Ik heb twee youtube series gevolgd. Een van colleges van professor Michael Sandel (Harvard) “Justice” en een – waarmee ik nog niet klaar ben – van colleges van Professor Gendler “Philosophy and the Science of Human Nature (PHIL 181)” van de universiteit van Yale.
NB Ik verwacht niet dat iemand – net als ik – al die colleges gaat bekijken. Niet iedereen leeft als een verwend kind in Thailand, en heeft niets beters te doen. . . .
In beide colleges komen een aantal voorbeelden voor van morele dillema’s waarbij blijkt dat de consequenties van het Utilitarisme vaak niet overeen lijken te komen met onze morele intuitie. Nadenkend over het waarom daarvan, ben ik op de gedachte gekomen dat de oorzaak daarvan wellicht licht in de schijn van alwetendheid.
In al die voorbeelden wordt namelijk veronderstelt dat we exact zouden weten wat de gevolgen zijn van onze daden. Aangezien utilitarisme uitgaat van het grootste geluk voor het grootste aantal mensen, zou deze exacte kennis dus moeten leiden tot een exacte besluitvorming.
Nu is de berekening van dat geluk toch al een probleem. Als je Bill Gates of Carlos Slim een miljard geeft, neemt hun geluk feitelijk minder toe dan wanneer je mij een miljoen geeft. Toevallig zal Bill dat miljard waarschijnlijk aan goede doelen besteden, en levert dat weer een veel groter geluk op voor miljoenen dan wanneer je hetzelfde geld aan 1000 mensen als mij wordt besteed. Maar het is duidelijk dat “geluk” moeilijk te meten is.
Een tweede probleem is dat de mens – waarschijnlijk om bovenstaande redenen – helemaal niet geprogrammeerd is om dat geluk uit te rekenen, maar gewoon een aantal – deels onbewuste – vuistregels hanteert die in de meeste gevallen goed werken. Die vuistregels zijn uiteraard niet gebaseerd op alwetendheid, maar op waarschijnlijkheden. En ze leiden derhalve tot andere conclusies dan de veronderstelde altwetendheid in de gebruikte voorbeelden.
Nu is mij opgevallen, dat wanneer je de zekere afloop zoals die in de voorbeelden wordt voorgesteld, vervangt door waarschijnlijkheden, de conclusie behoorlijk af kan wijken, en wel altijd zodanig dat het resultaat verhoudingsgewijs gunstiger wordt ingeval van onze intuitieve besluit.
Het meest simpele voorbeeld is het voorbeeld een snel naderende kogel. En twee personen (jij en iemand die direct achter je staat) die geraakt kunnen worden.
Twee mogelijkheden worden aangeboden:
1. Je duikt weg, en de kogel raakt de persoon achter je
2. Je pakt de persoon achter je beet, en houd hem voor je, en de kogel raakt hem.
De veronderstelling is dat in beide gevallen de tweede persoon sterft, en jij in leven blijft. Terwijl in de – niet genoemde – nul-optie (je doet niets) jij sterft en de tweede persoon overleeft.
Volgens het utilitarisme zouden beide acties dus moreel equivalent zijn.
Wie echter beseft dat een dergelijke alwetenheid onzin is, en de echte waarschijnlijkheid probeert te berekenen van sterven en overleven, komt tot een geheel andere conclusie. Even afgezien van de vraag of de persoon nachter je niet OOK kan wegduiken, en of een kogel niet twee achter elkaar staande personen beiden kan doorboren, is het nooit 100% zeker dat hij bij inslag dodelijk is.
Laat de afstand tot jou 100 meter zijn en de afstand van persoon tot persoon 50 cm
Zeg: op 100 meter afstand is de kans op een dodelijke treffer 9.000 / het kwadraat van de afstand. (klopt niet precies maar het zal duidelijk zijn dat het kwadraat van de afstand bij de juiste kansberekening ook een rol speelt). Dat is in geval van de nul-optie dus 90%. Dan is de kans wanneer je wegduikt, 9.000/ (100,5 * 100,5) = 89% dat de persoon achter je (50 cm verderop zoals de kogel gaat) sterft. Als je de persoon achter beetgrijpt en voor je houdt (zonder zelf van plaats te veranderen, dan is de afstand ongeveer 99,5m en 9000/(99,5/99,5)= 91%. Ergo, de twee opties zijn helemaal niet gelijk en het utilitarisme vereist dat je wegduikt.
NB Kant’s categorische imperatief heeft dezelfde consequenties. (Kies die handelswijze waarvan je wil dat iedereen deze altijd zou toepassen). Als iedereen wegduikt is dat zonder meer de gunstigste handelswijze, terwijl als iedereen een ander beetgrijpt en voor zic h houdt dit zo’n beetje het slechtste is wat je je kunt voorstellen.
