De lichtsnelheid, een menselijke uitvinding
Geplaatst: 15 mei 2015 19:20
Anders dan het aantal poten van een kip, kunnen we niet direct een getal waarnemen voor de lichtsnelheid. Nog sterker miljarden jaren had geen enkel levend wezen er ook maar een besef van dat die snelheid bestond. Maar hij bestond ongetwijfeld wel, en waarschijnlijk was ze nooit anders dan dat ze nu is. Of ze ook meer dan 13,8 miljard jaar geleden al bestond is een vraag waar wij geen antwoord op weten. Volgens de gangbare theorie bestond er geen meer dan 13,8 miljard jaar geleden, maar zolang als de tijd bestond en er ook licht bestond, bestond er ook een lichtsnelheid, en waarschijnlijk was ze niet anders dan nu.
Empedocles (490 BCE – 430 BCE) was de eerste waarvan wij weten dat hij dacht dat het licht bewoog, maar hij en zijn tijdgenoten dachten dat het vanuit het oog met ontzaggelijke (volgens Heron oneindige) snelheid van het oog naar het object toe bewoog!’
Aristoteles besloot echter dat het niet bewoog, en hij was de standaard voor vele eeuwen na hem. Totdat Alhazen in 1021 zijn boek over Optiek publiceerde waarop hij – op grond van de lenswerking – concludeerde dat het wel bewoog doch te snel voor ons om waar te nemen.
Pas in 1667 werd in Florence voor het eerst een experiment (bedacht door Galileï) uitgevoerd om te bepalen of het licht een eindige snelheid had. Het resultaat leek negatief, maar negen jaar later ontdekt de Deense astronoom Ole Römer per ongeluk een methode die wel resultaat gaf. Römer die in Parijs werkte voor de beroemde Astronoom Cassini, maakte nauwkeurige observaties van de momenten waarop Jupiters’ maan Io plotseling onzichtbaar werd, omdat ze in de schaduw van haar planeet geraakte. Omdat Io 42,46 uur nodig heeft voor elke omloop, zouden ook die eclipsen vrijwel even lang na elkaar moeten plaatsvinden (met een nauwelijks meetbaar verschil omdat uiteraard na 4333 dagen jupiter en IO ook éénmaal rond de zon zijn gegaan, hetgeen dus nagenoeg 1/2400 verschil uitmaakt (een constant verschil van ongeveer één minuut). Er werden echter uiteenlopende verschillen gemeten die wel tot 11 minuten leken op te lopen! Op grond van het feit dat de verschillen overeenkwamen met de verschillen in afstand tussen Jupiter/Io en de aarde, kwam Römer de conclusie dat het licht blijkbaar tijd nodig had om dat verschil in afstand te overbruggen. Cassini meende dat Römer het mis moest hebben.
Christiaan Huygens daarentegen, alsmede Edmund Halley en Isaac Newton accepteerden Römers verklaring wel. Huygens berekende op grond daarvan een lichtsnelheid van 220.000 km/sec. Newton schreef in 1704 in zijn werk over (alweer) optiek dat het licht er soms 7 of 8 minuten meer voor nodig heeft op vanaf Jupiter de aarde te bereiken. Blijkbaar beschikte men 28 jaar later over nauwkeuriger observaties. Hij concludeerde dat het licht 10.210 keer sneller was dan de aarde in zijn baan rond de zon. (1,4% te hoog).
Armand Hippolyte Louis Fizeau bedacht een manier om de snelheid van het licht op aarde te meten. Hij gebruikte een spiegel op 8 km afstand die een lichtstraal weerkaatste. Dat licht passeerde op de heen en terugweg een rondraaiend wiel met gaten erin en Fizeau wist de snelheid daarvan zo aan te passen dat het licht op de heenweg door het eerste en op de terugweg door het tweede gat viel. Op grond van de rotatiesnelheid van het wiel en de dubbele afstand van wiel tot spiegel kwam hij tot een lichtsnelheid van 315.000 km/sec.
