Niet te geloven - recensie van Rereformed

Geef hier je mening over boeken die je hebt gelezen.

Moderator: Moderators

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14237
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 07 jul 2019 22:47

(Hoofdstuk 6: Lijdensverhaal en verrijzenis, vervolg)

Het proces

In deze paragraaf blinkt Van Peer uit in helderheid. Natuurlijk kan men hier opmerken dat dit uitputtend door Joodse en christelijke critici uiteengezet is en men het in vele boeken over de evangeliën kan nalezen.

Om te beginnen kan iedere leek die het evangelieverhaal leest al zo zijn twijfels krijgen door op te merken dat een rechtszaak op de pesachmaal avond onmogelijk is. En nog erger: hier wordt verteld wat er woordelijk tijdens het verhoor werd gezegd, terwijl niemand van Jezus’ volgelingen erbij was. Marcus laat horen dat de leden van het sanhedrin unaniem van mening waren dat Jezus de doodstraf verdiende, en dus kan men één van die personen moeilijk laten opdraven als latere bronnen voor het christelijke verhaal. De evangelieschrijver schrijft hier als een alleswetende romanschrijver die eenvoudig alles uit zijn eigen duim verzint. Hetzelfde kan gezegd worden van Jezus’ gebed in Gethsemane, of het verhaal van de verzoeking in de woestijn.
Van Peer schreef:Maar het fictiefst is het oordeel dat vervolgens wordt uitgesproken. Jezus werd volgens het verhaal veroordeeld wegens godslastering, maar dat is technisch onjuist. Daarvoor had Jezus de naam van God lasterend moeten gebruiken.
Dit is inderdaad een zo opvallende miskleun dat ik er vroeger als gelovige mee in de knoop zat. Als roman komt het verhaal hier tot een hoogtepunt. De hogepriester vraagt aan Jezus: ”Bent u de messias, de zoon van de gezegende?” Waarop Jezus antwoordt: ”Dat ben ik, en u zult de Zoon des Mensen aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel”. (Jezus geeft hier een verwijzing naar de passage in het boek Daniël, die door de schriftgeleerden werd uitgelegd als een tekst die slaat op de komst van de messias, waarna Mensenzoon - hetgeen eenvoudig ”een mens” betekent - een benaming/titel werd voor de Messias). Voor de hogepriester is dit zulke vreselijke godslastering dat hij zijn kleren scheurt. En ieder lid van het sanhedrin is van oordeel dat Jezus de doodstraf verdient. Maar wat Jezus hier uitspreekt is enkel zeggen dat hij de messias is. Dat is niet strafbaar, noch godslastering. Het ongerijmde van dit verhaal wordt nog onderstreept doordat de Torah ondubbelzinnig is over wat er in geval van godslastering gedaan moet worden: ”Wie de naam van Jahweh vervloekt, moet ter dood gebracht worden: heel de gemeenschap moet hem stenigen.” (Lev. 24:16) Het verhaal van de steniging van Stefanus in Handelingen laat zien dat zoiets blijkbaar gedaan kon worden zonder de Romeinen ermee te vermoeien. Dat Jezus dus vervolgens naar Pilatus gestuurd wordt lijkt ook een vondst van een romanschrijver die niet geheel thuis is in de gang van zaken.
Van Peer schreef:Maar ook het verhoor door Pilatus is een farce.
Van Peer schreef:Werkelijk niets van wat de evangelies over het verhoor en het proces melden, is historisch plausibel.
Vele zaken kunnen hierbij opgenoemd worden, maar interessant is dit detail in het evangelieverhaal waar Van Peer op wijst:
Van Peer schreef:Maar er is ook nog een klein, veelzeggend detail in dit verslag: ’Pilatus vroeg hen: ”Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt?”(Mt. 27:22). Hier verraadt de tekst zichzelf als een anachronisme. Omdat Jezus tijdens zijn hele leven nooit, niet één keer, ’Christus’ genoemd werd.
Toch moet worden opgemerkt dat indien men het verhaal op geloofwaardigheid wil schatten, men daarvoor in de eerste plaats de oudste bron moet raadplegen. Het oudste evangelie (Marcus) laat Pilatus zeggen ”Wat wilt u dan dat ik doe met die man die u de koning van de Joden noemt?”, oftewel hier geeft hij er blijk van dat hij eenvoudig wat opgevangen heeft waar het om gaat en als Romein denkt. Ook liet Pilatus een bordje met opschrift ”De koning van de Joden” op het kruis van Jezus spijkeren. Het enige wat men uit de tekst van Matteüs kan concluderen is (opnieuw) dat hij een latere schrijver is.


De geseling en de kruisiging

Aan hoe geseling (die in de evangeliën met één zin wordt vermeld) en kruisiging in de Romeinse tijd uitgevoerd werd, besteedt Van Peer wel liefst 12 pagina’s. Het lezen ervan is voor mij een bijna onmogelijke opgave, zoals ooit eerder de Mel Gibson film over de passie van Jezus onmogelijk was om naar te gaan kijken. Aan de martelingen en stromen van bloed komt geen eind. Ik krijg exact hetzelfde gevoel als ooit dertien jaar geleden: ”De film heeft geen enkele relatie met de werkelijkheid, want in werkelijkheid zou een mens na tien minuten Mel-Gibson-film al bewusteloos of morsdood zijn. Maar in de film gaat het martelen en verwonden wel twee uur lang door.”
De beschrijving die ik onder ogen krijg van Van Peer komt zo ongeveer overeen met wat men in die film kan bekijken.
Van Peer schreef:Er vlogen in een Romeinse geseling flarden vlees letterlijk in het rond. De hele achterzijde van het lichaam werd tot een bloederige pulp geslagen, tot die eruit zag als gemalen vlees.
Ik concludeer na een bladzijde of tien dat indien de werkelijkheid van geseling en kruisiging overeenkomstig deze beschrijvingen is, we de woorden die Jezus zogenaamd aan het kruis uitsprak wel mogen vergeten: uit die bloederige massa die daar hangt, waar nog enkele repen huid omheen zit, komt geen woord meer.

Ik vraag me steeds af waarom Van Peer aan deze beschrijving van geseling en kruisiging twaalf bladzijden schenkt. Uiteraard wil hij duidelijk maken dat alle christelijke beeldende kunst de afschrikwekkendheid ervan nooit heeft uitgebeeld:
Van Peer schreef:In de schilderkunst is nauwelijks sprake van een mishandelde Jezus. Zijn gezicht is altijd intact. Afgezien van een spatje bloed hier en daar zou je niet denken dat deze man zwaar mishandeld is.
Maar heeft Van Peer in zijn hele boek niet telkens opgemerkt hoe hij juist zo geniet van de evangelies als mooie verhalen? Hoe ’oneindig mooi’ wordt het passieverhaal als je het afgrijslijke ervan bedekt. Waarom moet op dit punt juist de realiteit van marteling en doodstraf in de ijzertijd pagina’s lang ingewreven worden?

Maar goed, na twaalf pagina’s kijkt de lezer de rest van het leven met een hoop opperste verbazing naar alle gouden en zilveren kruisjes die men om de nek van menigeen om zich heen ziet hangen als mooie versiering.

Op de laatste pagina van de beschrijving van horror komt Van Peer weer terug op zijn lievelingsbezigheid vliegen met een vliegenmepper dood te slaan, het aanwijzen van sprookjesingrediënten in het verhaal: ”Een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit”:
Van Peer schreef:Andermaal een medische blunder: uit een dood lichaam komt geen bloed.
De zonsverduistering die wordt vermeld is ”verhaaltechnisch weer goed bekeken”, maar ongeloofwaardig, evenals het scheuren van het voorhangsel van de tempel dat exact op hetzelfde moment gebeurt als het sterven van Jezus: zoiets zou een ooggetuige nooit kunnen zien aangezien de twee plaatsen te ver van elkaar verwijderd zijn.
Merkwaardigerwijze maakt Van Peer geen opmerking over het verhaal dat het geloof van zelfs de meest geoefende goedgelovigen op de proef stelt *, waarvoor Robert Price de kop ”The March of the Zombies” bedacht heeft. Een nieuwe vondst van top fiction producer Matteüs: een aardbeving die gepaard gaat met de opwekking van een heel kerkhof heiligen, die vervolgens door Jeruzalem lopen.

* Mike Licona, een bekende christelijke (Southern Baptist) apologeet die publieke debatten voert over de verrijzenis van Jezus, werd gedwongen zijn aanstellingen als research professor op het Southern Evangelical Seminary en Coördinator voor de North American Mission Board op te geven, nadat hij in zijn boek The Ressurrection of Jesus (2010) geschreven had dat "dit vreemde fragment" misschien gelezen moet worden als metaforische apocalytische beeldspraak.



De verrijzenis

Het geloof in de opstanding van Jezus verklaart Van Peer via wat in de psychologie bekend staat als de poging om cognitieve dissonantie op te heffen:
Van Peer schreef:Hun leermeester is de allersmadelijkste en allergruwelijkste dood gestorven. De psychische schok die dit bij de volgelingen veroorzaakt moet hebben, was zo groot dat naar een oplossing gezocht moest worden. Een eenvoudige oplossing zou zijn geweest om toe te geven dat men zich vergist had. Maar dat kan natuurlijk moeilijk wanneer je vast geloofd hebt in die belofte van een nieuwe wereld. De oplossing die de eerste christenen hebben ontwikkeld, is die van de verrijzenis: Jezus is wel aan het kruis gestorven, maar hij is uit de dood opgestaan en leeft nog.
Vervolgens gaat hij de verschijningen bij langs, maar slaat het absoluut belangrijkste, cruciale feit over dat Marcus, het oudste evangelie, helemaal geen verschijningsverhalen van Jezus kent.
Van Peer beperkt zich door op te merken dat diverse verschijningsverhalen slechts één keer vermeld worden:
Van Peer schreef:In historisch perspectief maakt dat die getuigenissen verdacht. Niet noodzakelijk fout, maar we kunnen het niet historisch controleren – gewoon omdat er geen andere vermeldingen van zijn. Zoals Lendering terecht opmerkt: ”Een bron is geen bron” (pag. 241 van zijn boek Israël verdeeld). Dat is echter niet het geval voor de ontdekking van het lege graf. Daarvoor hebben we namelijk vier aparte bronnen.
Van Peer is hier slordig in terminologie en in tellen. Hij heeft in zijn boek uiteengezet dat Matteüs en Lucas het evangelie van Marcus gekopieerd hebben. Dat zijn dus in geen geval drie aparte bronnen. Beter is het hier te spreken over één bron, namelijk Marcus. En voor de duidelijkheid nogmaals: zelfs die ene bron is geen primaire bron (informatie direct afkomstig van personen die te maken hebben met een bepaalde gebeurtenis, persoon of tijdspanne), maar een secundaire.
Van Peer heeft ook uitgelegd dat we ”met het evangelie van Johannes het verst verwijderd zijn van de historische feiten”. Dit evangelie dan een bron te noemen heeft net zo weinig pas als wanneer men het Nag Hammadi geschrift De Wijsheid van Jezus Christus een bron zou noemen voor de leringen van de opgestane Jezus.
Van Peer vergeet het evangelie van Petrus te noemen, waarvan nog een fragment is overgebleven, juist een gedeelte waar over de opstanding en leeg graf wordt gesproken. Toegegeven, op het punt dat Jezus uit de dood opstaat en geholpen wordt door engelen om overeind te blijven en naar de hemel te vliegen, leest het alsof je een stripverhaal over Spiderman leest, maar we hebben er weer een aparte bron bij! Ditmaal zijn de Romeinse soldaten die op wacht stonden er getuige van! Plus nog een centurion! En nog Joodse oudsten!
Eén bron is volgens Lendering geen bron, maar bij vijf christelijke bronnen begin je je af te vragen of je ook maar moet concluderen dat het gelijk staat aan geen bron. Want het woord 'bron' is hier gedegradeerd tot betekenisloos.

