In het recente nummer van de De Vrijdenker ( jrg. 41, nr. 10, dec. 2010 / jan. 2011) staat een artikel van Leo Molenaar onder de titel
“De sluipende eerroof van Erasmus, Internet stimuleert lastercampagne “.
In dit artikel verdedigt Molenaar zijn humanistische held Erasmus tegen krachtige beschuldigingen van virulente jodenhaat. Molenaar ontkent dat die beschuldigingen substantie hebben. Maar Molenaar’s pleidooi houdt geen stand. Daarvoor is zijn bijdrage te onwaarachtig en te onwetenschappelijk om effectief te kunnen zijn.
Onwaarachtig en onwetenschappelijk omdat Molenaar de jurist Guido Kisch (die in 1969 als eerste [1] het antisemitisme van de gristelijke moraal theoloog Erasmus onthulde) zonder enig bewijs beschuldigt van kwaadaardige opzet (over ‘eerroof’ gesproken!), de gerenommeerde historicus Jonathan Israël [2] onbezonnen wegzet als het slachtoffer van misleiding door de ‘lichtzinnige’ theoloog Heiko Oberman [3], het recente en voor Erasmus zeer belastende essay van ‘dominee’ Hans Jansen [4] inhoudelijk volkomen negeert (Zie daarvoor ook
http://www.freethinker.nl/forum/viewtop ... 15#p221397.), en – nog bedenkelijker - het voor Erasmus zeer kritische nawoord van de vermaarde joodse filosoof Arthur Cohen in Shimon Markish’ eigen boek [5] zelfs geheel ongenoemd laat. Inderdaad nòg bedenkelijker, omdat de classicus Markish in het voorwoord van zijn boek de door hem zeer gewaardeerde collega Cohen openlijk alle
credits geeft voor het onder de aandacht brengen van Markish’ grondige kennis van Erasmus, maar vooral voor Cohen’s erkenning van Markish’ authentieke joodse sympathiën.
Waarom stelt Molenaar zich zo
unfair en dogmatisch op jegens critici van Erasmus? Dat doet Molenaar omdat hij zich persoonlijk aangevallen voelt als het over de ‘waarachtige gristen’ Erasmus gaat. In plaats van zich rekenschap te geven van de feitelijke oorzaak van de toenemende kritiek op Erasmus, geeft Molenaar de boze buitenwereld,
in casu het Internet de schuld van Erasmus’ vermeende ‘eerroof’! Want alle Erasmus-info op dat vermaledijde Internet wijst volgens Molenaar maar in één richting, namelijk naar de tot 1969 verborgen jodenhaat van Erasmus. Volgens de paranoïde Molenaar moet er dus wel sprake zijn van een heuse lastercampagne.
De inhoudelijke verdediging van Erasmus door Molenaar leunt voornamelijk op de eerder genoemde Markish, wiens bewondering voor Erasmus hij maar al te gretig deelt. Deze Markish kwalificeerde Erasmus na uitputtende studie niet zoals Kisch als een anti-, maar als een a- semiet (d.w.z. semitisch onverschillig). Dit vrij neutrale oordeel legitimeert Markish met zijn hoofdargument dat de zoveel ophef veroorzaakte analyse van Kisch ‘slechts’ op de privé-correspondentie van Erasmus berust terwijl - zoals Markish geheel terecht opmerkt - het gehele oeuvre van Erasmus in de analyse betrokken zou moeten worden. En wat zie je dan volgens Markish? Waar het Erasmus’ officiële publicaties betreft, valt er maar zelden een onvertogen woord over joodse tijdgenoten van Erasmus. En als Erasmus dan toch in negatieve termen over de joden spreekt, dan levert Erasmus op een paar scheldpartijen na, meestal feitelijke religiekritiek op het ‘lege’ judaïsme. Uiteindelijk concludeert Markish dan dat Kisch zijn vernietigende oordeel over Erasmus uit de context heeft gelicht, en dat Erasmus lang niet zo fout is als de Erasmus adepten na Kisch’ overdonderende publicatie nog durfden te hopen.
