Het eeuwige leven
Geplaatst: 01 mei 2015 07:53
Met dank aan mijn vader en mijn moeder, en aan hun vader en moeder, en aan alle vaders en moeders, draag ik dit schrijven op aan al onze kinderen en kleinkinderen en achterkleinkinderen en alle kinderen daar van, zoveel generaties ver als er maar zullen zijn of zijn geweest.
Eeuwig is niet voor altijd. Het betekent letterlijk uiteraard: iets dat eeuwenlang duurt. De eeuwigheid van de bijbelschrijvers was in hun eigen denkbeeld slecht 30 tot 40 eeuwen oud. De chinezen wensden hun keizers 100 eeuwen toe. De moderne mens bestaat echter al zeven keer zo lang en sinds onze voorouders niet te onderscheiden waren van chimpansees, zijn er nog 90 keer zoveel eeuwen voorbij gegaan. Er is al meer eeuwigheid voorbij gegaan als wij ons voor kunnen stellen.
Zo’n 9 miljard jaar na het begin van het heelal – als zo’n begin er inderdaad geweest is – hadden de supernova’s genoeg zware elementen in het rond gespuwd om een biochemische soep te doen vormen, waarin het eerste leven tot stand kwam. Zover de biologen het kunnen bekijken, lijkt het er veel op dat alle leven, wij, de andere dieren, de planten de bacterIën, ja alles wat we leven noemen, van één en dezelfde voorouder afstamt. Laten wij deze voorouder “het leven” noemen want dat is een passende naam zoals ik spoedig zal uitleggen.
Dit leven was ontstaan in een de chemische soep die wij geen leven zouden noemen, ook al had het reeds alle bestandsdelen die daarvoor nodig waren, maar pas met het ontstaan van “het leven”, kwamen die voor het eerst bijeen in iets dat zich zou gaan vermenigvuldigen.
Hoewel wij niet weten hoe “het leven” er die eerste keer zal hebben uitgezien, zijn we er vrij zeker van dat het Nucleïne zuur bevatte en die vier componenten: adenine, cytisine, guanine en uracil. Waarschijnlijk was het nog geen DNA. Maar slechts RNA, maar in elk geval werd dit nucleïnezuur eerst gedupliceerd, voordat “het leven” zich splitste in meerdere delen, die elk vrijwel dezelfde reeks van de genoemde vier componenten bevatte, en daardoor vrijwel dezelfde chemische reacties vertoonden, die het mogelijk maakte om wederom te groeien, wederom het nucleïnezuur te dupliceren en zich wéér te splitsen. Sommige van deze delen kwamen aan hun einde, maar altoos waren er die zich bleven dupliceren en splitsen. En zo groeide “het leven” terwijl het zich alsmaar verspreidde over de soep waarin het dreef.
Bij al deze dupliceringen, ontstonden er langzaam maar zeker, verschillen in de reeksen van het nucleïnezuur. Sommige waren niet levensvatbaar en die delen van het leven kwamen om. Anderen bevorderden juist de groei, de duplicatie en de splitsing en die delen van “het leven” die deze reeksen kenden, vermenigvuldigden en verspreidden zich het meeste. Maar omdat wij bij geen elke splitsing kunnen bepalen welke helft “origineel” is en welke een “duplicaat”, moeten wij al deze nazaten als deel van “het leven” beschouwen en waren alle vroege levenvormen dus eigenlijk niets anders dan een deel van het oorspronkelijk wezen. Het leeft dan ook nog steeds!
Later – waarschijnlijk veel later – verenigden sterk verschillende delen van het leven zich weer, en ontstonden er cellen met een celkern die het grootste deel van het nucleïnezuur bevatten, terwijl elders in de cel er energie werd geproduceerd door het zuur van een ander deel van het leven. Die cellen vermenigvuldigden zich weer. Ook werd er na wellicht weer een veel langere tijd nucleïnezuur tussen twee cellen uitgewisseld, en regen groepen qua reeksen identieke cellen zich aaneen. Eerst als een simpele reeks cellen. Later op grond van chemische verschillen, tot verschillend opereerende delen met dezelfde reeksen in het nucleïnezuur. Er ontstonden meercelligen.