Van Peer houdt zich nog druk bezig met hoeveel vrouwen er nu getuigen van waren, hoeveel jonge mannen er in of bij het graf waren, of waren het engelen, en of Petrus en Johannes nu wel of niet naar het lege graf kwamen, waarna hij uitspreekt:
Van Peer schreef:Als we deze vier bronnen, met hun verschillen en hun contradicties, samen beschouwen, dan is het geen erg sterk getuigenis te noemen. Wat natuurlijk als een paal boven water staat, is dat de kring van onmiddellijke volgelingen van Jezus sterk geloofde dat hij was verrezen. Zoveel is in de vier teksten wel duidelijk geworden. Kunnen we in hun geloof delen? Dat hangt er van af. Want er is een veel overtuigender argument om aan die verrijzenis te twijfelen. Alle verhalen daarover veronderstellen namelijk dat Jezus begraven werd na zijn dood aan het kruis. Maar die veronderstelling staat volledig haaks op de Romeinse praktijk ter zake. De lichamen van de gekruisigden liet men namelijk in de regel hangen, ter verdere afschrikking. Misschien is het wel eens voorgekomen dat een familie toestemming kreegom het lichaam van een gekruisigd familielid te begraven. Maar Jezus had helemaal geen familie in Jeruzalem.


Kijk, als men op basis hiervan meent te moeten twijfelen aan die verrijzenis, en dus vergeet op te merken dat het sterkste argument om er niet in te geloven is dat dode mensen niet levend worden, laat staan iemand die tot pulp werd vermaald, en dat zelfs als er ooggetuigeverslagen van honderd mensen van zouden bestaan, dat argument niet omver gekegeld zou zijn, is men wel heel erg verdwaald in de bijbelwetenschap of wie weet de diepste spelonken van de geschiedkundige methode.
Het wordt tijd voor Willie van Peer om de bijbel nu maar een poosje dicht doen en eens een frisse boswandeling te maken.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14237
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 10 jul 2019 07:11

Hoofdstuk 7: Verhaal halen

Tot mijn verbazing doet Van Peer wat ik voorstelde en laat hij zich in het volgende hoofdstuk zien als filoloog:
Van Peer schreef:Dat het Nieuwe Testament grotendeels uit verhalen bestaat, is duidelijk. De vraag is: waar komen die verhalen vandaan?
De vraag is goed, hoewel Van Peer de epistels er weer heel bekaaid laat afkomen. Laatstgenoemden heeft hij in zijn boek praktisch verwaarloosd.
Nu zou men denken dat een filoloog nu een hoop interessants zou kunnen schrijven. Randel Helms, Thomas Brodie en Robert M. Price hebben een fascinerend antwoord: het zijn stuk voor stuk variaties op verhalen uit het Oude Testament, oftewel hertellingen, een techniek dat men midrash noemt. Ook andere bronnen opzoeken uit de Hellenistische wereld is de laatste tientallen jaren bijzonder populair geworden en voortdurend verschijnen er weer boeken met nieuwe ontdekkingen, zoals dat er uit Homerus, Flavius Josephus (gebruikt door Lucas), Egypte verhalen, inspiratie of informatie zijn komen overwaaien naar de verhalen van het Nieuwe Testament.

Dit fascinerende onderwerp komen we bij Van Peer in dit hoofdstuk enkel tegen als een ertussendoortje, dat met een "overigens" het hoofdonderwerp waar hij het over heeft, onderbreekt.
Wat hij ons als filoloog vertelt is dat verhalen vanuit vier verschillende gezichtspunten, vertelperspectieven, verteld kunnen worden. Een verhaal kan geschreven worden in de ik-persoon (in de verhalen van het Nieuwe Testament enkel in Lucas 1:3-4, maar de brieven zijn bij uitstek in de ik-vorm). En dan is er het vertelperspectief in de derde persoon, in de hij-vorm, waarvan er drie varianten zijn: het verhaal wordt verteld vanuit het gezichtspunt van één van de personages in het verhaal (personale verteltrant), of door een onbekende die we niet kennen, maar alles schijnt te weten (auctoriale verteller, ook wel alwetende verteller). En deze laatste verteltrant heeft weer twee variaties: zichtbaar of onzichtbaar. De zichtbare verteller is er één die commentaar geeft op wat er gebeurt (Jane Eyre: ”Oh, romantic reader, forgive me for telling the plain truth!”).
De evangelies zijn in de derde persoon geschreven, vanuit het gezichtspunt van een alwetende verteller die meestal onzichtbaar blijft. In de literatuur wordt de alwetende verteller vaak vergeleken met de positie van God: hij weet alles, kent alles, kan alles in de openbaarheid brengen. Zo schrijft Lucas aan het eind van het verhaal dat de 12-jarige Jezus een paar dagen zoek was en uiteindelijk in de tempel gevonden werd: ”Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart”.
Van Peer schreef:Hoe komen we dit te weten? Doordat de alwetende verteller Lucas doet alsof hij toegang heeft tot haar gevoelswereld. Zo’n alwetende verteller hoeft niet te verantwoorden hoe hij dat weet.


Van Peer legt uit dat we in de meeste westerse culturen zo vertrouwd zijn met een alwetende verteller dat die als norm geldt; het is ook het standaardmodel van heel veel kinder- en jeugdliteratuur. Daarom komt het vaak niet bij ons op om te vragen hoe de schrijver iets weet, of merken we niet op hoe hij manipuleert. De verteller kan bijvoorbeeld zijn sympathie over de personages verdelen.
En juist wanneer ik het reuze interessant begin te vinden sla ik de bladzijde om, om begroet te worden door een nieuw kopje Productieve verhalen, met een lijst van zo’n vijftig boeken, het merendeel niet zo lang geleden uitgegeven, die voortborduren op het Nieuwe Testament.
Ik ben vreselijk teleurgesteld dat het filologische praatje van een expert op dat gebied niet verder kwam dan een inleiding.

Maar interessant om het volgende feit onder ogen te krijgen:
Van Peer schreef:Productieve auteurs genereren navolgers en adaptaties – en daardoor generatie na generatie miljoenen lezers. Wat de evangeliën betreft leidt het tot een belangwekkende vaststelling: Marcus is zonder enige twijfel de productiefste auteur ter wereld. Zijn literaire navolgers belopen in de tienduizenden. Geen enkele andere schrijver heeft ooit zoveel adaptaties voortgebracht.
Weer een bladzijde verder gaat Van Peer over op een bespreking van de kruiswoorden, die vaak op muziek zijn gezet als ”de laatste zeven woorden van Jezus”. Ze kunnen uiteraard niet allemaal de laatste woorden zijn, maar elke nieuwe evangelist heeft weer een andere uitspraak bedacht. De uitspraak van Marcus is echter weergegeven in het Aramees, Eloï, eloï, lema sabachtani, Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?
Van Peer schreef:De woorden komen in twee evangelies voor, in Marcus en Matteüs. En wat nog belangrijker is: ze zijn in het Aramees – een van de weinige plaatsen in de evangelies waar uitdrukkingen in het Aramees opduiken. En uiteraard op een cruciaal moment in het verhaal: het ogenblik waarop Jezus de geest geeft. Deze twee factoren samen – een en dezelfde zin in twee evangelies en dan nog in de moedertaal van de hoofdpersoon – maken dat we zeker meer geloofwaardigheid aan Marcus en Matteüs moeten schenken.
Ik sta er versteld van hoe nota bene een filoloog zo gemakkelijk valt voor deze redenering. Als filoloog zou Van Peer moeten weten dat een paar woorden in het Aramees op een bepaald hoogtepunt in het verhaal een veelgebruikte literaire kunstgreep is om het verhaal meer indruk te laten maken. Op dezelfde manier als tot een verhaal over een wonder altijd een opmerking van scepticisme behoort. Dit scepticisme verleent geen grotere geloofwaardigheid aangezien het een literaire kunstgreep is. Hier een voorbeeld: Als je het verhaal van de film E.T. zou vertellen zou je alles in welke taal dan ook kunnen doen, maar op het meest hartverscheurende moment zou je schrijven dat het wezen dat per ongeluk op aarde terecht kwam uitriep ”Home! Home!”. In een verhaal over de Zonnekoning laat men zelfs in Finse vertellingen nooit na het "l'état, c'est moi" er in het Frans altijd bij te vermelden. Wanneer nazi's veroordeeld worden horen we hen altijd in hun moedertaal zeggen "Wir haben es nicht gewußt".
Ik word er door iemand op gewezen dat de uitspraak bovendien de aanhef is van Psalm 22, iets wat ik volkomen vergeten was. Dit feit drukt ons voor de zoveelste keer weer op het feit dat alles er op wijst dat de evangelieschrijvers weer behoefte hebben om een schriftplaats in vervulling te laten gaan en hun verhaal aan de hand daarvan creëren. En anderszijds dat het zeer onwaarschijnlijk is dat Jezus op dit moment van zijn leven nog behoefte heeft aan een beschouwing over een psalm.
En als iemand die er een geschiedkundige methode op wil nahouden is het buitengewoon naief om te denken dat wanneer Matteüs Marcus kopieert het daar geloofwaardiger door wordt. Dat een volgende evangelist de vorige kopieert is eenvoudig wat te verwachten is. Het wordt pas interessant wanneer hij er van afwijkt: dan kan men altijd concluderen dat er een theologische reden voor was. Zo is het voor Lucas al heel duidelijk dat de uitspraak in Marcus eigenlijk de boodschap geeft dat Jezus zijn geloof heeft verloren op het eind. Wanneer je het opeens zo ziet, dan moet het meteen gecorrigeerd worden met iets verheveners: ”Vader in uw handen leg ik mijn geest” (Lucas) of ”Het is volbracht” (mission accomplished) (Johannes). Matteüs heeft deze implicatie van Marcus' woorden nog niet beseft, evenmin als ik het besefte voordat ik er ooit eens in een boek op gewezen werd. Wanneer je het eenmaal ziet raak je de gedachte niet meer kwijt.

De uitspraak van Marcus verraadt dat Jezus voor hem nog geen goddelijkheid heeft. Langzamerhand neemt die goddelijkheid toe in de latere geschriften, totdat zij haar hoogtepunt bereikt in het dogma van de drie-eenheid waartoe in de vierde eeuw pas besloten werd. Van Peer merkt het op en gaat vervolgens over op het onderwerp van deze ontwikkeling. Er volgt een kopje: Was Jezus God?
Weer sta ik in opperste verbazing me af te vragen hoe Van Peer van de hak op de tak gaat, maar – na enige overdenking - ”verhaal halen” is wellicht juist dat: een verhaal ontwikkelt zich in de tijd. Dingen die men later graag wil horen worden erbij verzonnen, en dingen die men niet meer wil horen of niet meer begrijpt vallen weg. Dit gegeven staat centraal in de studie van de vier evangelies. Zo is een bespreking van de geleidelijke vergoddelijking van Jezus hier wellicht toch op zijn plaats.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14237
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 10 jul 2019 09:59

(Hoofdstuk 7: Verhaal halen, vervolg)

Was Jezus God?


Van Peer begint zijn overdenking met uit te weiden over de titel "Zoon des Mensen". Jammergenoeg gaat hij hier op allerlei manieren de mist in, en laat hij zien dat hij er niet genoeg op gestudeerd heeft:
Van Peer schreef:Beginnen we met ’Mensenzoon’. De Griekse uitdrukking die in de evangelies (en alleen daar!) gebruikt wordt, luidt: ho uiòs toù anthrópou, letterlijk ’de zoon van de mensen’. Vooral Matteüs neemt dit thema op, en weet als Jood natuurlijk waar de oorsprong van dit bericht ligt. Dat is in hoofdstuk 7 van het boek Daniël in het Oude Testament, een visionaire voorstelling van de wereld, vergelijkbaar met het boek Openbaring in het Nieuwe Testament, te dateren in de zesde eeuw voor Christus (maar het manuscript dateert uit de tweede eeuw vChr). De verwijzing is naar een persoon die verlossing zal brengen en die wraak zal nemen op de vijanden van God.
Allereerst moet er op gewezen worden dat de titel "De Zoon des Mensen" niet alleen in de evangeliën voorkomt, maar ook in twee Joodse apocalyptische boeken, het vierde boek van Ezra (soms het tweede genoemd) en de hoofdstukken 37–71 van het eerste boek van Henoch, ook wel de Parabelen van Henoch genoemd (engels: Similitudes). Ze vallen niet met zekerheid te dateren vóór of na het jaar 70 (de Parabelen van Henoch zeer waarschijnlijk beduidend vóór), maar wel kan men concluderen dat er duidelijk een traditie rondging betreffende "de Mensenzoon". Judas en 2 Petrus verwijzen naar het boek van Henoch oftewel beschouwen het als geïnspireerde tekst.

