Geloof in God in Nederland tanende
Geplaatst: 16 apr 2007 09:26
Niet alleen blijven de kerken in Nederland gestaag leeglopen, ook de gelovigheid neemt onder Nederlanders sterk af. Steeds minder Nederlanders geloven nog in God of in een leven na de dood. Al wordt de betekenis van het geloof voor de echte gelovigen (een kleine veertig procent van de Nederlanders) wel steeds groter. Toch vindt bijna niemand in Nederland dat de kerken moeten verdwijnen. Want kerken zijn nodig als een moreel anker in de samenleving, en spelen een belangrijke rol bij zingeving. Ook bieden kerken rituelen bij 'scharniermomenten' in het leven, zoals geboorte, huwelijk en dood.
De cijfers uit het onderzoek 'God in Nederland', die vandaag op een symposium in Hilversum van het levensbeschouwelijke televisieprogramma 'Kruispunt' van de RKK worden gepresenteerd, zijn niet bepaald opzienbarend. Politici, kerkelijke beleidsmakers en journalisten zullen niet van hun stoel vallen van verbazing, als ze kennis nemen van de resultaten van dit opinieonderzoek onder 1132 Nederlanders.
Dat kerken gestaag leeglopen, het aantal buitenkerkelijke Nederlanders groter is dan het aantal kerkelijke Nederlanders en het spirituele landschap in Nederland erg onoverzichtelijk is geworden, is al jaren bekend uit sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de godsdienstigheid van de Nederlander.
Constateerde het Sociaal en Cultureel Planbureau vorig jaar september nog dat ondanks de kerkverlating godsdienstigheid en godsdienstige overtuigingen nog niet verdwijnen, het vierde tienjaarlijkse RKK-onderzoek 'God in Nederland' is daar niet meer zo zeker van.
Het atheïsme rukt op in Nederland.
Van zes procent in 1966, steeg het aantal atheïsten (zij die niet geloven dat God bestaat) in 1996 naar 10 procent en in 2006 naar 14 procent.
Het geloof in een God die zich met ieder mens persoonlijk bezighoudt, leeft in de harten van 24 procent van de Nederlanders. In 1966 bedroeg dat aantal nog maar liefst 47 procent.
Het aantal agnosten (zij die niet weten of God bestaat) is gegroeid van 16 procent in 1966 naar 26 procent in 2006.
Het aantal ietsisten, zij die geloven dat 'er wel iets is tussen hemel en aarde', bleef de laatste tien jaar rond de 26 procent van de bevolking schommelen.
Ook het geloof in een leven na de dood daalt. Slechts 40 procent van de Nederlanders gelooft nog in een leven na de dood. Tien jaar geleden was dat nog 45 procent en veertig jaar geleden 56 procent.
Nog maar 21 procent van de bevolking gelooft in de hemel.
Theologen en godsdienstsociologen hebben er al herhaaldelijk op gewezen dat godsdienst in de moderne westerse samenleving een ingrijpende functieverandering doormaakt. "Godsdienst heeft in de moderne samenleving de functie van een stand-by knop gekregen", stelde de Leidse godsdienstsocioloog Meerten ter Borg zeven jaar geleden in een interview met deze krant vast. "Mensen hebben tegenwoordig een stand-by-geloof, een geloof wanneer het uitkomt. Mensen houden de mogelijkheid om iets te geloven open. Hebben ze het nodig, in tijden van crisis, ziekte of dood, dan is het geloof er. Kerken kunnen in dat opzicht vergeleken worden met ziekenhuizen.
Goed dat ze er zijn, maar je moet er niet te vaak naar toe hoeven. Zorg dat je er weg blijft."
Met die functieverandering van godsdienst en de kerken wordt hartgrondig ingestemd door de drie auteurs van het RKK-onderzoek 'God in Nederland', Gerard Dekker, emeritus hoogleraar godsdienstsociologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, Ton Bernts, directeur Kaski, instituut voor beleidsonderzoek naar religie en levensbeschouwing en Joep de Hart, senioronderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.