Dit verschijnsel speelt een rol bij alle voorbeelden die beide professoren geven, en werkt – mijns inziens – altijd in het voordeel van onze morele intuitie. Daarom hebben we die ook.
Wanneer een reëler voorbeeld wordt gegeven, omtrent een ongeluk in een kerncentrale, komt de theoretische berekening veel beter overeen met de intuitieve, en blijkt dat we intuitief wél de theoretische oplossing kiezen.
Utilitarisme en voorbeelden van morele vraagstukken.
Moderator: Moderators
- Peter van Velzen
- Moderator
- Berichten: 16560
- Lid geworden op: 02 mei 2010 10:51
- Locatie: ampre muang trang thailand
Utilitarisme en voorbeelden van morele vraagstukken.
Ik wens u alle goeds
-
siger
Re: Utilitarisme en voorbeelden van morele vraagstukken.
Peter, alweer een interessant onderwerp.
Er bestaat een groot verschil tussen pop-utilitarisme (ieder voor zich het beste) en het filosofisch utilitarisme van Bentham en Stuart Mill (en Epicurus) dat een goede ethiek een goede samenleving moet maken. Een moraal/ethiek is een set van gedragsregels die het sociale verkeer mogelijk maken. Lijkt vanzelsprekend, maar "rationeel" doordenkt men zelden de gevolgen van deze simpele regel.
In een samenleving is een bepaald niveau van voorlopig vertrouwen (niet te veel, niet te weinig) onmisbaar. We vertrouwen erop dat onze wederhelft ons niet bedriegt, dat een moordenaar gestraft wordt, dat we niet overvallen worden tijdens het winkelen. De reden hiervoor is niet jouw en mijn geluk, maar sociale stabiliteit en een vlot sociaal verkeer.
Nu zijn heel wat sociale regels ingebakken (typisch cultureel, zelden of nooit genetisch) die ons ethisch doen reageren, zelfs als we niet de tijd hebben om alle gevolgen te overdenken.
Een krachtige en misschien een van de nuttigste regels "gij zult niet doden" is een utilitaristische regel: hij zorgt ervoor dat mensen zich vrijer kunnen bewegen omdat ze er van uit gaan dat ze niet gedood zullen worden. Stel iemand zit bij een treinwissel zit en ziet dat een trein 10 mensen dreigt weg te maaien. Zij kan de wissel omleggen naar een spoor waar 5 mensen zitten, en zo 5 men redden. Het blijkt dat bijna niemand zou overgaan tot het redden van 5 mensenlevens. Irrationeel lijkt het, als je enkel naar deze situatie ziet. Maar de weigering mensen actief te doden is een belangrijk sociaal goed. We hebben liever een samenleving waarin je slachtoffer kan worden van het noodlot dan een samenleving waarin je willekeurig uitgepikt en ter dood gebracht kan worden door een medemens.
Ook het absolute embargo op foltering dat door de VN werd uitgeroepen, is een goed voorbeeld: je kan een vijand folteren om belangrijke informatie te verkrijgen, maar daardoor maak je het meteen je vijanden makkelijker op dezelfde manier aan informatie te komen, en breng je je manschappen in gevaar die door het risico op foltering minder efficiënt zullen opereren. Het onontwijkbaar verbod op folteringen is dus utilitaristisch in de maatschappelijke betekenis.
Ik vermoed dat de categorische imperatief (Kant) deze gedachte weergeeft in een rationalistisch kleedje.
Er bestaat een groot verschil tussen pop-utilitarisme (ieder voor zich het beste) en het filosofisch utilitarisme van Bentham en Stuart Mill (en Epicurus) dat een goede ethiek een goede samenleving moet maken. Een moraal/ethiek is een set van gedragsregels die het sociale verkeer mogelijk maken. Lijkt vanzelsprekend, maar "rationeel" doordenkt men zelden de gevolgen van deze simpele regel.
In een samenleving is een bepaald niveau van voorlopig vertrouwen (niet te veel, niet te weinig) onmisbaar. We vertrouwen erop dat onze wederhelft ons niet bedriegt, dat een moordenaar gestraft wordt, dat we niet overvallen worden tijdens het winkelen. De reden hiervoor is niet jouw en mijn geluk, maar sociale stabiliteit en een vlot sociaal verkeer.
Nu zijn heel wat sociale regels ingebakken (typisch cultureel, zelden of nooit genetisch) die ons ethisch doen reageren, zelfs als we niet de tijd hebben om alle gevolgen te overdenken.
Een krachtige en misschien een van de nuttigste regels "gij zult niet doden" is een utilitaristische regel: hij zorgt ervoor dat mensen zich vrijer kunnen bewegen omdat ze er van uit gaan dat ze niet gedood zullen worden. Stel iemand zit bij een treinwissel zit en ziet dat een trein 10 mensen dreigt weg te maaien. Zij kan de wissel omleggen naar een spoor waar 5 mensen zitten, en zo 5 men redden. Het blijkt dat bijna niemand zou overgaan tot het redden van 5 mensenlevens. Irrationeel lijkt het, als je enkel naar deze situatie ziet. Maar de weigering mensen actief te doden is een belangrijk sociaal goed. We hebben liever een samenleving waarin je slachtoffer kan worden van het noodlot dan een samenleving waarin je willekeurig uitgepikt en ter dood gebracht kan worden door een medemens.