Een grote verandering voltrok zich in sommige van die groepen, doordat cellen zich gingen delen zónder eerst hun nucleïnezuur te dupliceren. Elk deel had dus maar de helft daarvan, en om weer het oorspronkelijke wezen te vormen moesten twee van die haploïde cellen weer samensmelten. Sexuele voortplanting was ontstaan. Maar elke cel duploïde of haploïde, alleen of samen, samengesteld uit meerdere delen (eukarioten) of niet (prokarioten), was in wezen slechts een deel van het oorspronkelijk leven, dat zich had afgesplitst en lichtjes gemuteerd was. “Het leven” was nog altijd in leven.
Vermoedelijk was er ook een gemeenschappelijke voorouder van alle dieren en van alle planten. Maar ze bleven groeien , dupliceren en splitsen en weer groeien, daarbij langzaam veranderend totdat zo’n tweemiljoen eeuwen geleden de zoogdieren ontstonden. Zoogdieren zijn heel bijzonder vormen van “het leven”. Ze bestaan uit mannetjes die weinig meer doen dan een portie Deoxyribonucleïnezuur in haploïde vorm leveren, en vrouwtjes wier haploïde cellen die de rest van de complete cel vormen. De nieuw gevormde duploïde cel – met reeksen die voor bijna de helft komen van de “vader” en voor meer dan de helft van de “moeder” (het verschil zit in de mitochondriën, nazaten van kleinere levensvormen die ooit in de Eukariotische cel waren opgenomen) groeit, deelt en rijgt zich aaneen om een nieuw zoogdier te vormen binnen het lichaam van de moeder, waardoor het in deze eerste groeifase veiliger is dan andere levensvormen. Vervolgens worden ze ook nog lange tijd door het moederdier van voedsel voorzien (gezoogd).
Om deze zorg van het moederdier te bevorderen, ontstonden reeds daarvoor reeds instinctmatig gedrag, dat ervoor zorgde dat op zijn minst het moederdier zich inzet voor het voorbestaan van haar nageslacht, maar bij veel dieren doet ook de vader zijn best bij de voedselvoorziening. Bij de zoogdieren werd dit gedrag uiterst plastisch en werd (mede) veroorzaakt door gevoelens, die het ouderdier afhankelijk van de omstandigheden de meest nuttige zorg deden leveren.
Veel van deze zoogdiergevoelens zijn vrijwel onveranderd bij ons mensen te vinden, want alle zoogdieren hebben waarschijnlijk ook een gezamelijke voorouder. En zo zijn wij niet alleen deel “het leven”, maar wellicht ook van “de eerste Eukarioot”, vrijwel zeker van “het eerste dier” en van “het eerste zoogdier”. Allhoewel wij geen van deze “eersten” met zekerheid kunnen aanwijzen en waarschijnlijk ook niet zouden kunnen aanwijzen, als wij al onze voorouders individueel voor ons zouden hebben. Want waneer is iets een dier, en wanneer is iets een zoogdier? Grofweg weten we het wel, maar de scheiding tussen wél en niet, is niet zo duidelijk als we wel zouden willen.
Toen sommige zoogdieren zich hadden ontwikkeld tot apen en zelfs primaten, werd de empathie die zich in eerste instantie vooral ontwikkeld had, als manier waarop de ouderzorg werd aangedreven, ook uitgebreid tot een manier om andere dieren in een samenlevende groep zodanig te behandelen dat de samenleving bestendig was. Er vormde zich de eerste vormen van moraal, die grofweg inhouden dat je het mededier (vooral het jong), geen kwaad deed en hielp waar dat nodig was.
Nochtans zijn er waarschijnlijk twee individuën geweest die wij kunnen beschouwen als de laatste gezamelijke vrouwelijke, en de laatste gezamelijke mannelijke voorouder van alle mensen. Ze leefden waarschijnlijk niet op het zelfde moment, en hebben elkaar dus nooit ontmoet, maar onder de nazaten van de een, bevond zich de ander. En alle huidige en toekomstige mensen zijn dus eigenlijk een deel van hen.
Samenlevende mensen verenigden zich in steeds grotere en meer samenwerkende groepen, ze hadden geleerd elkanders gedrag uitmuntend na te apen, waardoor technieken die een van hen had ontdekt, zich generaties lang konden handhaven, en in een later stadium weer konden worden verbeterd, hetgeen ook weer werd nageaapt. Ze leerden elkaar door geluiden te manipuleren op een ongekend ingenieuze wijze die wij tegenwoordig “taal” noemen. Toen de erfelijke eigenschappen die daarvoor nodig waren zich eenmaal hadden gevormd, ontstond vervolgens een cultuur, die de manier waarop ze werden benut alsmaar verbeterde en deze werd door alsmaar naäpen in stand gehouden. Hoe groter dat samenwerkingsverband, des te meer mensen waarvoor wij empathie voelden en die we daarom geen kwaad doen, maar juist helpen waar dit nodig is. Niet alleen onze eigen jongen, maar steeds meer individuën. De familie, de grootfamilie, de stam, het stamverband, de landgenoten de coalitiegenoten, en nu zelfs tot de hele menselijke bevolking aan toe, inclusief reeds sommige andere dieren, worden beschermd door onze zich steeds ruimer toegepaste empathie en moraal.
