The ultimatum game: experimenten met billijkheid.
Geplaatst: 18 dec 2009 18:10
Tot kortgeleden waren de theorieën over het menselijk bestaan - missschien het meest complexe wat het universum heeft voortgebracht - verrassend simplistisch. Het sociobiologische credo dat mensen worden gedreven door zelfzucht en geweld, ging samen met het kapitalistische credo dat financieel voordeel de motor van alle economisch leven is.
De laatste jaren zijn op dit gebied talrijke nieuwe denkbeelden geopperd en uitgetest. Het uittesten van theorieën over menselijk gedrag werd voordien maar zelden gedaan. Misschien is de tijd aangebroken waarin ook voor de menswetenschappen breedgeschilderde verhalen het afleggen tegen de zorgvuldige waarneming van wat zich werkelijk voordoet, en worden ook daar mythen teruggedrongen door de wetenschappelijke methode.
Het boek "Experiments in Economics: playing fair with money" van Ananish Chaudhuri beschrijft deze nieuwe evolutie in het economisch denken, die volgens mij ook invloed zal hebben op de biologie en de antropologie. Economen hebben het verschijnen van dit boek toegejuicht als de ontsluiting voor een groter publiek van een terrein waar al twintig jaar in gewerkt wordt door specialisten. Teruggetrokken in rustiger en warmere streken is het mij gelukt het eerste deel door te worstelen, en ik vraag me af of iemand mijn opwinding deelt.
Oude dogma's zoals de wet van vraag en aanbod, economisch rationalisme en winst als primaire drijfveer worden niet langer zonder slag of stoot aangenomen, maar worden uitgetest in soms knap opgezette experimentele situaties. Hierdoor is men zich gaan realiseren dat sociale normen een veel grotere rol spelen dan tot nu gedacht.
Het boek behandelt vier thema's: billijkheid in overeenkomsten; vertrouwen en betrouwbaarheid; samenwerking in sociale dilemma's; en samenwerking in organisaties. In deze post heb ik het enkel over het eerste thema: billijkheid.
Heel wat economische theorieën veronderstellen dat mensen rationeel handelen, of anders gezegd dat ze altijd datgene doen wat henzelf het meeste oplevert. Maar soms wordt een overeenkomst die winst zou opleveren niet gesloten omdat één van de partijen vindt dat ze onbillijk is. Zo blijkt dat heel wat klanten weigeren een sneeuwschop te kopen als de handelaar de prijs snel verdubbeld heeft bij onverwachte sneeuwval, ook al hebben ze die nodig. Als er meer werkzoekenden zijn worden lonen niet verlaagd, omdat de werknemer een goede verstandhouding met het personeel verkiest. (Beide voorbeelden zijn Amerikaans.) Nader onderzoek (p62) heeft aangewezen dat niet alle culturen hetzelfde denken over wat billijk is. Dát algemene normen van billijkheid overal een grote rol spelen is wel duidelijk.
De speltheorie is een wetenschappelijke manier om situaties met zo'n beslissingen te beschrijven. In een spel waarin de spelers gaan voor het grootste voordeel, neemt elke speler een beslissing die tracht rekening te houden met wat de andere zal doen. Het meest bekende spel is zonder twijfel het "prisoner's dilemma", dat regelmatig opduikt in politieseries: twee daders worden afzonderlijk ondervraagd. Houden ze beiden hun mond, dan komen ze beide weg zonder straf. Als een van beide klikt, krijgt die strafvermindering. Als ze allebei praten, krijgen ze beiden een zware straf. Maar ook het dagelijks leven is doorspekt van zulke dilemma's. Een wandelaar die zwerfvuil achterlaat rekent er op dat de anderen de vuilnisbak gebruiken om het park ook voor hem leefbaar te houden.
Het ultimatum game.
“Dit voorstel is te nemen of te laten”, hoort men regelmatig bij onderhandelingen, of het nu om lonen of om een prijs gaat. Mensen blijken bereid te zijn geld mis te lopen wanneer de overeenkomst niet meer klopt met hun gevoel van billijkheid. Om dit vermoeden uit te testen werd een experiment bedacht, dat tot vandaag steeds verder aangepast en verfijnd zou worden.
