De Geneeskunde van hoi en doei.
Er is kort geleden onderzoek uitgevoerd naar de ‘emotionele beleving van de dienstverlening in ziekenhuizen’. In normaal Nederlands betekent dit dat er aan (ex)patiënten werd gevraagd wat ze van het ziekenhuis vonden waar ze waren behandeld.
De door ING Medinet gepubliceerde resultaten gaven zeer te denken.
Tussen de 50 en 70% van de (ex)patiënten was niet gelukkig met de sfeer en de aandacht van de medische en verpleegkundige staf. Bijna 30% twijfelde aan de betrokkenheid van de artsen. Meer dan 37% vond de inrichting van ziekenhuizen ‘niet menselijk’. Maar het kwalijkst was dat velen vonden meer als ziektegeval te worden gezien dan als mens.
Er wordt mij door patiënten regelmatig gevraagd wat nu een echt goed ziekenhuis is. Daarop is geen afdoend antwoord te geven.
De realiteit is dat de kwaliteit sterk afhankelijk is van de individuele dokters en verpleegkundigen. Ook de grootte van een ziekenhuis speelt nauwelijks een rol. Je kunt in een klein ziekenhuis uitstekend worden behandeld en als je pech hebt in een groot ziekenhuis worden verwaarloosd. Er zijn daarvoor een aantal oorzaken aan te wijzen.
Religie.
* In de eerste plaats is de gezondheidszorg terechtgekomen in de moderne, doch kwalijke maalstroom van zakelijkheid, politiek, commercie, reclame, vrije markt, concurrentie, efficiency, schaalvergroting, reorganisatie, kostenbeheersing, bezuiniging en statistiek-denken. Kortom: de wurggreep van het bijna tot religie verheven management.
* In de tweede plaats is er al enige jaren iets ernstigs mis met de waarden en normen, waardoor het begrip ‘roeping’ bij velen slechts een schamper gelach opwekt.
* Ten derde lijdt het gehele gezondheidssysteem aan de overmatige invloed van sociale ideeën uit de jaren zeventig. Die hebben geleid tot het extreem centraal stellen van het persoonlijk belang, het privé-leven, de vrije tijd, de werktijden en sociale rechten van de werkers in de gezondheidszorg. Zodoende is de inzetbaarheid van vele artsen en verpleegkundigen verminderd en zijn er handen te weinig ondanks een toename in het aantal zorgverleners.
* En ten vierde is er iets ernstig mis in de opleiding en vorming van jonge artsen en verpleegkundigen. Vooral op het gebied van intermenselijke communicatie.
Zo kwam het voor dat een nog niets vermoedende patiënt van zijn (jonge) specialist te horen kreeg: “Ik heb een vervelende mededeling voor u. Het is geen bronchitis, maar longkanker. Er zijn overal uitzaaiingen. U heeft nog een paar maanden te leven. Behandeling heeft geen zin meer. U hoeft ook niet meer bij mij terug te komen. En hier is het adres van de pijnpolikliniek voor als het erger wordt. Dag meneer”. Diagnose en doodvonnis in anderhalve minuut.
Schokkend zijn ook de verslagen over patiënten die in een ziekenhuis tevergeefs op een dokter hebben gewacht terwijl zij lagen te sterven.
Zo was er het drama van de 29-jarige Jasna Vujic, de enig dochter ven een Joegoslavisch-Servisch echtpaar. Zij stierf aan een nabloeding enkele dagen na een rugoperatie. De ouders hebben de verpleging gesmeekt een dokter te bellen, want zij zagen dat het niet goed ging. Maar er kwam niemand die er verstand van had. Het was zondag.
Ervaren verpleegkundigen ergeren zich vaak zeer aan de slechte ‘bed-side manners’ van jonge artsen. Die leggen bij hun nog onbekende patiënt een bliksembezoek af met de uitroep: “Hoi! Morgen wordt u geopereerd. Alles oké? Mooi zo. Doei”! En als de verpleegkundige daar wat van zegt krijgt ze te horen: “Ja zeg, ik heb nog meer te doen. Doe niet zo ouderwets”!
Diezelfde mentaliteit speelt ook al jaren in de huisartsenzorg. Na vijf uur ’s middags wordt de huisartsgeneeskunde voornamelijk bedreven via antwoordapparaten, die de patiënt verwijzen naar huisartsenposten (hapo’s). Daar krijgt de patiënt primair een telefoniste of een doktersassistente te spreken. Die bepaalt of er een echte dokter aan te pas moet komen. Intussen geeft ze adviezen.
Dat heeft al verscheidene patiënten het leven gekost. Zoals bijvoorbeeld van het 10-jarige jongetje Timmy van de Staay uit Uden, dat op een afschuwelijke wijze stierf aan een simpel te diagnosticeren blindedarmontsteking. Ondanks wanhopige telefonades van zijn ouders was er geen dokter naar hem komen kijken.
Maar niet alles is kommer en kwel. Kortgeleden werd op de intensive care van het grote Medisch Centrum Leeuwarden een vrouw opgenomen, die tijdens haar vakantie op het eiland Terschelling doodziek was geworden. De persoonlijke aandacht en zorg voor patiënt en familie waren boven alle lof verheven. En iets soortgelijks heb ik zelf kortgeleden aan den lijve ondervonden in het Diaconessenhuis te Utrecht.
Hart en ziel.
Maar niet altijd wordt zult een toewijding door het ziekenhuismanagement gewaardeerd. Zo werd in oktober 2002 in het Medisch Centrum Alkmaar de chirurg en kankerspecialist dr. Aycke Smook door de directie op non-actief gesteld omdat hij ‘teveel met de patiënten bezig was en te weinig met protocollen en management’. De man had 27 jaar met hart en ziel in dat ziekenhuis gewerkt.
Wellicht zou in alle ziekenhuizen het ochtendgebed van de befaamde Spaans-joodse arts en theoloog Marmonides (1135-1204) verplicht aan de muren moeten worden bevestigd. Daarin staan onder meer de woorden:
Beziel mij met liefde tot mijn kunst
en uw schepselen.
En laat niet toe dat geld of zelfzucht
mijn daden beïnvloeden.
Want deze vijanden der waarheid en mensenliefde
kunnen mij licht op dwaalwegen voeren…
Naschrift: Smalhout is mijn opleider geweest daarom denk ik te mogen zeggen dat ik hem een beetje ken. Zijn ‘enthousiaste’ of ‘gedreven’ stijl van schrijven is me dus vertrouwd want zo sprak hij ook. Ik vond hem wat té gereformeerd, maar ik geef hem nog steeds groot gelijk dat hij je ongenadig op je donder gaf alleen al als je iets zei in de trant van: “Ik heb vandaag twee levers en een liesbreuk”. Je behoorde geruime tijd te besteden aan ‘kennismaking’ met de patiënt en zijn probleem (en met diens familie als die aanwezig was). De avond vóór de operatie diende je hem nog eens te bezoeken om een beschrijving te geven van wat er zou gaan gebeuren en om hem te vertellen dat je er voortdurend bij was om alles in de gaten te houden. Als de patiënt in de operatiekamer werd gebracht had je hem daar te staan opwachten. En je ging die dag niet naar huis vóór je op de Verkoever of elders de patiënt weer had bezocht. Zó en niet anders!
Toch waren dat toen ‘mooie tijden’. Maar, denkend aan mijn laatste ziekenhuisopname, geef ik hem (bijna) volledig gelijk.
Groeten.
Fons.