Samen met Foucault verbeterde hij dit resultaat in 1862 door in plaats van een rad met gaten een ronddraaiende spiegel te gebruiken en de hoek te meten die het licht daardoor kreeg en ze kwamen tot 298.000 km/sec. Deze snelheid bleek ook te gelden voor electromagnetische stralen zoals bestudeerd door Maxwell en dat leidde tot de conclusie dat ook licht blijkbaar electromagnetische straling is. De lichtsnelheid werd wel steeds nauwkeuriger gemeten, maar bleek (Michelson Morly 1887) niet afhankelijk van de snelheid van de lichtbron tot de aarde. Albert Einstein (1904) heeft als eerste begrepen dat dit onontkoombaar is, omdat we voor het vasstellen van gelijktijdigheid nu eenmaal als uitgangspunt moeten nemen dat dit zo is. Ik heb dit altijd zo begrepen, dat het licht best een andere snelheid zou kunnen hebben, maar dat wij geen andere kunnen wáárnemen, omdat we – teneinde die waarneming te kunnen doen eerst gelijktijdigheid moeten vaststellen (de klokken gelijk zetten), maar de methode waarmee we dat doen is nu juist op een constante lichtsnelheid gebaseerd. Maar misschien is dat te sceptisch gedacht.
Tegenwoordig is de lichtsnelheid vastgesteld op 299.792.458 meter/sec en dat gaat niet meer veranderen. Niet omdat we geen nauwkeuriger metingen zouden kunnen doen, maar omdat de meter nu eenmaal is gedefiniëerd als 1/299.792.458 van de afstand die het licht in het vacuüm in een seconde aflegt! Helaas voor Axxyanus is dit dus een menselijke constructie niet een natuurgegeven!
Ook als dat niet zo was geweest, dan was de getalswaarde van de lichtsnelheid volslagen afhankelijk geweest van de eenheden van afstand en tijd, die we gebruiken. Je kunt haar ook aanduiden in mijlen per uur of in de afstand van pool tot evenaar per minuut. (ongeveer 1800).
In de natuur komen we normaliter geen secondes en geen meters tegen. De kortste tijdseenheid die een dier van nature kent is de tijd van zonsopgang tot zonsondergang. Een halve dag dus. De normale afstand die licht moet afleggen om ons te bereiken is één astronomische eenheid (de afstand tussen de zon en de aarde). Een natuurlijk waarde voor de lichtsnelheid zou dus zijn ongeveer 86,4 ae/hd.
Als ik berekening tracht te maken voor interstellaire vluchten met snelheden dichtbij de lichtsnelheid, reken ik altijd met lichtjaren/jaar. Dan is de lichtsnelheid domweg 1. Dat rekent een stuk makkelijker dan km/sec dat kan ik je wel vertellen.
Uiteraard gaat het licht er in al deze gevallen totaal niet langzamer of sneller, maar een getal dat haar beschrijft zal altijd afhankelijk zijn van de astand- en tijdseenheden die men gebruikt. En die zijn – net als deze complete geschiedenis nu eenmaal afhankelijk van de mens.
Empedocles (490 BCE – 430 BCE) was de eerste waarvan wij weten dat hij dacht dat het licht bewoog, maar hij en zijn tijdgenoten dachten dat het vanuit het oog met ontzaggelijke (volgens Heron oneindige) snelheid van het oog naar het object toe bewoog!’
Aristoteles besloot echter dat het niet bewoog, en hij was de standaard voor vele eeuwen na hem. Totdat Alhazen in 1021 zijn boek over Optiek publiceerde waarop hij – op grond van de lenswerking – concludeerde dat het wel bewoog doch te snel voor ons om waar te nemen.
Pas in 1667 werd in Florence voor het eerst een experiment (bedacht door Galileï) uitgevoerd om te bepalen of het licht een eindige snelheid had. Het resultaat leek negatief, maar negen jaar later ontdekt de Deense astronoom Ole Römer per ongeluk een methode die wel resultaat gaf. Römer die in Parijs werkte voor de beroemde Astronoom Cassini, maakte nauwkeurige observaties van de momenten waarop Jupiters’ maan Io plotseling onzichtbaar werd, omdat ze in de schaduw van haar planeet geraakte. Omdat Io 42,46 uur nodig heeft voor elke omloop, zouden ook die eclipsen vrijwel even lang na elkaar moeten plaatsvinden (met een nauwelijks meetbaar verschil omdat uiteraard na 4333 dagen jupiter en IO ook éénmaal rond de zon zijn gegaan, hetgeen dus nagenoeg 1/2400 verschil uitmaakt (een constant verschil van ongeveer één minuut). Er werden echter uiteenlopende verschillen gemeten die wel tot 11 minuten leken op te lopen! Op grond van het feit dat de verschillen overeenkwamen met de verschillen in afstand tussen Jupiter/Io en de aarde, kwam Römer de conclusie dat het licht blijkbaar tijd nodig had om dat verschil in afstand te overbruggen. Cassini meende dat Römer het mis moest hebben.
