Mss toch wel leuk het hele artikel even te plaatsen.
caritas est’ – God is liefde – heette de eerste encycliek die paus Benedictus XVI deed uitgaan. Toen ik me daar onlangs op verzoek in verdiepte, wist ik niet goed raad met de godstypering van de paus. Het begrip God staat, meen ik, voor de Ultieme Bestuurder, een Wezen dat in laatste instantie het wel en wee van het individu en van de samenleving bepaalt. Zou liefde hierbij het enige instrument kunnen zijn? Dat lijkt mij een te beperkte toerusting.
Abraham, Lot, diens vrouw en beide dochters. Op de achtergrond gaat Sodom in vlammen op. Volgens het bijbelboek Genesis straft God Sodom en Gomorra vanwege de morele verdorvenheid van de inwoners. (Gebrandschilderd glas, vervaardiger anoniem, atelier van Dirck Vellert, naar Cornelisz. van Oostsanen, ca. 1520-1525.) | Collectie Rijksmuseum AmsterdamDe Hebreeuwse bijbel geeft van de goddelijke natuur een genuanceerder beeld. God beschrijft zichzelf als liefdevol en genadig, geduldig, trouw, waarachtig, vergevensgezind, maar niet alles ongestraft latend (Exodus 34:6-7). Door de ogen van de mens bezien, lijkt dit een realistischer profielschets voor de drager van het hoogst denkbare gezag.
Mijn onbehagen spruit voort uit de contrastwerking. De God der Liefde – de God van de christelijke Bijbel, vertegenwoordigd door zijn zoon Jezus – is gedurende een lange periode tegenover de God der Wrake geplaatst, de God van de Hebreeuwse Bijbel. Hij is een weliswaar overwegend rechtvaardige, maar onbarmhartige en meedogenloze God.
Dit laatste godsbeeld bezit voor Joden krachtige negatieve connotaties. Het is namelijk een sleutelbegrip geweest in de zogeheten ’vervangingstheologie’. Volgens deze opvatting had het christendom de plaats ingenomen van het jodendom. God zou het Verbond met het Joodse volk hebben opgezegd en met de christenheid een nieuw Verbond zijn aangegaan. De Hebreeuwse Bijbel was achterhaald, het was het ’Oude’ Testament. Het was weliswaar nog steeds een heilig geschrift, maar het had z’n autoriteit verloren. Gods definitieve visie op mens en wereld was vastgelegd in het Nieuwe Testament.
De Wet, de Thora, hoefde niet meer te worden nageleefd, sprak Paulus. Het ging om geloof, in Jezus, Gods zoon en de Messias. Alleen door dat geloof kon de mens verlost worden en zaligheid verwerven. „Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered” (Romeinen 10:9). Jezus werd beschouwd als de nieuwe Adam. Alleen via hem zou de Vader bereikt kunnen worden.
Maar de Jood weigerde zijn geloof op te geven en de nieuwe leer te omarmen – discriminatie en vervolging ten spijt. Die hardnekkigheid was de christelijke wereld een doorn in het oog. Er waren slechts twee verklaringen mogelijk. Ofwel het nieuwe geloof was niet superieur aan het oude, ofwel de Joodse hardnekkigheid werd gevoed door duistere, satanische machten.
Eeuwenlang werd de eerste verklaring verworpen, de tweede aanvaard. De vervangingstheologie legde de basis voor het christelijke antisemitisme.
De vervangingstheologie is verlaten, maar de God der Wrake leeft nog. Hij stak bijvoorbeeld onverhuld zijn kop weer op bij het verschijnen van de Nieuwe Bijbelvertaling.
Zo zei hulpbisschop Everard de Jong van Roermond in deze krant: „Die vreselijke oorlogen in het Oude Testament, wat moet je met zo’n God?”
Cisca Dresselhuys, destijds hoofdredacteur van Opzij, formuleerde het nog explicieter: „’Ester’ is een echt oudtestamentisch boek waar het bloed van de pagina’s spat. Gelukkig heeft later een andere Joodse man de boodschap van liefde en verzoening gebracht.”
De filosoof Ger Groot sprak in NRC Handelsblad over de ’meedogenloze woestheid’ van de vroege bijbelboeken. „Genocide stapelt zich op genocide, wanneer het volk waarvan de geschiedenis wordt verteld eenmaal is aangekomen in het land van zijn bestemming.”
