Piekerans over 4 - 5 mei
Geplaatst: 06 mei 2023 01:04
Met 5 mei en haar bijbehorende feestelijkheden heb ik niet zo veel. Mijn vaderland, Nederlands Indië werd miet op 5 mei 1945 bevrijd.
De Japanners capituleerden op 15 augustus 1945, maar dat was geen bevrijding. Niet voor ons tenminste.
Het was het begin van een nieuwe oorlog en weer zaten wij Indische Nederlanders tussen twee vuren en opgesloten in kampen. Nu bewaakt door Britse Gurkha’s en Sikhs tegen de hysterische (‘mata gelap’ noemde mijn moeder dat) aanvallen van Indonesische vrijheidsstrijders (‘peloppors’)
Ik weet eigenlijk niet of wij, Indische Nederlanders ooit bevrijd zijn. Ons vaderland werd een vrij land, dat wel, na nog vijf jaar oorlog. Maar niet voor ons. Voor ons was geen plaats.
In 1950 werden wij ons land uit geschopt en kwamen we na een bootreis van een maand op een Britse, improvisorisch tot troepentransportschip omgebouwde vrachtvaarder (3 laags stapelbedden in grote ruimen, de mannen gescheiden van hun gezin) als vluchtelingen in een ver en vreemd land terecht, waar we nou niet direct met open armen werden ontvangen.
In dit kader wil ik wel graag mijn herinneringen van mijn laatste weken in mijn vaderland met jullie delen.
Het is 1950. Ik ben 7 We wonen sinds kort in Makassar op Celebes waar mijn vader de opdracht heeft het politieapparaat weer op poten te zetten. De Nederlandse politie wel te verstaan, hij is commisaris in dienst van de Staat der Nederlanden.
Ik ken heg noch steg in de stad, kom nergens. Alleen in de tuin en bij een vriendje twee huizen verderop. En dan nog altijd onder toezicht van Kadir de djongos. De stad is veel te gevaarlijk voor een kind alleen. Er worden er veel gekidnapt. Vooral Nederlands Indische kinderen.
Elke ochtend word ik door Sahalang, mijn vaders chauffeur, in een dienstauto naar school gebracht. Tot die dag in mei.
De dag is normaal begonnen. We zitten gewoon in de klas en de juf is net bezig iets uit te leggen als er lawaai is buiten.Geschreeuw, bonkende voetstappen. De juf schrikt enorm. ‘Duiken!’ roept ze ‘Onder je tafel! Allemaal!’ Zelf kruipt ze zo goed mogelijk weg in een hoekje achter de kapstok.
Dan knalt de deur open en rennen een stel mannen me geweren, bamboesperen en klewangs de klas in en aan de andere kant via het raam er weer uit. Achtervolgd door andere schreeuwende gewapende mannen.
(Even de situatie uitleggen: ik zat in de eerste klas. De school bestond uit een paar lage gebouwen in een u-vorm rond een stuk grond van aangestampte aarde, met elkaar verbonden door overdekte galerijen. Alle lokalen hadden een eigen buitendeur naar zo'n galerij en aan de andere kant een groot ‘raam’, d.w.z. de buitenmuur had van (voor ons kinderen) borsthoogte tot vlak onder het dak en over bijna de volle breedte een grote glasloze rechthoekige opening. Daarachter lag achter een haag en een slootje een kampong.)
Die eerste groep mannen was een stel Indonesische vrijheidsstrijders, de achtervolgers Nederlandse soldaten.
Natuurlijk was er van verder lesgeven geen sprake meer en zo stond ik opeens midden onder schooltijd op straat in een wildvreemde stad en Sahallang met de dienstauto was in geen velden of wegen te bekennen. En ik wist niet welke kant ik op moest of hoe ver het was naar huis.
Gelukkig was daar een vriendelijke Chinees die vroeg waarom ik hier zo stond te kijken en of ik misschien naar huis wilde en niet opgehaald werd. En waar ik woonde. Dat laatste wist ik gelukkig: Mahonielaan 6, een quonset hut in een ruime tuin. Dat is in m’n geheugen gebrand.
Om kort te gaan vele uren later, na een lange tocht, eerst lopend naar het huis van de Chinees. Voordeur in, even wachten, glaasje ‘stroop’ (limonade) dan achterdeur uit, sluipend door droge slootjes, onder singkongheggen door naar een ander adres, achterop de fiets naar weer een ander adres en zo nog een paar keer, kwam ik uiteindelijk van een heel andere kant, met een tot moes geknepen banaan in de hand in onze straat uit, waar m'n ouders helemaal in paniek op de uitkijk stonden. Ze waren doodsbang dat ik gekidnapt was
Mijn vader had natuurlijk, toen hij van de gebeurtenissen hoorde Sahalang meteen naar de school gestuurd, maar ik was al weg en niemand wist waar ik was of wat ik deed.
