Omdat op verschillende draadjes op dit forum Spinoza herhaaldelijk ter sprake kwam heb ik hier een paar van de door mij verzamelde artikels uit mijn archief geplaatst
De toegenomen belangstelling in deze vroege 21 ste eeuw voor Baruch . de ESpinoza , leide tot een aantal boeken over deze grote denker ....waarvan hier een kleine keur ...
Ik hoop dat ook anderen zich geroepen zullen voeren hier links en artikelen te plaatsen in verband met deze reus en sleutelfiguur uit holland .... Maar ik hoop vooral dat het van dienst kan zijn als een klein startpunt voor al diegenen( waaronder ook ikzelf ) die enige belangstelling hebben voor dit onderwerp en er meer willen te weten van komen ....
Tsjok ....
***********************************************************************************************************
SPINOZA
Niet alleen de joden hadden een bloedhekel aan Spinoza, ook de christenen. Dat had te maken met zijn opvattingen over God en godsdienst. Terwijl de filosoof op wie Spinoza voortbouwde, René Descartes, het niet aangedurfd had zijn onverschrokken manier van denken op de godsdienst toe te passen, deed Spinoza dat wel.
Hij beredeneerde dat er onmogelijk een God kon bestaan zoals joden en christenen en mohammedanen zich die voorstelden - een soort supermens, die hemel en aarde gecreëerd had en het al bestierde.
Geen wonder dus dat hij door hen als een atheïst werd beschouwd.
Spinoza was de eerste filosoof in de geschiedenis van de westerse filosofie die nadrukkelijk en systematisch afscheid nam van een persoonlijke God.
God was niet iemand die buiten zichzelf een heelal en de wereld geschapen had, maar God is de natuur zelf, God is alles wat is. Je kunt hem niet buiten de schepping denken, hij is de schepping zelf.
Spinoza was zijn hele leven lang een voorzichtig man - hij wist aan den lijve welke consequenties afwijkende standpunten konden hebben. Het is de vraag of hij zonder die voorzichtigheid nog het woord God zou hebben gebruikt om er de natuur mee aan te geven.
God kan geen wetgever en rechter zijn, hij troost of beloont of straft niet, hij is geen wezen tot wie je moet bidden, hij is niet alwetend en barmhartig en wijs. God is het al, waarbuiten niets bestaat, dus ook God niet. Hij valt geheel samen met alles wat is. Daarmee zijn tegelijkertijd begrippen als goed en kwaad, zo ongeveer de pijlers onder elke godsdienst, zinloos geworden. En dus ook hemel en hel - en dan wordt de onsterfelijkheid van de ziel ook behoorlijk doelloos. Waar moet dat arme ding trouwens heen na de dood, als er niets is buiten de natuur, of in godsdienstige bewoordingen: boven de natuur? Het bovennatuurlijke kan helemaal niet bestaan.
Alles wat is en alles wat gebeurt, de natuur of God dus, heeft een innerlijke logica en een noodwendigheid waaraan geen ontsnappen mogelijk is. Dat is een radicaal determinisme, dat vooral pijnlijk wordt als we het op de mens toepassen. De mens is immers onderdeel van alles wat is en is dus onlosmakelijk verbonden met de orde der dingen. In feite zou Spinoza's standpunt betekenen dat de mens geen vrije wil heeft, dat de mens een speelbal is van oorzaak en gevolg.
Maar Spinoza vindt een eigen uitweg uit deze impasse.
In zijn beroemdste boek, de Ethica, waarin hij behalve op God, op de aard en de oorsprong van de mens ingaat, maakt hij onderscheid tussen passieve en actieve emoties van de mens. De eerste ontstaan door een oorzaak buiten de mens, de laatste vanuit de mens zelf. Het is onmogelijk de passieve aandoeningen volledig buiten te sluiten, al was het alleen maar omdat onze zintuigen ons die voortdurend leveren. Maar het is goed om ze te matigen en ze te leren beheersen - anders zijn we te afhankelijk van de wisselvalligheden van het leven.
We moeten ons zoveel mogelijk richten op wat ons verstand ons ingeeft; dat leidt tot actief handelen in de beste zin van het woord.
Spinoza was geen blinde idealist. Hij wist heel goed dat het leven uit actieve én passieve aandoeningen bestaat, maar hij pleitte er erg voor dat de mens probeert de actieve aandoeningen te laten prevaleren boven de passieve, en daarnaar te handelen.
Dat was voor hem de vrije mens: iemand die de onbegrijpelijke kronkelingen van de natuur gelijkmoedig accepteert, die zich actief wijdt aan wat voor hem essentieel is, die zich bekommert om het welzijn van de anderen - en die niet bang is voor de dood. De vrijheid was voor hem ook in politieke zin van wezenlijk belang: dat was het hoogste goed.
Het mooiste aan Spinoza is in wezen dat hij ons zijn eigen filosofie zo prachtig voorgeleefd heeft. Hij is de belichaming van wat hij zich als ideaal voorstelde, en er is behalve Socrates en Erasmus geen filosoof die juist om zijn menselijkheid zo werd en wordt bewonderd als Spinoza. Het zal heel moeilijk zijn om over een andere mens zoveel prachtige uitspraken te vinden als over deze filosoof.
Tot op de laatste dag van zijn leven is hij ons een voorbeeld gebleven. Ook in het aangezicht van de dood schijnt hij volmaakt rustig te zijn geweest. Hij overleed vrij onverwacht op 21 februari 1677 in Den Haag.