Het boek Daniël is inderdaad vergelijkbaar met het boek Openbaring. Ze behoren namelijk tot hetzelfde genre, Apocalyptiek. Apocalyptiek kan men omschrijven als ’Joodse eindtijdliteratuur’: vanwege buitenlandse militaire en culturele overheersing kwam voor de vromen de verwachting van een Messias centraal te staan. Messias betekent gezalfde, en slaat op de Joodse koning die voor het koningschap door een profeet gezalfd wordt als teken dat hij door God uitverkozen is om als koning te dienen. In de Psalmen wordt de koning ook ”zoon van God” genoemd, niet in de Griekse betekenis van een persoon die geboren is via gemeenschap van een God met een vrouw, maar in de betekenis dat hij door God uitverkoren was om het volk te leiden volgens de geboden van God. De messias zou een toekomstige door God gezonden koning zijn om wraak te nemen op de vijand en nieuwe ongekende macht aan Israël te geven. Apocalyptische boeken concentreren zich op fantasieën hierover. Apocalyptische boeken zijn meestal pseudepigrafieën, dwz. het apocalyptische boek wordt door een schrijver geschreven alsof het geschreven werd door een beroemdheid uit het verleden. Deze beroemdheid uit het verleden doet dan veelal voorspellingen betreffende de toekomst. Daniël is het oudste apocalyptische boek (hoewel men 'aanloopjes' ervan kan waarnemen in de boeken Joël, Zacharia en Jesaja). Het dateert niet uit de zesde eeuw, zoals Van Peer abusiefelijk laat weten. Wetenschappelijke studie van het boek wijst uit dat men met precizie kan vaststellen wanneer het geschreven is, namelijk 164 v.Chr. De profetieën beschrijven namelijk gedetailleerd de tijd van de Griekse overheersing ten tijde van Antiochus IV (171-164 v.Chr.). De schrijver van het boek Daniël profeteert dat het Joodse volk zal worden gered wanneer deze boze Griekse tiran aan zijn eind komt, zij het na ”een tijd van verdrukking, zoals die er nog nooit geweest is sinds er volken bestaan”. Hij profeteert ook een ”opstanding voor velen”, de eerste keer dat het opstandingsgeloof in de bijbel voorkomt. Het boek Daniël is dan ook het jongste boek van het Oude Testament; gedeelten eruit zijn zelfs niet in het Hebreeuws geschreven, maar in het Aramees. De oudste manuscripten ervan zijn in de Griekse vertaling van het boek en dateren uit de vierde eeuw: de beroemde Codex Sinaiticus en Codex Vaticanus. Het oudste manuscript in het Hebreeuws dateert uit het jaar 1008 (Codex Leningradensis). Waar Van Peer naar verwijst zijn de Dode Zeerollen: er zijn kleine restanten van wel acht kopieën van het boek Daniël gevonden, zes daterend van ca. 100 v.Chr. tot 50 na Christus, en twee fragmenten daterend uit de laat tweede eeuw v.Chr. Dit laat zien dat het boek Daniël het favoriete boek van de Dodezee-gemeenschap, een fanatieke eindtijd-sekte, was. (Ook het boek van Henoch was een favoriet van hen).
Hier is de tekst uit Daniël 7:13-14, waar over ”een mens” gesproken wordt:

In mijn nachtelijk visioen zag ik toen met de wolken des hemels iemand aankomen die op een mens geleek. Hij ging naar de Hoogbejaarde en werd voor hem geleid. Toen werd hem heerschappij gegeven, luister en koninklijke macht; alle volken stammen en talen brachten hem hulde. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij die nooit vergaat, zijn koninkrijk gaat nooit te gronde.

Deze vertaling geeft exact weer wat de tekst in Daniël bedoelt te zeggen: ”zoon des mensen”, - ben ’adam - betekent in het Aramees (en ook in het Hebreeuws) eenvoudig ”mens”. Maar omdat deze tekst over een mens gaat die door God eeuwige heerschappij over de hele wereld wordt gegeven werd de uitdrukking in de Apocalyptische literatuur een benaming voor de Messias. Door er een lidwoord voor te zetten, ”de zoon des mensen”, maakte men duidelijk dat het hier om een titel en de messias ging.
Iemand die zijn bijbel kent zal onmiddellijk opmerken dat God in vers 9 wordt geïntroduceerd en betiteld met een hele vreemde titel ”Hoogbejaarde” (Oude van dagen). Apocalyptiek dateert uit een veel jongere tijd dan alle andere bijbelboeken, en komt daarom altijd vreemd, om niet te zeggen 'onbijbels', over. Het is dan ook een grote tragedie voor de mensheid dat apocalyptiek in de bijbel is terechtgekomen. Ook zal de bijbelkenner weten dat de synoptische evangelieschrijvers en de schrijver van het boek Openbaring grote fans van Daniël waren. In Marcus 13 kan men Jezus’ eindtijdrede lezen. In vers 26 komt een verwijzing naar bovenstaande tekst uit Daniël: ”Dan zal men de Mensenzoon zien komen op de wolken, bekleed met grote macht en luister”. Eerder in die rede wordt over "de gruwel der verwoesting" (ontzettende overtreding) gesproken, een frase die in de vorm van "een vleugel van gruwelen" of enkel met het woord "gruwel" viermaal herhaald wordt in Daniël (8:13, 9:26,27, 11:31, 12:11). (Hier komt de waanzin en tragiek van eindtijdfanatisme naar voren: Aangezien Daniëls profetie aangaande de komst van de messias in de tijd waarvoor ze oorspronkelijk bedoeld was niet uitkwam, lieten de eerste christenen die slaan op Jezus en zijn spoedige wederkomst, alsof het op hún tijd betrekking had. En omdat ook de verwachting van de eerste christenen niet uitkwam, interpreteren de moderne christenen deze profetieën alsof die op ónze nabije toekomst slaat.)
Van Peer schreef:Merk op dat het hier om een mens gaat, en dat de macht die hem wordt toegekend ’koninklijk’ is, dus wereldlijk, niet goddelijk. Verder valt op dat de uitdrukking vrijwel steeds door Jezus zelf gebruikt wordt. Ten slotte, en dit is voor onze argumentatie van het grootste belang: Jezus gebruikt de uitdrukking steeds in de derde persoon. Gelovige christenen vereenzelvigen Jezus namelijk met deze Mensenzoon, maar dat is niet wat er staat. Mocht Jezus zichzelf als de Mensenzoon hebben willen aanduiden, dan had hij dat natuurlijk in de eerste persoon gedaan, dus ’ik, de Mensenzoon’. En ook bij Jezus, net als bij de profeet Daniël, verwijst de uitdrukking naar iemand die komen gaat, in de toekomst dus, en een nieuwe, eeuwigdurende orde zal stichten….
Gelovigen menen meestal dat deze woorden van Jezus naar hemzelf verwijzen, maar dit is duidelijk een slordige lezing van wat hij zegt. In alle gevallen verwijst Jezus naar iemand anders dan hijzelf wanneer hij over de Mensenzoon spreekt.
Wat Van Peer hier schrijft over "van het grootste belang" is klinkklare onzin, hetgeen hij had kunnen weten, want de enige keer dat hij ”de zoon des mensen” in zijn boek al eerder voorbij liet gaan was in zijn bespreking van het verhoor door het Sanhedrin, waar Jezus nota bene ter dood veroordeeld werd omdat hij zichzelf tot Messias uitriep, juist door die messiaanse titel aan hemzelf te geven! Over slordigheid gesproken!
Van Peer schrijft terecht dat de uitdrukking verwijst naar iemand die komen gaat, maar begrijpt niet dat dat juist de reden is waarom Jezus de titel gebruikt in de derde persoon. Jezus leefde blijkbaar in de waan dat hij via zijn offerdood door God verhoogd zou worden en als Zoon des Mensen, dus messiaanse koning, terug zou keren, of (als alternatief voor iemand die op de lijn van mythicisten zit) de vroege christenen leefden met het idee dat Jezus door mythische offerdood verhoogd werd door God en daarom spoedig zal komen als Messiaanse koning om zich te wreken op de vijand, het oordeel over de ongelovigen te vellen, en een eeuwige wereldheerschappij op te richten. (Zie bijvoorbeeld de plechtige hymne in Filippenzen 2:6-10).

Eén van de allerbelangrijkste wetenschappelijke bevindingen, namelijk dat het christelijk geloof een apocalyptische sekte is, en Jezus een eindtijdprediker, iemand die aan een waan leed, werd door de beroemdste theoloog Albert Schweitzer al in 1906 uit de doeken gedaan. Maar deze zaak is Van Peer geheel ontgaan. Hij ziet Jezus als een preker van een humanistische ethiek, en heeft geen oog voor dit centrale gegeven in het Nieuwe Testament. Het zou Van Peer zeer gebaat hebben om het beroemde boek te lezen waar Schweitzer de zoektocht naar de historische Jezus bespreekt. Schweitzer concludeert dat die niet te vinden is, hetgeen hieruit blijkt dat iedere theoloog met een Jezus tevoorschijn komt die er net zo uitziet als de theoloog zelf. Van Peers boek bevestigt Schweitzer voor de zoveel maalste keer weer eens.

Maar wat is überhaupt de reden om de titel "Zoon des Mensen" te behandelen onder het kopje Was Jezus God? Het was een messiaanse titel, en toen Van Peer het over het proces had liet hij al weten dat je tot Messias uitroepen geen godslastering is, oftewel niets te maken heeft met jezelf goddelijkheid aan te meten.
Tenzij men natuurlijk Filippenzen 2:6-10 nog eens wat beter gaat lezen en dan opmerkt dat de titel door de christenen blijkbaar zo opgeblazen werd dat die inderdaad door hen in die richting opgestuurd werd. Waarna het ook duidelijker wordt waarom de hogepriester zijn kleren scheurt: de evangelieschrijvers hebben wellicht hun eigen opvattingen van een goddelijke Zoon des Mensen en goddelijke Zoon van God als anachronisme aan de hogepriester in het verhaal gegeven. Maar dit leidt ons weer stevig op weg naar mythicisme. Een hoop voor Van Peer om zich ooit nog eens in te verdiepen. Maar toch gek dat hij dat niet gedaan heeft toen hij zijn boek schreef, want op het eind van het hoofdstuk laat van Peer opeens weten:
Van Peer schreef:Bij Marcus blijven de verwijzingen naar de Zoon van God nog beperkt. Maar ook hier wordt aan het einde Jezus beschuldigd van blasfemie, wat moet betekenen dat hij aanleiding moet hebben gegeven om zichzelf als op gelijke voet met God aan te duiden.
Precies, maar dit is in regelrechte tegenspraak met wat Van Peer een hoofdstuk tevoren uitsprak: ”Het fictiefst is het oordeel dat wordt uitgesproken” aangezien Jezus veroordeeld werd voor godslastering, maar zich volgens Van Peer helemaal niet schuldig maakte aan zichzelf op gelijke voet met God stellen.