In 1982 vroeg Werner Guth (Keulen) 42 studenten mee te werken aan volgende “ultimatum game” (p. 39):
De studenten werden verdeeld in 21 gevers en 21 nemers. Daarmee werden 21 duo's samengesteld uit 1 gever en 1 nemer. De gevers wisten niet met welke nemer ze een paar vormden. De gevers ontvingen elk een startbedrag van 3 tot 10 mark. De nemers waren hiervan op de hoogte.
Elke gever werd nu gevraagd een deel van het startbedrag aan een nemer te geven en de rest voor zichzelf te houden. Als de nemer deze verdeling aanvaardde, werd het bedrag verdeeld zoals voorgesteld. Maar als de nemer de verdeling weigerde ontving hij niets, maar moest ook de gever het startbedrag inleveren. Daar eindigde het spel.
Men zou redelijkerwijs verwachten dat de gever slechts een minimaal bedrag zou bieden, omdat de nemer er geen baat bij had een klein bedrag te weigeren. Maar er werd veel hoger geboden dan uit economisch oogpunt nodig was: 17 gevers van de 21 boden meer dan 20% van het startbedrag, terwijl 7 gevers de helft boden. Er werden slechts 2 voorstellen verworpen: een aanbod van 0 mark, en een aanbod van 20% van het startbedrag.
(Een evenwicht, waarbij alle partijen tevreden zijn, wordt een Nash equilibrium genoemd, naar de Nobelprijswinnaar John Nash, bekend van de film “A Beautiful Mind”.)
Guth en zijn collega's besloten de proef te herhalen met dezelfde studeten, waarbij andere paren gevormd werden en de gevers andere startbedragen ontvingen. (p.43)
Dit keer boden 18 gevers meer dan 20%. Slechts 3 gevers boden de helft van het startbedrag. 4 gevers boden een kwart.
Er werden nu 6 voorstellen verworpen door de nemers: bij 3 daarvan had de nemer 20% of minder aangeboden, bij 2 ervan 25% en bij één zelfs 45%.
Het was duidelijk dat de resultaten sterk afweken van de optimale verdeling die men op economische gronden zou verwachten. Na bijkomende tests die bevestigden dat de spelers de spelregels goed begrepen hadden, kwam Guth tot het besluit dat: "de hoofdreden is dat de rationele oplossing niet ervaren wordt als sociaal aanvaardbaar of billijk."
Nemers bleken bereid een opbrengst van 2 mark te laten schieten, liever dan de gever zonder goede reden met 8 mark te laten vertrekken. Dit resultaat veroorzaakte opschudding onder economen. Billijkheid kwam tot dat ogenblik niet in hun woordenschat voor. Zij hadden mensen steeds als rationele wezens beschouwd, maw. wezens die zich altijd richten op het grootste voordeel. Nu bleek dat er ook een rol was weggelegd voor normen, billijkheid en relatieve opbrengst.
Dit trok de aandacht van Sally Blount (Chicago) die een ultimatum game opzette om te onderzoeken of de spelers de verdeling zelf onbillijk vonden, of de manier waarop de verdeling tot stand kwam. (p.46)
Uit studenten werden 17 gevers, 17 nemers en 17 arbiters (“third party”) geronseld. Trio's werden samengesteld met één speler uit elke categorie, en de gevers ontvingen een startbedrag van $10. Zoals met elk ultimatum game ging het startbedrag verloren als de nemer de verdeling weigerde.
Sally Blount liet het spel driemaal uitvoeren: de eerste maal werd de verdeling beslist door de gever (zoals met vorige ultimatum games); de tweede maal werd de verdeling beslist door de arbiter; en de derde maal werd de verdeling beslist met een roulette.
De eerste maal aanvaardden de nemers gemiddelde $2.91 van de $10. Met een onpartijdig arbiter aanvaardden ze gemiddeld $2.08. Met de roulette werd gemiddeld $1.20 aanvaard. Verschillen worden blijkbaar beter aanvaard als ze niet het gevolg zijn van menselijke beslissingen. Onbillijke behandeling is belangrijker dan opbrengst.