(Wil Hansen;: 30-11-2005)
Marnix Verplancke
“de vervloekte ideeen van Baruch de Spinoza “
Een koopmanszoon met lenzen
De Amsterdamse filosoof van Portugese afkomst Baruch de Spinoza was amper 24 jaar oud toen de banvloek over hem werd uitgesproken. Met zijn filosofische, politieke en religieuze ideeën had hij zowel joden als protestanten tegen zich in het harnas gejaagd.
Op 27 juli 1656 werd vanaf het bidgestoelte van de synagoge aan de Amsterdamse Houtgracht een merkwaardig document voorgelezen. Na een algemene inleiding volgde de kern van de zaak:
"Met het oordeel der heiligen vervloeken, verbannen, verwensen en verdoemen wij Baruch de Spinoza, met toestemming van de gezegende God en heel deze heilige gemeente, voor de heilige boeken van de Tora en de 613 voorschriften die daarin geschreven staan, met de banvloek waarmee Jozua Jericho vervloekte, met de verwensingen waarmee Eliza de kwajongens verwenste, en met alle vervloekingen die in de wet geschreven staan. Vervloekt zij hij bij dag en vervloekt zij hij bij nacht, vervloekt bij zijn liggen en vervloekt bij zijn opstaan, vervloekt bij zijn uitgaan en vervloekt bij zijn ingaan."
En zo ging het nog een tijdje door. Ach, veel geblaat en weinig wol, denkt u nu misschien, maar de realiteit was nog gruwelijker dan de hele reeks vervloekingen doet vermoeden.
Wie de cherem, zoals de banvloek in het Hebreeuws heet, over zich uitgesproken krijgt, is van het ene op het andere moment opeens niet meer dan een paria.
Niemand mag nog in woord of geschrift met hem communiceren, hem onderdak verlenen of hem dichter dan vier el naderen, ook zijn familie niet. En wie dat toch doet, wordt eveneens vervloekt.
Wat had die Baruch, nog maar 24 jaar oud, toch gedaan dat hij zo verschrikkelijk gestraft moest worden, kunnen we ons afvragen. En het antwoord is simpel: hij had zijn filosofische blik over het joodse geloof laten glijden. Wat hij zag was niet zo fraai en hij was zo dom zijn mond er niet over te houden.
Hoe zou Mozes de auteur van de Pentateuch kunnen zijn, was een van zijn opmerkingen, een van de boeken ervan gaat immers over zijn dood en over wat er daarna met de joden gebeurde. Niemand kan toch beschrijven wat er na zijn overlijden zal gebeuren? Mozes' wetten vond hij voer voor kinderen en personen die het juiste begrip van de wereld nog niet bereikt hebben. De anderen hoeven niet meer te doen dan hun rede te volgen. In het leven na de dood geloofde hij ook al niet, net zo min trouwens als in het bestaan van onstoffelijke zaken.
God is de natuur, zo stelde hij, hem daarmee terugbrengend tot zijn filosofische gedaante.
In plaats van te buigen voor de vervloeking en zijn spijt te betuigen, waarna de cherem spoedig opgeheven zou worden, rechtte hij zijn rug en keerde hij zich voor de rest van zijn leven van het jodendom af.
Zoals hij negen jaar later aan een vriend zou schrijven: "Ik laat ieder leven naar zijn persoonlijke neiging, en waarlijk, zij die dat willen, mogen sterven voor wat hun goed lijkt, als ik maar mag leven voor de waarheid."
Aan het leven van Baruch de Spinoza zijn recent twee biografieën gewijd, van de Amerikaan Steven Nadler en de Engelse Margaret Gullan-Whur.
Waar de eerste een meer traditionele vorm en inhoud heeft en de wijsgeer nuchter beschrijft als de asceet die hij ongetwijfeld was, gaat Gullan-Whur de meer breedsprakige toer op en probeert ze achter de filosoof ook een mens te zien, met zijn kleine kantjes en zijn grote verliefdheden, wat haar van tijd tot tijd natuurlijk in gevaarlijk vaarwater brengt.
Over het leven van Spinoza is immers niet zoveel bekend, en wat we ervan weten is weinig spectaculair. Hij leefde steeds heel klein behuisd - soms maar in een kamer - en sleep lenzen voor de kost. Heldhaftige daden van het fysieke soort moet je bij hem niet gaan zoeken, maar intellectuele daarentegen presteerde hij maar al te gretig. En zowel Nadler als Gullan-Whur richten hun aandacht dan ook vooral op zijn geschriften en zijn ideeën.
Baruch de Spinoza, wat zoiets betekent als 'de gezegende van de doornige plaats', werd in 1632 in Amsterdam geboren, wat hem meteen een jaargenoot van Johannes Vermeer en Anthonie van Leeuwenhoek maakt. Vader Michael was een Portugese jood die de kost verdiende als koopman. Baruch volgde tot zijn veertiende les in de school van de joodse Talmoed Tora-gemeente en toen zijn oudere broer een paar jaar later onverwachts stierf, moest hij mee in de zaak. In 1648 was de Tachtigjarige Oorlog met Spanje immers afgelopen, waardoor er met dat land een bloeiende handel ontstond, vooral gevoerd door de Amsterdamse joden. Voor hen brak er vervolgens een drukke, maar ook een 'gouden' eeuw aan.
Alleen deden de Spinoza's het niet zo goed. Michael had het hart op de juiste plaats, stelde zich maar al te graag borg voor anderen en stapelde zo heel wat schulden op.
