FonsV schreef:Is dat dan geen bewering zonder inhoud?
Naar mijn mening zijn alle beweringen van jou over 'God' of het 'iets' zonder inhoud.
FonsV schreef:Met de meeste beweringen van Socratoteles ben ik het helemaal eens. Volgens mij - alsof dat iets zegt - is hij ongeveer (dus niet helemaal) de enige die bij uitstek rationeel betoogt.
Je geeft hier enkel mee aan dat je op de lijn van Socratoteles zit, hetgeen iedere aandachtige lezer ook al geconcludeerd had. Zoals ik al opmerkte is dat niet verwonderlijk: jullie slepen allebei restanten van het christelijke denken met jullie mee.
Vaak zijn het dezelfde culturen waarin het not done was om aan dat grote ‘Iets’ een naam te geven. Dus hadden de Joden het over JHWH en heeft een bepaald persoon het hier en elders altijd over ‘g*d’ en heeft hij dus mooi het woord ‘god’ niet gebruikt.
Veelal werd later deze houding niet begrepen en dus werd ‘Ik ben Die ben’ vertaald in: ‘Ik ben Die Ik ben’. Platgetreden discussieonderwerp.
Hier wemelt het al van de onduidelijkheden die een christelijk staartje hebben.
Er is in de theologie geen twijfel over dat Jahweh een persoonsnaam is. De
naam van God werd vanwege de heiligheid van de naam in latere tijden door de joden niet uitgesproken. Het woord God of Heer mocht men wél gebruiken.
Naamgeving, met geschreven of gesproken woord iets aanduiden gaat uit van de naamgever of aanduider en niet van het benoemde of het aangeduide.
M.i. weer een kronkelredenering. De naamgever is in dit betreffende geval juist gelijk aan het aangeduide. Jahweh heeft zelf zijn naam aangekondigd.
Veel ‘wijzen’ ontweken het probleem door ‘Iets’ niet rechtstreeks met woorden aan te duiden. Zij namen hun toevlucht tot beeldspraken of 'gelijkenissen':
Hier zit m.i. het probleem van
jouw denken:
1) De mensen die een God Jahweh hadden,
hadden helemaal geen probleem. Voor hen was deze God een persoonlijk wezen waarvan ze zich allerlei dingen bij konden voorstellen, genoeg om het tot iets concreets te maken, namelijk een 'Hij'. Er
was dus helemaal geen vaag 'Iets'.
2) Het niet noemen van de naam heeft niets te maken met gebruik van beeldspraak maar met hun gevoel voor heiligheid, ontzag. Deze begrippen hangen nauw samen met grote vrees.
3) Jij hebt blijkbaar nog niet begrepen dat het juist
onwijs is om onzegbare dingen in gelijkenissen te zeggen. Want een gelijkenis is juist om iets duidelijk te maken. Wanneer je een onzegbare zaak in een gelijkenis uitlegt, dan doe je juist het omgekeerde: het grootse van iets wegnemen en tot karikatuur maken.
Mattheüs 13:34 Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken in gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij niet tot hen. (Hij had er óók al geen woorden voor!)
Volkomen de verkeerde conclusie. Gelijkenissen -neem de Barmhartige Samaritaan als voorbeeld- zijn juist manieren om een abstract begrip -neem naastenliefde- juist heel duidelijk te maken.
Marcus 4:10 En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die bij Hem waren met de twaalven, naar de gelijkenis. (‘Ze’ hadden de gelijkenis dus niet ‘begrepen’ en dat komt meer voor.)
Dit komt juist zelden of nooit voor, omdat een gelijkenis de zaak zo duidelijk maakt dat zelfs een kind het kan begrijpen, zoals de Barmhartige Samaritaan en vele andere gelijkenissen zoals bouwen op rots of op zand al duidelijk maken: de gelijkenissen zijn favoriete stof wanneer je tegen kinderen preekt. Neem voor mijn part de gelijkenis waar dit vers in Marcus op slaat: 'de zaaier ging uit om te zaaien'. Er is niets zo gemakkelijk als deze gelijkenis te doorgronden.
Marcus 4:13 En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan? (Blijkbaar bestond de uitleg ook weer uit gelijkenissen. What else?)
Alweer moet ik betwijfelen of je begrijpt wat je leest. De opmerking van Jezus betekent: indien je deze gelijkenis die een kind al zou moeten begrijpen niet eens begrijpt, hoe zou je dan zoveel andere gelijkenissen kunnen begrijpen die een iets hogere graad van inzicht vereisen.
