De Heer stuurt Ananias naar Saulus en na enig protest doet de man met enig lood in de schoenen wat hem is opgedragen. Hij legt Saulus de handen op, er vallen schellen van diens ogen, hij eet een en ander en wordt gedoopt. Het is algemeen bekend dat uitgerekend de Essenen deze ceremonie bezigden als iemand in de ‘sekte’ werd 'opgenomen'.
Even tussen haken: ik word toch telkens weer een beetje stil en vragend nadenkend als ik dit soort verhalen lees. Ik denk dan: waarom verscheen de Heer vroeger zo'n beetje om de haverklap en tegenwoordig nooit meer op die manier?
Ik zit dan wel eens stilletjes te geinen: Wat moest Hij anders? Brief schrijven? Telefoneren ging toen nog niet, faxen ook niet, sms-je sturen of een mailtje dito. Wat moest Hij anders?
Of... zou Hij tegenwoordig Maria sturen als een staaltje van hemelse vrouwenemancipatie?
Maar… het gaat om serieuze zaken en eenmaal uitgegeind vraag ik me tóch nog steeds af… (Einde van tussen haken.)
En Paulus ging meteen naar Ananias' synagoge (waarbij wij meteen met onze voorstelling van een synagoge zitten, terwijl die er op dat moment nog niet waren!) om Jezus’ naam te preken en alle toehoorders stonden versteld en zeiden: "Maar dit is toch de man die in Jeruzalem onze broeders en zusters (een voor de Essenen typische manier om geloofsgenoten aan te duiden!) naar het leven stond die deze naam aanroepen! Hij was toch naar hier gekomen om ons gevangen te nemen en naar de hogepriesters te brengen"!
Maar Paulus ging onverdroten door en bracht de andersdenkende Joden, die in Damascus woonden (Farizeeën? Sadduceeën?), in verlegenheid. Die beraamden dus een plan om Paulus ter dood te brengen, maar Paulus kwam dat via een omweg te weten, wist 's nachts via de muur te ontsnappen en ging naar Jeruzalem om Kefas te ontmoeten.
Althans volgens Lucas, Paulus zelf schrijft dat hij pas drie jaar later ging. (Gal 1:18-19) Wanneer ging hij nou?
In Jeruzalem zat men echter niet op hem te wachten. Men was daar nog steeds bang voor hem. Kun je je voorstellen! En dan komt Barnabas ten tonele. 'Jozef, een Leviet afkomstig uit Cyprus, die van de apostelen de bijnaam Barnabas – dit betekent : zoon van troost – had gekregen, bezat een stuk grond; hij verkocht het, ging met het geld naar de apostelen en legde het aan hun voeten'. (Hand 4:36) Die man had dus een goede naam in Jeruzalem en was te vertrouwen.
'Barnabas nam hem mee naar de apostelen en vertelde hun hoe hij (Paulus) onderweg de Heer had gezien en dat Die tot hem had gesproken, en hoe hij in Damascus vrijmoedig was opgetreden in de naam van Jezus'. (Hand 9:27)
En toen was Paulus welkom, 'ging dagelijks met hen om, trad vrijmoedig op in de naam van de Heer, disputeerde met de Hellenisten, maar toen probeerden die hem weer ter dood te brengen. 'Christenen' onder elkaar?
Daarom brachten zijn broeders hem naar Caesarea en vandaar ging hij naar Tarsus'.
Er zijn een paar dingen die me 'puzzelen'.
1. Paulus noemt de mannen in Jeruzalem nooit 'leerlingen' of 'metgezellen' van Jezus, maar 'apostelen' en dat betekent in Paulus' vocabulaire: 'zendelingen'.
En de enige reden die hij blijkbaar heeft om hen (én zichzelf) 'apostel' te noemen is dat zij zeiden óók een visioen gehad te hebben, hetgeen Paulus voetstoots voor waar aanneemt. In Gal. 2:7 noemt hij hen 'mannen van aanzien, die als steunpilaren gelden voor de gemeente'. Hij had dan ook nooit de evangeliën had gelezen, waarin Kefas en de anderen door Jezus tot apostel waren benoemd. Die evangeliën moesten nog worden geschreven.
2. Ik kan me eenvoudig niet voorstellen dat de mannen in Jeruzalem nooit aan Paulus hebben verteld wat zij in de drie jaar samen met Jezus zouden hebben meegemaakt:
* de wonderbare visvangst,
* de storm op het meer,
* het over het water lopen,
* de broodvermenigvuldiging,
* het genezen van allerhande zieken,
* het uitdrijven van duivels,
* de ten leven wekkingen van Lazarus en de jongeling van Naim,
* Zijn ruzies met de Farizeeën,
* het laatste avondmaal,
* de gebeurtenissen daarna in de hof,
* het proces voor Pilatus,
* de kruisiging met begeleidende aardbeving en zonsverduistering,
* de opstanding op zondagmorgen,
* de nederdaling van de H. Geest en de Hemelvaart.
Het lijkt mij onmogelijk dat zij dit niet hebben gedaan. Maar… wie ben ik?
3. En dan komt vanzelf de vraag: Waarom heeft Paulus het daar dan nooit over? Ik ken de ‘christelijke verklaring’: hij wilde niet minder lijken dan die 'apostelen' omdat hij het met alleen maar een visioen moest doen. Maar dat vind ik geen verklaring. Dat is gewoon een drogreden, noem het een smoes. Zijn gehoor moet toch ook van (veel van) dat alles hebben geweten! Die verhalen waren toch allang van mond tot mond rondgegaan! Zoals trouwens in de schriften wordt beweerd. Of… ging nou werkelijk álles anders in die dagen?
Maar weer even laten bezinken en er nog eens rustig over nadenken.
Groeten.
Fons.