Ook het absolute embargo op foltering dat door de VN werd uitgeroepen, is een goed voorbeeld: je kan een vijand folteren om belangrijke informatie te verkrijgen, maar daardoor maak je het meteen je vijanden makkelijker op dezelfde manier aan informatie te komen, en breng je je manschappen in gevaar die door het risico op foltering minder efficiënt zullen opereren. Het onontwijkbaar verbod op folteringen is dus utilitaristisch in de maatschappelijke betekenis.
Ik vermoed dat de categorische imperatief (Kant) deze gedachte weergeeft in een rationalistisch kleedje.
- Peter van Velzen
- Moderator
- Berichten: 16560
- Lid geworden op: 02 mei 2010 10:51
- Locatie: ampre muang trang thailand
Re: Utilitarisme en voorbeelden van morele vraagstukken.
@Siger:
Goed gezegd. Er is weinig mis met utilitarisme op zich, maar wel met de gedachte dat men haar principes altijd uit kan rekenen. Met Kant''s categorische imperatief is ook weinig mis, want naar alle waarschijnlijkheid leidt ze op de lange duur tot de grootste utiliteit. De neiging om alwetendheid te postuleren bederft echter met name alle gedachtenexpirimeten omtrent utillitarisme.
Ik zat me echter tijdens de colleges van mete nane Gendler, nu en dan te verbijten dat ik niet kon interumperen er erop wijzen dat de consekwenties niet noodzakelijkerwijs die zouden zijn welke men voorstelt. (nog even daargelaten dat er ook valse bifurcaties tussen zaten).
In geval van de spoorwissel speelt in werkelijkheid ook het feit mee, dat 5 mensen sneller een spoorbaan kunnen verlaten dan 10. Dat betekent dat de uitkomst nniet +5 levens is maar ietsje meer. Om maar iets te noemen. In het beroemde alternatieve geval van de dikke man die de spoorbaan blokkeert, speelt iin werkelijkheid mee, dat het treintje mogelijkerwijs de dikke man doodt, maar desalniettemin toch doorrijdt. (zou volgens de vraagstelling niet kunnen gebeuren, maar is in werkelijkheid uiterst waarschijnlijk) Noch oonze intuitie noch de categorische imperatief bedriegen ons in deze. Hetzelfde geld voor utilariteit. Het bedrog ligt in de veronderstelde alwetendheid.
Goed gezegd. Er is weinig mis met utilitarisme op zich, maar wel met de gedachte dat men haar principes altijd uit kan rekenen. Met Kant''s categorische imperatief is ook weinig mis, want naar alle waarschijnlijkheid leidt ze op de lange duur tot de grootste utiliteit. De neiging om alwetendheid te postuleren bederft echter met name alle gedachtenexpirimeten omtrent utillitarisme.
Ik zat me echter tijdens de colleges van mete nane Gendler, nu en dan te verbijten dat ik niet kon interumperen er erop wijzen dat de consekwenties niet noodzakelijkerwijs die zouden zijn welke men voorstelt. (nog even daargelaten dat er ook valse bifurcaties tussen zaten).
In geval van de spoorwissel speelt in werkelijkheid ook het feit mee, dat 5 mensen sneller een spoorbaan kunnen verlaten dan 10. Dat betekent dat de uitkomst nniet +5 levens is maar ietsje meer. Om maar iets te noemen. In het beroemde alternatieve geval van de dikke man die de spoorbaan blokkeert, speelt iin werkelijkheid mee, dat het treintje mogelijkerwijs de dikke man doodt, maar desalniettemin toch doorrijdt. (zou volgens de vraagstelling niet kunnen gebeuren, maar is in werkelijkheid uiterst waarschijnlijk) Noch oonze intuitie noch de categorische imperatief bedriegen ons in deze. Hetzelfde geld voor utilariteit. Het bedrog ligt in de veronderstelde alwetendheid.
Ik wens u alle goeds
-
siger
Re: Utilitarisme en voorbeelden van morele vraagstukken.
Akkoord.Peter van Velzen schreef:Het bedrog ligt in de veronderstelde alwetendheid.
De menselijke psyche lijkt zo in mekaar te zitten, dat we menen voor alles een verklaring op te moeten dissen, van eetgewoonten tot de oorsprong van het heelal. Daartoe hebben we religies uitgevonden en weer afgezworen, en stellen we onbekende dingen voor als wetenschap. Feitelijk is het doel daarbij altijd anderen (liefst in grote aantallen) de mond te snoeren.