http://www.trouw.nl/opinie/letter-en-ge ... eval_.html
Kiezen tussen God en toeval
Tekenen van gene zijde
Coen Simon
De atheïst is even dogmatisch als de theïst, vindt filosoof Coen Simon. „Het gevoel dat er meer is buiten onze alledaagse beleving van de werkelijkheid dan we onder woorden kunnen brengen, wordt vandaag de dag gekaapt door de onzinnige polarisatie tussen geloof en wetenschap.”
Aan het begin van de avond stond ik tussen twee rijen spiegels en wasbakken in het witgepleisterde huisje met de sanitaire voorzieningen, dat zo te zien ooit net zo’n kapelletje was geweest als we hier en daar in het landschap waren tegengekomen. Als ik heel dicht op een spiegel ging staan lukte het om via de spiegelrij achter mij door de deur het hele terrein te overzien met zijn tientallen olijfboompjes. Al waren we de enige gasten, Lotte en ik hielden ons braaf aan de kuise afscheiding tussen de dames- en herentoiletten. Mijn handen hingen in de zakken van mijn linnen broek en ik keek mezelf aan. Misschien kwam het ook omdat ik er – gebruind en ongeschoren – anders dan anders uitzag, maar het lag denk ik vooral aan het lange gestaar naar mezelf, waardoor het ineens leek alsof het een ander was die mij in de spiegel aankeek. Ik deed geschrokken een stapje achteruit. De betovering verdween meteen, maar ik bleef op mijn hoede.
In mijn broekzak voelde ik een muntje en een buskaartje. Uit angst dat het vreemde gelaat weer over mijn gezicht schoof begon ik rare bekken te trekken en ten slotte duwde ik de tien-drachmemunt in mijn rechteroog en hield deze vast tussen wang en wenkbrauw. Mijn linkeroog kneep ik dicht, maar door een klein spleetje naast de munt kreeg ik mijn blinde gezicht met het nikkelen oog toch te zien in de spiegel. Door de rare grimas schoot ik in de lach, en het muntje viel rinkelend in de wasbak. Terwijl ik op de tast in de porseleinen bak greep stonden opnieuw twee vreemde ogen in mijn gezicht. „Kop, als je een ander bent”, flapte ik eruit tegen mijn spiegelbeeld. Met mijn duim wipte ik het muntje door de lucht, ving het en klapte het op de rug van mijn linkerhand. Kop. De overtuiging dat ik een kansspel speelde veranderde mijn angst in nieuwsgierigheid. Nog een vraag: „Kan ik alles vragen? Kop voor ja.” Kop. Volgende: „Doe ik dit zelf? Kop voor ja.” Munt. „Wie ben je?” Kop. Stom, dat betekende natuurlijk niks. „Ben je God? Munt voor ja.” Munt. Dat wilde ik wel eens zien. „Ja ja, en ik ben Democritus. Munt voor ja.” Kop. Ik ging door met het bevragen van de betrouwbaarheid van de munt. Het toeval werd steeds wonderlijker en uiteindelijk werd toeval ongeloofwaardig. Dit was geen kansspelletje meer.
Ik keek in de spiegel en zweeg. Daar stond ik. Nog één vraag: „Blijf ik bij Lotte? Kop voor ja.” Door de extra krachtige tik met mijn duim schoot de munt met een lichte boog tegen een balk in het plafond en kwam via de spiegel onder de wasbakken.
Ik weet niet wat het had te betekenen dat ik de munt niet meer terugvond, maar ik voelde me ongemakkelijk toen ik de tent naderde waarvoor Lotte op de grond zat te lezen. Toen ik mezelf tegen haar hoorde liegen dat ik even langs de zee had gelopen, nam ik me voor het haar nooit te vertellen.
Was dat niet Heidegger?De beroemde vraag van Leibniz: „Waarom is er iets en niet veeleer niets?”, is een vraag die als een deur ons tijdelijke bestaan verbindt met het eeuwige.
Hebr 6: 