"Regelmatige kerkelijke participatie lijkt op dit moment nog slechts voor een beperkte groep van belang. Nederlanders kennen veeleer een stand-by geloof: men wil graag een hemels baldakijn, maar niet om er de hele dag onder te zitten", merkt Joep de Hart droogjes op. Hij benadrukt dat moderne gelovigen allerlei vormen van knuffelspiritualiteit omarmen en kiezen voor een religieus pretpakket.
"Dat Nederlanders de dominee en de pastoor steeds minder horen preken, hoeft niet te betekenen dat ze doof of religieus onmuzikaal zijn geworden. Het is niet zo dat ze alles uit de religieuze tradities of zelfs maar de christelijke geloofsleer verwerpen, maar wel zoeken ze vaak liever zelf uit wat voor hen van belang is. En ze komen dan vooral uit bij de vrolijke, bemoedigende en beloftevolle kanten van de religie en veel minder bij christelijke opvattingen die de mens voorstellen als een zondig en zwak wezen, overgeleverd aan de genade van God.
Moderne gelovigen zijn positivo's, ze wandelen aan de zonzijde van de levensweg". Alleen een beetje 'oppimpen' of het 'opleuken' van het kerkelijke product en de kerkelijke boodschap zal volgens de drie godsdienstsociologen echt niet helpen. Daar worden voor een nieuwe generatie consumenten de kerkelijke producten niet aantrekkelijker door. Kerken zullen beter moeten inspelen op het geïndividualiseerde karakter van de moderne religiositeit en spiritualiteit.
Ook zullen de kerken moeten werken aan kwaliteitsverhoging van de diensten en aan de verbetering van het kerkelijk spreken inzake maatschappelijke en politieke kwesties. "Naast het model van een ledenkerk lijkt er behoefte om andere modellen van kerk-zijn sterker vorm te geven: aansprekende dienstverlening aan incidentele participanten, en vooral ook een permanente campagne op het gebied van waarden en normen voor een breed publiek." -
Ton Bernts, Gerard Dekker en Joep de Hart, God in Nederland, Uitgeverij Ten Have, Kampen, 2007. Uitgave in samenwerking met RKK. Prijs 19,90 euro. ISBN 978 90 259 5740 7. Volgens godsdienstsocioloog Joep de Hart omarmen moderne gelovigen allerlei vormen van knuffelspiritualiteit en kiezen zij voor een religieus pretpakket. „Dat Nederlanders de dominee en de pastoor steeds minder horen preken, hoeft niet te betekenen dat ze doof of religieus onmuzikaal zijn geworden.
Zie: http://www.enschede.tctubantia.nl/11229 ... nd_tanende
De cijfers uit het onderzoek 'God in Nederland', die vandaag op een symposium in Hilversum van het levensbeschouwelijke televisieprogramma 'Kruispunt' van de RKK worden gepresenteerd, zijn niet bepaald opzienbarend. Politici, kerkelijke beleidsmakers en journalisten zullen niet van hun stoel vallen van verbazing, als ze kennis nemen van de resultaten van dit opinieonderzoek onder 1132 Nederlanders.
Dat kerken gestaag leeglopen, het aantal buitenkerkelijke Nederlanders groter is dan het aantal kerkelijke Nederlanders en het spirituele landschap in Nederland erg onoverzichtelijk is geworden, is al jaren bekend uit sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de godsdienstigheid van de Nederlander.
Constateerde het Sociaal en Cultureel Planbureau vorig jaar september nog dat ondanks de kerkverlating godsdienstigheid en godsdienstige overtuigingen nog niet verdwijnen, het vierde tienjaarlijkse RKK-onderzoek 'God in Nederland' is daar niet meer zo zeker van.
Het atheïsme rukt op in Nederland.
Van zes procent in 1966, steeg het aantal atheïsten (zij die niet geloven dat God bestaat) in 1996 naar 10 procent en in 2006 naar 14 procent.
Het geloof in een God die zich met ieder mens persoonlijk bezighoudt, leeft in de harten van 24 procent van de Nederlanders. In 1966 bedroeg dat aantal nog maar liefst 47 procent.
Het aantal agnosten (zij die niet weten of God bestaat) is gegroeid van 16 procent in 1966 naar 26 procent in 2006.
Het aantal ietsisten, zij die geloven dat 'er wel iets is tussen hemel en aarde', bleef de laatste tien jaar rond de 26 procent van de bevolking schommelen.