Van Peer vervolgt met een beschouwing over de titel Zoon van God dat eveneens een hutspot blijkt te zijn waar men niets wijzer uit wordt.
Van Peer schreef:De christelijke traditie ziet ’Zoon van God’ als verwijzend naar Jezus. Maar ook dat is een ongeoorloofde associatie. Een eerste belangrijke opmerking betreft het gebruik ervan: christenen menen dat de uitdrukking typisch is voor hun godsdienst, maar dat is geenszins het geval. Ook de Egyptische farao’s noemden zichzelf ’Zoon van God’.
Van Peer vervolgt met andere overeenkomsten met de Egyptische religie. Hij laat weten dat Osiris ook een God is in mensengedaante en naar de aarde is gekomen om mensen morele wetten te brengen. Maar hij wordt gedood door de krachten van het kwaad, verrijst vervolgens uit de dood en neemt weer plaats in de hemel, waar hij als opperrechter van alle zielen fungeert bij het laatste oordeel.
Van Peer schreef:Heeft het christendom leentjebuur gespeeld bij de oude Egyptenaren? Ongetwijfeld – net zoals het geval is in de Bergrede, die we al meer dan duizend jaar voor het Nieuwe Testament aantreffen in het antieke Egypte…De teksten van Matteüs en Lucas zijn gewoon ’gerecycled’ uit oudere modellen die in het Nabije en Midden-Oosten circuleerden.
En Osiris was niet de enige. De cultus van Mithras, een van oorsprong Perzische godheid, was eveneens ’zoon van god’. Zijn cultus bestond voornamelijk uit maaltijden, niet zo verschillend dus van de christelijke eucharistie.
Het spreekt inmiddels vanzelf dat ook op dit punt er bij Van Peer geen lampje gaat branden wat betreft de historiciteit van Jezus. Integendeel, hij vervolgt:
Van Peer schreef:Wanneer we de historische Jezus zouden confronteren met de christelijke opvatting dat hij de zoon van God was, zou hij diep geschokt zijn. De joodse godsdienst waarvan hij deel uitmaakte, liet een dergelijke gedachte niet eens toe! Jezus God? Onvoorstelbaar in zijn eigen tijd.
Waar Van Peer niet bij stil staat is dat de bron waaruit hij zijn ”historische Jezus” distilleert exact dezelfde is als de bron die ons voortdurend met de titel ”zoon van God” confronteert! Hoe is het? Matteüs de expert-jood die blijkbaar de voorbeeldig Joodse Jezus aan Van Peer heeft geschonken, gebruikt Zoon van God zelfs veel meer dan het oudere evangelie van Marcus. In Marcus komt de term maar tweemaal voor (1:11, 9:7). Maar in Matteüs staat de titel Zoon van God centraal: zie dit artikel. Hij laat zelfs de hogepriester aan Jezus vragen of hij ”de messias, de Zoon van God” is. Oftewel zelfs in de gedachtewereld van de hogepriester horen die twee bij elkaar. En nogmaals: op de vraag van de hogepriester of hij de Zoon van God is antwoordt Jezus ”Dat ben ik”. Van Peers bewering dat christelijke traditie een ongeoorloofde associatie maakt tussen Zoon van God en Jezus wordt eenvoudig door het oudste evangelie in een passage die hijzelf nota bene behandeld heeft tegengesproken.

Op het eind laat Van Peer de lezer nog weten dat de term ”Zoon van God” in de Joodse traditie (beter zou zijn indien hij geschreven zou hebben: de Joodse bijbel) voorkomt om te verwijzen naar koningen van het volk Israël.
Van Peer schreef:Dus niet naar een godheid, en dus zonder goddelijke eigenschappen toe te kennen aan de ’Zoon van God’.
Maar indien dit inderdaad zo is, waarom dat dan niet eerder opgemerkt? En aangezien dit inderdaad zo is kan men enkel concluderen dat Van Peer het belangrijkste nalaat om de lezer over te informeren: gebruiken de nieuwtestamentische schrijvers de term nu in de Hellenistische zin of in de Joodse betekenis van het woord? Want net als het geval was met de titel Zoon des Mensen, is de term Zoon van God in het jodendom dus geen titel om goddelijkheid mee uit te drukken. Als dat echter toch het geval is in het Nieuwe Testament, dan komen we er in het boek van Van Peer niet achter hoe en waar, aan de hand waarvan, of op welke manier Van Peer tot deze conclusie komt waarmee hij het hoofdstuk besluit:
Van Peer schreef:Wat we kunnen vaststellen is dat Jezus steeds goddelijker wordt met het voortschrijden van de tijd: het minst in het oudste, het meest in het jongste evangelie. Anders gezegd: Jezus wordt van aanvankelijke profeet (begenadigd, zeker, maar nog steeds door en door menselijk) geleidelijk aan steeds meer tot een goddelijke status verheven, een proces dat zich uitstrekt over een periode van ongeveer honderd jaar na zijn dood.
Afgezien van het feit dat Jezus in het evangelie van Marcus veel menselijke gebreken heeft, die door de anderen weggewerkt worden, en in het tweede-eeuwse evangelie van Johannes als een godmens rondloopt, iets wat we in vorige hoofdstukken al diverse malen te horen kregen, heeft Van Peer hier niets aan toegevoegd, en op geen enkele manier het verloop van dit proces van honderd jaar laten zien. Ook dat laatste is niet erg helder, want Van Peer laat niets anders voorbijgaan dan de vier evangeliën, waartussen maar vijftig jaar zit, en waarvan de oudste pas 40 jaar of later na Jezus geschreven werd. Het proces duurde bovendien nog vele eeuwen langer. Zo laat hij eenvoudig Paulus onbesproken, een veel oudere tekst dan de evangeliën, die zonder blikken of blozen schrijft: ”Want allen die door de Geest van God geleid worden, zijn zonen van God” (Rom. 8:14; de nieuwste bijbelvertaling heeft dit weer verdonkermaand door het te vertalen als ”kinderen van God”).

Zelfs een moslim kan ons op één internet pagina meer vertellen dan Van Peer de lezer heeft wijzer gemaakt.

Gelukkig eindigt Van Peer met een verwijzing waar men blijkbaar wel wijzer kan worden:
Van Peer schreef:Deze evolutie is gedetailleerd ontrafeld en beschreven in How Jesus Became God van Bart Ehrman uit 2014.
Wat verhelderend zou zijn geweest – of misschien niet, want men blijft uiteindelijk toch staan voor raadsels - is iets te zeggen over de christelijke obsessie met Psalm 110. Keer op keer komt men in het Nieuwe Testament verwijzingen hiernaar tegen. En hieruit blijkt dat de christenen deze psalm gebruikten om Jezus geleidelijk goddelijke status te geven. In, Marcus 12:35-37, Matteüs 22:41-45 en Lucas 20:41-44 haalt Jezus zelf deze psalm aan om de schriftgeleerden te laten zien dat ze er niets van begrijpen. In de christelijke interpretatie van deze psalm wordt koning David gepresenteerd alsof hij een Heer heeft: ”Aldus luidt het woord van Jahweh tot mijn Heer, zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten”. Deze Heer is in de christelijke interpretatie de messias, iemand die dus groter is dan koning David, die hem ”mijn Heer” noemt. Wat onduidelijk blijft is in hoeverre dit groter zijn goddelijkheid inhoudt. Dachten de christenen aan een engelachtige goddelijkheid? Hebreeën 1:13 citeert alweer deze psalm, en concludeert daar dat de status van Jezus superieur is aan die van engelen: ”Tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: ”Zet u aan mijn rechterhand…zij zijn dienende geesten.” Maar welke status Jezus dan precies heeft wordt niet duidelijk. Uiteindelijk is het ”zittend aan de rechterhand van God” uit Psalm 110:1 zo belangrijk gebleken voor de christenen dat de frase in alle christelijke geloofbelijdenissen terechtkwam. (Zie: https://books.google.fi/books?id=3hxMAw ... &q&f=false)
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14237
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 14 jul 2019 14:16

Hoofdstuk 8: Mondelinge tradities

De studie van mondelinge traditie heeft sinds het begin van de 20ste eeuw bij de studie van de evangeliën behoord. Immers is men altijd uitgegaan van het axioma dat Jezus een historische figuur is geweest, én de uitkomst van wetenschappelijk onderzoek dat het vroegste evangelie pas zo’n veertig jaar na de dood van Jezus of nog later is ontstaan. Aangezien Paulus geen geschreven evangeliën kent moet zelfs een apologeet voor het christelijk geloof toegeven dat de evangeliën waarschijnlijk niet tijdens zijn leven zijn geschreven, oftewel niet vóór het jaar 63, en dat is ook al 30 jaar na de dood van Jezus. Uitgaande hiervan móet er dan wel een mondelinge overlevering van tientallen jaren zijn. Een andere aanwijzing hiervoor is dat vroeg-christelijke kerkvaders soms uitspraken voorbij laten gaan die in de buurt komen van iets wat in de evangeliën staat. Van Peer geeft hiervan een voorbeeld. In de brief van Clemens van Rome, die Van Peer, de kerktraditie volgend, geschreven laat zijn in 95, maar waarvoor wetenschappers ook een datering van in de zestiger jaren van de eerste eeuw hebben voorgesteld (vanwege dat de dood van Petrus en Paulus vermeld wordt als recentelijke gebeurtenis, en de tempel alsof de tempeldienst nog bestaat), krijgt men bijvoorbeeld deze tekst te lezen:
Clemens van Rome schreef:…want hij sprak aldus: Heb medelijden, dat je genade mag ontvangen, vergeef dat je vergeven mag worden. Zoals u doet, zult ook u gedaan worden. Gelijk u oordeelt, zult u geoordeeld worden. Wanneer u vriendelijkheid betoont, zo zal u vriendelijkheid worden betoond. Met welke maar u meet, zo zult u gemeten worden.
Van Peer schreef:Wie op zoek gaat, zal verwijzingen vinden op de volgende locaties: Mt. 5:7, 6:14-15, 7:1.2, Lc. 6:31 en 6:36-38. . Maar: zonder dat Clemens, de auteur, de namen van de twee auteurs noemt. Dit is enigszins onthutsend….Er is hiervoor echter een redelijke verklaring te geven, namelijk dat ten tijde van Clemens de vier evangeliën nog niet gedifferentieerd waren. Met andere woorden: er is nog geen Nieuwe Testament. Dat is nog ’aan het ontstaan’, ’in voorbereiding’.
En dit wijst op het bestaan van een mondelinge overlevering.

Aangezien de synoptische evangeliën voor een groot deel opgemaakt zijn uit kleine op zichzelf staande anecdotes (die men vaak ”perikopen” noemt) die volgens een bepaald, steeds herhaald schema opgemaakt zijn, kan men hier de manier waarop een mondeling overgeleverde traditie doorverteld wordt, uit opmaken. Het eerste (en enige) bijbelse voorbeeld dat Van Peer geeft is het verhaal van de wonderbaarlijke spijziging:
Van Peer schreef:Wat doen we er nu mee? Daar draait het in dit hoofdstuk om. Want dergelijke verhalen duiken voortdurend op in de evangelies. En ze worden gebracht in een bepaalde context. Bijvoorbeeld: mensen zijn hongerig en het wordt avond. De leerlingen stellen voor om hen weg te sturen. Maar Jezus zegt dat ze moeten eten. Echter, er blijken slechts vijf broden en twee vissen te zijn. Jezus zegent die en plots is er genoeg eten voor iedereen, ”en aan overgebleven brokken haalde men nog twaalf korven op.” Zo verhaalt Matteüs het. Het einde van dit cateringverhaal zal ook wel een beetje foutief geschat zijn: ”Het waren ongeveer vijfduizend mannen die hadden gegeten, vrouwen en kinderen niet meegerekend.” (Mt. 14:21) [Van Peers boek laat weten 4:21, een drukfout]
De vraag waarmee dit citaat begint wordt jammergenoeg niet beantwoord. De laatste zin die Van Peer hierover schrijft wordt ook op geen enkele manier onderbouwd. Dus wat doet een lezer hier nu mee? Terwijl er zoveel over te schrijven zou zijn. Allereerst dat het origineel in Marcus niet het woord ”ongeveer” laat horen. ”Zij die gegeten hadden, waren vijfduizend man” staat er. Dat is dus heel precies. Waarom moet hier aanleiding zijn voor ”zal ook wel een beetje foutief geschat zal zijn”? Betekent het ”ook wel” dat ook de twaalf korven brokken wel niet goed geteld waren, blijkbaar omdat ze in die tijd niet tellen konden? Of omdat de getallen 7 en 12 bijna vanzelfsprekend symbolisch zijn? Of betekent het dat het verhaal geen enkele relatie heeft met een historische Jezus, aangezien zo’n wonder überhaupt niet kan gebeuren? Betekent het dat Jezus überhaupt geen vijfduizend luistaars zou kunnen hebben, omdat wetenschappers de grote stilte rondom deze figuur enkel kunnen uitleggen door hem als een "marginal Jew" die niet eens kon schrijven neer te zetten?
Deze laatste woorden komen uit mijn pen omdat Van Peer in een moment van afdwaling schrijft dat het "uitermate onwaarschijnlijk is dat de zoon van een arme werkman in een afgelegen provincie in het noorden van het land kon lezen en schrijven". Hij pareert een eventuele tegenwerping, het verhaal in Joh. 8:3-6, waar Jezus met zijn vinger in het zand schrijft knap en naar mijn mening correct met de opmerking dat het gebaar onverschilligheid ademt en ook geen schrijven van letters impliceert. Maar hij ziet over het hoofd dat Marcus ons een verhaal vertelt dat Jezus in de synogoge onderwees (Mc. 6). Lucas maakt het verhaal mooier door er een gedetailleerde beschrijving bij te geven:
Lucas schreef:Hij ging volgens gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen. En hem werd het boek van de profeet Jesaja ter hand gesteld, en toen hij het boek geopend had, vond hij de plaats, waar geschreven is:....
Jezus kon dus voorlezen, en zelfs zo goed lezen dat hij in een ogenblik de juiste passage wist te vinden. Maar hij kon niet schrijven? Of is dit verhaal een puur opgemaakte fabricage, maar blijft Jezus nog steeds even historisch rondlopen?