Verderop schrijft hij: „In deze boeken wordt een gruwelijk universum zichtbaar, gedrenkt in bloed en haat, volgens een wet die voor elk vergrijp van enige omvang slechts dood door steniging als strafmaat hanteert.”
Terzijde: niet ’voor elk vergrijp van enige omvang’, maar voor bepaalde vergrijpen, die strijdig waren met de moraalcode waaraan het volk Israël zich gebonden had. Die code was omvattend en veeleisend en bovendien cultureel gezien een novum. De kans op overtreding was aanzienlijk en werd ontmoedigd door straf in het vooruitzicht te stellen. De doodstraf was toentertijd niet taboe. De methoden van voltrekking wreed. Maar ’milde methoden’ waren niet in zwang.
Ook schrijft Groot: „Met koppige vasthoudendheid wordt het volk voorgehouden zich niet te vermengen met andere stammen, laat staan hun gewoonten over te nemen – ook al zouden die nauwelijks wreder kunnen zijn dan welke het zelf praktiseert.”
Nogmaals terzijde: als het volk niet met koppige vasthoudendheid had volgehouden, zou er geen jodendom meer zijn geweest en vermoedelijk geen christendom zijn ontstaan. De ’koppige vasthoudendheid’ waarover Groot spreekt, heeft indrukwekkende vruchten afgeworpen.
Dat de God van de Hebreeuwse Bijbel een meedogenloze Autoriteit zou zijn is een misvatting. God presenteert zich aan de kinderen van Abraham als het zinnebeeld van moraliteit, als ’heilig’, en eist van hen dat zij zullen trachten hem in deze na te volgen. „Wees heilig want ik, de Heer, jullie God, ben heilig” (Leviticus 19:2). Moreel gedrag zal hij belonen, wangedrag bestraffen.
De ander wordt centraal gesteld, vooral de ander die hulp behoeft: de weduwe, de wees, de armlastige, de invalide. „Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de Heer” (Leviticus 19:18). In enkele bijbelvertalingen wordt het Hebreeuwse woord rea niet vertaald als ’naaste’, maar als ’nabuur’. Door sommige theologen is gesteld dat het gebod daarom alleen op mede-Joden betrekking had.
De huidige paus gaat hier in zijn eerste encycliek merkwaardigerwijs in mee. Hij schrijft: „Tot die tijd [het verschijnen van Jezus] sloeg het begrip ’naaste’ in feite alleen op de volksgenoten en op de vreemdelingen die zich in het land Israël gevestigd hadden, met andere woorden, op de hechte gemeenschap van een land en een volk. Deze grens wordt nu doorbroken: iedereen die mij nodig heeft en die ik helpen kan is mijn naaste. Het begrip ’naaste’ wordt universeel gemaakt en blijft toch concreet.”
Deze visie is onjuist. Rabbijn Hertz, Thoravertaler en commentator, merkt op dat het woord ’nabuur’ op verschillende plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel wordt gebruikt in de zin van medemens, niet van mede-Jood. Dat in het genoemde gebod met ’nabuur’ medemens wordt bedoeld, blijkt even verderop: „Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte” (Leviticus 19:34).
Hillel de Oudere – een van de belangrijkste Joodse leraren uit farizeïsche kring en tijdgenoot van koning Herodes – parafraseerde dit voorschrift als volgt: „Wat u zelf verafschuwt, doe dat uw naaste niet aan.” Hij beschouwde dit als de kern van de Thora, de rest als commentaar.
Het gebod tot begrip en respect voor de ander, ongeacht afkomst en sociale status, is een steeds terugkerend thema in de Thora, bij de literaire profeten en in de Talmoed.
Zo staat er in Jesaja 58:6-7:
„Is dit niet het vasten dat ik verkies:
misdadige ketenen losmaken,
de banden van het juk ontbinden,
de verdrukten bevrijden, en ieder juk breken?
Is het niet: je brood delen met de hongerige,
onderdak bieden aan armen zonder huis,
iemand kleden die naakt rondloopt,
je bekommeren om je medemensen?”
In Pirke’ Awot (1:2), een traktaat uit de Misjna, onderdeel van de Talmoed, staat geschreven: „Op drie pijlers staat de wereld: op de Thora, op de dienst aan God en op de daden van liefde en trouw.”
