Hoi MoreTime,
MoreTime schreef:Is daarmee bijvoorbeeld de kindermoord die wordt gelinkt aan Rachab's huilen in het OT te verklaren? Is dat dan een Derash of Sod uitleg bijvoorbeeld?
Hoe link je anders twee totaal verschillende verhalen met elkaar, die echt niks met elkaar van doen hebben?
Voornameijk drasj. Mattheus was m.i. een meester in midrasj.
Denk ook aan de maagd uit Matt 1:23, het woord Alma is geen maagd maar jonge vrouw. Toch zeggen apologeten dat het wel kán worden vertaald als maagd. Klopt dat vanuit het Hebreeuws gezien?
De wortel עלֶם (waarvan het vrouwelijke "almah" en mannelijke "elem" zijn afgeleid) verwijst naar jeugdigheid; niet naar maagdelijkheid. Het woord komt - buiten Jesaja 7:14 - zes keer voor, en in de meeste gevallen is het daar door Christelijke Bijbels
niet vertaald als "maagd". Zei Saul in 1 Samuel 17:56: "Zoek uit van wie die mannelijke maagd een zoon is"? Nee, hij zei gewoon "Zoek uit van wie die jongeman een zoon is". Het gerelateerde woord "aloemiem" uit Jesaja 54:4 en Psalm 89:45[46] wordt door De Nieuwe Bijbelvertaling, de Herziene Statenvertaling, de NBG-vertaling, de Statenvertaling (Jongbloed-editie), de Willibrordvertaling allen correct vertaald als "jeugd" of "jonkheid".
Mattheus' claim komt waarschijnlijk voort uit de LXX, waar παρθενος ("parthenos") is gebruikt (hoewel dit woord evenmin altijd naar een maagd verwijst).
Heel Mattheus staat vol met dit soort problemen. Ikzelf denk dat als je een 'joodse bril' opzet, en probeert vanuit de denkwereld van de toenmalige joden naar het OT te kijken, dat inderdaad het NT er veelal compleet naast zit. Hoe kan dat?
Daar ben ik het niet noodzakelijkerwijs mee eens. In eerste instantie lijkt Mattheus er inderdaad een rommeltje van te maken. Mattheus citeert bijv. Micha 5:1 om te verwijzen naar Jezus' geboorte in Betlehem. Maar indien het woord "jij" inderdaad naar de stad Bethlehem zou hebben verwezen, dan zou er in het Hebreeuws hebben moeten staan "we-
at Bejtlechem...". Dus het citaat is aantoonbaar incorrect toegepast.
Vervolgens gaat Mattheus verder en citeert in Mattheus 2:15 slechts het laatste deel van Hosea 11:1 en vermeldt dat het een profetie over de messias is die door Jezus is vervuld. Maar indien je Hosea 11:1-3 leest, staat er: "Toen
Israel een kind was heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen: hoe meer men hen riep, des te meer dwaalden
zij weg. Aan de afgoden/Baaliem
offerden ze en aan de gesneden beelden
brachten ze reukoffers. En Ik leerde Efraim lopen, Ik nam hen op Mijn armen, maar
ze erkenden niet dat Ik
hen genas."
Simpelweg een tekst die over Israel handelt; er valt niets over de messias uit te herleiden.
Dan - 1 regel verder - zegt Mattheus 2:16-18 dat door Herodes' opdracht tot kindermoord Jeremia 31:15 in vervulling werd gebracht.
Maar Jeremia 31:15 verwijst duidelijk naar Rachel's kinderen in ballingschap (waaruit ze bovendien terug zullen keren); niet naar een kindermoord in Bejt-Lechem.
Slechts een paar regels verder, zegt Mattheus 2:23 dat, toen Jezus in Nazaret ging wonen, hiermee in vervulling zou gaan wat door de profeten werd gezegd: dat Hij Nazoreeer zou heten. Maar deze profetie staat nergens in de Tenach.
Etc.