Bovendien was het lot hen niet gunstig gezind. In 1654 ziet Baruch zijn vader, stiefmoeder en zus ten grave dragen. Samen met zijn jongere broer Gabriël probeert hij nog iets te maken van het verlieslatende familiebedrijf, maar met zijn gedachten zit hij vaak elders. De handel brengt hem steeds vaker in contact met vrijzinnige protestanten die hem iets over de nieuwste cartesiaanse filosofie en wetenschap kunnen vertellen. En dat is wat hem echt interesseert: de realiteit achter die futiele handel.
"Nadat de ervaring mij had geleerd dat al wat zo in het gewone leven voorkomt ijdel en nietig is, en omdat ik inzag dat alles waarvoor en wat ik vreesde uit zichzelf niets goeds noch kwaads bevatte, tenzij alleen voor zover mijn gemoed erdoor werd bewogen, besloot ik eindelijk te onderzoeken of er ook iets bestond dat waarachtig goed was, dat men deelachtig zou kunnen worden en waardoor alleen, met verwerping van al het overige, de ziel kon worden vervuld; kortom of er iets bestond waardoor ik, wanneer ik het had gevonden en verworven, eeuwig een gestadige en hoogste blijdschap zou genieten",
zoals hij een paar jaar later in het Vertoog over de verbetering van het verstand zou schrijven.
Hij ging in de leer bij de liberale rabbi Montera en las de boeken van Menasse ben Israel, de meest wereldse rabbijn van de zeventiende eeuw, die veel contacten had met christenen, maar dat schonk hem geen voldoening.
Dus leerde hij Latijn en wierp hij zich, ook al was dat verboden, op de wetenschappelijke en filosofische werken van zijn tijd, van Descartes over Boyle tot Hobbes.
Hij ging zelfs studeren bij de republikeinse humanist Franciscus van den Enden, die in 1670 arts en raadgever van Lodewijk XIV zou worden en vier jaar later opgehangen werd omdat hij complotteerde tegen de Franse monarchie.
Ook al had Descartes in 1631 nog over Amsterdam geschreven dat
"In deze grote stad waar ik nu ben, houdt iedereen behalve ik zich met de handel bezig, en is daardoor zo op winstbejag uit dat ik hier mijn leven lang zou kunnen wonen zonder ooit te zijn opgemerkt", de Fransman was natuurlijk geen jood.
Spinoza liep wel degelijk in de kijker, met de cherem van 1656 als gevolg. Maar daaruit meteen besluiten dat de filosoof alleen maar om interne, joodse redenen veroordeeld werd, zou te ver leiden. Met zijn radicaal liberale ideeën over de soevereiniteit van de wil van het volk en de vrijheid van denken en spreken betekende hij niet alleen een gevaar voor de autocratische machthebbers binnen de Portugees-joodse commune, maar ook voor veel protestantse Amsterdammers.
Een cartesiaanse relschopper als hem vervloeken kon de conservatieve joden in de ogen van hun sceptische stadsgenoten dus alleen maar geloofwaardiger en betrouwbaarder maken, zo wisten de rabbijnen. En er werd dan ook niet lang getwijfeld.
Na de veroordeling zag Spinoza zich gedwongen - en wellicht treurde hij er ook niet om - om uit het familiebedrijf te stappen. Hij zou trouwens niet lang meer in Amsterdam blijven. Na een paar tussenstops in kleinere dorpen zou hij ten slotte in Den Haag belanden.
Voor zijn brood begon hij lenzen te slijpen en microscopen en telescopen te bouwen. Om zijn precisie werd hij overal in de Nederlanden geroemd. En hij begon zijn filosofische ideeën ook op papier te zetten. Zijn eerste poging daartoe was het reeds genoemde Vertoog over de verbetering van het verstand, zijn persoonlijke Discours de la méthode.
Hierin onderscheidt hij vier methoden van kennen: van horen zeggen, door toevallige ervaring, door afleiding uit iets anders en door de verbeelding en de zintuigen uit te schakelen en alleen te vertrouwen op onze rede.
Het is deze laatste weg die ons volgens Spinoza de ultieme kennis zal brengen over natuur en God. Het boek werd nooit afgewerkt.
Vanaf het begin betoonde Spinoza zich dus een extreme rationalist. Toen hij bijvoorbeeld door zijn vriend Henry Oldenburg, secretaris van de Royal Society, een boek van Robert Boyle toegestuurd kreeg over de chemie van gassen, reageerde de filosoof verbolgen. Boyle had willen ingaan tegen het Aristotelische, circulaire gedachtegoed dat sneeuw bijvoorbeeld koud is omdat ze de eigenschap koudheid bezit - wat satiricus Molière er ooit toe bracht te stellen dat opium slaapverwekkend is omdat het de eigenschap slaapverwekkendheid bezit - door middel van de deeltjesleer en de eigenschappen aantrekking, afstoting en verbinding. En dat vond Spinoza een uitstekende zaak. Boyles grote argument daarbij was het laboratoriumexperiment en daar liep het volgens de filosoof fout. Experimenten tonen niets aan. Alleen het zuivere verstand kan de ware aard van de wereld ontdekken.
En met die wereld bedoelde hij niet alleen wat wij onder natuur verstaan. De mens maakte volgens Spinoza net zo goed deel uit van die natuur, dus ook die kon volgens een op de wiskunde gebaseerde methode onderzocht worden. Hij wou voor zowel de natuurkunde, de kennisleer en de metafysica als voor de psychologie en de ethiek doen wat Euclides voor de meetkunde had gedaan: haar aan axioma's, stellingen en bewijzen onderwerpen.
Het idee voor de Ethica was geboren. Hij wilde erin aantonen dat ons welzijn en geluk niet te vinden zijn in een leven getekend door de slavernij van de passies en de vergankelijke goederen die we over het algemeen najagen, noch in een gedachteloze toewijding aan de praktijken die over het algemeen voor godsdienst doorgaan, maar in een leven volgens de rede.