Maar terug naar het wonderverhaal. Er zit niets anders op dan dat ik zelf een dag besteed aan dit verhaal dat toevallig voorbij gaat. We krijgen al meteen iets van een antwoord wanneer men opmerkt dat zowel Matteüs als Marcus nota bene twee verhalen hebben over wonderbaarlijke spijzigingen. De eerste keer zijn het bij Matteus ”vijf broden en twee vissen”, verdeeld over ”ongeveer vijfduizend mannen”, vrouwen en kinderen niet meegeteld, en 12 manden vol brokken overschot. In Marcus (6:30-44) gaat het om ”vijfduizend man”, ”vijf broden en twee vissen”, en 12 manden brood en 12 manden vis overschot.
In het tweede verhaal van Matteüs (hoofdstuk 15:29-39) gaat het om ”zeven broden en enkele visjes”, en precies ”vierduizend mannen”, vrouwen en kinderen niet meegeteld, en zeven korven brood overschot.
Maar in het tweede verhaal van Marcus (Mc. 8:1-10) kunnen we lezen dat Marcus het woordje ”ongeveer” gebruikt bij de vermelding van vierduizend. Dezelfde details, ”zeven broden en enkele visjes” en zeven korven overschot, maar weer met uitzondering van de opmerking die alleen bij Matteüs voorkomt, namelijk dat vrouwen en kinderen niet meegeteld zijn.

Interessant is dat Marcus in het eerste verhaal de schare groepsgewijs op het groene gras laat zitten; Matteüs enkel ”op het gras” en zonder de opmerking over groepsgewijs. Deze kleine details laten zien dat Marcus de originele schrijver van het verhaal is. Van Peer laat ook een tweede verhaal voorbij komen, het verhaal over de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Mc. 5 vanaf vers 21 en Mt.9 vanaf vers 18), waar men uit kan concluderen dat Marcus een veel beter verteller was ("veel dramatischer en overtuigender, zowel uit theologisch als uit psychologisch oogpunt. Niet alleen aanzienlijk langer, maar ook veel indringender").

Vreemder wordt het wanneer we in het tweede spijzigingsverhaal bij beide evangelisten lezen dat het ditmaal Jezus zelf is die opmerkt dat hij medelijden heeft met de hongerige massa. Wanneer hij ze weg zou sturen zouden ze misschien wel kunnen bezwijken voordat ze thuis kwamen. Vervolgens vragen de dicipelen hoe Jezus kan denken in deze eenzame streek aan zoveel brood te kunnen komen om de schare te spijzigen, waarop Jezus weer opnieuw een wonder doet door zeven broden die er toevallig zijn en enkele visjes, wonderbaarlijk te vermenigvuldigen. Dat hier iets niet klopt is duidelijk: aangezien de discipelen al een eerste wonderbaarlijke spijziging hadden meegemaakt is het moeilijk te geloven dat ze met zo’n domme vraag aankomen.

Lucas neemt enkel het eerste verhaal van Marcus en Matteüs over: ”vijf broden en twee visjes”, plus de bewering van Matteüs dat het om ongeveer vijfduizend mannen ging, en verzint er nog een detail bij, namelijk: ”En hij zei tegen de dicipelen: laat hen gaan zitten in groepen van ongeveer vijftig”.

Johannes neemt ook Matteüs’ verhaal over, met precies vijf broden en twee visjes, maar laat nota bene weten dat het gerstebroden waren en ze behoorden aan een jongetje dat in de massa aanwezig was en Andreas opgespoord had. Ook laat hij Jezus een vraag stellen aan Filippus: ”Waar zullen we broden kopen?” Met de uitleg van de alleswetende evangelist dat het geen echte vraag was, maar Jezus enkel het geloof van Filippus op de proef wilde stellen. Ook hij laat horen dat er ”veel gras om op te zitten” was en de mannen die gingen zitten ”ten getale van omstreeks vijfduizend” waren. Aan het eind van het verhaal laat hij nog weten dat de schare helemaal opgewonden werd over het wonder en hem ”met geweld wilde meevoeren om hem koning te maken”, zodat hij zich maar helemaal alleen terugtrok. Even later laat hij Jezus een redevoering houden over dat het in het leven niet gaat om het brood dat men in zijn mond doet, maar om ”het brood des levens” en dat hijzelf dat ware brood is. Alsof de evangelist van het Johannes-evangelie alleen het verhaal van de synoptici gebruikte om een diepe theologische verhandeling te kunnen schrijven.

Dit voorbeeld laat wellicht zien dat er inderdaad een mondelinge overlevering geweest kan zijn, waarin verhalen zo verschillend verteld werden dat Marcus dacht dat er wel twee wonderbaarlijke spijzigingen geweest moeten zijn. Ook laat het zien dat Lucas, een laat evangelie, een detail weet waar vroegere evangelisten niets van afwisten, en de laatste vertelling, die van Johannes, pakweg 90 jaar nadat het gebeurd zou zijn, het meest van allemaal details geeft, onder andere dat de schare na het wonder Jezus tot koning wilde uitroepen, een detail zo belangrijk dat de vroegere evangelisten het onmogelijk onvermeld hadden kunnen laten indien het waar was. Dit duidt dus duidelijk niet op een beter bewaarde mondelinge overlevering, maar juist op het tegendeel: mondelinge overlevering ontwikkelt zich in de tijd door het verhaal steeds mooier te maken, door steeds meer details er bij te fantaseren of het aan te passen op wat de schrijver voor zijn verhaallijn nodig heeft.

Uiteindelijk is het bijzonder moeilijk om een antwoord te krijgen of er nu een mondelinge traditie geweest is die teruggaat op een waarlijk gebeurde geschiedenis of dat het eerste verhaal dat rondging al een volkomen opgemaakte creatie is. Wie ervan uitgaat dat wonderen überhaupt niet gebeuren móet wel op het laatste uitkomen, want indien er nooit een man heeft rondgelopen die wonderen deed is het onverklaarbaar dat er zoveel verhalen zijn die Jezus laten zien als een wonderdoener. Reden waarom zelfs Bultmann toegaf dat Jezus gedaan moet hebben wat tijdgenoten beschouwden als wonderen: "Er kan geen twijfel over bestaan dat Jezus daden deed die door hemzelf en door zijn tijdgenoten beschouwd werden als wonderen…Zonder twijfel genas hij de zieken en wierp hij demonen uit", (Jesus and the Word, engelse vertaling uit 1958). En zonder twijfel vermenigvuldigde hij op wonderbaarlijke manier eten voor duizenden? Gaat men uit van wat Bultmann hier aanneemt komt men voor de moeilijke vraag te staan op welke manier deze verhalen over wonderbaarlijke spijzigingen van duizenden toch in het leven van een historische persoon gebeurd kan zijn. Jezus als goochelaar is moeilijk te verenigen met wat er over hem als spirituele leraar wordt verteld. De opmerking van Van Peer dat het getal van vijfduizend ”wel wat overdreven zal zijn” is ook geen antwoord op deze basisvraag: moeten we hier toch denken aan iets wat werkelijk gebeurd is, en wat is dat ”iets” dan, of is dit hele verhaal eenvoudig een literaire creatie? Deze basisvraag is juist het interessantste om te overdenken, maar blijft onbesproken.

Van Peer probeert het op te lossen door te benadrukken dat Jezus van historische persoon geleidelijk aan goddelijke eigenschappen toegeschreven kreeg.
Van Peer schreef:Maar die toename stelt ons in staat om hypothetisch terug te blikken in de tijd. Er is namelijk geen reden om te veronderstellen dat die verschuiving in de waarneming van Jezus alleen in de geschreven teksten is te vinden. Het is eerder aannemelijk dat een dergelijke evolutie al aan de gang was voordat de teksten werden geschreven… Het beeld van de goddelijke Jezus is dus een resultaat van een lange ontwikkeling. En aan het begin van die ontwikkeling staat de historische figuur van Jezus van Nazareth, als mens. Van goddelijkheid is in de oudste overlevering geen sprake.
Aangezien die oudste overlevering iets mondelings geweest moet zijn, zijn Van Peers laatste twee zinnen wat men noemt begging the question, want wat deze mondelinge traditie betreft heeft men niets in handen. Of beter gezegd: indien dit verhaal wordt aangegeven door mondelinge traditie dan hebben we juist met een godmens te maken, dat is nota bene de pointe van het verhaal. Wat de 'historische figuur' betreft hebben we zelfs niet het detail ”van Nazareth” in handen, aangezien Matteüs die koppelt aan een schriftwoord (”hij zal nazoreeër genoemd worden”), alsof de woonplaats van Jezus aan de hand hiervan gefabriceerd is, evenals zijn geboorteplaats Bethlehem, dat eveneens gebaseerd is op een schriftplaats.
Wat we, aan de andere kant, wél in handen hebben zijn de brieven van Paulus, ouder dan de evangeliën, waar nauwelijks of geen verwijzingen naar een historische figuur staan, maar juist wél een hoop zaken die wijzen op zijn goddelijkheid.

En om het nóg ingewikkelder te maken, ra, ra, wat men na honderd jaar theologische boeken schrijven over mondelinge traditie ontdekte (waarom in vredesnaam niet eerder!): de wonderverhalen over de wonderbaarlijke spijziging zijn eenvoudig hervertellingen van een verhaal dat men in 2 Koningen 4:42-44 kan lezen:
2 Koningen schreef:Er was een man gekomen uit Baäal-Salisa; hij bracht de man Gods in zijn tas brood van de eerstelingen, twintig gerstebroden en vers koren. En hij zei: Geef het aan het volk, opdat ze eten. Maar zijn dienaar zei: Hoe kan ik dit aan honderd man voorzetten? En hij zei: Geef het aan het volk, opdat ze eten. Want zo zegt Jahweh: Men zal eten en overhouden. Daarop zette hij het hun voor, en zij aten en hielden over, naar het woord van Jahweh.
Er is over Jezus een nieuw verhaal gecreëerd op basis van het verhaal over de profeet Elisa. Men noemt zoiets Midrash techniek. Zelfs het detail van gerstebroden wordt nu duidelijk! En om het nog mooier te maken. Het tweede voorbeeld dat Van Peer toevallig voorbij laat gaan, het verhaal van de opwekking van het dochtertje van Jaïrus is duidelijk een hertelling van 2 Koningen 4:27-37, nota bene hetzelfde hoofdstuk als waar het vorige verhaal vandaan kwam! (zie: Steven Carr)
Thomas Brodie heeft ontdekt dat vele verhalen in de synoptische evangeliën hertellingen zijn van het Elia-Elisa epos in het Oude Testament. Robert Price heeft het aangevuld totdat praktisch het hele evangelieverhaal bezien kan worden als hertelling van oud-testamentische verhalen.

Voor mij persoonlijk zijn de inzichten die in recente decennia naar boven zijn gekomen, dat de evangelisten niet maar schrijvers waren die mondelinge traditie verzamelden en met verbindende lijm van een zin aan het begin en eind van iedere perikoop tot een evangelieverhaal omturnden, maar literaire creaties schiepen één van de grootste eye-openers geweest. In hoeverre er nog iets van een historische Jezus en mondelinge traditie daarachter zit is iets waar men nog lang op kan studeren, maar het is duidelijk afgelopen met het centraal stellen van een mondelinge traditie die ons iets kan leren omtrent een historische Jezus.

Hoewel Van Peer niets laat horen over deze nieuwe inzichten, weidt hij lang uit over moderne studies over mondelinge overleveringen, waarin hij goed naar voren laat komen hoe onbetrouwbaar die is. Zelfs waar we professionelen bestuderen, bijvoorbeeld zangers, pianisten, barden, moeten we tot de conclusie komen dat de capaciteit om uit het hoofd te leren weliswaar opmerkelijk geoefend kan worden en dus in een orale cultuur wellicht groter was dan in onze tijd, maar dat dit geen waarborg is voor betrouwbaarheid. Terwijl een bard bij het uit het hoofd leren nog geholpen wordt door poëtische vorm, iets wat maar sporadisch voorkomt in het Nieuwe testament, zien we ook dat deze professionelen hun tekst aanpassen aan lokale omstandigheden, en hun vertellingen van hetzelfde verhaal op verschillende tijdstippen zeer van elkaar kunnen verschillen.