Volgens de paus vereenzelvigt Jezus zich „met de noodlijdenden: de hongerigen, de dorstigen, de vreemdelingen, de naakten, de zieken, degenen die in de gevangenis zitten”. Jezus volgt dus nadrukkelijk het spoor van zijn voorgangers, de grote Joodse profeten. Daar maakt hij zelf trouwens geen geheim van. Als hem gevraagd wordt, wat van alle geboden het belangrijkste gebod is, dan noemt hij het sjema, de kernlering van het jodendom „Luister Israël: De Heer, onze God, is de enige Heer; heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.” En hij vervolgt: „Het op één na belangrijkste is dit: „Heb uw naaste lief als uzelf” (Marcus 12:29-31).
Wij zullen onze naasten liefhebben, ongeacht hun antecedenten. Dit is een kerngebod, zowel in de Hebreeuwse als in de christelijke Bijbel. Elders in zijn eerste encycliek schijnt de paus dit toch te beamen. Hij schrijft: „Door de liefde centraal te stellen heeft het christelijk geloof overgenomen wat de kern van het geloof van Israël was.” Hij voegt hieraan toe dat het christendom „deze kern een nieuwe diepte en breedte heeft gegeven”.
Wat bedoelt de paus met die ’nieuwe diepte en breedte’? Als ik het goed heb begrepen, is dat vooral dat Jezus de onvoorwaardelijke, de onversneden liefde predikt: „Ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie je kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat ook de linkerwang toe te keren” (Matteüs 5:39). En Jezus gaat verder: „Jullie hebt gehoord dat gezegd werd: ’Je moet je naaste liefhebben en je vijanden haten.’ En ik zeg jullie: ’Heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je vader in de Hemel.’”
Maar deze tekst bevat een misvatting. Nergens in de Hebreeuwse Bijbel komt de uitspraak voor dat je je vijanden moet haten. Het judaïsme stelt dat kwaad en onrecht met kracht bestreden en bestraft moeten worden. Ze mogen niet met de mantel der liefde worden bedekt. Ten eerste om de kans op herhaling te verkleinen. Ten tweede om de benadeelde genoegdoening te verschaffen. Als kwaad niet wordt bestraft, wordt de benadeelde of zelfs de hele groep waartoe hij behoort, liefdeloos behandeld.
Liefde, zo lijkt de Hebreeuwse Bijbel te stellen, is een complexe geestestoestand. Het is een amalgaam van mededogen en rechtvaardigheid. Mededogen zonder rechtvaardigheid is in wezen meedogenloos, rechtvaardigheid zonder mededogen harteloos. Dat schijnt deze God duidelijk te willen maken.
Veelvuldig is geprobeerd het beeld van de God der Wrake te ondersteunen met teksten uit de Hebreeuwse Bijbel.
De eerste is de uitspraak uit Exodus 21:24-25: „Een oog voor een oog, een tand voor een tand.” Die zinsnede werd uit z’n verband gerukt. Er werd er een wraakprincipe in gelezen, terwijl het om een proportionaliteitsprincipe gaat. Kwaad dient bestraft, maar strafmaat en delict moeten in verhouding staan. Onrecht moet gecompenseerd, maar, zo stelden de rabbijnen, zoveel mogelijk financieel, niet fysiek – en in overeenstemming met de geleden schade. Het was een voorschrift dat zich juist keerde tegen marteling, verminking, tegen ongebreidelde wraakzucht. Zie het verhaal van Jakob die zijn vader misleidde en diens zegen stal van zijn oudere broer Esau. Op zijn beurt werd Jakob misleid door zijn oom Laban toen hij om de hand vroeg van diens dochter Rachel. Hij wordt niet omgebracht, maar met gelijke munt terugbetaald.
Een tweede welbekende tekst die zou wijzen op kwaadaardige trekken in de God van het ’Oude’ Testament is die uit Exodus 34:6-7 (zie hierboven), waarin God een profielschets van zichzelf geeft. Aan het eind van die opsomming volgt de beruchte uitspraak dat God de kinderen en kleinkinderen zal laten boeten voor de schuld van de ouders, tot in het derde en vierde geslacht. Dat klinkt hard. Waarom zou nageslacht moeten boeten voor wangedrag van de ouders?