Wie zich verlost van de ketenen van de gevoelens is pas echt vrij. Die doet het goede en leeft automatisch volgens de beste regels.
Ook Spinoza besefte dat hij hier via de ethiek bij de politiek terecht was gekomen. Want wat is de staatsvorm die het meest redelijk is? De democratie. Spinoza legde zijn Ethica dus terzijde om eerst een Theologisch-Politiek Traktaat te schrijven.
De politieke geschriften van Spinoza, dus niet alleen het traktaat, ma
ar ook de in 1676 begonnen, maar onvoltooid gebleven Politieke Verhandeling, moeten steeds in de toenmalige politieke context gezien worden. In de jaren 1660 werd Holland geregeerd door republikeinen onder leiding van raadpensionaris Johan de Witt. De macht werd zoveel mogelijk in handen van de provincies gelaten. Tegenover hen stonden de centralistisch georiënteerde prinsgezinde conservatieven die de jonge Willem III op de troon wilden. Met zijn radicale geschriften kon Spinoza dus op enige bijval rekenen bij de machthebbers. Ook al vroegen de protestanten om een verbod op de verkoop van zijn traktaat, de republikeinen maakten daar geen haast mee.
Waar ging dit geschrift trouwens over? Spinoza stond de radicale scheiding tussen staat en religie voor. De godsdienst moest zich met de bijbel bezighouden en daarmee uit. En die bijbel herleidt hij vervolgens tot zijn morele kern. Wie is het meest godvruchtig? Hij die "de beste werken van gerechtigheid en liefde laat zien".
De politiek, die was dan weer voor de rede, en zeker niet voor het geloof, maar hier en daar gaan politiek en religie toch ook weer samen. Zo moet volgens Spinoza de politiek ook altijd de wet Gods nastreven, waardoor rechtvaardigheid en naastenliefde meteen kracht van wet krijgen.
De reacties op het traktaat waren furieus. Spinoza werd uitgescholden voor handlanger van de duivel, als hij Satan niet zelve was natuurlijk. Maar dat kon hem allemaal niet deren. Tot in 1672 Lodewijk XIV de oorlog verklaarde aan Nederland, Johan de Witt daardoor samen met zijn broer Cornelius door het volk verscheurd werd en Willem III aan de macht kwam.
Op 19 juli 1674 werd het traktaat verboden, net zoals Hobbes' Leviathan trouwens. Tweeënhalf jaar later zou Spinoza sterven aan de gevolgen van het fijne glasstof dat hij jarenlang ingeademd had, monddood, zijn Ethica ongepubliceerd, maar beroemd in heel Europa.
En dat laatste is hij nog steeds.
Margaret Gullan-Whur : Spinoza, een leven volgens de rede Lemniscaat, Rotterdam,
Steven Nadler : Spinoza Atlas, Amsterdam,
Was Spinoza rationalist?
Dat hangt ervan af hoe je rationalisme begrijpt.
Was Spinoza mysticus? Dat hangt ervan af wat je onder mystiek verstaat.
Wie over Spinoza spreekt, moet de dingen helder denken en klaar uitspreken.
Biograaf Steven Nadler koos dan ook een weloverwogen toon om over het leven en denken van deze filosoof te praten.
Zo beschrijft hij het joodse Amsterdam in de zeventiende eeuw en het begin van de jonge Republiek der Verenigde Nederlanden. Maar ook als hij schrijft over de drie soorten kennis of een moeilijk begrip als sub specie aeternitatis probeert hij lucide en leesbaar te zijn. Het is hem natuurlijk om Spinoza te doen. Onze kennis werd door deze denker allereerst bepaald door wat we meemaken en ervaren, door wat we weten van te lezen en te horen zeggen; de 'kennis van de eerste soort'.
Volgens Spinoza weerhoudt die onvermijdbare kennis er ons echter van de dingen te zien in hun eeuwige verband. Het helpt ons, meende hij, onze aandacht te richten op een tweede soort kennis, de zuiver verstandelijke kennis. Deze kennis is evenwel ook slechts voorbereiding op een derde soort weten, een kennis door intuïtie; zij ontstaat direct uit de ziel, sub specie aeternitatis, hier zien wij de dingen vanuit de eeuwigheid en in God.
Wie dit leest en begrijpt, moet Spinoza de meest religieuze moderne denker noemen. Maar ook hier moet je specificeren wat je onder religieus verstaat.
Spinoza's godsbegrip week vernietigend af van de joodse godsvoorstelling, én van hun wetten en tradities.
Zo oprecht, zo diep, zo belangwekkend zijn denken, de joodse gemeente maakte woedend bekend:
"Vervloekt zij hij bij dag en vervloekt bij nacht, vervloekt in zijn liggen en vervloekt in zijn opstaan, vervloekt in zijn uitgaan en vervloekt in zijn ingaan; nimmer moge de Heer hem vergeven..."
Steven Nadler : Spinoza / Olympus
Tractatus de intellectus emendatione
Gebruik toch eens je verstand ( Marnix Verplancke Publicatiedatum : 09-10-2002)
De hele filosofie van Baruch de Spinoza in een notendop
Verhandeling over de verbetering van het verstand is wellicht het eerste wijsgerige werk dat Spinoza ooit schreef. Het bleef tot na zijn dood onafgewerkt in zijn lade liggen en is nu opnieuw uitgegeven. Vertaald, ingeleid en van een nawoord voorzien door Theo Verbeek /Historische Uitgeverij, Groningen,
Deze Portugese Nederlander kon zijn mond niet opendoen of hij had er wel een paar vijanden bij, maar hij had dan ook iets te vertellen natuurlijk.