Het speculeren over en centraal stellen van een mondelinge traditie begon met de oudtestamentische theoloog Gunkel, die de theorie ervan ontworp (Vormkritiek). Het duurde niet lang voordat dit door nieuwtestamentici werd overgenomen (Schmidt, Dibelius en Bultmann). De hele twintigste eeuw lang heeft men hier op voortborduurd, onder meer via het uitstippelen van bepaalde principes die aan de basis mondelinge overlevering liggen, en zogenaamde criteria op basis waarvan men kan besluiten dat een bepaalde uitspraak authentiek is. Beide zaken zijn uiteindelijk te licht bevonden om te kunnen gelden als bruikbaar geschiedkundig gereedschap:
Robert Price schreef: Een paragraaf terug wees ik al op het centrale axioma van de vormkritiek: niets komt door de zeef van de traditie, tenzij het op een bepaald tijdstip nuttig is, dus een precedent schept voor iets. Jammergenoeg moet ik opmerken dat dit een ander axioma opheft, het criterium van dissimilariteit (ongelijkheid): hoe meer een uitspraak van Jezus overeenkomt met de praktijk of de leer van de vroege kerk, hoe groter de waarschijnlijkheid dat het niet van laatstgenoemde afkomstig is, maar het enkel op naam van Jezus geplaatst is om het de benodigde authoriteit te verschaffen.
Gaat men uit van beide principes, dan zal men zien hoe de één de ander uitschakelt, en er helemaal niets overblijft: alle bewaard gebleven uitspraken hebben het overleefd vanwege dat ze nuttig waren. Men kan voor alle uitspraken dus een Sitz-im-Leben Kirche veronderstellen. En dat heeft weer tot gevolg dat een pre-christelijke Sitz-im-Leben Jesu overbodig wordt. Niets ervan hoeft op een Jezus terug te gaan.
Daar komt nog bij dat alle onderwijzende uitspraken hun duidelijke parallel hebben in een Rabbijnse of Hellenistische omgeving. Er is dus geen bijzondere reden waarom een uitspraak bij Jezus zijn oorsprong zou vinden. Wijsheden gingen als regel rond van de ene beroemde mond tot de volgende, vooral in een joodse setting. Uiteraard heeft Jezus het mogelijkerwijs uitgesproken, maar dan zou hij niets anders gezegd hebben wat anderen niet ook al zeiden. Is dat wat men graag wil weten over hem?
[Zie The Christ Myth Theory and Its Problems]


Aan het eind van een hoofdstuk waar hij diverse zaken die aan mondelinge overlevering kleven uitvoerig bij langs gaat, komt Van Peer met een zeer goede conclusie aan, de moeite waard om wat uitvoeriger te citeren:
Van Peer schreef:Vanzelfsprekend ’hebben’ we de mondelinge overlevering niet en moeten we haar reconstrueren volgens de beste, dat wil zeggen de betrouwbaarste methoden die we hebben. Dit hoofdstuk heeft een aantal factoren ontleed die in de mondelinge overlevering een rol hebben gespeeld. Chronologisch verloopt dit proces in verschillende fasen. In de eerste plaats moeten getuigen van de gebeurtenissen uit het leven van Jezus de dingen hebben gezien. Er zijn goede aanwijzingen dat de waarnemingen van getuigen niet altijd betrouwbaar zijn…Stel dat ik achteraan in de groep sta. En ik luister. Kan ik alles goed horen? Onmogelijk. Het is in de open lucht, zonder geluidsversterking.Ik vraag mijn buurman wat Jezus zonet gezegd heeft. Daardoor mis ik wat Jezus nu aan het zeggen is. Kortom, ook al zie ik, dan nog ontsnappen vele details.
Vervolgens moet zo’n getuige vertellen wat hij of zij gezien heeft. En anderen moeten dat horen. Ook dat proces is onderhevig aan beperkingen. Welke taal spreekt de getuige? Aramees? Is mijn Aramees perfect, of maar gebrekkig, want mijn moedertaal is Grieks. Is de getuige een vrouw?Dan ben je als man in die tijd algauw wantrouwig. Is de verteller een Jood en ik niet, dan rijzen er weer andere problemenvan geloofwaardigheid Heeft de getuige uitvoerig verhaald wat hij of zij gezien heeft, of was het maar een kort resumé?Was de manier waarop het verteld werd overtuigend, dwingend, of geamuseerd?Was de toehoorder nieuwsgierig, sceptisch ingesteld? Spreekt de verteller tegen wat ik van iemand anders gehoord heb? Behoort hij of zij duidelijk to teen andere groep christenen dan ikzelf? Is de verteller een oud en bezadigd iemand of een gedreven jonge man of vrouw? En dan moet het weer aan anderen worden doorverteld, waarbij iedere keer weer vervormingen kunnen ontstaan.
Bovendien moeten luisteraars ook onthouden wat ze van de getuigen gehoord hebben. Soms moeten ze onthouden over langere tijd, bijvoorbeeld wanneer ze weer naar hun dorp of stad terugkeren of een zeereis moeten maken. En transport gaat natuurlijk langzamer in die tijd. Het onderzoek naar het onthouden van verhalen is inmiddels tot de ondubbelzinnige conclusie gekomen dat het menselijk geheugen niet alleen feilbaar is, maar dat het zo is ’gebouwd’ dat het zelf dingen construeert. Dus wat luisteraars gehoord hebben van hun getuigen, wordt niet letterlijk onthouden. Ook hier treden weglatingen, vervormingen en toevoegingen op. Herinneren is niet herhalen, het is herstellen en recreëren.
In een laatste fase wordt de herinnering in een bepaalde vorm gegoten. De evangelies die wij hebben zijn waarschijnlijk ’beter’ verteld dan die welke verdwenen zijn in de mist van de geschiedenis.
Een lange waslijst die weinig vertrouwen schenkt in mondelinge overlevering uit de oudheid. De laatste opmerking in dit hoofdstuk van Van Peer die hij hierop laat volgen verrast mij dan ook zeer en komt over als ongerijmd:
Van Peer schreef:…Betekent dit alles nu dat we niets van de dingen in de evangelies kunnen geloven? Geenszins. Wel betekent het dat we niet gewoon voor waar kunnen aannemen wat er in de teksten staat, en dat we dus voorzichtig en methodisch te werk moeten gaan wanneer we willen achterhalen wat er historisch is gebeurd.
Waarom dit woordje ”geenszins”? Persoonlijk zou ik zeggen dat ”voorzichtig te werk gaan” op z’n minst afrekent met dit soort exclamaties van zekerheid. De betekenis van geenszins is in de Van Dale nog steeds ”volstrekt niet” en in een ander woordenboek ” op geen enkele wijze”. Maar opmerken dat bijvoorbeeld verhalenin de evangeliën hertellingen zijn van oudtestamentische verhalen laat al zien dat er wel degelijk een andere wijze is waarop het ook kan worden verstaan. Dus waarom geen ”misschien” als antwoord op de vraag?
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14237
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 14 jul 2019 15:16

(Hoofdstuk 8: Mondelinge tradities, vervolg)

Uiteraard kan er nog veel meer gezegd worden. Als ik op dit punt in het boek een beschouwing zou geven over ”mondeling traditie” zou ik allereerst de balans eens opmaken van wat er tot nu toe in het boek al naar boven is gekomen:

-De ellenlange redevoeringen van Jezus in het evangelie van Johannes kunnen onmogelijk berusten op een mondelinge overlevering, oftewel kunnen onmogelijk teruggaan op Jezus. Woorden van iemand kunnen in een mondelinge traditie bewaard blijven in de vorm van één of twee zinnen die een opvallende wijsheid leren, of de kern van een gebeurtenis, gelijkenis of verhaal. Een lange preek is onmogelijk om in het geheugen te stampen op hetzelfde moment als die uitgesproken wordt en tientallen jaren lang bewaard te blijven (in het geval van Johannes bijna een eeuw). Zelfs als men direct na de preek probeert om nog eens bij langs te gaan wat iemand in een redevoering gezegd heeft, komt er bij ons mensen slechts een fractie naar boven van wat er in werkelijkheid gezegd is, en vaak dat ook nog hopeloos scheef getrokken. Wanneer dat niet onmiddellijk daarna wordt opgeschreven gaat ook dat spoedig zo goed als verloren. Tel hierbij op dat Johannes bijna een eeuw na Jezus wonderverhalen weet te vertellen waar oudere evangelies helemaal niets van weten, waaronder het verhaal van de opwekking van Lazarus, dat men moet beschouwen als het opmerkelijkste wonder in het gehele optreden van Jezus, én Jezus in Johannes talloze uitspraken doet die niet verenigbaar zijn met de Jezus die ons in oudere evangelies geschetst worden.
Johannes is dus met zekerheid een literaire creatie, gaat níet terug op mondelinge overlevering en gaat niet terug op een historische Jezus. Dit heeft verstrekkende gevolgen, denkt men alleen maar aan het feit dat Johannes Jezus meer aan het woord laat zijn dan alle andere evangelisten, enkel Johannes ons vertelt dat het optreden van Jezus wel drie jaar duurde, en Johannes vertelt dat de opwekking van Lazarus de aanleiding was voor Jezus’ tegenstanders om hem uit de weg te ruimen. Tel daarbij op dat de synoptische evangeliën Jezus laten veroordelen voor godslastering, waaraan hij zich helemaal niet schuldig maakt. Dan begrijpt men dat we met een kanjer van een probleem zitten. Indien de aanleiding voor het passieverhaal een opgemaakte zaak is, op basis waarvan kan men het passieverhaal überhaupt dan nog als historisch beschouwen?

-Matteüs en Lucas kopiëren Marcus. In de proloog van Lucas horen we zelfs uitdrukkelijk dat hij zich baseert op anderen die een verslag hebben geschreven. Lucas lijkt me af te vallen als neerslag van mondelinge overlevering. Het geboorteverhaal van Lucas en de stamboom van Jezus die Lucas geeft wijkt zozeer af van die van Matteüs, dat dit te moeten terugvoeren op twee totaal verschillende mondelinge tradities, die bijna een eeuw lang blijkbaar geheel onwetend van elkaar zijn overgeleverd, terwijl het oudste evangelie Marcus hier überhaupt niets over wist, mij zeer onwaarschijnlijk toeschijnt. Ik concludeer dat het waarschijnlijker is dat ze opgemaakte literaire creaties zijn.

-Van Peer liet in het vorige hoofdstuk voorbijgaan dat bepaalde leringen in de Bergrede te vinden zijn in Egyptische bronnen (Dodenboek, hoofdstuk 25 van De instructie van Amen-em-Opet), en zelfs in een Akkadisch fragment geschreven in spijkerschrift zo’n 700 jaar v.Chr. Er is ook gewezen op de link met de Cynici. Ik opperde de mogelijkheid dat Matteüs en Lucas gebruik hebben gemaakt van een collectie met cynische wijsheid. Ook hier lijkt een mondelinge traditie te verdampen. Zoals Van Peer schreef:
Van Peer schreef:De teksten van Matteüs en Lucas zijn gewoon ’gerecycled’ uit oudere modellen die in het Nabije en Midden-Oosten circuleerden, net als de verhalen over Osiris en Mithras…Rond de Middellandse Zee en in het Nabije Oostenbulkt het in de oudheid gewoon van vergelijkbare mythen en rituelen. Het christendom heeft die brutaal ontkend en later voor een deel ook vernietigd. De boodschap van de evangelies is dus niet uniek in die tijd. Maar het is wel een ongelooflijke vooruitgang die het christendom in die Joodse cultuur gewerkstelligd heeft. Van het ’oog om oog, tand om tand’ van de Joodse traditie naar het christelijke ’Hebt uw vijanden lief’ is een culturele en sociale kwantumsprong. Maar dat heeft niets met goddelijkheid te maken, eerder met de vernieuwing die het christendom brengt binnen de Joodse godsdienst. Wanneer we de historische Jezus zouden confronteren met de christelijke opvatting dat hij de Zoon van God was, zou hij diep geschokt zijn.
Van Peer heeft het hier over een kwantumsprong, maar noemt het tezelfdertijd een vernieuwing binnen de Joodse godsdienst. Het lijkt me dat die twee moeilijk samengaan. Uitgaan van een historische Jezus die een Joodse prediker zou zijn geweest, maar die tevens op onvoorstelbaar revolutionaire manier breekt met de Joodse godsdienst is eenvoudig te contradictoir om geloofwaardig te zijn.
Veel waarschijnlijker dan dat dit alles teruggaat op een historische persoon is het scenario dat het christelijk geloof een kunstmatig gecreëerde synthese is van jodendom en hellenistische cultuur. De evangelieschrijvers maakten er een verhaal van.

