B.S. schreef: ↑12 jun 2023 02:15
Ik kan niet de aangewezen persoon zijn om er op zijn blog daar verder over te beginnen, dan maak ik mij op de Mainzer Beobachter onmogelijk. Het is voor mij de afgelopen bijna tien jaar een belangrijke uitlaatklep geworden, ook gezien mijn sociale positie. En er komt veel meer aan de orde dan Jezus. Ik heb Jona Lendering nu twee keer persoonlijk ontmoet, hij is ook een hartelijk mens met teveel gevoel voor het leed in de wereld. En hij heeft ook een onmogelijke kant, dat is duidelijk.
Dat begrijp ik goed. Het zou ook futiel zijn, want je zou enkel op weerstand stuiten. Ik twijfel er niet aan of Lendering is op de hoogte van de kritiek die ik op hem gegeven heb. Ik heb hem
acht jaar geleden zelf daarover ingelicht. Hij heeft duidelijk besloten om nooit op mijn schrijven te reageren zoals hij ook ooit besloten heeft om nooit in te gaan op wat Richard Carrier en nu ook Raphael Lataster in wetenschappelijke publicaties naar voren hebben gebracht. Hij doet dat zo consequent dat hij zelfs de namen van die heren nooit voorbij laat gaan, oftewel alsof serieus te nemen jezusmythicisme niet bestaat. Dat laatste was het uitgangspunt toen hij aan de felle afwijzing van het jezusmythicisme begon, en ook nagenoeg de enige verdediging die zijn opstelling voor de doorsnee lezer enig gewicht geeft.
En Rereformed, hij staat een eerlijke behandeling en discussie van het Jezus Mythicisme in Nederland in de weg, dat dit woede opwekt kan ik billijken.
Het gaat hier niet om woede (oftewel om gevoelens): ik voor mij vind het tenminste juist leuk om argumenten van opponenten onder ogen te krijgen. Via hun argumenten krijg je duidelijkheid over de sterkte van hun argumenten en kun je je eigen argumenten slijpen. Het is voor mij een boeiend spel. Het is mij namelijk om het even of Jezus een marginale jood in Palestina was waar nu vrijwel niets meer met zekerheid over gezegd kan worden (behalve dat hij blijkbaar gekruisigd zou zijn), vanwege ongebreidelde mythologisering, of oorspronkelijk puur van top tot teen het product van mythe is, waar uiteindelijk later ook een historische basis aan gegeven werd. De zaak is (voor mij, iemand die zijn leven lang de bijbel binnen handbereik heeft gehad) buitengewoon interessant, maar het verschil is tenslotte miniem. Daarom zijn de felle uithalen van historicisten buitengewoon kinderachtig: ze wijzen overduidelijk meer op gekrenktheid vanwege dat deskundigheid die ze zouden hebben een deuk krijgt als ze iets moeten toegeven waarvan ze eerder zeer verzekerd waren, dan dat het iets te maken zou hebben met wetenschappelijk onderzoek en een wetenschappelijke opstelling.
Het gaat in de eerste plaats om schade en schande die iemand over zichzelf afroept: iemand die de indruk wil geven puur wetenschappelijk bezig te zijn, maar zich
bewust nooit verdiept in de wetenschappelijke zienswijze van zijn opponenten,
bewust nooit hun argumenten behandelt, geeft van zichzelf een slechte indruk. Dat staat gelijk aan wat christelijke apologeten doen:
ogenschijnlijk wetenschappelijk bezig te zijn, terwijl men in werkelijkheid ingekapseld is in een geloofssysteem dat de uitkomst dicteert. Door argumenten van tegenstanders niet te bestuderen doet men zichzelf ook schade aan, want men kan altijd veel leren van opponenten, ook als men erbij blijft dat eigen zienswijze sterker staat. De waarde van je eigen zienswijze daalt naarmate het aantal zaken die je ontgaan maar je opponenten wél noemen, stijgt.
Zondag 11 juni, op de Mainzer Beobachter gaat de behandeling van kwesties rond Jezus door, een tweeluik deze keer
https://mainzerbeobachter.com/2023/06/1 ... -blinde-1/
https://mainzerbeobachter.com/2023/06/1 ... -blinde-2/
'We weten natuurlijk niet of deze anekdotes teruggaan op Jezus zelf maar ze zijn wel heel vroeg' (geparafraseerd) - waar gaat dit dan over? Als dit wordt doorgetrokken moet je vaststellen dat er vrijwel niets is over een Jezus, behalve een naam (zou een standpunt kunnen zijn.)