Christiaan Huygens daarentegen, alsmede Edmund Halley en Isaac Newton accepteerden Römers verklaring wel. Huygens berekende op grond daarvan een lichtsnelheid van 220.000 km/sec. Newton schreef in 1704 in zijn werk over (alweer) optiek dat het licht er soms 7 of 8 minuten meer voor nodig heeft op vanaf Jupiter de aarde te bereiken. Blijkbaar beschikte men 28 jaar later over nauwkeuriger observaties. Hij concludeerde dat het licht 10.210 keer sneller was dan de aarde in zijn baan rond de zon. (1,4% te hoog).
Armand Hippolyte Louis Fizeau bedacht een manier om de snelheid van het licht op aarde te meten. Hij gebruikte een spiegel op 8 km afstand die een lichtstraal weerkaatste. Dat licht passeerde op de heen en terugweg een rondraaiend wiel met gaten erin en Fizeau wist de snelheid daarvan zo aan te passen dat het licht op de heenweg door het eerste en op de terugweg door het tweede gat viel. Op grond van de rotatiesnelheid van het wiel en de dubbele afstand van wiel tot spiegel kwam hij tot een lichtsnelheid van 315.000 km/sec.
Samen met Foucault verbeterde hij dit resultaat in 1862 door in plaats van een rad met gaten een ronddraaiende spiegel te gebruiken en de hoek te meten die het licht daardoor kreeg en ze kwamen tot 298.000 km/sec. Deze snelheid bleek ook te gelden voor electromagnetische stralen zoals bestudeerd door Maxwell en dat leidde tot de conclusie dat ook licht blijkbaar electromagnetische straling is. De lichtsnelheid werd wel steeds nauwkeuriger gemeten, maar bleek (Michelson Morly 1887) niet afhankelijk van de snelheid van de lichtbron tot de aarde. Albert Einstein (1904) heeft als eerste begrepen dat dit onontkoombaar is, omdat we voor het vasstellen van gelijktijdigheid nu eenmaal als uitgangspunt moeten nemen dat dit zo is. Ik heb dit altijd zo begrepen, dat het licht best een andere snelheid zou kunnen hebben, maar dat wij geen andere kunnen wáárnemen, omdat we – teneinde die waarneming te kunnen doen eerst gelijktijdigheid moeten vaststellen (de klokken gelijk zetten), maar de methode waarmee we dat doen is nu juist op een constante lichtsnelheid gebaseerd. Maar misschien is dat te sceptisch gedacht.
Tegenwoordig is de lichtsnelheid vastgesteld op 299.792.458 meter/sec en dat gaat niet meer veranderen. Niet omdat we geen nauwkeuriger metingen zouden kunnen doen, maar omdat de meter nu eenmaal is gedefiniëerd als 1/299.792.458 van de afstand die het licht in het vacuüm in een seconde aflegt! Helaas voor Axxyanus is dit dus een menselijke constructie niet een natuurgegeven!
Ook als dat niet zo was geweest, dan was de getalswaarde van de lichtsnelheid volslagen afhankelijk geweest van de eenheden van afstand en tijd, die we gebruiken. Je kunt haar ook aanduiden in mijlen per uur of in de afstand van pool tot evenaar per minuut. (ongeveer 1800).
In de natuur komen we normaliter geen secondes en geen meters tegen. De kortste tijdseenheid die een dier van nature kent is de tijd van zonsopgang tot zonsondergang. Een halve dag dus. De normale afstand die licht moet afleggen om ons te bereiken is één astronomische eenheid (de afstand tussen de zon en de aarde). Een natuurlijk waarde voor de lichtsnelheid zou dus zijn ongeveer 86,4 ae/hd.
Als ik berekening tracht te maken voor interstellaire vluchten met snelheden dichtbij de lichtsnelheid, reken ik altijd met lichtjaren/jaar. Dan is de lichtsnelheid domweg 1. Dat rekent een stuk makkelijker dan km/sec dat kan ik je wel vertellen.
Uiteraard gaat het licht er in al deze gevallen totaal niet langzamer of sneller, maar een getal dat haar beschrijft zal altijd afhankelijk zijn van de astand- en tijdseenheden die men gebruikt. En die zijn – net als deze complete geschiedenis nu eenmaal afhankelijk van de mens.