Het onderwerp ligt mogelijk niet zo in de belangstelling, maar nu ik eenmaal ben begonnen ga ik wel door.
Voor ik met mijn verhaal verderga wil ik eerst wat kwijt over de verhouding tussen geloof en weten. Er zijn er namelijk die vinden dat die twee met elkaar niet alleen kúnnen strijden maar vaak (of bedoelen ze altijd?) ook werkelijk strijden, zelfs móeten strijden.
Ik behoor niet tot die mensen. Als er sprake is van strijdigheid, dan is voor mij óf de wetenschap geen échte wetenschap óf het geloof geen écht geloof.
We hebben allemaal een verstand/intelligentie en dank zij dat bezit kunnen we onderscheid maken tussen waar en onwaar/vals, tussen goed en niet-goed/kwaad. Kúnnen we onderscheid maken, wél op voorwaarde dat we objectief zijn en ons niet blindelings laten leiden door subjectieve invloeden van gevoel, voorkeur, gewend zijn, bevooroordeeld zijn, je ongelijk niet willen toegeven etc.
Ergens las ik: ´... die op zijn minst zijn eigen "logica" consequent doorvoert.´ Dit citaat heb ik uit de context gehaald maar… áls de auteur beoogt te suggereren dat er een ´eigen logica´ is, dan ben ik dat niet met hem eens. Er is maar één Zijnsleer (ontologie) en maar één Denkleer (logica), doorgaans ´natuurlijke logica´ genoemd, waarin zowel de spontane inzichten van de mens als de juiste manier van redeneren zijn vastgelegd.
Een aantal van die inzichten en denkregels (niet allemaal dus, want dit stuk is al véél te lang) zal ik hier noemen om te zien of de lezers het met me eens zijn.
1. Het woordje ´is´ kan meerdere betekenissen hebben nl
a) ´bestaat´ of ´existeert´ en
b) ´is gelijk aan´ of ´is inwisselbaar met´.
Een voorbeeld om het duidelijk te maken:
* Dé mens is sterfelijk; (´de´ mens ‘bestaat’ als zodanig niet, is een ‘abstractie’ en toch is de bewering juist).
* Piet is een mens; (Piet bestaat wel en omdat (de ‘bestaande’) Piet mens is, geldt voor hem wat voor dé (‘niet bestaande’) mens geldt):
* Dus: Piet is sterfelijk.
2. Een wet uit de Zijnsleer (Ontologie) luidt: ´Wat bestaat, is mogelijk´ nog korter geformuleerd: ´Wat is, dat kán´. Ik hoef niet te begrijpen HOE het mogelijk is, maar als het IS, dan KAN het.
3. Andersom geldt: ´Wat mogelijk is (kán bestaan), is niet of: ‘bestaat (daarom nog) niet’. Korter: ´Wat (alleen maar) kán, dat is niet´.
4. Daarnaast is het mogelijk om – louter ´theoretisch´ - onmiddellijk in te zien dat iets ónmogelijk is. De vraag ´Waarom is een vierkante cirkel onmogelijk´? hoeft dus niet beantwoord te worden.
* Vraag: “Kan God 6000 jaar geleden het heelal in zes dagen geschapen hebben”? Ja, dat zóu Hij (als Hij bestaat) gedaan kunnen hebben. Het is volgens mij niet onmiddellijk in te zien dat dat onmogelijk is. Hij heeft het in feite alleen niet gedaan want... we ´weten´ wel beter.
* Vraag: “Kan een koe zowel wit als zwart zijn”? Neen, dat kan niet. Zo´n koe is óf wit óf zwart en als de huid van die koe gedeeltelijk wit en gedeeltelijk zwart is, dan wordt zo´n koe ook: ‘bont‘ genoemd.
* Vraag: “Is een zeemeermin (gedeeltelijk vrouw gedeeltelijk vis) mogelijk”? Ik zou zeggen van niet, maar met die genmanipulatie weet je maar nooit.
Tussen haakjes: Geinig is ook dat ‘men’ zich wel een zeemeermin (bovenste helft vrouw, onderste helft vis) zonder protest voorstelt, maar geen ‘zeeminmeer’ (bovenste helft vis, onderste helft vrouw). Met die voorstelling is die ‘men’ niet vertrouwd en wat niet vertrouwd is gaat er bij de meesten niet in. (‘Een boer eet niet wat hij niet kent’. Gelijk heeft hij!)
* Vraag: “Kan God, almachtig als Hij is, een vierkante cirkel scheppen”? Neen, dat kan zelfs God niet want een vierkante cirkel is onzin en: ´Wat geen zin heeft kan geen zijn (bestaan) hebben´ (Zijnsleer). Anders gezegd: “God schept geen onzin”. Zeker God niet!
* Vraag: “Kan God mens worden”? Neen, dat is onmogelijk. Eén wezen kan niet (voor 100%) God én (voor 100%) mens zijn. ‘Worden’ = ‘veranderen’. Maar ´veranderen´ betekent: ophouden met het een en beginnen met het ander. ´God is mens geworden´ dien je dus op een wel héél bijzondere manier te ´verstaan´ of er een héél speciale betekenis aan te geven.
5. En dan geven wij mensen, dat is de beperktheid van onze taal, een naam aan ‘dingen’, die niet eens bestaan (existeren) bijvoorbeeld: 'duisternis'. Duisternis is alléén maar (dus niet meer en niet minder dan): ´de afwezigheid van licht´. Duisternis komt dus niet in de plaats van licht. Iets dat niet bestaat kan niet in de plaats komen van iets anders.
6. En de krankzinnigste bewering (als je hem letterlijk neemt en ook nog verkeerd verstaat) is: “Het niets is iets dat niet bestaat”. Maar druk je maar eens anders uit!
En vergelijk –4 eens met –8. Is het laatste tweemaal zo groot of tweemaal zo klein als het eerste? Bovendien is zowel –2 als –4 ‘minder dan niets’ en dat is ook weer nonsens.
Als ik in de volgende bijdragen een en ander ga beweren, dan is het mijn bedoeling de inzichten en wetten van de Zijnsleer en de Denkleer voor zover ik ze ken te eerbiedigen. Als je me ergens op een fout hebt betrapt, dan mag je me dat laten weten en ik zal je dankbaar zijn.
Het wordt dus werken met ons (van God gekregen) verstand of intellect.
En nogmaals: dit wil niet zeggen dat ik geen waardering, zelfs geen respect heb voor iemand die anders ‘gelooft’. Ik ben aan het gedachtewisselen, niet aan het geloofwisselen. Als ik verstandelijke argumenten heb tegen het historische Christendom en de godsvisie ervan, dan houd ik die argumenten staande tot er afdoende tegenargumenten komen. Ik heb er dus voor gekozen mijn verstand niet het zwijgen op te leggen omdat een ander mij iets ‘te geloven’ heeft voorgehouden.
Op naar het vervolg.
Groeten.
Fons.