Het enige wat ons daarom te doen staat, is uitdenken wat de meest adequate theologische voorstelling van God is. Dat doen we achteraf, aan de hand van ons voortschrijdende inzicht in mens en wereld. Onze voorstelling van God is nu inderdaad het werk van mensen. Maar we kunnen er desondanks zeker van zijn dat zij naar God verwijst.
Kijk nu eens goed wat hier staat.
Ik begrijp niet helemaal wat de schrijver bedoelt met “een voorstelling van God”. Dat komt natuurlijk in eerste instantie door het begrip “god”. De schrijver zal hier een andere voorstelling van hebben dan een bosjesman in Afrika. Het basisbegrip in de eerste zin is dus al vaag. Een voorstelling van God maken is iets wat christenen al 1900 jaar proberen te doen. En daarin nog nooit geslaagd zijn....
Maar wat is ‘de meest adequate theologische’ uitvoering daarvan ? Ik zou niet weten wat het verschil is tussen een ‘voorstelling van god’ en een ‘theologische voorstelling van god’. En adequaat ? Adequaat betekent ‘passen bij’. Waarbij moet het passen, bij God of bij de schrijver? Dat het op god zou slaan is vreemd, het gaat immers al om zijn voorstelling, en dus slaat adequaat op de schrijver. Het beeld moet dus voor hem adequaat zijn ? Waarom moet een beeld van een god voor de schrijver adequaat zijn? Stel dat god een vrouw blijkt te zijn, is dat dan niet passend voor de schrijver ? Dan kan de voorstelling van god dus de prullenbak is, maar is dat de bedoeling van de schrijver ? Wat wil hij nu, een voorstelling van gid die hem wel leuk lijkt, of een daadwerkelijke voorstelling van de god waar hij in gelooft?
Tot zover de eerste zin. Pakken we de tweede. Waarom zou een voorstelling van god gebaseerd moeten zijn op ons voortschrijdend inzicht? Verandert die god dan door ons voortschrijden inzicht? Welke voorstelling zoekt de schrijver eigenlijk, dat van een mens, dat van de wereld of dat van een god? Deze zin maakt het er bepaald niet duidelijker op.
De derde zin. De conclusie dat onze (?!) voorstelling van god mensenwerk is, staat als een paal boven water. Ons is het enige vreemd woord, omdat ik al ben begonnen met de vaststelling dat we niet weten over welke god we het hier hebben. De voorstelling is van god (welke dan ook) kán niet anders zijn dan mensenwerk. Deze zin (de eerste van de drie die hout snijdt) is dus eigenlijk overbodig.
De vierde zin, een fantastische uitsmijter. We kunnen er zeker van zijn dat de voorstelling van god naar hem verwijst ? Dat vraag ik mij af. Als de bosjesman en de schrijver elkaars voorstelling beschouwen, ben ik er zeker van dan de over de grond rollen van het lachen en zullen bezweren dat het beeld van de ander écht niet het beeld van god is. Neen, de voorstelling die gelovigen zich maken van een god verwijst maar naar 1 entiteit, en dat is degene die de voorstelling maakt. Zoals Xenophanes al zei: ”als de ossen en paarden kunstwerken konden scheppen, zouden de paarden de goden als paarden afbeelden, de ossen daarentegen als ossen.”
Al met al lijkt het er op dat de schrijver, naar goed christelijk gebruik, veel woorden gebruiken die bij doorvragen allemaal gebakken lucht blijken te zijn.
“Mr. Spock, do you have a theory?”
“No captain. For a theory, one requires facts. Since we do not have any, it would be illogical to have a theory.”
(Star Trek, seizoen 1)