. Later werd de naam overgedragen aan twee 'godinnen': Isis en Nephthys, die voorstellen de 'Maten' voor: eerlijkheid, onkreukbaarheid en waarheid. Zowel Massey als Kuhn bespeuren in Matteüs sporen van dit idee: in de parabel van de bokken en geiten (Mt.25) en in de Bergrede, waarin de Torah is verwerkt.
In de Zaal van Maat (of Maten) deden de gestorvenen - onder toezicht van Isis en Nephthys - tegenover 42 'rechters' hun 'negatieve' schuldbekentenis: "Edelachtbare, ik heb niet geroofd / Edelachtbare, ik heb geen valse getuigenis afgelegd / … ik heb geen maten of gewichten gemanipuleerd / … ik ben niet onbeheerst woedend geweest / … ik heb niet gemoord / … ik heb niet gelogen / … ik heb geen overspel gepleegd / … ik heb niet godgelasterd / en soortgelijke.
Als de schuldbekentenis aan de voorwaarden voldeed, werd de overledene door Horus tot voor de troon van Osiris geleid. Osiris verklaarde de voorgeleide dan tot 'volgeling van Horus voor altijd'. Zoveel als tot een 'andere Horus'.
De overledene zei dan: "Ik gaf brood aan de hongerende, water aan de dorstige, kleren aan de naakte en een schip aan de visser wiens schip was vergaan". En dat lijkt sprekend op de evangelieteksten: 'Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen'. (Mt.25:36) en: 'Ik was een vreemdeling; en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht. (Mt.25:43)
Budge toont duidelijk aan dat de hoge opvattingen over 's mensen verplichtingen tegenover 'De Bestaande' en 'al dat bestaat' (op de eerste plaats de medemens) al in de alleroudste hiëroglyfen aanwezig is.
Voor de Egyptenaren bestond de mens uit lichaam, ziel en geest. Budge heeft duidelijk gemaakt dat het lichaam niet zou verrijzen en altijd in het graf zou blijven. Een tekst uit de vijfde dynastie, 3400 v.C.: 'De ziel gaat naar de hemel, het lichaam blijft op aarde'.
Budge kan niet verklaren waarom de Egyptenaren dan mummificeerden. Kuhn zegt de bedoeling van de mummie te begrijpen. In het oude Egypte geloofde men dat 'De Bestaande' in iedere mens was 'vlees geworden'. De mummie was een voortdurende herinnering aan dat gebeuren. De specerijen en geurige oliën of zalven, die het lijk voor bederf moeten behoeden, zijn 'symbolen' van de 'goddelijke krachten', die het leven geven en in stand houden.
Vandaar de naam KRST, Karast of Krist = gezalfde. Iedere mens of ieder menselijk lichaam is bij het leven door de goddelijke geest 'gezalfd'.
Het z.g. 'lichaam' na de dood was niet stoffelijk. Het 'veranderde' bij de dood in 'Sahu" = onvergankelijk geestelijk lichaam, dat onmiddellijk 'verhuisde' naar de wereld van Ra. In de papyrus van Ani zegt de overledene: "Ik ben god, mijn ziel is in de eeuwigheid". Als je 1 Kor.15 ontdoet van de tot historie gemaakte betekenis van 'christus', staat daar eigenlijk hetzelfde.
In teksten uit de vijfde dynastie: 'De overledenen lijden geen honger en geen dorst, zij gaan gekleed in fijn linnen en eten van de Boom des levens'.
In het Boek over de Dood staat dat de overledene zijn geliefden zal terugvinden en zich daarover zal verheugen. Een overledene zegt bij aankomst tegen zijn vader en moeder: "Weest de bewakers van mijn deur en behoedt mijn verblijf hier".
Naast al deze spirituele denkbeelden komen ook andere verhalen voor. In hoofdstuk 110 van het Boek over de Dood lijkt het of de doden ook een semi- materieel leven leiden: zij zaaien en oogsten, eten en drinken hemels voedsel en drank, 'make love' en letterlijk: "doen alles wat een mens op aarde ook doet".
Budge besluit met: "Zo zien we hoe de Egyptische mens geloofde dat een stervende 'door de dood heen gaat', de 'rivier des doods oversteekt' naar een leven voor altijd. Die 'overtocht' was hetgeen waarom het ging ik elk gebed, in elke ceremonie, in iedere tekst, in ieder amulet. En dit geldt voor alle, ook de oudste perioden van de Egyptische geschiedenis. Het ging altijd over hoe de sterfelijke mens onsterfelijkheid kan bereiken om voor altijd te leven in een 'verheerlijkt' lichaam".
Zo dachten de Egyptenaren er dus over. Of je er hetzelfde over moet denken is iets anders. Maar om nou die Egyptenaren 'heidenen', 'ongelovigen' of 'ketters' te noemen. Waarom zou je?
En dat wilde ik 'eventjes' duidelijk maken.
Groeten.
Fons.