P. Strootman schreef:Stanhope schreef:Geachte heer Strootman,
De traditionele kerken hebben iets minder moeite om mijn twee laatste vragen te beantwoorden. Vaak zijn de antwoorden: de gelovige gaat naar Gods heerlijkheid en de ongelovige gaat naar de duisternis (b.v. hel).
Vriendelijk verzoek aan u om iets concreter te zijn.
P. Strootman schreef:
Hoe het ook zij, ongeboren en eeuwig is de innerlijke mens. Wie dat werkelijk gelooft, heeft ten diepste de dood overwonnen.
Wat is het resultaat dan na het overlijden van de gelovige? Wat heeft de gelovige dan bereikt? Een plek in de hemel?
Mag ik uit deze opmerking van u opmaken dat de ongelovige na het overlijden de dood niet overwonnen heeft? Wat gebeurt er dan volgens u met de innerlijke mens van deze ongelovige?
Het kan natuurlijk zijn dat u vaag wilt blijven en/of geen antwoorden weet, dat vind ik ook goed. Wel verzoek ik u dan om dit te melden.
Vriendelijke groet,
Stan
Stanhope,
Dat kerkelijke antwoord, zal je van mij zeker niet krijgen. Maar il hoop morgen wat uitvoeriger op je vragen in te gaan. Ik meen daarop, zeker ook op grond van de bijbel, antwoorden op te kunnen geven.
Vr.gr.
Stan,
Eerst iets over de goddelijkheid van de mens.
Toen de Joden Jezus wilden doden,zei Jezus tegen hen:’Ik heb u vele goede werken doen zien vanwege mijn Vader. Om welk van die werken willen jullie Mij stenigen?’
Zij antwoordden Hem:’Niet om een goed werk willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt’
Vervolgens antwoordt Jezus:’Is er niet geschreven in uw wet:’Ik heb gezegd: Gij zijt goden? Jezus citeerde hier echter een halve tekst, namelijk uit psalm 82.7. De tweede helft van deze tekst luidt: ‘Ja, allen zonen des Allerhoogste’
Waarom liet Jezus die tweede helft achterwege? Omdat het zoonschap Gods verworven moet worden door de mens zélf. De mens moet geloven, dat hij goddelijk is, dus dat de Geest van God in hem woont. Vele mensen geloven wél in allerlei wonderen, die zogenaamd ‘echt gebeurd’ zijn, maar zij geloven beslist niet, dat Gods Geest in hen woont.
Uit dit korte bijbelgedeelte, blijkt in elk geval, dat de Geest in ieder mens woont. De mens is dus goddelijk, of hij het gelooft of niet. Wie dit niet gelooft, heeft het zoonschap nog niet bereikt.
Maar nu je vraag, wat er met de gelovige én de ongelovige gebeurt, als zij sterven? Gaan zij ‘ieder een kant op’? De een naar de hemel en de ander naar de hel?
Ik heb je eerder al gewezen op de woorden van Jezus, dat we niet bevreesd moeten zijn voor hen, die het lichaam kunnen doden. En ook op Paulus, die schreef, dat, al vervalt de uiterlijke mens, de innerlijke nochtans van dag tot dag vernieuwd wordt. Het is het goddelijk in de mens, dat nooit geboren werd en nooit sterft. Ook niet als de lichamelijke dood intreedt!
Nu staan de lichamelijke doden volgens Jezus, voortdurend op (Matth.22), want God is geen God van doden, maar van levenden. Een mysterieuze uitdrukking! Maar hoe zit het nu eigenlijk met de lichamelijke opstanding? De Sadduceeën hadden Jezus eens een moeilijke vraag voorgelegd over een vrouw, die zeven mannen had gehad, maar allemaal gestorven waren. Zij vroegen Hem, wiens vrouw zij zou zijn in de opstanding? Jezus verweet hun toen, dat zij dwaalden en de Schriften niet kenden, noch de kracht Gods, want IN de opstanding (dat is als de opstanding voltooid zal zijn) wordt er immers niet meer gehuwd, maar zijn wij als engelen in de hemel. De geestelijke opstanding is dus een proces; niet een incidentele gebeurtenis. In Romeinen 8.11 schreef Paulus: ‘Indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, dan zal Hij, die Christus Jezus (dat is de Geest, die in Jezus was) opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont’ Paulus vergelijkt de lichamelijke opstanding echter met een natuurlijk proces.
Maar dan begint Jezus tegen de Sadduceeen over de lichamelijke opstanding, die voortdurend plaatsvindt. Hij zegt:’Wat de opstanding der doden betreft, hebben jullie niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei: Ik ben de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jacob.? God is geen God van doden, maar van levenden. Voor Hem leven zij allen’.
Alle doden leven dus weer volgens Jezus, want zij zijn weer opgestaan.. De Oosterse godsdiensten noemen dit reïncarnatie. Opstanding en reïncarnatie zijn dus identieke begrippen.
De christelijke opstandingsleer is een absurditeit. De wederopstanding van het vleselijk lichaam, het herrijzen dus niet slechts van de ziel van de mens, maar zijn gehele persoon, is volkomen in strijd met het feit, dat de processen van wording en desintegratie, zich nooit in omgekeerde richting kunnen voltrekken. Dat de langgeleden, uiteengevallen structuren, zich opnieuw tot dezelfde persoonlijkheid zouden ontwikkelen, is eenvoudig óndenkbaar. Als de mens ‘terugkomt’ op dit aardse, dan vindt dat alleen plaats via de moederschoot, waarin een nieuw lichaam gevormd wordt, bewoond door dezelfde innerlijke mens. De geestelijke componenten in de mens, zijn niet afhankelijk van ruimte en tijd, zodat er geen ‘verplaatsing’ of tijd noodzakelijk is tussen dood en geboorte. Zij vinden tegelijkertijd plaats! De mens kan zijn ontwikkeling dan voortzetten. Zowel de gelovige, als de atheïst. Totdat zij eens de volle kennis van de Zoon Gods bereikt zullen hebben.
Natuurlijk is dit een zeer beperkte bespreking van een groot mysterie. Maar dat mét wel, anders zou dat zeer veel tijd en plaats vergen. Maar als je hiervan nog meer bijbelse bewijzen wilt hebben, wil ik ze graag aanwijzen en bespreken.