lees eerst even dit:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Paradox_van_Olbers" onclick="window.open(this.href);return false;
Persoonlijk vindt ik het volstrekte flauwekul!
Geheel onafhankelijjk van de leeftijd van het heelal, de leeftijd van sterren en de uitdijing van het heelal, acht ik het volstrekt losich dat het 's nacht donker is. Het probleem met de hele redenatie is dat ze een analogie veronderstelt die niet juist is.
Stel je een oneindig heelal voor met eeuwig lichtgevende sterren zonder uitdijing.
Volgens Olbers' redenering zouden we in elke richting een lichtgevend punt moeten waarnemen. Ofwel een ster, of wel een donker voorwerp, dat door sterrelicht zou worden opgewarmd tot op het punt, waarop het evenveel energie zou uitstralen als het zou ontvangen. Tot zover is er nog niets mis met zijn redenatie.
De hemelpunten staan weliswaar veel verder weg dan de zon (laten we zeggen gemiddeld 15 miljard lichtjaar) en geven dus per vierkante meter slechts 8 minuten / 15 miljard jaar zoveel licht als een vierkante meter zonneoppervlak. Maar per 0,25 vierkante graad (diameter van de zonneschijf in het kwadraat) zijn daar ook 15 miljard jaar / 8 minuten zoveel vierkante meters stralingsoppervlak,
Maar waarom zou zo'n vierkante meter toevallig evenveel licht moeten afgeven als een vierkante meterr zonneoppervlak ? Dacht Olbers serieus dat de gemiddelde temperatuur van het heelal gelijk zou zijn aan de temperatuur van het zonneoppervlak (5500 graden celsius) ? Het komt mij voor dat die temperatuur dichter ligt bij 3 graden Kelvin. (270 graden ónder nul in celsius)
Nu moet ik wel toegeven dat deze tegenwerping niet helemáál los staat van de uitdijing van het heelal.
De achtergrond straling (3 graden Kelvin; inderdaad) is zodanig afgezwakt door de universele roodverschuiving dat van de oorspronkelijke straling - die overeen zou komen met een temperatuur van 2725 graden Kelvin) slechts een fractie (van de energie) overblijft. Maar ook in een oneindig niet uitdijend heelal zou die roodverschuiving er - volgens mij - zijn, zei het niet als gevolg van uitdijing maar als gevolg van de kromming van de ruimte. (de massa van het heelal laat mijns inziens een foton niet onberoerd, en zou het licht - zeker in een oneindig heelal - zodanig afbuigen dat het op enige afstand uiteindelijk al haar energie zou verliezen). Beide redenaties leiden - volgens mij - tot dezelfde roodverschuivng, dus erg veel verschil is er niet.
De oorspronkelijke achtergrondstralling was dus (2725 gedeeld door 5800) in de 4e macht zo sterk als het zonlicht. Dat is dus nog altijd 5% van de lichtsterkte van de zon. Als je bedenkt dat de zichtbare hemel ongeveer een kwartmiljoen maal groter is dan de zichtbare zonneschijf, dan had dat wel heel erg veel licht gegeven!wikepedia schreef:In 1879 toonde de Oostenrijkse Natuurkundige Stephan Josef Stefan aan dat de lichtkracht, L (de totale uitgestraalde energie) van een zwart lichaam evenredig is met de 4de macht van de (absolute) temperatuur T.
3 graden Kelvin leidt echter tot 7 x 10 tot de macht -14 keer zoveel licht; zelfs vermenigvuldig met een halfmijoen (ik neem nu ook de onzichtbare hemel even mee) is dat nog geen 0,000001 promille van het zonlicht. Daarom is de hemel dus donker; zelfs in een oneindig heelal met eeuwig stralende sterren.
Maar onkundig van dit alles, had Olbers ook in 1820 al best kunnen bedenken, dat de donkere nachthemel simpelweg zou kunnen wijzen op een gemiddeld vrij koud heelal. Des te meer dus alle astronomen die zijn "paradox" nog steeds loslaten op nietsvermoedende studenten.