In eerste instantie lijkt het wellicht een rommeltje. Maar het is juist deze schijn die wijst op Mattheus' achterliggende gedachte. Mattheus was een Jood die schreef
voor Joden. Een verkeerde omgang met de Tenach zou onmiddelijk zijn opgemerkt. Zijn veronderstelde lezers kenden de Hebreeuwse Geschriften uit het hoofd en het citeren van slechts een deel van ee vers, was de standaard. En indien je wat dieper kijkt, dan zie je dat Mattheus heel legitieme methoden gebruikt, zoals midrasj. Het is vanwege deze reden dat Dale C. Allison en W.D. Davies in het meest uitgebreide, technische en linguistisch gedetailleerde commentaar dat ooit op Mattheus is geschreven (meer dan 2300 paginas), zeggen: "Matthew was not above scattering items in his Greek text whose deeper meaning could only be appreciated by those with a knowledge of Hebrew."
Laat ik het citaat dat je aanhaalt als voorbeeld gebruiken:
Matt. 27:9 waar Jeremia ipv Zacharia wordt aangehaald?
Hoe langer ik naar dit citaat kijk, hoe interessanter ik Mattheus vind.
Zachariah 11:13 binnen de context zegt: "En ik heb hen gezegd: Indien het goed is in uw ogen, geef m'n loon, maar indien niet, laat het. Toen wogen ze m'n loon af: dertig zilverstukken. Maar J-H-W-H zei tegen me: Werp dat de pottenbakker toe; een heerlijke prijs waarop Ik van hun kant geschat ben! En ik heb de dertig zilverstukken genomen en die in het huis van J-H-W-H
de pottenbakker toegeworpen."
Enkele vertalers, waaronder Rasji, de Radak en het Targoem Jonathan vertalen de Hebreeuwse combinatie "ha-jotser" (= de pottenbakker) als "ha-otser" (= de schat-beheerder) "ha-otsar" (= de schat). De context rechtvaardigt zo'n vertaling: In de Tempel zit een schatbeheerder, maar geen pottebakker of smelter.
Matthëus houdt zich echter aan de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst: ha-
jotser (= de pottenbakker). En hij voegt daar een interessant detail aan toe: het geld dat in de Tempel de pottenbakker toe werd geworpen, was bestemd om het veld van de pottenbakker te kopen. Matthëus was zich bewust dat 1) de prijs van de herder (een term die Jezus op Zichzelf toepaste) 30 shekel was, 2) dat deze 30 shekel eveneens door Judas in de Tempel waren geworpen, en 3) dat het geld vervolgens werd gebruikt om het veld van pottenbakker te kopen.
Met dit in het achterhoofd, is het citeren van Zachariah 11:13 een relatief kleine en logische stap. Maar er is meer; en daar begint het interessant te worden. Iedere religieuze Jood weet dat het citaat uit het Boek Zachariah komt. Waarom refereerde Matthëus dan expliciet aan Jeremiah i.p.v. Zachariah?
In Jeremiah 19:1-13 wordt de profeet opgedragen om een "kleien pot van een pottenbakker" (
jotser) te kopen, en om deze in aanwezigheid van de priesters & de oudsten te brengen "naar het dal Ben-Hinnom, dat ligt bij de ingang van de Schervenpoort", om rampspoed te verkondigen, onder andere omdat men "deze plaats gevuld heeft met bloed van de onschuldige" - dezelfde reden die Judas na z'n verraad gaf: "ik heb onschuldig bloed verraden" (Matthëus 27:4). En tegen wie bekende Judas zijn verraad? Aan de "overpriesters & de oudsten" (27:3b). En wat gebeurde er met het dal van Ben Hinnom? Het werd een begraafplaats - zowel in Jeremiah (19:6-7, "moord-dal") als in Matthëus (27:7-8 "bloed-akker"). De hint is duidelijk. Dat is een manier om met tekst om te gaan die in het Jodendom "remez" wordt genoemd. En in dit geval is de hint van Matthëus gebaseerd op het tweede principe van Hillel ("g'zerah sjavah"), welke uitgaat van een vergelijkbare term in twee verschillende passages.
Een mens zonder religie is als een vogel zonder fiets.