Een ultimatum game opgezet door Armin Falk in Zurich (p.48) leverde geen nieuwe conclusies op, maar inspireerde Keith Jensen van het Max Planck institute for Evolutionary Anthropology om het spel met 11 chimpansees te spelen. Het bleek dat chimpansees, in tegenstelling tot mensen, geen enkel bod afsloegen. Meer informatie over dit experiment is te vinden in deze press release. Keith Jensen leidt vandaag nog steeds nieuwe projecten rond ultimatum games met chimpansees en bonobo's.
Het dictator game
Robert Forsythe (Iowa) veranderde het experiment zodat zou blijken of er iets bestaat als een verlangen om te delen. (p. 51)
Het “dictator game”, zoals dit experiment bekend werd, was gelijk aan het ultimatum game met één verschil: de nemer had niets in de pot te brokkelen. Aan het begin werd elke gever gevraagd $5 naar eigen goeddunken te delen. Dat was alles. De gever kon dus eenvoudig het startbedrag op zak steken en buiten wandelen. Toch gaf slechts 42% van hen helemaal niets aan de nemer: 30% gaf $1, de rest minder dan $0.5. Chaudhuri besluit dat de verdeling niet steunt op altruisme, maar op impliciete sociale normen van billijkheid.
Elisabeth Hoffman ontwierp een variant van het dictator game om te onderzoeken in hoeverre de generositeit van de gevers beinvloed was door de vrees een hebzuchtige indruk te maken op de onderzoekers. Eerst werd het gewone dictator game gespeeld; vervolgens werd een korte quiz toegevoegd om te bepalen wie gever werd, zodat de gevers een bepaald “recht” kon laten gelden op het beginbedrag; uiteindelijk werd een “dubbelblind” versie gespeeld, waarbij de spelers genummerd werden en hun beslissingen in een bus gestoken werden.
In het gewone dictator game van Hoffmann gaf de gever gemiddeld 20% weg van het beginbedrag. Wanneer het beginbedrag “verdiend” was in een quiz, gaf 40% niets, en nog eens 40% gaf slechts 10 of 20%.
Wanneer daarboven ook nog het dubbelblind protocol werd ingevoerd, gaf tweederde van de gevers niets, terwijl 84% van de gevers 10% of minder aan de nemers schonken. Hoffman en collega's besloten dat er wel degelijk een groot effect is wanneer de experimenter toekijkt.
Het impunity game
Men kan zich afvragen in hoeverre vrees invloed heeft op de gever. Gary Bolton en Rami Zwick ontwierpen een variant op het ultimatum game die bekend werd als “impunity game” om dit te onderzoeken. In het impunity game is de nemer niet bij machte de gever te benadelen. (p58)
Het spel wordt tien keer gespeeld, telkens met een andere nemer. Als de nemer het niet eens is met het voorstel van de gever, ontvangt de gever zijn deel, maar de nemer krijgt niets. De gever krijgt een beginbedrag van $4, waar het resultaat van elke beurt wordt bijgeteld. Het te verdelen bedrag blijft bij elke beurt $4, waarbij nooit minder dan $0.20 dollar mag aangeboden worden.
Het bleek dat 98% van de gemaakte voorstellen in het voordeel van de gever waren. Geen enkele van deze voorstellen werd afgewezen.
Chaudhuri schrijft (p.61): “wanneer de nemers onbillijke voorstellen niet meer konden bestraffen, hadden de gevers er geen bezwaar meer tegen onbillijke voorstellen te doen. En wanneer de nemers wisten dat hun afwijzing de gever geen nadeel kon berokkenen, namen ze ook de moeite niet meer om het aanbod af te wijzen.“
Chaudhuri besluit zijn hoofdstuk over het ultimatum game met de vaststelling dat een winstgevende overeenkomst kan afgewezen worden omwille van onbillijkheid. Deze onbillijkheid kan zowel liggen in de verdeling zelf, als in de wijze waarop de verdeling tot stand is gekomen. Mensen aanvaarden makkelijk de uitkomst van een loterij, zolang die eerlijk verloopt.