Er wordt weer wat Aramees gebruikt, dus is het weer een aanwijzing voor vroeg.
Johannes heeft een vroege bron, die Marcus niet had - zou het? (het gaat om de genezing van een blinde in de ( nabijheid van) de poel van Shiloam. Die werd in 70 n. Chr. door de Romeinen verwoest, 'dus' heeft Johannes een vroege bron.
Ik doe hem vast onrecht.
Leuk dat je hiermee aankomt, want wat ik net uitspreek kan mooi geïllustreerd worden via commentaar op de beschouwing van Lendering.
Lendering wil laten zien dat hij de conclusie wel aankan dat zulke verhalen zoals de genezingsverhalen van blinden heel oud kunnen zijn. Laten we zien hoe sterk zijn argumenten zijn en wat hem ontgaat omdat hij niet de zienswijze van zijn opponenten bestudeerd heeft.
1) Arameïsmen en identificatie van een persoon zou duiden op een oud verhaal.
Dit is een bijzonder zwak argument. Het gaat hier om een naam en een titel. Niets is meer voor de hand liggend in fictie dan om een verhaal een gevoel van authenticiteit te geven via het geven van namen die behoren tot de cultuur waarin het zich afspeelt, en een titel of term die in die cultuur vaak gehoord wordt en centraal staat. In het Romeinse Rijk waren joden overal, en zou de gemiddelde mens best weet hebben van wat een rabbi is, net zoals wij weten dat imam bij het moslimgeloof behoort, al heb je niets te maken met moslims en moslimgeloof.
Neem het verhaal over Lazarus in het Johannesevangelie. Deze gebeurtenis is volledig verzonnen, anders zou die in het eerste evangelie al vermeld worden. Maar hoe komt Johannes dan aan die bijzondere naam en zelfs die van zijn zusters? Duidt dat niet op authenticiteit? Nee, die heeft hij eenvoudig overgenomen uit Lucas waar Lazarus voorbij komt als karakter in een gelijkenis van Jezus en waar de zusters Maria en Martha ook rondlopen (iets wat door
Bruno Bauer als eerste werd opgemerkt, en tegenwoordig de mainstream opvatting is). En in een gelijkenis, dus een puur opgemaakt verhaal, is het verzinnen van een naam, zoals men ziet, ook al doodgewoon.
Maar interessanter is nog dat Timeüs helemaal geen Aramese naam is, maar een naam die beroemd werd via Plato's verhandeling genaamd Timeüs, waarvan men zegt dat die gelezen was door iedere ontwikkelde persoon in de oudheid. Het volgende is hierover
gezegd:
Neil Godfrey schreef:Sinds Gustav Volkmar, meer dan een eeuw geleden, hebben een aantal commentatoren gezien dat de naam "zoon van de onreine" betekent, hetzij van het Aramese br tm' of het Hebreeuwse br tm'. Mack accepteert deze betekenis als een van de "heerlijk raadselachtige woordspelingen" die kenmerkend zijn voor Marcus’Arameïsmen. Hij wijst er ook op dat, aangezien timaous in het Grieks "geëerd" betekent, huious timaiou door een verstandige lezer ook kan worden opgevat als "zoon van de meest geëerde". Dit zou een subtiele boodschap overbrengen dat de man die vanuit het standpunt van zijn oorspronkelijke context als onrein werd beschouwd, vanuit het perspectief van Marcus en de lezer echt geëerd moest worden. (Burton Mack, Myth of Innocence p. 191)
Vergezocht? Dat laat ik in het midden, maar in ieder geval niet vergezochter dan authenticiteit te baseren op een vreemde verbastering van Aramees en Grieks in een naam. Hier een volgend voorstel (in dezelfde link als de vorige):
Roger Parvus schreef:Runia's opmerking dat "de Timaeus inderdaad het enige Griekse prozawerk was waarvan tot de derde eeuw na Christus verondersteld werd dat elke ontwikkelde man die gelezen had" is interessant. Gezien die bekendheid geef ik de volgende interpretatie van de episode over Bartimeüs:
Het is een allegorische weergave van de blindheid van de Griekse filosofie in vergelijking met het inzicht dat de leer van de Jezusfiguur verschaft. De zoon van Timaeus staat figuurlijk voor Griekse filosofie. De mantel die hij aflegt, is de mantel van de filosoof. Zijn ogen die niet kunnen zien, zijn niet zijn fysieke ogen, want Bartimeüs kan zonder hulp opspringen en naar Jezus gaan. (Lucas beseft het probleem en verandert dit zodat de blinde man bij Jezus wordt “gebracht”).