Mijn verhaal wordt te lang.
Ik bewaar de rest voor een volgende keer.
De Japanners capituleerden op 15 augustus 1945, maar dat was geen bevrijding. Niet voor ons tenminste.
Het was het begin van een nieuwe oorlog en weer zaten wij Indische Nederlanders tussen twee vuren en opgesloten in kampen. Nu bewaakt door Britse Gurkha’s en Sikhs tegen de hysterische (‘mata gelap’ noemde mijn moeder dat) aanvallen van Indonesische vrijheidsstrijders (‘peloppors’)
Ik weet eigenlijk niet of wij, Indische Nederlanders ooit bevrijd zijn. Ons vaderland werd een vrij land, dat wel, na nog vijf jaar oorlog. Maar niet voor ons. Voor ons was geen plaats.
In 1950 werden wij ons land uit geschopt en kwamen we na een bootreis van een maand op een Britse, improvisorisch tot troepentransportschip omgebouwde vrachtvaarder (3 laags stapelbedden in grote ruimen, de mannen gescheiden van hun gezin) als vluchtelingen in een ver en vreemd land terecht, waar we nou niet direct met open armen werden ontvangen.
In dit kader wil ik wel graag mijn herinneringen van mijn laatste weken in mijn vaderland met jullie delen.
Het is 1950. Ik ben 7 We wonen sinds kort in Makassar op Celebes waar mijn vader de opdracht heeft het politieapparaat weer op poten te zetten. De Nederlandse politie wel te verstaan, hij is commisaris in dienst van de Staat der Nederlanden.
Ik ken heg noch steg in de stad, kom nergens. Alleen in de tuin en bij een vriendje twee huizen verderop. En dan nog altijd onder toezicht van Kadir de djongos. De stad is veel te gevaarlijk voor een kind alleen. Er worden er veel gekidnapt. Vooral Nederlands Indische kinderen.
Elke ochtend word ik door Sahalang, mijn vaders chauffeur, in een dienstauto naar school gebracht. Tot die dag in mei.
De dag is normaal begonnen. We zitten gewoon in de klas en de juf is net bezig iets uit te leggen als er lawaai is buiten.Geschreeuw, bonkende voetstappen. De juf schrikt enorm. ‘Duiken!’ roept ze ‘Onder je tafel! Allemaal!’ Zelf kruipt ze zo goed mogelijk weg in een hoekje achter de kapstok.
Dan knalt de deur open en rennen een stel mannen me geweren, bamboesperen en klewangs de klas in en aan de andere kant via het raam er weer uit. Achtervolgd door andere schreeuwende gewapende mannen.
(Even de situatie uitleggen: ik zat in de eerste klas. De school bestond uit een paar lage gebouwen in een u-vorm rond een stuk grond van aangestampte aarde, met elkaar verbonden door overdekte galerijen. Alle lokalen hadden een eigen buitendeur naar zo'n galerij en aan de andere kant een groot ‘raam’, d.w.z. de buitenmuur had van (voor ons kinderen) borsthoogte tot vlak onder het dak en over bijna de volle breedte een grote glasloze rechthoekige opening. Daarachter lag achter een haag en een slootje een kampong.)
Die eerste groep mannen was een stel Indonesische vrijheidsstrijders, de achtervolgers Nederlandse soldaten.
Natuurlijk was er van verder lesgeven geen sprake meer en zo stond ik opeens midden onder schooltijd op straat in een wildvreemde stad en Sahallang met de dienstauto was in geen velden of wegen te bekennen. En ik wist niet welke kant ik op moest of hoe ver het was naar huis.
Gelukkig was daar een vriendelijke Chinees die vroeg waarom ik hier zo stond te kijken en of ik misschien naar huis wilde en niet opgehaald werd. En waar ik woonde. Dat laatste wist ik gelukkig: Mahonielaan 6, een quonset hut in een ruime tuin. Dat is in m’n geheugen gebrand.
Om kort te gaan vele uren later, na een lange tocht, eerst lopend naar het huis van de Chinees. Voordeur in, even wachten, glaasje ‘stroop’ (limonade) dan achterdeur uit, sluipend door droge slootjes, onder singkongheggen door naar een ander adres, achterop de fiets naar weer een ander adres en zo nog een paar keer, kwam ik uiteindelijk van een heel andere kant, met een tot moes geknepen banaan in de hand in onze straat uit, waar m'n ouders helemaal in paniek op de uitkijk stonden. Ze waren doodsbang dat ik gekidnapt was
Mijn vader had natuurlijk, toen hij van de gebeurtenissen hoorde Sahalang meteen naar de school gestuurd, maar ik was al weg en niemand wist waar ik was of wat ik deed.
Mijn verhaal wordt te lang.
Ik bewaar de rest voor een volgende keer.