-Van Peer wees er op dat de evangeliën door onzichtbare, auctoriale vertellers geschreven zijn, en dat deze vorm zich bij uitstek leent voor manipulatie, redactie, vertellen van zaken die niemand kan weten, dingen kleuren naar gelang het de schrijver belieft, terwijl laatstgenoemde ogenschijnlijk als objectief en authentiek overkomt. Bovenal verstrekte informatie waar niemand bij was duidt op literaire creatie en sluit mondelinge overlevering uit.
Thomas Paine schreef in 1794 al een commentaar op de passage van de verzoeking in de woestijn (waar niemand getuige van kon zijn):
Thomas Paine schreef: Het meest buitengewone wonder van het Nieuwe Testament is het verhaal van de duivel die Jezus Christus meevoert naar de top van een hoge berg om hem alle koninkrijken der wereld maar te laten zien. Hoe komt het dat Amerika niet toen al ontdekt werd; was het omdat deze roetachtige hoogheid slechts koninkrijken van enige waarde schatte? Ik heb teveel respect voor het morele karakter van Christus om te geloven dat hij deze walvis van een verhaal vertelde. [Zie: http://www.kolumbus.fi/volwassengeloof/thomaspaine.htm]
Voorts zou ik nog wijzen op de volgende zaken:

-Er is in de christelijke godsdienst niets bekend over de aanwezigheid van een instituut, mechanisme of enigerlei georganiseerde vorm, noodzakelijk voor betrouwbare mondelinge overlevering, zoals Mishna- of Koranscholen. Noch hebben we een evangelie dat in de vorm van poëzie is gezet, om te dienen als geheugensteun.

Er zijn wel een paar fragmenten te vinden die aandoen alsof ze poëzie zijn die men uit het hoofd leerde. Van Peer wijst in zijn boek op de proloog van het Johannesevangelie. Al deze uitzonderingen zijn mythologisch en theologisch van aard.
Hier volgen enkele van zulke poëtische teksten:

De Christus-hymne uit Filippenzen 2:

"Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis. Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader."

Het is duidelijk dat deze tekst ons geen informatie verschaft over een historische Jezus.
Er is nog een stukje poëzie, te vinden in de Kolossenzenbrief. Alweer een aaneenrijging met letterlijk fantastische beschrijvingen van een mysteriewereld:

Beeld van God,
De Onzichtbare,
is Hij,
eerstgeborene van heel de schepping.
In Hem is alles geschapen,
alles in de hemel en alles op aarde,
het zichtbare en het onzichtbare,
vorsten en heersers,
machten en krachten,
alles is door Hem en voor Hem geschapen.
Hij bestaat vóór alles
en alles bestaat in Hem.
Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk.
Oorsprong is Hij,
Eerstgeborene van de doden,
om in alles de eerste te zijn:
in Hem heeft heel de volheid willen wonen
en door Hem en voor Hem
alles met zich willen verzoenen,
alles op aarde
en alles in de hemel,
door vrede te brengen
met zijn bloed aan het kruis.

Deze tekst uit de Kolossenzenbrief maakt van Christus de schepper en onderhouder van het universum. Dit is een grove ketterij indien je het wil verbinden aan één of andere historische Jood die men ergens in Galilea en Jeruzalem laat lopen, en die Matteüs als een Torah-onderhouder bestempelt en die al moeilijk kan aanhoren dat iemand hem aanspreekt met de titel 'goede meester'. Een volslagen onmogelijkheid dus.

Nóg een hymne of geloofsbelijdenis die eruit ziet als iets wat uit het hoofd werd geleerd; te vinden in 1 Tim 3:16:

Hij is geopenbaard in het vlees
in het gelijk gesteld door de Geest,
is verschenen aan de engelen,
verkondigd onder de volken,
vond geloof in de wereld,
is opgenomen in de hemel in majesteit.


Ook in deze hymne zien we geen identificatie met een menselijke persoon, en er ontbreekt ook enige verwijzing naar een aards optreden. Deze godheid schijnt slechts te zien te zijn geweest door engelen en hij verkondigt geen eigen boodschap.

- Bovenstaande bijbelteksten laten zien dat het christelijk geloof gedragen werd door creatie van denkbeelden. Dit wordt nog duidelijker wanneer we de hele christelijke bibliotheek van de eerste 300 jaar overzien. Het is een stapel boeken die voor een groot deel bestaat uit voor honderd procent verzonnen zaken. Af en toe komen we een Jezus tegen die geportretteerd wordt als historische verschijning, maar niemand twijfelt er dan aan of de tekst is volkomen verzonnen. Zo zijn er bijvoorbeeld wel drie vondsten van het boek De Wijsheid van Jezus Christus. Dit geschrift moet dus in de christelijke groepering van Nag Hammadi populair zijn geweest. Het is gebaseerd op een niet-christelijk geschrift, een brief die begint met de woorden "Eugnostos de gezegende, aan allen die van hem zijn". Het boek De wijsheid van Jezus Christus haalt woord voor woord leringen van Eugnostos aan, maar legt ze in de mond van Jezus.
De brief van Eugnostos eindigt met de tekst: "Maar dit is genoeg. Alles wat ik u heb gezegd heb ik zo gezegd dat u het kunt aannemen, totdat hij onder u verschijnt die niet onderwezen hoeft te worden. Hij zal deze dingen in blijdschap en in puur weten uitspreken."
De gnostieke tekst van Eugnostos wordt verondersteld al uit de eerste eeuw te stammen. De christelijke schrijver die de woorden van Eugnostos op Jezus heeft overgeheveld deed dit blijkbaar omdat hij de laatste woorden van dat geschrift zag als een profetie die hij op het object van zijn geloof (Jezus Christus) betrekking zag hebben. De christelijke schrijver kopieerde de leringen uit de brief maar verzint er zelf een contekst bij waarbij hij al uitgaat van het einde van het evangelie van Marcus, en dan met een vervolg erop aankomt. De Wijsheid van Jezus Christus begint zo:

"De wijsheid van Jezus Christus.
Nadat hij uit de dood opstond, bleven zijn 12 discipelen en 7 vrouwen zijn volgelingen, en gingen ze naar Galilea, naar de berg genaamd Goddelijke Instructie en Blijdschap. Toen ze daar waren aangekomen stonden ze versteld van de onderliggende realiteit van het universum en het plan en de heilige voorzienigheid en de kracht van (hemelse) machten en van alles wat de Heiland (=Redder, Saviour) met hen in het geheim van het heilige plan doet. De Heiland verscheen aan hen niet in zijn vorige vorm, maar in de onzichtbare geest. En zijn aanschijn was als van een grote engel des lichts. Maar zijn aanschijn moet ik niet beschrijven. Geen sterfelijk vlees zou het kunnen verdragen, maar alleen het pure en perfecte vlees, zoals hij ons leerde op de berg genaamd ”Van Olijven" in Galilea.
En hij sprak: 'Vrede zij met jullie! Mijn vrede schenk ik jullie!' En zij stonden allemaal versteld en vreesden.
Maar de Heiland lachte en zei tot hen: 'Wat denken jullie nu? Waarom staan jullie versteld? Wat zoeken jullie? Filippus antwoordde: "We zoeken de onderliggende realiteit van het universum en het plan." De Heiland zei tot hen: ....

Vanaf dit punt kopieert de christelijke schrijver de woorden die we terugvinden in het andere geschrift Eugnostos de gezegende. Af en toe onderbreekt hij de tekst om er tussendoor te schrijven: "Matteüs zei tegen hem: 'Heer, niemand kan de waarheid vinden dan door u. Daarom, onderwijs ons de waarheid'. De Heiland zei:...

vanaf welk punt de tekst die hij kopieert weer vervolgt. Totdat de christelijke schrijver het weer ontbreekt met:

"Filippus zei: 'Heer, hoe dan verscheen hij aan de volmaakten? De volmaakte Heiland antwoordde hem:..."

Even later:

"Maria zei tegen hem: 'Heer, hoe dan zullen we dit weten?' De volmaakte Heiland antwoordde:..."

Niets van dit alles heeft met een mondelinge overlevering betreffende een historische Jezus te maken te maken. Maar het is wel in de vorm geschreven alsof het verhaalt over het optreden van een historisch persoon.
(En de schrijver ervan krijgt van mij een pluim: hij is de eerste die bedenkt dat Jezus ook kon lachen. Het duurde een paar eeuwen voordat men hier op kwam. :wink: )

De conclusie die ik trek uit al het voorgaande is dat ik tegenwoordig nauwelijks meer geïnteresseerd ben in speculaties omtrent ”mondelinge overlevering”. Het onderwerp dient tegenwoordig enkel nog voor christelijke apologeten om hun geloof de schijn te geven dat de informatie die we in de evangeliën lezen berust op tientallen jaren oudere – dus betrouwbare – informatie. Fijn dat Van Peer laat zien dat dit sowieso niet het geval is.
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14237
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed

Bericht door Rereformed » 16 jul 2019 10:18

Hoofdstuk 9: Wat niet in het Nieuwe Testament mocht

Van Peer begint met deze opmerking:
Van Peer schreef:Dit hoofdstuk behandelt een van de meest complexe aspecten van het Nieuwe Testament, namelijk hoe het er gekomen is.
Een bladzijde verder:
Van Peer schreef:Het is niet mogelijk om binnen het bestek van dit hoofdstuk deze complexe geschiedenis weer te geven.
Ik zou het hoofdstuk dus op een andere manier begonnen zijn.

Op bladzijde 196 kom ik ’Origines’ tegen. Aangezien hij in 185 geboren is zal de kerkvader Origenes er mee bedoeld zijn.
Weer een bladzijde verder kom ik deze redenatie tegen:
Van Peer schreef:Op het eerste gezicht lijkt de keuze voor de vier canonieke evangelies gerechtvaardigd, omdat alle apocriefe evangelies van latere datum zijn. Er is geen apocrief evangelie dat vroeger is geschreven dan het jaar 100.
Jammergenoeg doet Van Peer hier weer een uitspraak die wetenschappelijk niet verantwoord is. Typisch voor vele geschriften is dat ze niet met enige zekerheid te dateren vallen. Over het evangelie van Thomas is geen overeenstemming onder wetenschappers. Het evangelie wordt door sommigen gedateerd op ”ouder dan het evangelie van Marcus”, door anderen op ”ergens ver in de tweede eeuw”. Aangezien Van Peer soms verwijst naar de prachtige website earlychristianwriters.com had hij er goed aan gedaan ook nu even te kijken: 50-140 Gospel of Thomas

De datering van dit evangelie ligt heel gevoelig. Het evangelie heeft uitspraken van Jezus die overeenkomen met die van de synoptische bijbelevangeliën, maar soms is de bewoording toch weer heel anders. Ook bevat het evangelie uitspraken van Jezus die vreemd of zelfs bizar overkomen. Voorts bevat het geen geloof in een uit de dood opgestane Jezus. Een vroege datering brengt gelovige christenen daarom in verlegenheid, want dan zou het wellicht authentieker zijn dan Marcus. Dús dateert een christelijke wetenschapper het evangelie liever zo laat mogelijk. Dan kan men het interpreteren als een afwijking van het originele (en betrouwbare) geloof.
Maar wil een wetenschapper een boek schrijven met bewijsmateriaal voor het bestaan van een historische Jezus, dan kan het weer handig zijn het jaar 50 uit de goochelhoed tevoorschijn te halen voor ”de kern van het evangelie van Thomas”, om de tijd tussen Jezus en de oudste geschreven traditie met twintig jaar te bekorten (zie Bart Ehrmans Did Jesus exist).

