Het uurwerk (machine, die het uur aangeeft) heeft zijn oorsprong in het klooster. De monniken dienden ‘op gezette tijden’ hun koorgebed te doen. De namen van de gebeden: Metten+Lauden, Priem (1ste), Terts (3de), Sext (6de), Noon (9de), Vespers en Completen.
De Priem werd gebeden bij zonsopgang: eerste uur; de Sext als het middag was: zesde uur; de Terts halverwege die twee: derde uur; de Vespers als de zon onderging: ± twaalfde uur; de Noon halverwege tussen Sext en Vespers: negende uur en de Completen vóór het slapen gaan. Metten en Lauden werd ergens gedurende de late nacht gebeden.
In de zomer duurde de dag langer dan in de winter en dan lagen de gebedsuren dus verder uit elkaar. Wat de drijfveer is geweest is moeilijk te achterhalen maar men had behoefte om de afstand tussen de koorbezoeken en dus tussen de ‘uren’ over het hele jaar gelijk te maken en een onbekend gebleven genie vond een apparaat uit dat elke drie uur een hamertje op een bel liet vallen. Het apparaat droeg de fraaie naam ‘horologia excitatoria mechanica’, wat vrij vertaald: ‘mechanische uurkenner die wekt’.
De monnik die de zorg voor de tijd had heette: ‘custos horologii’= ‘bewaker van de uurkenner’. Hij waarschuwde dan de monnik-luider ( Nederland direct ‘luier’genoemd), die de klok in de toren ging luiden om de communiteit te waarschuwen ‘dat het weer zover was’. En tegelijkertijd was de omgeving ook van de tijd op de hoogte.
Tot dat moment was de tijd ‘getoond’ op de tijdlat van de Egyptenaren, op de zonnewijzer en de zandloper. Daar kon je zien hoe de tijd gestaag vergleed. Vanaf dat moment werd de tijd ‘geluid’ en kwam het woord ‘klok’ in zwang. Je leerde toen niet klokkijken maar klokluisteren. Ons dagelijks woord voor uurwerk ‘klok’ stamt dan ook van het Duitse woord ‘Glocke’.
In de tuin van het Palais Royal van de graaf van Orléans had een andere slimmerik een vergrootglas zó opgesteld dat om 12 uur ’s middags het lont van een kanon tot ontbranding werd gebracht zodat de verre omgeving kon horen hoe laat het was.
Ergens rond 1330 deed een ander, ook al een niet met name bekend genie een kapitale ontdekking. Aan de tak van een boom hing aan een touw een net met vruchten te drogen. Het genie merkte op dat dat net schommelde en dat het er niet toe deed hoever het uit het lood ging en ook niet hoe zwaar de drogende vruchten waren. De slingerbeweging was voortdurend even snel, want die werd alleen door de lengte van het touw bepaald.
Galileo deed dezelfde ontdekking in de kerk bij een schommelend wierookvat.
En dat werd het begin van de stormachtige ontwikkeling van het slingeruurwerk. Een tandwiel wordt door middel van een gewicht tot draaien gebracht. Een slinger brengt met regelmaat een obstakel tussen de tanden aan en het gewicht zakt stukje voor stukje. Als een uur was verlopen produceerde het apparaat een gongslag, waarna het gewicht weer werd opgehesen voor het volgende uur. Maar al snel konden de klokken langer dan één uur lopen en vooral in kerktorens waren dus langlopende klokken mogelijk.
Intussen produceerde de tandwiel-blokkeerder een geluid:‘Tik-tak’! De tijd werd hoorbaar in gelijke stukjes gehakt en die stukjes werden ‘pars minuta prima’ (kleine deel) en wat later ‘minuta’ genoemd.
Het aantal minuten per uur was in de aanvang niet voor alle klokken gelijk omdat de slingers niet overal even lang waren en dus niet even snel bewogen. Er zijn klokken geweest met honderd minuten per uur!
Waarschijnlijk gaat het aantal van 60 seconden nog terug op de Babyloniërs en Egyptenaren. Wij hebben een tiendelig maat- en rekenstelsel, die oude culturen hadden een zesdelig stelsel. De Chinezen hadden een telraam met vijf balletjes per staaf, vijfdelig stelsel dus.
De Egyptenaren hadden tweemaal zes ‘zonne- of daguren‘, zes tot aan de middag en dan zes tot aan de avond. En ‘dus’ ook tweemaal zes ‘nachturen’. Wat wij etmaal (of dag) noemen van 24 uren.
Ze hadden 12 (2x6) maanden van 30 dagen en dus een jaar van 360 gewone dagen plus vijf niet meetellende feestdagen om niet uit de pas te raken met de seizoenen. Ze deelden ook een cirkel in 360 parten. Op een of andere manier zijn die gewoonten blijkbaar in onze cultuur doorgedrongen.
Er kwam een hele internationale concurrentie op gang wie de beste klokken kon maken. De eerste klok die met een ‘klokgeluid’ elk uur het getal van het uur aangaf (van 1 tot 24 dus) stond in Italië. Om middernacht werd er dus lang ‘geluid’.
In Engeland verscheen de eerste klok met een wijzer, die viermaal per etmaal rondging in sprongen van 1/6 van een cirkel. Als de wijzer het ‘eerste uur’ aanwees kon het dus 1, 7, 13 of 19 uur zijn. Maar de burger wist wel welk uur van de dag werd aangewezen. Een tijdje later ging de wijzer niet meer sprongsgewijs maar geleidelijk van het ene uur naar het volgende.
Intussen was men het er nog niet over eens wanneer de dag begon. Tussen Eufraat en Tigris en bij de Nijl begon de dag bij zonsopkomst. Bij de Joden, Grieken en Moslims bij zonsondergang. Het heeft tot in de 17de eeuw geduurd voor hier in het Westen overal de ‘dag’ met middernacht begon. Intussen is de vaak hoog oplopende ruzie over hoe het in Genesis 1 moet gezeten hebben verstomd.
En toen kwam er een klok die met een tweede kleinere wijzer de kwartieren aangaf. En de klok in Engeland, die een wijzer had, die per minuut de hele wijzerplaat doorliep was een drukbezochte bezienswaardigheid. Die wijzer gaf de pars minuta secunda aan, het tweede klein(ere) deel. De geboorte van de seconde, weer 60 per minuut en 360 per uur. Zal bij de Egyptenaren wel ‘gevallen’ zijn.
Voor wie geïnteresseerd is: over de geschiedenis van De Tijd s nog veel meer te vertellen, maar ik houd het ondergand voor gezien. Negen bijdragen lijkt me wel voldoende.
Ik verwijs nog maar eens naar m’n bron: Daniël J. Boorstin: ‘The Discoverers’. Wel 684 pag. tekst en een kleine 100 pag. noten, bibiografie etc. Je bent dus gewaarschuwd!
We hebben allemaal een horloge dus waarom zouden we ons druk maken? Wij weten wel hoe laat het is. Effe sjekke!
Groeten.
Fons.