En vervolgens legt hij helemaal niet een gelijkenis weer uit in de vorm van weer een gelijkenis, maar geeft hij gewoon aan waarnaar het allemaal verwijst, zodat de domsten het ook zullen begrijpen: met het zaad dat gezaaid wordt, worden leringen, onderwijs bedoeld. En hij legt ook nog uitdrukkelijk uit wat de verschillende manieren zijn waarop het zaad niet ontkiemt.
Het is duidelijk dat de uitleg door (de schrijver van) Marcus ingelast is, die rekening moest houden met
heel domme mensen. Dat kun je bijvoorbeeld zien aan vers 10 waar staat: "Toen hij weer alleen was met zijn volgelingen en met de twaalf, stelden ze hem vragen over de gelijkenissen." Dit vers klopt niet want in het voorgaande van Marcus is enkel sprake geweest van één gelijkenis.
Marcus schrijft in hoofdstuk 4: 33, 34 nog zo'n zin na een gelijkenis die een kind van tien kan begrijpen: "Met zulke en andere gelijkenissen maakte hij hun het goede nieuws bekend, voor zover ze het konden begrijpen; hij sprak alleen in gelijkenissen tegen hen, maar wanneer hij alleen was met zijn leerlingen, verklaarde hij hun alles.
Aangezien het wartaal is (waarom in vredesnaam zou hij iets moeten uitleggen wat een kind kan begrijpen?) moet je dieper gaan zoeken. Waarschijnlijk staat dit in verband met het feit dat het christelijk geloof begon als mysteriecultus, waar sprake was van een buitenste leer, wat openlijk verteld wordt aan buitenstaanders en iedereen die maar luisteren wilde, en een leer voor ingewijden, die mondeling en in privé werd overgeleverd en geheim werd gehouden. Marcus 4:11 wijst hier ook op: "Aan jullie is het geheim van het Koninkrijk van God onthuld; maar zij die buiten blijven staan, krijgt alles te horen in gelijkenissen.
Er staan niet alleen een massa contradicties in de bijbel; ook kakelfrisse wijsheden!
Het punt waarom ik zo uitgebreid op die verwijzingen naar de bijbel inga is om je duidelijk te maken dat ze volkomen van het onderwerp af brachten. Ze leiden je naar een moeras waar juist alles
onduidelijk wordt.
Ik zou bijvoorbeeld eerder zeggen dat geen enkele kakelfrisse wijsheid in de bijbel staat.
FonsV schreef:
Axxyanus schreef: Jij noemt het misschien geen god maar je impliceert god.
En wat is volgens jou mijn of jouw definitie (inhoud) van dat woord ‘god’?
Rereformed: De eerste zin van Axxyanus is cruciaal, en is exact wat ik in het hele onderwerp heb willen zeggen.
Ja, dat is misschien wel de kern van het probleem: het gaat niet om
op de vertrouwde manier iets anders te denken maar om
een andere manier van denken. En dat is pas wat je noemt een hele klus. Heeft iets van een échte bekering.
Maar je schijnt niet in te zien dat het niet de klus voor Axxyanus is, maar
jouw. Enkel ten behoeve van het debat zet ik de zaak heel cru neer, en prikkel ik je hiermee: Je bent wellicht zo 'beladen' met het religieuze denken dat je het niet eens beseft.
Jij hebt nog nooit die volkomen andere manier van denken gevonden, maar
zit gevangen in een religieus paradigma.
IK schreef: Het woord ‘god’ is – net als alle woorden die we gebruiken – de uitdrukking van een idee/begrip.
Rereformed: Nee, het is de benaming voor een Opperwezen of Opperrealiteit.
Voor jou blijkbaar. Voor mij is het de ‘benaming’ van ‘iets’ waarvoor ik juist GEEN(!) woord of naam heb. De armen van mijn zo gezegende intellect zijn volslagen te kort om dat ‘iets’ te kunnen omvatten (be-grijpen). Geen ‘begrip’ dan óók géén definiërend ‘woord’ ervoor. Wat ik niet kan grijpen kan ik niet op tafel leggen.
1) Het woord
god gebruik je enkel omdat jij als paradigma religieuze taal hebt, omdat je nooit geleerd hebt in andere taal te denken. Je sleept het woord god zelfs mee nadat je het ontdaan hebt van zijn betekenis. Dát laat juist zien hoezeer het wartaal is.
2) Wanneer Kitty het had over een 'iets' was dat nog helder denken: ze zocht naar een concreet iets wat we nu nog niet zouden vatten, maar misschien in de toekomst wel, oftewel een natuurkundige grootheid.
