Interessant want opvallend is, dat de tekst die Matteüs gebruikt, geen 'Nazareth' zegt maar 'nazooraios' en dat betekent in het OT iets héél anders dan 'van Nazareth'. (Richteren 13:5: 'naziraion estai theou', of 13:7: 'naziraion theou estin'.)
Nazooraios is een woord waarvan 'men' ten onrechte heeft aangenomen dat het verwijst naar het stadje Nazareth in Galilea (dat in het Oude Testament nooit wordt genoemd). Er zijn voldoende auteurs die beweren dat de plaats in het begin van onze jaartelling nog niet bestond.
Het woord 'nazooraios' is dan ook, net als nazeiraios, een leenwoord uit het Hebreeuws, dat in die dagen niet meer werd gesproken. En Griekstaligen - en bijna alle 'diaspora-christenen' uit die tijd hadden Grieks als hun dagelijkse taal - konden die woorden gemakkelijk met elkaar verwarren.
De Essenen, over wie ik het in een vorige bijdrage had, duidden zichzelf aan met een term, waarin de stam 'nzr' zit, die 'jezelf afgezonderd houden' betekent, een term die gewoonlijk wordt weergegeven als naziraios, nazeiraios, 'nazireeër, nazir', maar in sommige manuscripten van de Septuaginta is vertaald met 'hagios', 'heilige' (bijvoorbeeld Richteren 13:7; 16:17). Het Griekse woord 'hagios' heeft net als het Latijnse woord 'sanctus' te maken met 'afgezonderd' en die beide woorden betekenen ook 'heilig'.
'Nazarener' is in het Hebreeuws 'Nazrati' ('nzrt'), scheelt een lettertje.
Het woord 'nazooraios' komt zelfs op veel plaatsen in Handelingen voor. Petrus heeft het in Hand 3:10 over 'Jezus de Nazoreeër'. In 24:5, noemen de priesters van Jeruzalem Paulus een eerste voorstander van de sekte der Nazoreeërs ('nazooraioi'), iemand die opstanden verwekt onder alle Joden over de ganse wereld. Hier zijn het dus hun tegenstanders, die de 'christelijke kerk' aanduiden als de 'sekte' der Nazoreeërs.
Overeenkomstig Numeri 6 beschouwden de mannen die samen met Paulus in het reinigingsritueel heiligden (Hand 21,23-24), zichzelf dus als nazireeërs ('naziraioi'). (Denk aan de reinigingsrituelen van de strenge Essenen.) Dit hield in dat zij 'heilig' waren. Derhalve vinden we zelfs in het Nieuwe Testament christenen (Paulus en de mannen van de gemeente van Jeruzalem) die zichzelf zagen als Nazireeërs.
De vierde-eeuwse kerkvader Epifanius stelt dat de christenen zichzelf eerst 'Nazooraioi' noemden. Later noemden de christenen zich volgens hem ’Iessaioi’, wat verdacht veel lijkt op een verdraaide vorm van Essaioi (Essenen).
Volgens Schoeps (1949) noemden de Joodse christenen in Syrië zichzelf 'Nazooraioi', een term die vele jaren later (in de vorm van 'nozrim') door moslims werd gebruikt voor christenen in het algemeen.
De Essenen noemden zich dus 'de afgescheidenen', de 'afgezonderden' de 'heiligen', 'de Kerk van God óf de 'volgelingen van de weg'. In de Handelingen zelf wordt het christelijk geloof of het christendom vaak met 'weg' aangeduid: 9:2, 16:17, 18:25, 18:26, 19:9, 19:23, 24:14 en 24:22.
Mogelijk wordt hier een mysterie opgelost namelijk: Waarom wordt in het Nieuwe Testament nóóit verwezen naar een van de grootste en zeer opvallende godsdienstige bewegingen in het jodendom (de Essenen dus) en wel naar de Farizeeën en Sadduceeën? Zou het zó kunnen zijn dat naar de Essenen wordt verwezen met het woord 'Nazooraioi', een naam die ook de christenen aan zichzelf gaven? Zijn mogelijk de Essenen of een bepaalde groep Essenen en christenen dezelfden? Komen de christenen uit die Essenen voort? Dat zou wel veel verklaren…
Bijgevolg zou 'Jezus van Nazareth' een onjuiste vertaling zijn van 'Jezus de Nazoreeër' of door vergriekste Joden verkeerd zijn begrepen en zou het ‘Jezus de Esseen’ kunnen (of moeten) zijn'.
Jaja… een nadenkend mens vraagt zich wat af!!!
Groeten.
Fons.