Vergezocht? Moeilijk te zeggen, maar in ieder geval niet vergezochter dan wat Lendering voorstelt.
Hier nóg een voorstel (zie dezelfde link):
George Hall schreef:Er is nog een andere allegorie die aan Bar-Timaeus kan worden gekoppeld. De Grot Allegorie van Plato kan de blinde man vergelijken met de mensen die in de grot verblijven... dus genezen worden door Jezus wordt vergeleken met het openen van zijn ogen voor wat er buiten de grot is.
Vergezocht? Misschien, maar des te minder naar mate je meer en meer parallellen in Marcus opvist die erop lijken te wijzen dat Marcus bijvoorbeeld ook de Illiad en Odyssee als model gebruikte, zie het boek van Dennis MacDonald
The Homeric Epics and the Gospel of Mark.
Maar laten we nu teruggaan tot Lenderings basisredenering: "Arameïsmen kan men zien als bewijsmateriaal voor authenticiteit". Wat veel en veel zwaarder weegt - maar Lendering niet in ogenschouw neemt - is dat er helemaal geen Aramees bronmateriaal voorhanden is voor de historiciteit van het optreden van een historische Jezus! Het eerste evangelie is pas
a) ongeveer een halve eeuw na het zogenaamde optreden van Jezus geschreven
b) in het Grieks,
c) duidelijk niet als vertaling van een Aramese brontekst
d) voor Griekssprekenden en
e) buiten Palestina!
Let that sink in!
Het je vastklampen aan Arameïsmen als argument voor authenticiteit staat gelijk aan je vastklampen aan een strohalm terwijl je verzwijgt boven de cliff te hangen.
2) Lendering gebruikt het detail van Siloam in Joh. 9 als argument dat duidt op een oude overlevering.
Hoe sterk is dit argument? Door archeologen zijn deze herontdekte poelen van Siloam aangeduid als de plaats waaromheen het alleroudste Jeruzalem werd gebouwd. In latere tijden, zo laat de Jeruzalemse Talmoed weten, was de Poel van Siloam het startpunt voor pelgrims die de jaarlijkse pelgrimstocht naar Jeruzalem maakten.
Men kan het dus goed vergelijken met indien Amsterdam in een oorlog vernietigd zou worden, iemand enkele decennia later het nog heel goed zou kunnen hebben over De Wallen. Zo'n begrip wordt niet één, twee, drie vergeten.
Wat hij nalaat is op dit hoofdstuk een kritisch bijbelcommentaar na te slaan, waar men dan te horen krijgt dat dit verhaal in Johannes de indruk wekt een uitvoerige theologische verhandeling te zijn, gemaakt op basis van het verhaal in Marcus 8:22-26, aangezien hier zowel weer de magische genezingstechniek voorbij komt als het wegzenden van de man. Voorts laat het verhaal horen dat de man en zijn ouders bang zijn uit de synagoge geband te worden indien ze belijden dat Jezus de Christus is. Maar dit is een anachronisme, zoiets vond pas decennia later plaats, zoals de schrijver van Johannes nota bene zelf ook drommels goed weet, hij laat Jezus profeteren dat het later zal geschieden, Joh. 16:1-4! Het verhaal in Joh. 9 laat "de Joden" in vers 28 Jezus zelfs beschouwen als de stichter van een nieuwe godsdienst. Ze zeggen tegen de genezen man: U bent een discipel van hem, maar wij zijn discipelen van Mozes. Alweer een anachronisme, en bovendien houdt het verhaal er geen rekening mee dat de genezen man en zijn ouders zelf ook Joden zijn.