Spinoza wist zijn vijanden trouwens goed te kiezen. Als je schiet, mik dan meteen op de hoofdvogel, zo moet hij gedacht hebben - want wie komt er nu graag met zo'n onnozel pluimpje thuis - en hij legde meteen maar op René Descartes aan.
Nu was deze Franse rationalist ook niet slecht bedeeld wat rivalen en haatdragenden betreft, maar eerder dan zijn olie op het vuur te gieten, goot hij deze liever op de golven zodat de gemoederen konden bedaren. Hij was helemaal geen atheïst, probeerde hij iedereen die hij ontmoette te overtuigen, en de soep hoefde zeker niet zo heet gedronken te worden als ze werd opgediend. Het zal wel geen toeval zijn dat hij de geschiedenis is ingegaan als de man van zoiets halfslachtigs als de methodische twijfel.
Het is precies daar, bij die methodische twijfel en het daaruit voortvloeiende cogito ergo sum dat de grond van Spinoza's wrevel te vinden is.
Twijfel was voor hem zoiets als besluiteloosheid. Het feit dat je in staat bent tussen twee zaken te twijfelen betekent dat geen van beide helder en doordacht is, anders zou je helemaal niet hoeven te twijfelen. Als besluiteloosheid dus het resultaat is van de aanwezigheid van twee even sterke tegenstrijdige emoties, dan is twijfel het resultaat van de aanwezigheid van twee even zwakke tegenstrijdige ideeën. Zo simpel is dat, en hij kon zich nog net inhouden of hij had eraan toegevoegd: "Gebruik toch eens je verstand, René."
Over het gebruik van het verstand heeft Spinoza trouwens een boekje geschreven, Verhandeling over de verbetering van het verstand, een nooit afgemaakt werkstuk dat in de lade bleef liggen tot na zijn dood en nu opnieuw uitgegeven is, voorzien van deskundig commentaar door de Nederlandse Spinoza-expert Theo Verbeek. In feite had er trouwens beter 'bevrijding' gestaan in plaats van 'verbetering', want hij wou het verstand helemaal niet beter laten werken, hij wou het juist bevrijden van alle twijfel en besluiteloosheid, zodat het zijn eigen feilloze regels kon volgen.
Beginnen doet Spinoza zijn verhandeling met de vaststelling dat men traditioneel rijkdom, eer en lust beschouwt als drie na te streven zaken in het leven, terwijl deze ons nu net afleiden van het echt waardevolle: de menselijke volmaaktheid nastreven, zowel persoonlijk als maatschappelijk. Om na te gaan wat die volmaaktheid nu precies inhoudt, moeten we haar doorlichten en om dat te doen hebben we ons verstand nodig.
In tegenstelling tot Descartes bijvoorbeeld, die uitging van een dualisme tussen het geestelijke en het lichamelijke, en die de ziel en het verstand dus buiten en boven de natuur kon stellen, ziet Spinoza maar één substantie: de materie, en alles voldoet aan de wetten ervan.
Waar Descartes dus doodleuk God kon opvoeren om de gaten in zijn systeempje op te vullen, maakt Spinoza het zich extra moeilijk. Ook hij heeft het over God, maar bij hem is dat juist een factor meer die hij in zijn wereldvisie moet zien in te passen. Dat hij hem daarbij herleidde tot een synoniem van de materie, wat meteen voor zijn uitsluiting uit de Amsterdamse joodse gemeenschap zorgde, maakte het er allemaal niet makkelijker op.
Aangezien de mens en zijn verstand dus niet buiten de natuur staan, maar er deel van uitmaken, moeten we volgens Spinoza de natuur onderzoeken om tot meer zelfkennis te komen.
Het zuiver aanschouwen van de menselijke geest kan ons immers geen zekerheden opleveren.
Hij onderscheidt vier mogelijke manieren om kennis te verwerven.
De eerste is kennis van horen zeggen; dat ik bijvoorbeeld een rotjoch was toen ik klein was. Niets van geloven, aldus Spinoza, ze kunnen zeggen wat ze willen.
De tweede is kennis op basis van persoonlijke ervaringen, wat al even onbetrouwbaar is natuurlijk, aangezien we onze waarnemingen nooit mogen vertrouwen. Descartes stelt zelfs dat we nooit kunnen weten of we slapen of wakker zijn, voegt hij er schertsend aan toe.
De derde manier om aan kennis te komen is het effect van iets bestuderen om zo tot de oorzaak ervan te komen. Een dokter ziet bijvoorbeeld een kinderlichaam vol rode vlekjes en besluit tot een besmetting met de windpokken. Het zouden natuurlijk ook mazelen of de rode hond kunnen zijn, maar de kans op een juiste diagnose is toch vrij groot. Maar uitsluitsel is er natuurlijk niet.
Rest dus de vierde en enige goede manier om kennis te verwerven: uitgaan van de bekende oorzaken van iets en kijken hoe daaruit de bekende gevolgen voortvloeien. Een mooi voorbeeld is hier de regel van drie. 4 : 2 = 6 : ? Met veel gissen en missen kom je er wel uit, maar het gaat stukken vlugger wanneer je het wiskundige principe snapt. En aan het resultaat - 3 dus - valt niet te tornen. Dat is dus de enige goede weg om zekere kennis te verkrijgen.