Ook het geloof in een leven na de dood daalt. Slechts 40 procent van de Nederlanders gelooft nog in een leven na de dood. Tien jaar geleden was dat nog 45 procent en veertig jaar geleden 56 procent.
Nog maar 21 procent van de bevolking gelooft in de hemel.
Theologen en godsdienstsociologen hebben er al herhaaldelijk op gewezen dat godsdienst in de moderne westerse samenleving een ingrijpende functieverandering doormaakt. "Godsdienst heeft in de moderne samenleving de functie van een stand-by knop gekregen", stelde de Leidse godsdienstsocioloog Meerten ter Borg zeven jaar geleden in een interview met deze krant vast. "Mensen hebben tegenwoordig een stand-by-geloof, een geloof wanneer het uitkomt. Mensen houden de mogelijkheid om iets te geloven open. Hebben ze het nodig, in tijden van crisis, ziekte of dood, dan is het geloof er. Kerken kunnen in dat opzicht vergeleken worden met ziekenhuizen.
Goed dat ze er zijn, maar je moet er niet te vaak naar toe hoeven. Zorg dat je er weg blijft."
Met die functieverandering van godsdienst en de kerken wordt hartgrondig ingestemd door de drie auteurs van het RKK-onderzoek 'God in Nederland', Gerard Dekker, emeritus hoogleraar godsdienstsociologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, Ton Bernts, directeur Kaski, instituut voor beleidsonderzoek naar religie en levensbeschouwing en Joep de Hart, senioronderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.
"Regelmatige kerkelijke participatie lijkt op dit moment nog slechts voor een beperkte groep van belang. Nederlanders kennen veeleer een stand-by geloof: men wil graag een hemels baldakijn, maar niet om er de hele dag onder te zitten", merkt Joep de Hart droogjes op. Hij benadrukt dat moderne gelovigen allerlei vormen van knuffelspiritualiteit omarmen en kiezen voor een religieus pretpakket.
"Dat Nederlanders de dominee en de pastoor steeds minder horen preken, hoeft niet te betekenen dat ze doof of religieus onmuzikaal zijn geworden. Het is niet zo dat ze alles uit de religieuze tradities of zelfs maar de christelijke geloofsleer verwerpen, maar wel zoeken ze vaak liever zelf uit wat voor hen van belang is. En ze komen dan vooral uit bij de vrolijke, bemoedigende en beloftevolle kanten van de religie en veel minder bij christelijke opvattingen die de mens voorstellen als een zondig en zwak wezen, overgeleverd aan de genade van God.
Moderne gelovigen zijn positivo's, ze wandelen aan de zonzijde van de levensweg". Alleen een beetje 'oppimpen' of het 'opleuken' van het kerkelijke product en de kerkelijke boodschap zal volgens de drie godsdienstsociologen echt niet helpen. Daar worden voor een nieuwe generatie consumenten de kerkelijke producten niet aantrekkelijker door. Kerken zullen beter moeten inspelen op het geïndividualiseerde karakter van de moderne religiositeit en spiritualiteit.
Ook zullen de kerken moeten werken aan kwaliteitsverhoging van de diensten en aan de verbetering van het kerkelijk spreken inzake maatschappelijke en politieke kwesties. "Naast het model van een ledenkerk lijkt er behoefte om andere modellen van kerk-zijn sterker vorm te geven: aansprekende dienstverlening aan incidentele participanten, en vooral ook een permanente campagne op het gebied van waarden en normen voor een breed publiek." -
Ton Bernts, Gerard Dekker en Joep de Hart, God in Nederland, Uitgeverij Ten Have, Kampen, 2007. Uitgave in samenwerking met RKK. Prijs 19,90 euro. ISBN 978 90 259 5740 7. Volgens godsdienstsocioloog Joep de Hart omarmen moderne gelovigen allerlei vormen van knuffelspiritualiteit en kiezen zij voor een religieus pretpakket. „Dat Nederlanders de dominee en de pastoor steeds minder horen preken, hoeft niet te betekenen dat ze doof of religieus onmuzikaal zijn geworden.
Zie: http://www.enschede.tctubantia.nl/11229 ... nd_tanende