In de loop van dit hoofdstuk maakt Van Peer een opmerking over het Proto-evangelie van Jacobus, dat hij op 150 dateert. Maar op de tijdlijn die Van Peer op het eind van zijn boek geeft staat:

80-90 Evangelie van Jacobus geschreven

Van het evangelie van Petrus is enkel een fragment bewaard gebleven. Dateringen van het evangelie variëren van ”enkele jaren na Marcus” tot 160. Dus beslist niet ouder dan Marcus, maar misschien niet later dan de twee laatste evangelies die in de bijbel terecht zijn gekomen.
Wat hier voor een lezer die niet bekend is met bijbelwetenschap uitgelegd dient te worden is dat de datering voor geschriften enkel gebaseerd kan worden aan de hand van de inhoud van de tekst (aangezien men niet over het origineel beschikt, maar enkel over een kopie ervan daterend van eeuwen later). En dat geeft vaak geen uitsluitsel. In het evangelie van Petrus zijn de laatste woorden van Jezus: ”Mijn kracht, mijn kracht, je hebt mij verlaten”. Dit wijst erop dat de schrijver van het evangelie bekend is met het evangelie van Marcus (”Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten”), maar deze tekst om theologische redenen verminkt heeft. Ook komt de naam Jezus niet voor in het overgebleven gedeelte van het evangelie, maar hij wordt aangeduid als ”Heer” en ”Zoon van God”, typisch voor een latere tijd. Op grond van dit soort zaken trekt men conclusies betreffende de datering. Maar hoeveel later dan Marcus is onmogelijk te zeggen met enige zekerheid. Men kan dan enkel verwijzen naar de uiterste datum voor ontstaan, wanneer een geschrift door een kerkvader genoemd wordt. Irenaeus wijst bijvoorbeeld het evangelie van Judas af als ketterij, zodat men dan kan concluderen dat dát evangelie in ieder geval (ruim) voor het jaar 180 geschreven moet zijn.

Weer een bladzijde verder schrijft Van Peer dat ook alle andere christelijke teksten die niet in de bijbel gekomen zijn van later datum zijn dan de de vier evangelies in het Nieuwe Testament. Hoe is dat mogelijk wanneer Van Peer eerder in zijn eigen datering nota bene aangegeven heeft dat het evangelie van Johannes later geschreven is dan de brief van Clement van Rome?

Maar ook heeft het weinig zin om de datering van alle andere teksten van de bijbel met die van de evangeliën te vergelijken. In het Nieuwe Testament treffen we geschriften aan die wetenschappers dateren op het tijdsbestek 100-160 (2 Petrus en de zogenaamde Pastorale brieven van Paulus). Wanneer 2 Petrus in de bijbel is gekomen is er wat datering betreft geen reden om ook de (Griekse) Apocalyps van Petrus of bepaalde andere geschriften, zoals de brief van Barnabas als bron voor het vroegste christendom te beschouwen. Iets wat Van Peer met een opmerking over deze brief op het eind van het hoofdstuk gelukkig ook laat horen.
Van Peer schreef:Datering is slechts een van de vele criteria om de betrouwbaarheid van de informatie te schatten. Toch kan gezegd worden dat de apocriefe teksten een overmaat aan fantastische, mythische, soms grappige of ook groteske verhalen bevatten.
Men kan zich afvragen of men dit idee krijgt omdat wij bijbellezers zo gewend zijn aan de teksten van de vier evangelies en het boek Handelingen. Wat is tenslotte een ’overmaat’? Komen we die niet al in de ons vertrouwde boeken tegen? Boze geesten die in een kudde zwijnen varen, Jezus die in gesprek is met de satan, en na gelukkige afloop door engelen gediend word, of Jezus op een berg in gesprek met Mozes en Elia, Jezus die een storm luwt, doden opwekt, op water loopt, eten vermenigvuldigt voor duizenden. En wat hiervan te denken:
En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus, zo zelfs dat, als de zweetdoeken of de doeken die hij om zijn middel droeg, van zijn lichaam op de zieken gelegd werden, de ziekten van hen weken en de boze geesten uit hen weggingen. (Handelingen 19:11-12)

Van Peer schreef:Het proces van selectie en beperking tot de vier heeft meer dan drie eeuwen geduurd. Het eerste Nieuwe Testament zoals wij dat kennen dateert van 367, en is samengesteld door bisschop Athanasius van Alexandrië. Er waren dus gepassioneerde discussies tussen groepen gelovigen die zich allemaal ’christen’ noemden – en die allen van zichzelf beweerden dat ze het ’ware’ christendom vertegenwoordigden. Wat wij nu aan evangelies hebben, is het resultaat van die strijd, waarin de winnende partij de teksten van andere groepen christenen systematisch veroordeeld, en ook vernietigd heeft.
Van Peer vermeldt dat de volledige collectie apocriefen te vinden is in The Apocryphal New Testament – A Collection of Apocryphal Christian Literature in English Translation van J.K.Elliot, en vervolgt met een belangrijke opmerking:
Van Peer schreef:Er zijn helaas geen Nederlandse vertalingen van originelen, maar in ons taalgebied heeft Jacob Slavenburg heel wat Engelstalig materiaal naar het Nederlands vertaald, bijvoorbeeld de Nag Hammadi geschriften en in Het grote boek der Apokriefen. Wel moet hierbij worden aangetekend dat deze werken vanuit een sterk esoterische hoek zijn vertaald. De wetenschappelijke betrouwbaarheid is aanvechtbaar.
Vervolgens besteedt Van Peer wat speciale aandacht aan het Thomasevangelie.

Het Thomasevangelie
Terwijl Van Peer juist heeft opgemerkt – ik kijk het voor de zekerheid nog eens na of ik het wel goed gelezen heb - ”Er is geen apocrief evangelie dat vroeger is geschreven dan het jaar 100”, krijgen we nu, drie bladzijden verder, een tekst te lezen alsof die door een andere schrijver geschreven is:
Van Peer schreef:Een goed voorbeeld van de apocriefe teksten is het evangelie van Thomas, waarvan specialisten aannemen dat het misschien tot de oudste bronnen behoort, wellicht tezelfdertijd tot stand gekomen als het boek Q, dus ongeveer tussen het jaar 40 en het jaar 70 – dus vóór het oudste evangelie, dat van Marcus. Dat is op zich al opmerkelijk: een van de alleroudste teksten is uitgesloten van het Nieuwe Testament. Ook hierin weerspiegelt zich weer de machtsstrijd tussen de verschillende vroegchristelijke groepen.
Of wellicht weerspiegelt het de machtsstrijd tussen wetenschappers met verschillende doelstellingen en/of religieuze overtuigingen? ;) Of anders gezegd: weerspiegelt het dat wat doorgaat voor ’bijbelwetenschap’ voor een groot deel een spel van retoriek is?
Van Peer merkt er wel iets van op, want hij laat erop volgen dat het ook totaal anders kan zijn:
Van Peer schreef:Het moet echter worden opgemerkt dat over de datering ervan geen consensus heerst. De schattingen lopen uiteen van het jaar 40 tot het jaar 200! In ieder geval was het in grote delen van de oudheid bekend vanaf het jaar 230.
Maar indien zo, waarom de lezer dan eerst het gevoel geven dat het hier om een schandaal gaat? Als er ergens een moment was dat Van Peer de betrekkelijkheid of onwetenschappelijkheid van wat voor bijbelwetenschap doorgaat, of het gevaar van vooringenomenheid of pure speculatie had moeten beseffen, en zich daar veel meer door zou moeten laten leiden, dan is het wel op dit punt.
Wat moet men met een ”misschien behorend tot de oudste bronnen”, dat in dezelfde zin tot een ”wellicht” wordt omgeturnd en verbonden wordt aan een boek Q dat helemaal niet bestaat, uitmondt in ”een van de alleroudste teksten”, die echter ”uitgesloten worden via machtsstrijd”, om in de volgende zin begroet te worden tot ”misschien pas op het eind van de tweede eeuw ontstaan”, waarna er helemaal niets opmerkelijks meer overblijft, en het volkomen logisch is dat men zo’n geschrift niet opneemt in een collectie die moet doorgaan voor betrouwbare informatie.

Het evangelie van Thomas is gnostisch, maar in het geval van het Thomasevangelie helpt deze informatie niet echt. Gnostiek is iets wat in beperkte mate voorbij kan komen, zoiets kan bijvoorbeeld ook in de brieven van Paulus opgemerkt worden en in het evangelie van Johannes. In het Thomasevangelie is het te vinden in iets sterkere mate, maar het is nog ver weg van een volledig uitgewerkte vorm, zoals in vele andere Nag Hammadi geschriften. Het Thomasevangelie is ambigieus. Het heeft uitspraken van Jezus die min of meer overeenkomen met Matteüs en Lucas, en Van Peer laat terecht weten dat ze soms zelfs authentieker kunnen overkomen:
Van Peer schreef:Sommige specialisten menen dat dit evangelie dichter staat bij wat Jezus zelf heeft gezegd – maar daarover bestaat nog geen consensus.

Aan de andere kant hoeft men namelijk maar enkel Thomas 53 te lezen om te weten dat dit geen uitspraak van een historische Jezus die in Palestina rondliep kan zijn:
Thomasevangelie 53 schreef:Zijn discipelen zeiden tot hem: Heeft besnijdenis enig nut? Hij zei tegen hen: Indien het nut had zou een vader al besneden kinderen van hun moeder krijgen. Maar besnijdenis in de geest is volkomen nuttig gebleken.
Heel leuk is het volgende commentaar, waar ik in plaats van Bart Ehrman die de hele tijd om Van Peer heen zoemt, eens de echte Van Peer aan het woord meen te horen:
Van Peer schreef:In heel wat spreuken van het Thomasevangelie zijn opvallende parallellen te vinden met zenboeddhistische koans of met uitingen uit de kunstwereld. Zo bijvoorbeeld spreuk nummer 19: ’Zalig is wie was vóór hij werd’. We bevinden ons hier bijna in de wereld van de avant-garde: ’Bevor Dada da war, war Dada da’…
Van Peer vervolgt met een uitstekende korte uiteenzetting van de gnostiek, waarvan ik enkel het volgende citeer omdat het de kern ervan zo kort en helder mogelijk verwoordt:
Van Peer schreef:Gnostiek is een heel aparte wereld, waarin de mens wordt gezien als een geest die uit Gods rijk is gevallen en nu gevangen is in materie. Verlossing daaruit is uitsluitend mogelijk door het verwerven van die geheime kennis, waardoor je uit de materie kunt ontsnappen.
We krijgen vervolgens korte beschrijvingen van fantastische verhalen. In de Handelingen van Thomas verkoopt Jezus Thomas als slaaf aan de koning van Indië, waar hij als timmerman voor de koning werkt.
Van Peer schreef:Het wordt nog gekker in de Handelingen van Paulus (ca. 200), waarin Paulus een sprekende leeuw bekeert en doopt, die hem later in de arena het leven bespaart…Of de Handelingen van Petrus (ca. 180), een soort kungfuverhaal in de strijd tussen Petrus en een satanische tovenaar Simon Magus. Het hoogtepunt in het verhaal is wanneer Simon als een vogel over de tempels en heuvels van Rome vliegt en Petrus hem in volle vlucht aanvalt. Simon stort ter aarde.
Onduidelijk blijft waarom Van Peer deze teksten onder de gnostische teksten rekent.
Van Peer besluit het hoofdstuk met een beschouwing over het evangelie van Judas. Hij komt met deze opmerkingen aan het eind van zijn beschrijving:
Van Peer schreef:Onderzoekers was vroeger al opgevallen dat Judas in het Nieuwe Testament steeds negatiever wordt afgeschilderd. Is het mogelijk dat in vroegere versies (die we niet meer hebben) Judas gezien werd als een apostel die juist heel dicht bij Jezus stond, zoals vin het evangelie van Judas, maar dat deze teksten verloren (of vernietigd) zijn? Het Judasevangelie is wel één van de oudste apocriefe evangelies die we hebben. Dus?
Het interessantste aspect wat betreft Judas is Van Peer wellicht ontgaan, namelijk dat Paulus in 1 Kor. 15:5 laat zien helemaal niets te weten van een verraad en dood van Judas:

Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen.

Terecht beëindigt hij het hoofdstuk met de opmerking:
Van Peer schreef:De apocriefe teksten in het algemeen werpen een twijfelachtig licht op de officiële versie van het christendom, zoals die door de heersende kerken wordt verspreid.
Born OK the first time

Gesloten