collegavanerik schreef:Beschrijft dit nu een immanente god?
Dit beschrijft inderdaad de immanente God. En zoals je dan meteen zult concluderen: het christelijk geloof kan de immanentie van God niet ontkennen, maar is er zelfs op gebaseerd. Aan de basis van het christelijk geloof liggen 'historische feiten' die men móet zien als ingrijpen van God (aangezien er geen andere verklaring voor is), alle wonderen, alle spreken van God tot de uitverkoren mensen, alle 'werking van de heilige geest'. In de vroegste bijbelverhalen zien we God zelfs wandelen in de tuin, eten met Abraham, keuvelen met Mozes, lekkere geur van brandoffers opsnuiven enz.
De immanentie is dus overduidelijk, maar werd in de loop van de tijd steeds vager en ongeloofwaardiger. Je kan al zien hoe moeilijk het wordt in het verhaal van de inwijding van de tempel. Wanneer Salomo voor Jahweh eindelijk een huis gebouwd heeft, -omdat Hij ooit gezegd zou hebben in een donkere wolk te willen wonen (hetgeen naar mijn weten nergens in de bijbel gezegd wordt)-, komt de wolk meteen gehoorzaam op zijn wenken weer terug van eeuwenlang weggeweest (1 Kon. 8:12). In dezelfde toespraak spreekt Salomo vijftien verzen later opeens uit "Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor u heb gebouwd." (1 Kon. 8:27). Het is duidelijk dat men
later, toen de tempel verwoest was deze correctie in het verhaal aanbracht, want het kan onmogelijk gerijmd worden met vers 12 en met de gehele onderneming van de tempelbouw.
Wanneer het filosofische denken en weten van de mens in (ongeveer) de laatste vierhonderd jaar voor Christus toeneemt verandert God steeds meer in een transcendent begrip. Dit wordt in de hellenistische tijd (vooral door de Grieken, Plato) steeds verder ontwikkeld, totdat God zo ver verheven is boven al het aardse (=zondige, imperfecte) dat hij niet immanent
kan zijn, want al het immanente 'bezoedelt' God. Dit denken ligt de basis van veel gnostisch denken. Vandaar dat bijna alle filosofisch ontwikkelde
denkers in de eerste eeuwen van het christendom de goddelijkheid van Jezus niet konden aanvaarden. Men kwam dan met engelen aan, een Demiurg (een soort ondergod die de aarde schiep) om de God achter de goden te redden, en vond 'de Logos' uit als 'tussenstation'. Ook tal van (later tot ketters uitgeroepen) leringen zoals het docetisme ("Christus had slechts een schijnbare lichamelijkheid") berusten op de gedachte van het onmogelijk zijn van God zich in de schepping te mengen.
Transcendentie is dus uitgevonden om 'het hoogste', 'het ultieme', 'de bron', 'het geheel andere', 'het perfecte', dat wat volkomen buiten het begripsvermogen en waarnemingsvermogen gaat van de mens, aan te duiden. Een transcendente God is volgens mij een God die men serieus kan nemen. Maar meer dan het woord
God zou
Mnlkuvbuptahgft hieraan recht doen, of nog beter, deze omschrijving: (zwijgen)
Aangezien er niets over te zeggen valt, valt met een transcendente God ook godsdienst weg.
Aangezien dit niet leuk is wordt 'transcendentie' dan ook meestal gebruikt als het woord dat voor de religieus
gelovige handig is om ermee
je eigen niet op de rede gebaseerde overtuigingen en ervaringen te kunnen verdedigen. Zo kan men mystiek eenvoudig neerzetten als 'weten', 'een dieper bewustzijn', door te verwijzen naar het transcendente. Een truc natuurlijk, want alles wat begrepen en ervaren wordt is niet meer transcendent.
De immanente God kan ook geloofwaardig zijn, namelijk wanneer we als pantheïsten uitspreken dat alles een onderdeel is van God. Ook dan valt gods
dienst weg. We zitten dan met de omgekeerde waarheid: je kan er
alles van zeggen, en het is allemaal waar.
Het christelijk geloof eet het liefst van twee walletjes en beweert dat God zowel immanent als transcendent is. Maar let op, het zijn twee halfvolle glazen die je voorgeschoteld worden. Uiteraard doet men dit heel eenvoudig omdat het in de kraam van pas komt. God kan niet worden neergezet als een kracht of begrip dat het alles omvat in de zin van dat alles een onderdeel van hem is. Daarvoor haat men het aardse leven te veel, en zit men teveel in de maag met wat men kwaad noemt. Men heeft dus een transcendente God nodig die buiten het universum staat en geheel onschuldig is aan wat zich hier afspeelt. Maar wanneer hij teveel als transcendent wordt gezien, moet die transcendente God weer wat aangekleed worden, omdat men anders geen
christendom meer nodig heeft. God is dus transcendent voor zover we hem de ruimte moeten inschieten om hem immuun voor alle kritiek te maken, hij is immanent om het relevant te laten zijn voor de mens.
Tsunamie? God is transcendent.
Ongelooflijke redding? De reddende hand van God (voorzienigheid).
Kreeg verdiende loon? Straf van God.
Hoe handig het is zie je in het topic over Dawkins: wanneer Dawkins uitroept dat hij God
in de schepping wil zien, en daar juist helemaal niets van God te zien valt, zegt (de)Theoloog (van alle tijden): ja, maar God is transcendent, begrijpt Dawkins niet eens zo'n eenvoudige zaak!
Maar wanneer Dawkins zou zeggen dat de transcendentie van God dús betekent dat God voor het leven van de mens een overbodige zaak is, zou Theoloog weer huppen op zijn stokje van de immanente God, die de geschiedenis leidt, ingrijpt, werkt in het hart van de mens, dat religie is 'ingebouwd' enz. De immanente God is voor 'onze' Theoloog vanwege zijn belezenheid een veel moeilijker gegeven, en ik zie het hem eigenlijk nooit concreet doen. Het is voor hem eigenlijk onmogelijk om ook maar iets concreets over God te zeggen. Theoloog is dus iemand die zijn christelijke geloof in wezen heeft opgegeven. Logisch, want iemand kan slechts in de immanente God van de christenen geloven (de God van de wonderen, tekenen en 'werken' op aarde) indien hij bijgelovig is, dwz voortdurend 'wonderen' en 'goddelijke werkingen' opmerkt. Iedere ontwikkelde denker heeft alle bovennatuurlijke wonderen al 400 jaar geleden naar het rijk der fabelen verwezen, en kan niet uit de weg met de christelijke God.
Willem Ouweneel begrijpt maar al te goed dat het christelijk geloof staat of valt met een concrete, immanente God. Vandaar dat hij in zijn theïstisch manifest
meteen begint met de wonderen. Hij wringt zich dus uit de aanklacht 'bijgelovig' te zijn door als rasechte fundamentalist op te merken dat die 'wonderen' zintuiglijk te verifiëren
feiten zijn.
Moderne theologie is de bezigheid van religieuze mensen voor wie antieke religieuze overtuigingen van de immanente God volkomen door de mand gevallen zijn, en voor wie zulk denken gelijk staat aan bijgeloof van het domme volk, om de oude religie
met taalgegoochel om te zetten in iets wat een ontwikkeld modern denker kan appreciëren, dus een abstracte filosofische vaagheid, dat een antwoord zou zijn op het laatste hoe, waarom, waartoe. Bijbelverhalen zijn dan nooit letterlijk op te vatten, maar bevatten in beeldtaal 'sporen van het goddelijke', 'de voetafdruk van het goddelijke', 'heenwijzingen naar het transcendente', enz.