Vervolgens bedenkt Spinoza dat betrouwbare kennis op ware ideeën over de realiteit berust. Het is dus zaak in ons denken de onware, fictieve of betwijfelbare ideeën te elimineren, op die manier - deelt hij nog maar eens een prikje uit - weet je meteen of je slaapt of waakt.
Onware ideeën, zo schrijft hij, beweren iets over een ding zonder dat dit opgesloten ligt in het concept dat we van dat ding gevormd hebben. Twijfel is volgens hem niet meer dan gebrek aan kennis. We weten bijvoorbeeld dat de hoeken van een driehoek samen twee rechte hoeken vormen.
"Als we van God dezelfde kennis hebben als van driehoeken dan wordt alle twijfel weggenomen."
Fictieve ideeën leiden dan weer tot contradicties met de bestaande wereld. Zij zijn op onze verbeelding gebaseerd, en die kan misschien goed zijn om romans te schrijven, als we op zoek zijn naar een juist gebruik van het verstand kun je die verbeelding missen als kiespijn.
De volgende stap in Spinoza's redenering is dat we een definitie van het verstand nodig hebben willen we precies weten wat het is of hoe we het kunnen verbeteren.
Definities omvatten alle eigenschappen van het object waar ze op slaan, dus geeft hij acht eigenschappen waar volgens hem het verstand aan voldoet.
Maar de definitie zelf, noch de beloofde regels waaraan het denken moet voldoen wil het ware ideeën te pakken krijgen, volgen niet meer.
Het boek breekt op dat moment af.
Historisch gezien is deze verhandeling natuurlijk niet zo belangrijk als de Ethica of de Tractatus theologico-politicus, daarin komen Spinoza's ideeën op zowel het metafysische, morele als maatschappelijke vlak uitgebreider aan bod, maar als we bedenken dat dit misschien wel het eerste wijsgerige werk is dat de man ooit schreef, beseffen we meteen ook de waarde ervan.
In een notendop vinden we hier al zijn hele filosofie terug. En daar ligt misschien ook de reden van het lange verblijf in de lade: hij had meer plaats en tijd nodig om zijn onderwerpen grondig uit te spitten. Maar ook voor de hedendaagse lezer is dit werkje zeker de moeite. Het is immers opgebouwd als een soort - weliswaar moeilijk - zelfhulpboekje. Denken doen we toch allemaal wel eens - hopen we - en Spinoza toont hier hoe we dat op een gezonde manier kunnen doen, zonder ons te laten meeslepen door slechte waarnemingen of vurige emoties. Dat dit voor Spinoza zelf trouwens meer was dan zomaar een filosofietje, mag blijken uit zijn leven. Voor de kost sleep hij immers de lenzen waarmee men een klare kijk op de wereld trachtte te krijgen en als een ware stoïcijn leefde hij tot aan zijn armzalige dood in een eenkamerwoningetje.
Zet daar Descartes maar eens tegenover, de man die in zijn teksten gevoelens en emoties afdeed als schijn, een hartstochtelijke correspondentie voerde met prinses Elisabeth en vervolgens van de kou omkwam in een Zweeds paleis.
De Verlichting ontstond in Holland ( Rudi Rotthier )
Er is internationaal iets vreemds aan de hand met Spinoza. Tot aan het begin van deze eeuw had je kunnen denken dat deze filosoof in de plooien van de tijd aan het verdwijnen was.
In filosofiehandboeken stond hij doorgaans tussen Descartes en Leibniz geparkeerd, als hij al niet tot volgeling van Descartes werd gedegradeerd. Zijn boeken waren intrigerend maar wegens de pseudo-mathematische opbouw niet licht leesbaar. Hij kreeg het odium pantheïst, deïst, deugdzaam, evenwichtig en wereldvreemd mee - kwalificaties waarmee niemand een popster wordt. Hij was niet te plaatsen (of werd niet geplaatst) in debatten tussen links en rechts. Ook leek zijn invloed relatief beperkt, al had hij Wittgenstein op het idee gebracht diens eerste boekje Tractatus te noemen. Spinoza was een zaak voor intimi, die door het mathematische cocon heen braken en die een bijna onwereldse wijsheid en troost in zijn werk aantroffen. Een milde goeroe, met mate te savoureren, vanaf het nachtkastje.
De voorbije jaren kwam er een onverklaarde kentering. Eerst verschenen - nagenoeg gelijktijdig - twee gedegen, Engelstalige biografieën. We leerden onder meer dat Spinoza ongelukkig verliefd was geweest, en nadien nogal laatdunkend over vrouwen had geschreven. In Frankrijk werden oude biografieën van Lucas en Colerus heruitgegeven. En dan volgt nu de kers op de taart met Israels Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750.
Israels ambitie is niet gering: hij wil de geschiedenis op haar kop zetten. Tot dusver ging men ervan uit dat de Verlichting, het vooropstellen van de rede als gids, en het afzweren van magie en (bij)geloof, een coproductie was geweest tussen Engelse en Franse denkers. Ze werd ruw gezegd in gang gezet door de natuurkundige Newton en de filosoof Locke, en vervolgens verfijnd door de encyclopedisten en dan vooral door Voltaire, Diderot en Rousseau. Afhankelijk van de interpretatie (en de herkomst van wie over het onderwerp schrijft) is de Engelse dan wel de Franse inbreng het belangrijkst.
Niets daarvan, zegt nu Israel, al in zijn inleiding. Het vliegwiel van de Verlichting was niet in Engeland of Frankrijk te vinden, maar in Holland, waar een kleine groep dappere denkers, met Spinoza als centrale kracht, een Umwertung aller Werte in gang hebben gezet.