In plaats van dat men in het verhaal aanleiding vindt voor authenticiteit wijst alles er juist op dat het een literaire constructie is gemaakt (verzonnen) in een beduidend latere tijd door een schrijver die volledig buiten de Joodse cultuur staat.
Lenderings argumentatie is alweer exact hetzelfde als net opgemerkt: hij klampt zich vast aan een strohalm om voor authenticiteit te pleiten, terwijl hij verzwijgt boven de cliff te hangen: niets in de bijbelwetenschap staat zo sterk als de stelling dat het evangelie van Johannes boordevol staat met
volledig opgemaakte gebeurtenissen en redevoeringen.
3)
Jona Lendering schreef:1) Veel belangrijker is het gebruik van “zoon van David”. Die messiaanse titel kennen we eigenlijk niet uit de wonderverhalen en dat is logisch, want genezingen behoren niet tot de profielschets van de messias. Het is vermoedelijk dan ook niet messiaans bedoeld. Het lijkt erop dat we hier te maken hebben met een anekdote uit een vroege periode, voordat de identificatie van Jezus als messias, Mensenzoon en zoon van God helemaal was uitgekristalliseerd.
Jona Lendering schreef:[naar aanleiding van Marcus 8:22-26] Waarom Jezus de man niet toestaat het dorp weer in te gaan, is voor mij een onopgelost raadsel. Waarom noch Matteüs noch Lukas dit verhaal vertellen, is voor mij al even raadselachtig.
Hier laat Lendering een pijnlijk gebrek aan kennis en achterwege laten van studeren op de zaak zien. Hier komt pijnlijk zijn eigen uitspraak over mythicisten als een boomerang weer op hem terug:
"Lastiger is het als mensen de antieke context niet goed kennen. Er is een stevige vertrouwdheid nodig met de oude literatuur om daarin de significante signalen en de ruis te herkennen"!
Ten eerste van Lucas, die in Lc. 4:17-21 een messiaans schriftwoord uit Jesaja aanhaalt, die Jezus op zichzelf betrekt:
"De Geest des Heren is op mij, daarom, dat hij mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen, om aan gevangenen loslating te verkondigen
en aan blinden het gezicht... (Jesaja 61:1,2).
(Deze laatste frase is enkel in de Griekse vertaling van de bijbel (de Septuaginta) te vinden en ontbreekt in de Hebreeuwse versie. Dat laat zien dat ofwel er verschillende versies van de Hebreeuwse schrift rondgingen, ofwel dit verhaal in het Grieks over Jezus in de synagoge is verzonnen aangezien een historische Jezus nooit deze tekst gevonden zou kunnen hebben in de synagoge).
Jesaja 35 laat eveneens zien dat wonderen tot de toekomstige "dag des Heren" behoorden: "Wees sterk, vrees niet, zie, uw God zal komen met wraak, de vergelding Gods; Hij zal komen en hij zal u verlossen. Dan zullen de ogen van de blinden geopend en de oren van doven ontsloten worden, dan zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen." Genezingen en allerlei wonderen behoorden juist wél tot wat men algemeen verwachtte omtrent een figuur die de messias zou zijn, met name juist ook het beter maken van blinden! Genezingen van blinden die roepen "zoon van David" (=gezalfde, Messias) zou men als eerste met het allergrootste gemak kunnen verzinnen als vervullingen van blijkbaar een schriftwoord in Jesaja.
