Hopelijk leest P.Strootman mee, dan heeft hij wellicht meteen zijn antwoorden van me.Erik schreef:Volgens P.Strootman is de definitie van Jezus "De mens, die weer God geworden is".
Ik moet even een aanloopje nemen. Daar gaat ie!
Sinds enige jaren hebben we een beter zicht gekregen op de oude Egyptische 'mythen'. Die Egyptenaren waren in zeker opzicht een religieus volkje: voortdurend bezig met de dood, het leven na de dood en de voorbereiding daarop. Denk aan de mummie’s, de piramiden en andere graven en aan de mysteriespelen.
De wat meer ontwikkelde Egyptenaren (de wat meer 'filosofische' onder hen) waren diep onder de indruk van het verschijnsel mens. Het meest onder de indruk waren zij van wat wij ons ‘intellect’ of ons ‘verstand’ of onze 'geest' noemen. We hebben het nooit gezien maar geven het wel een naam.
Wij kennen de uitdrukking: ‘Maar toen ging er opeens een lichtje branden’ en dat zeggen we als ons 'zomaar' een idee of een oplossing te binnen schiet. Het menselijk intellect werd door de Egyptenaren dan ook (onder andere) als een ‘licht’ gezien en zo werd het ook genoemd.
Bij gebrek aan televisie keken zij ’s avonds vaak en langdurig naar de sterrenhemel en wisten daar onwaarschijnlijk veel van. Hoe ze dat voor elkaar hebben gespeeld zonder telescopen en andere moderne hulpmiddelen is een volslagen raadsel.
Waar zij zelf de meeste bewondering voor hadden was voor de orde en regelmaat in dat onmetelijk grote geheel. Pythagoras zag dat hemelse gedoe als een volmaakt harmonische symfonie en dat bracht hen tot de conclusie dat ook achter dat onmetelijke heelal met al zijn sterren, sterrenstelsels en planeten een even onmetelijk ‘licht’ moest zitten. En dan meteen een Licht met een héél grote L. Of een intelligentie of componist. Wel een heel erg grote! Wíj zouden zeggen: 'Een Schepper'.
De volgende stap was: in iedere mens is en ‘vonk’ van het Licht in het heelal. En daarmee was de basis gelegd voor verhalen over het gebeuren in het heelal als groots voorbeeld voor het doen en laten van de mens in zijn bescheiden en beperkte aardse bestaan. De hemellichamen kregen namen, werden als het ware verpersoonlijkt. Maar het ging om wel uitzonderlijk grote personen en dat kun je weer onder woorden brengen door die personen ‘goden’ te noemen. En goden zijn dan 'onmetelijke personen', 'bovenmenselijke personen'.
Als je daar een poosje mee omgaat krijgt het woord ‘god’ een eigen betekenis. De Egyptenaren hadden het in feite alleen maar over de mens door het over de 'goden' te hebben. (Vat je het?)
Het waren vele goden en dus noemen wij hen polytheïsten. Van die goden wisten ze van alles te vertellen en dat gaf niet want de wat meer ontwikkelden beseften dat ze het allemaal zelf hadden verzonnen. Ze gaven gewoon een stichtelijke interpretatie aan wat ze in de werkelijkheid van het heelal hadden waargenomen.
Er was ook nog één supergod, Ra, die móest er wel zijn. Waarom? Ja, dat weet ik ook niet. Maar hij komt in de mythen niet zo vaak voor, alsof hij wat al té groot was om hem onder woorden te brengen. Zo weigerde Boeddha ook altijd over God te praten om de eenvoudige reden: voor God schieten alle woorden tekort. Simpel en consequent!
Het heeft dus een eigen, voor ons wat onwennige betekenis als een oude Egyptenaar beweert: ‘Het goddelijk licht is in de (in iedere) mens neergedaald’; of: ‘Het Licht is in de mens gekomen’ of: 'Ieder mens is gezegend met het licht’ (waarbij voor ‘gezegend’ een woord werd gebruikt dat ook ‘gebalsemd’ of ‘gezalfd’ kan betekenen; de mens een 'gezalfde') of nóg erger: ‘Het Licht is mens geworden (in jou, in mij in iedere mens’). En het is de taak van iedere mens dat licht niet te doven maar het tot volle glans te laten komen.
Nogmaals: de doodsimpele Egyptenaren hebben het wellicht allemaal letterlijk genomen, de wat meer ontwikkelde mythevertellers wisten wel beter.
Ik zie het als een ramp, dé historische miskleun, dat het kerkelijk gezag in het begin van de derde eeuw de Egyptische mythen tot ‘ketterij’ heeft verklaard en de Egyptenaren tot ‘heidenen’ in de zin van ‘afgodendienaars’ of ‘goddelozen’ en dat het kerkelijk gezag daarna – god betere het – de mythe tot waar gebeurde menselijke geschiedenis heeft gemaakt. God was (een) mens geworden en nu gewoon letterlijk verstaan. God als mens geboren in Betlehem, ster, os en ezel, herders, wijzen, engelen etc. etc. etc. Allemaal 'echt gebeurd'!!! Veel onderdelen uit de mythe werden doodleuk overgenomen maar nu als op aarde écht gebeurde gebeurtenissen. Tegen het gewone volk werd gezegd dat dat een wonder was en het gewone volk geloofde dat en dus had het kerkelijk gezag een massa aanhang want er was veel gewoon volk. En voor de wat meer ontwikkelden werd dit alles ‘begeleid’ met een ingewikkeld quasi wetenschappelijk gegoochel met ‘natuur’ en ‘persoon’ dat geen mens kan begrijpen, laat staan uitleggen. Je moet van jongs af nooit iets anders hebben gehoord anders kun je er niet mee leven.
Ik wil het even hierbij laten. Hopelijk verduidelijkt het het een en ander. Maar ik weet: het is wel even wennen aan een vreemde gedachtewereld. Als je vragen of aanmerkingen hebt: laat maar horen.
That’s bloody right ! En al het ‘gedoe’ als: ‘De zekerheid van het geloof’ leg je maar rustig naast je neer. Wees er wél op bedacht dat ‘geloven’ meerdere betekenissen heeft en dat die betekenissen voortdurend vlotjes door elkaar worden gehaald! En bijna niemand lijkt dat in het snotje te hebben.Erik schreef:Als er bewijs is dan valt er toch niets meer te geloven?
Ik heb over deze onderwerpen uitgebreide opstellen liggen. Misschien ga ik ze hier een keer plaatsen. Voor de belangstellenden.
Bedankt voor jullie reacties.
Groeten.
Fons.