De centrale rol van Spinoza botst wel enigszins met het beeld dat we - zelfs na lectuur van de recente biografieën - van de filosoof hebben. Die was in zichzelf gekeerd en voorzichtig, hij hield de publicatie, vertaling of verspreiding van zijn werk in manuscriptvorm goed onder controle, om zo min mogelijk aanstoot te geven en zo mogelijk niet in botsing te komen met de juridische of religieuze autoriteiten. Zijn motto was trouwens caute, wees voorzichtig. Je ziet hem niet zo gauw deelnemen aan een complot om de wereldorde door elkaar te schudden. Israel stelt daartegenover dat Spinoza's denkbeelden van een ongekende radicaliteit waren.
Spinoza was feitelijk atheïstisch (hij schakelde God gelijk met de natuur), de bijbel was, vond hij, bedoeld om zwakke geesten te entertainen, over dat soort boeken (ook over de koran en de thora) moest men de rede laten schijnen, hij verwees alle mirakelen zonder meer naar het rijk van de fantasie (als allereerste, beweert Israel, accepteerde hij geen enkel mirakel), hij had geen plaats voor hemel of hel of de duivel, en hij stond een republiek voor.
Zijn denken was trouwens veel politieker dan algemeen wordt aangenomen. Niet voor niets vond Machiavelli een plaats in zijn bibliotheekje.
"In de geschiedenis van het moderne denken", schrijft Israel, "hebben alleen Marx en Nietzsche zo openlijk en provocerend bijna het gehele geloofssysteem van de hen omringende maatschappij aangevallen, als Spinoza het doet." Het is een van de vele betwistbare, maar stevig geargumenteerde stellingen in dit boek. Spinoza was een koude douche die de westerse wereld heeft wakker gekregen.
De wereld wou niet wakker worden. Zowel in Nederland (waar de tolerantie met de moord op de gebroeders De Witt een knauw had gekregen) als internationaal werd furieus op de nieuwe denkbeelden gereageerd. 'Spinozist' was decennialang een scheldwoord. Er verscheen een boek met als titel Anti-Spinoza, en vooraanstaande denkers zoals Leibniz werden geconvoceerd om Spinoza's ideeën voor eens en altijd te weerleggen.
Men ging geen gore middelen uit de weg. Enkele auteurs probeerden Spinoza's legendarische (en misschien opgeklopte) deugdzaamheid te ondermijnen –
men suggereerde of beweerde dat de 'deugdzame atheïst' op zijn sterfbed alsnog tot 'inkeer' was gekomen en zijn 'zondige' en 'van onwetendheid getuigende' gedachten had afgezworen, wat door alle betrouwbare bronnen nochtans werd ontkend. Leibniz betaalde spionnen die hem de laatste manuscripten probeerden te bezorgen - en zelfs kopieën van brieven die Spinoza had geschreven. En toch faalde de gecoördineerde tegenaanval van machthebbers en meer gezagsgetrouwe denkers.
Gevangenis, dreigement noch financiële kastijding kon de ideeën klein krijgen, gewoon, suggereert Israel, omdat de radicale ideeën beter waren dan die van de concurrentie. De strijd tegen Spinoza's ideeën, en de manier waarop ze zich, onder meer via de kritiek, over heel Europa wisten te verspreiden, is behoorlijk fascinerend, maar wellicht het meest onverwacht is de stroom van eerste-, tweede- of derderangsdenkers, uitgevers, drukkers, die bereid waren voor die nieuwe, verboden ideeën te vechten, ze openlijk of verdoken (bijvoorbeeld midden in een ander, 'braver' boek) te publiceren, of ze nog radicaler door te denken. Ervoor te sterven desnoods. In allen had zich een soort gloed ontwikkeld, het geloof dat ze licht in de duisternis brachten, en dat door dit licht de wereld paradijselijk, of toch minder slecht kon worden. En dat de strijd uiteindelijk gewonnen zou worden.
Die gloed scheen op vreemde plaatsen, bijvoorbeeld in Zwolle, waar schijnbaar vanuit het niets ineens twee, drie prominente radicalen opdoken. (Hoewel er in het boek niet naar verwezen wordt, kun je je tijdens de lectuur voortdurend afvragen wat er nodig is om een Verlichting tot stand te brengen, waarom het in Holland met de gereformeerde kerk lukte, en in Vlaanderen met de katholieke kerk, of in Noord-Afrika met de islam, niet.)
Eigenlijk was de golf van radicaliteit zich al voor Spinoza aan het ontwikkelen. Franciscus van den Enden, dertig jaar ouder dan Spinoza en vader van diens object van gefrustreerde liefdesverlangens, was minder doordacht dan Spinoza maar uiteindelijk radicaler. Hij kwam op voor gelijkberechtiging van vrouwen. Hij stierf toen hij, als 72-jarige, in een complot tegen de Franse koning verwikkeld geraakte. Hij werd in Parijs terechtgesteld.
De levensloop van deze uit Antwerpen afkomstige uitgetreden pater laat zich lezen als een schelmenroman. Ruzie hier, faillissement daar, met af en toe een degengevecht en een aangebrand theaterstuk erbovenop. Maar of het nu als pater was of als atheïst, lesgeven was zijn passie. Zowel in Parijs als in Amsterdam stichtte hij schooltjes, aan zijn beroemdste leerling doceerde hij Latijn maar tal van andere latere radicalen passeerden eerst in zijn schooltjes. Van den Enden is wel eens een proto-Spinoza genoemd, maar Israel is het daar niet mee eens. Van den Enden wist Spinoza te stimuleren, hij confronteerde hem met radicaal andere denkwijzen, maar zijn gedachtegoed bedacht Spinoza zelf.