In plaats van dit in te zien wil Lendering het doen schijnen alsof het verhaal misschien al zou hebben kunnen circuleren tijdens Jezus' leven, terwijl hij van de term "zoon van David" in het verhaal een latere ontwikkeling wil maken. Hoe redelijk klinkt dat? Op basis van wat? Op basis van: "Die messiaanse titel kennen we eigenlijk niet uit de wonderverhalen." Maar het alleroudste evangelie van Marcus verbindt deze term juist aan dit genezingsverhaal! En waarom zou het verhaal zonder de aanroep "zoon van David" ouder moeten zijn? Hele boeken en artikelen zijn erover geschreven, bijvoorbeeld
hier, dat Marcus de term "zoon van David"
bewust op dit moment introduceert. Uit zijn verhaal over de intocht in Jeruzalem dat onmiddellijk daarop volgt (11:1-11), blijkt vervolgens dat Jezus niet alleen is zoals David, maar ook via afstamming van David de beloofde erfgenaam is van de troon. Dit vormt de basis voor het raadsel over Davids zoon in 12:35-37 (Ps 110:1), dat bevestigend moet worden beantwoord in het licht van het voorgaande verhaal. En tot slot sterft Jezus door de woorden van David aan te halen. Dus hoezo "vermoedelijk dan ook niet messiaans bedoeld"? Alles wijst er juist op dat het evangelie van Marcus een literaire creatie is, zorgvuldig passage na passage uitgedacht door de schrijver, en niet maar een verzameling van mondeling overgeleverde herinneringen aan wel of niet wonderlijke historische gebeurtenissen. Iets wat bevestigd wordt door talloze nieuwe wetenschappelijke publicaties, waar bijbelgeleerden meer en meer de opvatting die in de vorige eeuw heerste ("mondeling overgeleverde korte perikopen gingen rond die de evangelieschrijvers op een gegeven moment bijeenverzamelden") verdringen en op de helling zetten, vanwege talloze nieuwe inzichten in de literaire constructie van ieder evangelie. Waarom zou men opeens moeten besluiten dat een
onderdeel van het verhaal gebaseerd is op een werkelijk gebeurde praktijk van een rondreizende prediker en een anecdote die rondging? Waarom kan Marcus het niet in zijn geheel bedacht hebben?
Ten tweede gebrek aan kennis en inzicht van wat men noemt "het messiaanse geheim" in Marcus: Marcus schrijft alsof iedereen in de Joodse cultuur waar Jezus optreedt er juist op uit is om iemand als Messias uit te roepen indien hij maar wonderen kan doen. Maar hij laat Jezus steeds uitspreken dat men het hier juist niet over mag hebben, omdat men dan uitkomt op een valse messias, en dan niets begrijpt van wat het ware messiasschap voor Marcus betekent: het moeten sterven voor de zonden van de mens.
Luister naar
James Tabor, die het op het MythVision kanaal bijzonder goed uitlegt.
Maar wanneer je in aanmerking neemt hoe centraal dit messiasgeheim in Marcus staat, dus in het oudste evangelie, het meest authentieke, (niemand merkt op dat hij de Messias is, zijn discipelen zijn wel de allerdomsten, en wanneer hij een wonder doet mogen mensen er niet over praten, en wanneer hij in gelijkenissen spreekt dan is het om de ware boodschap voor de massa te verbergen, Marcus 4:11,12) oftewel inzicht krijgt in hoe Marcus een literaire creatie is, dan is het probleem voor de historisten die sowieso al moeten bepleiten dat Jezus een marginale Jood was in één klap nog zeer vergroot: "Dus terwijl die prediker rondgaat beseft niemand
behalve de lezer voor wie Marcus dit alles schrijft dat hij de Messias is? Holy cow!" De opmerking "Misschien circuleerden ze al tijdens Jezus’ optreden" verliest dan al zijn waarde. Men kan net zo goed of beter de tegenovergestelde opmerking maken: "Wellicht is dit hele verhaal gecreëerd door Marcus, want de storyline is te kunstmatig om op enige manier werkelijkheid te zijn". Dennis MacDonald heeft erop gewezen dat het heel goed mogelijk is dat Marcus het idee van deze literaire constructie uit de Odyssee van Homerus krijgt, waar Odysseus bij thuiskomst ook verborgen blijft via goddelijke hulp, en uiteindelijk zijn identiteit onthult aan twee vertrouwelingen. Dr.
Robyn Faith Walsh heeft hier onlangs nog de Aeneis van Vergilius aan toegevoegd als nog sprekender gelijkenis.
Tabor, die in de video laat horen zijn geld te verdienen via bijbelstudies te geven aan christenen, spreekt zich
vanzelfsprekend niet uit over de vraag of de genezingen van blindheid een doofheid gelezen moeten worden als historische gebeurtenissen, maar het is duidelijk dat als voor Marcus centraal staat dat men messiasschap in de regel verkeerd verstaat, en iemands
geestelijke ogen en oren open moeten gaan om het ware messiasschap te begrijpen (dwz. dat het gaat om een Messias die kwam om te lijden en de dood te overwinnen), het zeer natuurlijk wordt om deze wonderen te zien als allegorieën. Marcus is tenslotte geen historicus maar schrijft een boodschap voor christelijke gelovigen.