De laatste jaren zijn op dit gebied talrijke nieuwe denkbeelden geopperd en uitgetest. Het uittesten van theorieën over menselijk gedrag werd voordien maar zelden gedaan. Misschien is de tijd aangebroken waarin ook voor de menswetenschappen breedgeschilderde verhalen het afleggen tegen de zorgvuldige waarneming van wat zich werkelijk voordoet, en worden ook daar mythen teruggedrongen door de wetenschappelijke methode.
Het boek "Experiments in Economics: playing fair with money" van Ananish Chaudhuri beschrijft deze nieuwe evolutie in het economisch denken, die volgens mij ook invloed zal hebben op de biologie en de antropologie. Economen hebben het verschijnen van dit boek toegejuicht als de ontsluiting voor een groter publiek van een terrein waar al twintig jaar in gewerkt wordt door specialisten. Teruggetrokken in rustiger en warmere streken is het mij gelukt het eerste deel door te worstelen, en ik vraag me af of iemand mijn opwinding deelt.
Oude dogma's zoals de wet van vraag en aanbod, economisch rationalisme en winst als primaire drijfveer worden niet langer zonder slag of stoot aangenomen, maar worden uitgetest in soms knap opgezette experimentele situaties. Hierdoor is men zich gaan realiseren dat sociale normen een veel grotere rol spelen dan tot nu gedacht.
Het boek behandelt vier thema's: billijkheid in overeenkomsten; vertrouwen en betrouwbaarheid; samenwerking in sociale dilemma's; en samenwerking in organisaties. In deze post heb ik het enkel over het eerste thema: billijkheid.
Heel wat economische theorieën veronderstellen dat mensen rationeel handelen, of anders gezegd dat ze altijd datgene doen wat henzelf het meeste oplevert. Maar soms wordt een overeenkomst die winst zou opleveren niet gesloten omdat één van de partijen vindt dat ze onbillijk is. Zo blijkt dat heel wat klanten weigeren een sneeuwschop te kopen als de handelaar de prijs snel verdubbeld heeft bij onverwachte sneeuwval, ook al hebben ze die nodig. Als er meer werkzoekenden zijn worden lonen niet verlaagd, omdat de werknemer een goede verstandhouding met het personeel verkiest. (Beide voorbeelden zijn Amerikaans.) Nader onderzoek (p62) heeft aangewezen dat niet alle culturen hetzelfde denken over wat billijk is. Dát algemene normen van billijkheid overal een grote rol spelen is wel duidelijk.
De speltheorie is een wetenschappelijke manier om situaties met zo'n beslissingen te beschrijven. In een spel waarin de spelers gaan voor het grootste voordeel, neemt elke speler een beslissing die tracht rekening te houden met wat de andere zal doen. Het meest bekende spel is zonder twijfel het "prisoner's dilemma", dat regelmatig opduikt in politieseries: twee daders worden afzonderlijk ondervraagd. Houden ze beiden hun mond, dan komen ze beide weg zonder straf. Als een van beide klikt, krijgt die strafvermindering. Als ze allebei praten, krijgen ze beiden een zware straf. Maar ook het dagelijks leven is doorspekt van zulke dilemma's. Een wandelaar die zwerfvuil achterlaat rekent er op dat de anderen de vuilnisbak gebruiken om het park ook voor hem leefbaar te houden.
Het ultimatum game.
“Dit voorstel is te nemen of te laten”, hoort men regelmatig bij onderhandelingen, of het nu om lonen of om een prijs gaat. Mensen blijken bereid te zijn geld mis te lopen wanneer de overeenkomst niet meer klopt met hun gevoel van billijkheid. Om dit vermoeden uit te testen werd een experiment bedacht, dat tot vandaag steeds verder aangepast en verfijnd zou worden.