Maar waar jij en Socratoteles mee aankomen is enkel een fantoom van een gevoel. Jullie zijn blijkbaar niet bereid om enkel te stellen dat we hier met gevoelens te maken hebben. Vanwege jullie religieuze paradigma (waarmee jullie opgegroeid zijn) blijven jullie in religieuze terminologie praten, laten jullie stiekem een deurtje open voor iets wat je god zou willen noemen. Je hebt een woord nodig voor 'iets'. Waarom? Gevoelens zijn helemaal geen 'iets'. Je kan alleen maar het woord nodig hebben indien je inderdaad stiekem een deurtje open hebt staan dat een concreet iets veronderstelt.
3) Indien je voelt en ervaart dan ben je zeker niet zonder begrip. Het is dus volstrekt juist om te zeggen
Geen ‘begrip’ dan óók géén definiërend ‘woord’ ervoor. Je moet het veel helderder gaan zien: het woordje 'definiërend' is overbodig. Ieder zelfstandignaamwoord heeft namelijk een inhoud. Oftewel de zin moet zijn:
Geen ‘begrip’ dan óók géén ‘woord’ ervoor. Ook niet god.
Kitty: Ondanks al het gebrek aan bewijzen heeft mijn gevoel mij nog niet honderd procent ervan weten te overtuigen dat er niet meer is dat we dan god zouden kunnen noemen.
Zóuden kúnnen noemen. Mooi voorzichtig geformuleerd.
Hoezo
mooi voorzichtig. Hier spreekt schoonheid noch voorzichtigheid. Hier spreekt enkel iemand die een religieus paradigma heeft en nog steeds niet in staat is om een andere taal te leren spreken. Hier spreekt juist het tegenovergestelde van voorzichtigheid, het hals over kop blijven vasthouden aan een religieus paradigma.
Zoals ontiechlijk maal door Freethinkers is geschreven is het niet aan de wetenschap om het niet-bestaan van God te bewijzen, maar ligt de bewijslast omgekeerd: de religieuze mens moet zijn/haar god of iets aantonen.
Ik voor mij stel dat er
geen enkele reden is om zelfs maar de geringste neiging te krijgen om te veronderstellen dat er 'iets' of 'iemand' zou zijn dat we God zouden moeten noemen.
Daartoe overgaan is alleen zinvol als we bereid zijn aan dat woord [=aan god] dezelfde inhoud te geven, óók al zou de inhoud zijn: 'iets waarvoor ik geen woorden heb’.
Dit is voor mij de allergrootste beerput van het denken.
Ten eerste heeft het woord God wel degelijk altijd een inhoud gehad; die jij volkomen verkracht.
Ten tweede geef ik jou het woord waarnaar jij refereert maar niet wil zien: het heet
gevoel.
Waar Kitty een woord voor zocht heeft ze in geuren en kleuren kunnen beschrijven, ze had er tientallen woorden voor, ik heb ze allemaal op een rij gezet. Het was ofwel een natuurkundige grootheid waarvoor volstrekt geen aanleiding is om te zien als iets wat we god zouden moeten kunnen noemen, óf intense, mooie, bijzondere gevoelens die ze wel eens heeft.
Kijk, overkomt het jou óók dat je soms niet weet hoe je iets onder woorden moet brengen. Mogelijk via de weg van gelijkenissen?
Nee, zeker niet via de weg van gelijkenissen! Nogmaals een gelijkenis gebruikt iemand die volkomen weet waar hij het over heeft. Een astronoom kan de grootte van de zon bijvoorbeeld duidelijk maken door een oranje voetbal naast een kleiner object te plaatsen wat de aarde zou voorstellen. Een gelijkenis is altijd dat wat een kind kan begrijpen.
Wanneer ik iets niet onder woorden kan krijgen kom ik tot de conclusie dat ik vermoeid ben of in veel te grote haast iets heb neergezet.
Hoe zou je de dichtregels moeten interpreteren:
‘Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten en
Zit in het binnenste van mijn ziel ten troon’. (Kloos)
Het lijkt wel (het is maar nét hoe je het leest!) een gelijkenisachtige beschrijving van de menselijke hoogmoed die volgens de Bijbel begon bij het eten van de boom der kennis. (Ik weet het: het is maar een verhaal!) Kennis en gedachten horen tot dezelfde wereld. Zou die typisch menselijke ‘functie’ (kunnen ‘weten’, ‘denken’ en ‘redeneren’) in zelfoverschatting ook verkeerd gebruikt kunnen worden?
Maar dit lijkt een ander topic.
Dit is een goede illustratie van hoe het paradigma waarin jij denkt volkomen bepaald wordt door de religie. Jij komt zonder dat je er erg in hebt onmiddellijk en automatisch op het woord 'hoogmoed' als eerste reaktie op die regels.
Denk je eens voor één moment in hoe je denken over die versregels zou zijn indien je nog nooit ook maar één woord van de bijbel gelezen had.
Groeten,
je Rereformed die altijd graag een uurtje met je babbelt.