En waarom vertellen Matteüs en Lucas niet het verhaal in Marcus 8:22-26, waar Jezus met behulp van spuwen op de ogen en met de hand over de ogen wrijven eerst gedeeltelijk geneest, en het dan nog een keer moet doen om hem helemaal te genezen? Dit ligt nogal voor de hand: omdat deze manier van genezen nogal gênant is, geen echte God waardig is, maar eerder duidt op een hellenistische kwakzalver die men overal aantreft. Dus om dezelfde reden als wanneer Matteüs elders de opmerking van Marcus dat Jezus vanwege het ongeloof geen wonderen kon doen verandert in dat hij het niet
wilde doen.
Dat zou Lendering juist moeten aanpakken als een argument (van verlegenheid) dat juist op authenticiteit van het oudste verhaal zou kunnen duiden! Vreemd dat hij daar niet opkomt.
Of course, indien hij (of een andere historicist) het zou doen zou blijken dat ook dat geen sterk argument is. Voor de laatste evangelieschrijver Johannes was het ten slotte ook nog steeds geen probleem.
Kan men een goede reden bedenken waarom het voor Marcus niet gênant was?
Een dominee komt met dit prachtige voorstel:
Jonathan Arnold schreef:Door Markus 8:22-26 in zijn context te beschouwen, leren we dat het verhaal van Jezus die de blinde man geneest, ingeklemd zit tussen twee passages waar zijn discipelen blijk geven van een gebrek aan geestelijk inzicht. Jezus had hun zijn identiteit onthuld en hen over het koninkrijk der hemelen verteld. Ze hadden in staat moeten zijn om helder na te denken over geestelijke zaken. Maar in plaats daarvan hadden ze geen geloof en waren ze bezig met aardse zaken. Jezus vergelijkt ze met een man die ogen heeft maar niet duidelijk kan zien: "Hebben jullie ogen, en zien jullie dan niet?" (Mk. 8:18)
Meteen volgt de betreffende passage, waar Jezus "probeert" om het gezichtsvermogen van een blinde man te herstellen; in plaats daarvan kan de man niet duidelijk zien en interpreteert hij de wereld om hem heen verkeerd.
Mijn voorgestelde interpretatie is dat Jezus deze fysieke genezing gebruikt om zijn discipelen te leren: Jullie zijn zoals deze man. Ik heb geprobeerd jullie ogen te openen, maar jullie spirituele visie is nog steeds wazig. Jullie moeten me toestaan jullie ogen volledig te openen, zodat jullie de dingen kunnen zien zoals ze werkelijk zijn.
Dit lijkt plausibel en komt overeen met de metafoor van geestelijk gezichtsvermogen die in de hele Bijbel wordt gebruikt.
Inderdaad, heel goed mogelijk. De dominee had er nog achteraan kunnen schrijven dat het genezingsverhaal eindigt met "En hij zag voortaan alles scherp", alsof de schrijver in het verhaal de lezer een hint geeft dat hij vanaf dat moment het ware messiasschap in het verhaal zal duidelijk maken.
Maar men moet dan wel goed verstaan - en daar staat de dominee niet bij stil - dat dit niets meer te maken heeft met de realiteit van zaken die zich in de historie afspeelden, maar dit een zorgvuldig en buitengewoon knap bedachte literaire constructie blijkt te zijn, een verhaallijn van een hoogbegaafde schrijver, een schrijver die een literair hoogstandje creëert en dan ook uitgroeide tot schrijver die het verhaal creëerde dat de allergrootste invloed in de wereld heeft gehad.
In een commentaar op Lendering suggereert iemand het volgende:
De verhalen eindigen alle drie in een vorm van bekering (en zij volgden hem); zou je dan “open onze ogen” niet als een figuurlijke versie van de oudere verhalen op kunnen vatten? Waarop Lendering de kool en de geit spaart:
Jona Lendering schreef:Ik denk dat Marcus daar inderdaad mee speelt. Dat het goed past in de opbouw van zijn verhaal, wil echter niet zeggen dat de verhalen zijn verzonnen. Ze circuleerden al in een vrij vroeg stadium, lijkt het, en Marcus heeft ze voor zijn doelen benut.