In 1982 vroeg Werner Guth (Keulen) 42 studenten mee te werken aan volgende “ultimatum game” (p. 39):
De studenten werden verdeeld in 21 gevers en 21 nemers. Daarmee werden 21 duo's samengesteld uit 1 gever en 1 nemer. De gevers wisten niet met welke nemer ze een paar vormden. De gevers ontvingen elk een startbedrag van 3 tot 10 mark. De nemers waren hiervan op de hoogte.
Elke gever werd nu gevraagd een deel van het startbedrag aan een nemer te geven en de rest voor zichzelf te houden. Als de nemer deze verdeling aanvaardde, werd het bedrag verdeeld zoals voorgesteld. Maar als de nemer de verdeling weigerde ontving hij niets, maar moest ook de gever het startbedrag inleveren. Daar eindigde het spel.
Men zou redelijkerwijs verwachten dat de gever slechts een minimaal bedrag zou bieden, omdat de nemer er geen baat bij had een klein bedrag te weigeren. Maar er werd veel hoger geboden dan uit economisch oogpunt nodig was: 17 gevers van de 21 boden meer dan 20% van het startbedrag, terwijl 7 gevers de helft boden. Er werden slechts 2 voorstellen verworpen: een aanbod van 0 mark, en een aanbod van 20% van het startbedrag.
(Een evenwicht, waarbij alle partijen tevreden zijn, wordt een Nash equilibrium genoemd, naar de Nobelprijswinnaar John Nash, bekend van de film “A Beautiful Mind”.)
Guth en zijn collega's besloten de proef te herhalen met dezelfde studeten, waarbij andere paren gevormd werden en de gevers andere startbedragen ontvingen. (p.43)
Dit keer boden 18 gevers meer dan 20%. Slechts 3 gevers boden de helft van het startbedrag. 4 gevers boden een kwart.
Er werden nu 6 voorstellen verworpen door de nemers: bij 3 daarvan had de nemer 20% of minder aangeboden, bij 2 ervan 25% en bij één zelfs 45%.
Het was duidelijk dat de resultaten sterk afweken van de optimale verdeling die men op economische gronden zou verwachten. Na bijkomende tests die bevestigden dat de spelers de spelregels goed begrepen hadden, kwam Guth tot het besluit dat: "de hoofdreden is dat de rationele oplossing niet ervaren wordt als sociaal aanvaardbaar of billijk."
Nemers bleken bereid een opbrengst van 2 mark te laten schieten, liever dan de gever zonder goede reden met 8 mark te laten vertrekken. Dit resultaat veroorzaakte opschudding onder economen. Billijkheid kwam tot dat ogenblik niet in hun woordenschat voor. Zij hadden mensen steeds als rationele wezens beschouwd, maw. wezens die zich altijd richten op het grootste voordeel. Nu bleek dat er ook een rol was weggelegd voor normen, billijkheid en relatieve opbrengst.
Dit trok de aandacht van Sally Blount (Chicago) die een ultimatum game opzette om te onderzoeken of de spelers de verdeling zelf onbillijk vonden, of de manier waarop de verdeling tot stand kwam. (p.46)
Uit studenten werden 17 gevers, 17 nemers en 17 arbiters (“third party”) geronseld. Trio's werden samengesteld met één speler uit elke categorie, en de gevers ontvingen een startbedrag van $10. Zoals met elk ultimatum game ging het startbedrag verloren als de nemer de verdeling weigerde.
Sally Blount liet het spel driemaal uitvoeren: de eerste maal werd de verdeling beslist door de gever (zoals met vorige ultimatum games); de tweede maal werd de verdeling beslist door de arbiter; en de derde maal werd de verdeling beslist met een roulette.
De eerste maal aanvaardden de nemers gemiddelde $2.91 van de $10. Met een onpartijdig arbiter aanvaardden ze gemiddeld $2.08. Met de roulette werd gemiddeld $1.20 aanvaard. Verschillen worden blijkbaar beter aanvaard als ze niet het gevolg zijn van menselijke beslissingen. Onbillijke behandeling is belangrijker dan opbrengst.