Dat laatste blijft natuurlijk vragen opwekken: wordt een zoon van naar Amsterdam afgezakte joods-Portugese handelaars zomaar een rebel (hij werd als jongeman uit de joodse gemeenschap verbannen, wellicht omdat hij de goddelijke oorsprong van de thora ontkende en de rol van Mozes minimaliseerde) en een filosofisch wonderkind?
Van den Enden is de eerste in een lange rij van bijna vergeten denkers die hun hachje riskeerden voor hun overtuiging. Israel geeft uitentreuren voorbeelden. De gebroeders Koerbagh gingen in hun boek Een Bloemhof van allerley Lieflijkheyd zonder verdriet de bijbel radicaal te lijf. De term 'engel' staat in 'bastaardgrieks' gewoon voor boodschapper, schreven ze. De kerkelijke autoriteiten hadden de goegemeente al die tijd een rad voor de ogen gedraaid. Jezus was een normale man, geen god, zij het dat hij niet wist wie zijn vader was.
Dat soort interpretatie, gekoppeld aan kritiek op de autoriteiten, kon blijkbaar niet getolereerd worden. Adriaen Koerbagh sloeg op de vlucht, werd gevat en veroordeeld tot tien jaar cel. Hij stierf na korte tijd in de gevangenis. Zijn jongere broer kwam er met een voorarrest af, maar ook hij kwam gebroken uit het proces tevoorschijn. Het is, zijdelings, ook een element dat Israel aanbrengt. De Nederlanden mogen op dat moment een oord van relatief vrije discussie hebben gevormd en een vrijplaats voor dissidenten die elders weggejaagd werden, toch werden er enkele bijzonder hardvochtige straffen uitgesproken, niet alleen tegen de Koerbaghs, ook tegen vermetele drukkers of uitgevers. Ook terzijde: Spinoza, de 'deugdzame atheïst', de kwezel, blijkt een serie libertijnse, erotische tot pornografische boeken te hebben geïnspireerd, onder meer het beroemde Thérèse Philosophe van Jean-Baptiste d'Argens.
Een boek van zevenhonderd bladzijden kan niet enkel bestaan uit bejubelbaar inzicht. Israel worstelt af en toe een beetje met zijn vorm. Hij voegt steeds weer levensverhalen toe, die iets te vaak hetzelfde lijken te bewijzen. Zijn basisstelling wordt overtuigend geargumenteerd, maar het krabben aan de bijdragen van Fransen en Engelsen in het tot stand komen van de Verlichting vergaat hem minder goed (misschien omdat de auteur en de lezer tegen die tijd al vijfhonderd bladzijden achter de kiezen hebben, intrigerend spul, maar toch ook af en toe hard labeur).
De stelling dat de Verlichting een Engels-Franse coproductie is, is van Voltaire afkomstig, en ze werd ook in de Encyclopédie volgehouden. Maar dat de encyclopedisten zich pro-Locke en contra-Spinoza verklaarden was schijn, stelt Israel. Want ze besteedden in hun monumentaal werk vijf keer meer aandacht aan Spinoza dan aan Locke.
Dat is een betwistbaar criterium. Het is niet onmogelijk dat iets wat afgewezen wordt meer aandacht verdient dan wat wordt gepropageerd. Van de andere kant gebeurde het inderdaad wel vaker dat de encyclopedisten om tactische redenen, om aan de censuur te ontsnappen, onnavolgbare spelletjes speelden, en zich bijvoorbeeld voor de koning verklaarden terwijl ze eigenlijk de republiek verkozen.
Uiteindelijk, zegt Israel, werd tijdens de Franse Revolutie vastgelegd wie de Verlichting had veroorzaakt, en toen kwam het om politieke redenen goed uit dat die grotendeels van Franse eerder dan van Hollandse makelij was geweest. Het zou ook interessant zijn na te gaan hoe Spinoza van een staatsgevaarlijk filosoof veranderde in een wat saai man, tandeloos vertegenwoordiger van het zuivere denken. Daar is ongetwijfeld een ander, zevenhonderd pagina's dik boek voor nodig. Israel heeft in een interview gezegd dat Spinoza voor hem, na Rembrandt, de belangrijkste zoon van Holland is. Het is een zoon die, in tegenstelling tot Rembrandt, nooit helemaal door zijn land is omarmd.
Inmiddels heeft de Brit Israel alle Nederlandstalige historici een neus gezet. Hij toont ons wat een weelde aan denkers er goed driehonderd jaar geleden door de Lage Landen (zij het vooral door Nederland, Vlaanderen duikt in het boek op als het bijgelovigste van alle gebieden) evolueerde. Welk een weelde aan boeken er toen werd gepubliceerd. De tijd lijkt rijp om een aantal ervan weer uit te brengen.
Jonathan I. Israel : Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750 Oxford University Press, Londen, 810 p.
***********************************************************************************************************
internet
http://www.phil.uu.nl/~piet/Spinoza_overzicht.html
http://www.uba.uva.nl/gw/object.cfm?obj ... ECF2D3A8E5
http://nl.wikipedia.org/wiki/Baruch_de_Spinoza
http://www.etiennevermeersch.be/cursuss ... oofdstuk_4
http://www.etiennevermeersch.be/artikel ... noza_eerst
http://members.aol.com/heraklit1/spinoza.htm
SPINOZA
Moderator: Moderators
SPINOZA
Ni dieu , Ni maitre
Ni , Ni , Ni ( The knight of Ni )
Ni , Ni , Ni ( The knight of Ni )