In theorie kan men dit blijven volhouden, net zoals christenen staande voor tegenstrijdige uitspraken in de bijbel vaak hun probleem oplossen door "zowel het één als het ander" voor te stellen. Christenen moeten koste wat kost hun religieuze geloof in stand houden en Lendering moet zijn "geschiedkundige historische Jezus" vasthouden. Maar het punt is dat Lenderings stelling "Ze circuleerden al in een vrij vroeg stadium, lijkt het" eenvoudig fietsen in de lucht is, iets wat hij enkel zichzelf wijsmaakt. Het lijkt er namelijk helemaal niet op.
4) Wanneer je wil argumenteren dat evangelieverhalen heel oud kunnen zijn, dus rondgingen in de allervroegste christelijke geloofsgemeenschappen, moet je de allervroegste christelijke geschriften erbij halen. Ging er überhaupt iets rond over een wonderdoener Jezus? Wat zeggen geschriften die dateren van vóór het ontstaan van de evangeliën, (Paulus, 1 Clemens, Hebreeënbrief, Jacobus, mogelijk 1 Petrus) over een Jezus die wonderen verricht? Het antwoord is natuurlijk een oorverdovend niets. Eén van de mooiste voorbeelden is Hebreeën 11, waar de hebreeënschrijver alle voorbeelden van getuigenis van wat gedaan werd "door het geloof" voorbij laat gaan die de moeite van het vermelden waard zijn, maar hij niet op het idee komt dat er over Jezus iets te vertellen zou zijn.
5) Wanneer je de brieven van Paulus of bijvoorbeeld 1 Petrus leest, en vervolgens kijkt wat er over Paulus en Petrus is geschreven in het boek Handelingen als wonderwerkers, is de conclusie dan niet dat men wel heel gemakkelijk verhalen over wonderwerkers volledig uit de duim kon verzinnen? Paulus kan in Handelingen zelfs een dode, alweer genoemd bij naam (Eutychus), opwekken. En voor Petrus is het ook al een koud kunstje (met de naam weer genoemd (Tabita, alweer een Aramese naam, voor Lendering blijkbaar weer bewijs van authenticiteit!).
6)
Jona Lendering schreef:De vraag hoe Jezus mensen van blindheid genas, en of deze opschorting van de natuurwetten een bovennatuurlijke ingreep was, is oninteressant. In elk geval ligt ze buiten het bereik en de belangstelling van de historicus.
Dat is je met een jantje-van-leiden afmaken van iets wat wel degelijk besproken dient te worden. Voor een mythicist is het namelijk nogal gemakkelijk: de wonderen zijn met alle gemak te fantaseren. De Hellenistische wereld barst van de wonderen en de Joodse heilige schrift laat weten dat men Jezus vooral niet mag laten vergeten oren en ogen te genezen. Maar de historicist moet iets van een uitleg hebben om een verhaal dat over bovennatuurlijke zaken spreekt zich in de geschiedenis te laten afspelen. Of is Lendering de mening toegedaan dat Jezus wel een historische persoon is geweest, maar niets te maken heeft gehad met deze genezingsverhalen, verhalen die volledig uit de duim gezogen zijn, maar blijkbaar een tijdje voor Marcus het opschreef ontstonden? Ik zie niet in waarom een jezusmythicist het niet met deze mogelijkheid eens zou kunnen zijn. In dat geval heeft Lendering enkel het ontstaan van de mythe een paar jaar vervroegd, maar geen enkel argument voor de historiciteit van Jezus gegeven.
Op basis van de argumenten die Lendering geeft en aangevuld met dingen die ik opmerkte, zoals de afwezigheid van genezingswonderen van Jezus in het vroegste christendom zou men Lenderings "vroeg" kunnen interpreteren als "ergens in de jaren 60".
Conclusie: ik zie zelf niet hoe de argumenten van Lendering iemand tot historiciteit van Jezus kan doen laten overhellen. Dat kan alleen iemand die een bias heeft en een heleboel zaken eenvoudig niet overdenkt of nonchalant negeert. Zelfs zijn woordje "vroeg" en "vrij oud" is nietszeggend wat betreft deze zaak.