Een ultimatum game opgezet door Armin Falk in Zurich (p.48) leverde geen nieuwe conclusies op, maar inspireerde Keith Jensen van het Max Planck institute for Evolutionary Anthropology om het spel met 11 chimpansees te spelen. Het bleek dat chimpansees, in tegenstelling tot mensen, geen enkel bod afsloegen. Meer informatie over dit experiment is te vinden in deze press release. Keith Jensen leidt vandaag nog steeds nieuwe projecten rond ultimatum games met chimpansees en bonobo's.
Het dictator game
Robert Forsythe (Iowa) veranderde het experiment zodat zou blijken of er iets bestaat als een verlangen om te delen. (p. 51)
Het “dictator game”, zoals dit experiment bekend werd, was gelijk aan het ultimatum game met één verschil: de nemer had niets in de pot te brokkelen. Aan het begin werd elke gever gevraagd $5 naar eigen goeddunken te delen. Dat was alles. De gever kon dus eenvoudig het startbedrag op zak steken en buiten wandelen. Toch gaf slechts 42% van hen helemaal niets aan de nemer: 30% gaf $1, de rest minder dan $0.5. Chaudhuri besluit dat de verdeling niet steunt op altruisme, maar op impliciete sociale normen van billijkheid.
Elisabeth Hoffman ontwierp een variant van het dictator game om te onderzoeken in hoeverre de generositeit van de gevers beinvloed was door de vrees een hebzuchtige indruk te maken op de onderzoekers. Eerst werd het gewone dictator game gespeeld; vervolgens werd een korte quiz toegevoegd om te bepalen wie gever werd, zodat de gevers een bepaald “recht” kon laten gelden op het beginbedrag; uiteindelijk werd een “dubbelblind” versie gespeeld, waarbij de spelers genummerd werden en hun beslissingen in een bus gestoken werden.
In het gewone dictator game van Hoffmann gaf de gever gemiddeld 20% weg van het beginbedrag. Wanneer het beginbedrag “verdiend” was in een quiz, gaf 40% niets, en nog eens 40% gaf slechts 10 of 20%.
Wanneer daarboven ook nog het dubbelblind protocol werd ingevoerd, gaf tweederde van de gevers niets, terwijl 84% van de gevers 10% of minder aan de nemers schonken. Hoffman en collega's besloten dat er wel degelijk een groot effect is wanneer de experimenter toekijkt.
Het impunity game
Men kan zich afvragen in hoeverre vrees invloed heeft op de gever. Gary Bolton en Rami Zwick ontwierpen een variant op het ultimatum game die bekend werd als “impunity game” om dit te onderzoeken. In het impunity game is de nemer niet bij machte de gever te benadelen. (p58)
Het spel wordt tien keer gespeeld, telkens met een andere nemer. Als de nemer het niet eens is met het voorstel van de gever, ontvangt de gever zijn deel, maar de nemer krijgt niets. De gever krijgt een beginbedrag van $4, waar het resultaat van elke beurt wordt bijgeteld. Het te verdelen bedrag blijft bij elke beurt $4, waarbij nooit minder dan $0.20 dollar mag aangeboden worden.
Het bleek dat 98% van de gemaakte voorstellen in het voordeel van de gever waren. Geen enkele van deze voorstellen werd afgewezen.
Chaudhuri schrijft (p.61): “wanneer de nemers onbillijke voorstellen niet meer konden bestraffen, hadden de gevers er geen bezwaar meer tegen onbillijke voorstellen te doen. En wanneer de nemers wisten dat hun afwijzing de gever geen nadeel kon berokkenen, namen ze ook de moeite niet meer om het aanbod af te wijzen.“
Chaudhuri besluit zijn hoofdstuk over het ultimatum game met de vaststelling dat een winstgevende overeenkomst kan afgewezen worden omwille van onbillijkheid. Deze onbillijkheid kan zowel liggen in de verdeling zelf, als in de wijze waarop de verdeling tot stand is gekomen. Mensen aanvaarden makkelijk de uitkomst van een loterij, zolang die eerlijk verloopt.