Markish‘ finale oordeel lijkt echter nogal ongeloofwaardig. Immers, het is niet onwaarschijnlijk dat uitlatingen in niet voor publicatie bedoelde correspondentie meer zegt over de werkelijke opvattingen van de schrijver dan hij in zijn opstelling naar buiten toe laat blijken. Volgens deze visie zou je juist geneigd zijn om meer gewicht aan Kisch toe te kennen, in plaats van minder. Daar komt nog bij dat Cohen in zijn kritische nawoord in Markish’ boek stelt dat ofschoon Markish meer dan enig voorganger Erasmus’ oeuvre op uitspraken over joden heeft nagelopen en geïnterpreteerd, hij ongewild meer anti-joodse uitspraken van Erasmus naar voren heeft gebracht dan tot dan toe! Cohen komt dan ook op grond van precies het door Markish zelf geproduceerde feitenmateriaal tot een geheel andere conclusie dan Markish: nadat Cohen heeft toe gegeven dat Markish Erasmus heeft vrij gepleit van het vulgaire antisemitisme dat Markish zelf in zijn vorige vaderland de Sovjet-Unie aan den lijve had ervaren, concludeert hij dat Erasmus wel degelijk in de antisemitische traditie staat die uiteindelijk naar Hitler’s dodenkampen voerde! Voor de duidelijkheid: deze ontluisterende conclusie staat in het nawoord van Markish’ boek, hetzelfde boek waar Molenaar zo hoog van opgeeft!
Verder meent Molenaar nog al eens dat de vele bijtende anti-joodse beschimpingen van Erasmus zijn toe te schrijven aan Erasmus’ zogenaamd karakteristieke sarcastische ironie of als de ‘cabareteske hyperbool’ waarmee ook de populaire mediavist Herman Pleij in een recent boek weg schijnt te willen komen (de redactie heeft als blijk van wetenschappelijke achterlijkheid gemeend de literatuurlijst van Molenaar’s artikel pas na opvraag toegankelijk te maken, zodat Molenaar’s bronnen niet zonder de welwillende hulp van de redactie zijn na te trekken). Het komt nogal ongeloofwaardig over dat een vooringenomen historicus als Molenaar er zich zo uitdrukkelijk op laat voorstaan een kenner te zijn van Erasmus’ karakter en zijn ware bedoelingen zo goed meent te kunnen raden.
Molenaar eindigt zijn onwaarachtige pleidooi met de wensgedachte dat Erasmus
post-mortem excuus aanbiedt voor zijn antisemitische scheldpartijen tegen de geconverteede jood Pfefferkorn; Molenaar: “zo hoort een Erasmus niet te keer te gaan!”
Enfin, de redactie van De Vrijdenker heeft Molenaar al op voorhand ruimte aangeboden om zich in het februari nummer van 2011 te kunnen rehabiliteren als een waarheidslievende verdediger van zijn idool Erasmus.
NB. Het schijnt dat de Rooms-katholieke Thomas More, tijdgenoot en vriend van de eveneens Rooms-katholieke Erasmus, in zijn uitvoerige geschriften nooit is betrapt op enige vijandigheid jegens joodse tijdgenoten. Dit lijkt eveneens het geval voor de talrijke volgelingen van Erasmus’ tijdgenoot, de befaamde filosemitische jurist Reuchlin. Waarmee de veel gehoorde bewering alsof alle tijdgenoten van Erasmus behept zouden zijn met anti-joodse sympathiën als een valse relativering is ontmaskerd.
Referenties:
[1] Guido Kisch,
“Erasmus’ Stellung zu Juden und Judentum”, Tübingen, 1969
[2] Jonathan Israël,
“De Joden in Europa, 1550-1750”, Van Wijnen, 2003 (1985, 1989, 1998)
[3] Heiko Oberman,
“Wurzeln des Antisemitismus: Christenangst und Judenplage im Zeitalter von Humanismus und Reformation”, Berlin, 1983
[4] Hans Jansen,
“Protest van Erasmus tegen renaissance van Hebreeuwse literatuur”, Groen, 2010
[5] Shimon Markish,
“Erasmus and the Jews”, met een nawoord van Arthur Cohen, Chicago, 1986