Ook in dit geval moet de virtuele tekst achter de letterlijke tekst worden gelezen. In het judaïsme wordt de mens zélf verantwoordelijk gehouden voor zijn handel en wandel. Gaat hij de verkeerde kant op, dan komt dat op zijn conto. Niet op dat van God. Wangedrag runs in families; als gevolg van erfelijke factoren en via imitatie. Slecht voorbeeld doet slecht volgen. De kans is groot dat asociaal gedrag zich in volgende generaties zal herhalen – door aardse factoren, niet door hemels ingrijpen.
God stelt elders nadrukkelijk dat straf beperkt moet blijven tot de overtreder: „Ouders mogen niet ter dood gebracht worden om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf gedaan heeft, mag hij ter dood gebracht worden” (Deuteronomium 24:16).
God schijnt zich trouwens te realiseren dat de eerstgenoemde tekst ongelukkig was gesteld. Volgens Jeremia 31 zegt hij: „Dan zal men niet meer zeggen: ’Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden’, maar zal wie zondigt om zijn eigen zonden sterven. Wanneer iemand onrijpe druiven eet, zullen zijn eigen tanden stroef worden.”
Een realistische tekst. Het gedrag van de ouders is medebepalend voor het gedrag van de kinderen. Dat dienen ouders in hun oren te knopen.
Volgens rabbijn Hertz is er nog een tweede uitleg mogelijk: God zal de kinderen niet laten boeten voor de zonden van hun ouders, maar hij zal zich de zonden van de ouders herinneren als de kinderen ook over de schreef zijn gegaan. Hij zal dan met meer begrip reageren en zijn rechtvaardigheidsgevoel zal worden getemperd door mededogen.
De God van de Hebreeuwse Bijbel is bovenal een moreel Wezen dat moreel gedrag van de mens verwacht en eist. Moreel gedrag is in essentie rechtvaardig gedrag, getemperd door begrip en mededogen. Die combinatie geeft uitdrukking aan waarachtige liefde. Dat is liefde die er rekening mee houdt dat onversneden liefde voor de een, liefdeloosheid kan betekenen jegens de ander. Waarachtige liefde is een vorm van liefde die de samenleving humaniseert.
Zelf heb ik moeite met de term liefde in het voorschrift dat je je naaste moet liefhebben als jezelf. Ik prefereer een andere formulering: je zult de ander respecteren zoals je zelf gerespecteerd wil worden.
Liefde is een gemoedstoestand, beladen met pathos. De term impliceert dat je onvoorwaardelijk van de ander houdt; dat zonder die ander het bestaan aan zin en waarde zou inboeten. De ander is als het ware deel geworden van de eigen persoonlijkheid. In mijn ogen beschikt ieder individu over een beperkt kwantum aan liefde. Je kunt niet de ander liefhebben. Je hebt een ander of enkele anderen lief.
Begrip houdt in dat je je voor de ander openstelt, zonder vooroordelen. Je neemt hem zoals hij is, laat hem in zijn waarde, eventueel in zijn anders-zijn. Begrip leidt tot respect, of op z’n minst tot aanvaarding. Er is één mits. Mits de levensbeschouwing van de ander valt binnen de ethische grenzen die de gemeenschap waarin je leeft als bindend en basaal beschouwt.
Liefde kan niet worden afgedwongen. Je kunt niet liefhebben op bevel of uit plichtsbesef. Met begrip en respect kan dat wél. Je kunt je ertoe zetten, die instelling aanleren en je eigen maken.
Begrip en respect brengen iemand tot daden die ook door liefde kunnen zijn ingegeven. De gedragingen zijn overeenkomstig, de wortels verschillen.
De God der Wrake, kortom, is een overblijfsel uit de vervangingstheologie. Dit ongelukkige beeld, nog niet geheel verbleekt, is fundamenteel onjuist. De God der Wrake is een menselijk verzinsel – een verzinsel waarin een liefdeloze, potentieel antisemitische angel schuilt. Dat zullen nogal wat christenen vermoedelijk met me eens zijn. Ik ben ervan overtuigd dat de christelijke wereld een breed segment kent dat het judaïsme van nabij wil leren kennen, het erkent als een mens- en wereldbeschouwing in its own right. En niet alleen als voorloper van het christendom.
Dat segment kan tot geen andere conclusie komen dan dat de God der Joden en de God der christenen hetzelfde voor ogen heeft gestaan. Beter nog: dat het hier om hetzelfde Wezen gaat.