Zo leven onze daden niet langer alleen voort in ons eigen nageslacht, maar in alle mensen die die daden ooit zullen naäpen. Zo leven wij allen voort in ons aller nageslacht. Als deel van “het leven” als deel van “de dieren” als deel van de “zoogdieren” als deel van de “mensheid”. Wij zijn deel van een eeuwige opeenvolging van individuën, welke al dertig miljoen eeuwen heeft bestaan, en er mogelijk nog twintig miljoen eeuwen zal zijn. Deel van het eeuwige leven.
Eeuwig is niet voor altijd. Het betekent letterlijk uiteraard: iets dat eeuwenlang duurt. De eeuwigheid van de bijbelschrijvers was in hun eigen denkbeeld slecht 30 tot 40 eeuwen oud. De chinezen wensden hun keizers 100 eeuwen toe. De moderne mens bestaat echter al zeven keer zo lang en sinds onze voorouders niet te onderscheiden waren van chimpansees, zijn er nog 90 keer zoveel eeuwen voorbij gegaan. Er is al meer eeuwigheid voorbij gegaan als wij ons voor kunnen stellen.
Zo’n 9 miljard jaar na het begin van het heelal – als zo’n begin er inderdaad geweest is – hadden de supernova’s genoeg zware elementen in het rond gespuwd om een biochemische soep te doen vormen, waarin het eerste leven tot stand kwam. Zover de biologen het kunnen bekijken, lijkt het er veel op dat alle leven, wij, de andere dieren, de planten de bacterIën, ja alles wat we leven noemen, van één en dezelfde voorouder afstamt. Laten wij deze voorouder “het leven” noemen want dat is een passende naam zoals ik spoedig zal uitleggen.
Dit leven was ontstaan in een de chemische soep die wij geen leven zouden noemen, ook al had het reeds alle bestandsdelen die daarvoor nodig waren, maar pas met het ontstaan van “het leven”, kwamen die voor het eerst bijeen in iets dat zich zou gaan vermenigvuldigen.
Hoewel wij niet weten hoe “het leven” er die eerste keer zal hebben uitgezien, zijn we er vrij zeker van dat het Nucleïne zuur bevatte en die vier componenten: adenine, cytisine, guanine en uracil. Waarschijnlijk was het nog geen DNA. Maar slechts RNA, maar in elk geval werd dit nucleïnezuur eerst gedupliceerd, voordat “het leven” zich splitste in meerdere delen, die elk vrijwel dezelfde reeks van de genoemde vier componenten bevatte, en daardoor vrijwel dezelfde chemische reacties vertoonden, die het mogelijk maakte om wederom te groeien, wederom het nucleïnezuur te dupliceren en zich wéér te splitsen. Sommige van deze delen kwamen aan hun einde, maar altoos waren er die zich bleven dupliceren en splitsen. En zo groeide “het leven” terwijl het zich alsmaar verspreidde over de soep waarin het dreef.
Bij al deze dupliceringen, ontstonden er langzaam maar zeker, verschillen in de reeksen van het nucleïnezuur. Sommige waren niet levensvatbaar en die delen van het leven kwamen om. Anderen bevorderden juist de groei, de duplicatie en de splitsing en die delen van “het leven” die deze reeksen kenden, vermenigvuldigden en verspreidden zich het meeste. Maar omdat wij bij geen elke splitsing kunnen bepalen welke helft “origineel” is en welke een “duplicaat”, moeten wij al deze nazaten als deel van “het leven” beschouwen en waren alle vroege levenvormen dus eigenlijk niets anders dan een deel van het oorspronkelijk wezen. Het leeft dan ook nog steeds!
Later – waarschijnlijk veel later – verenigden sterk verschillende delen van het leven zich weer, en ontstonden er cellen met een celkern die het grootste deel van het nucleïnezuur bevatten, terwijl elders in de cel er energie werd geproduceerd door het zuur van een ander deel van het leven. Die cellen vermenigvuldigden zich weer. Ook werd er na wellicht weer een veel langere tijd nucleïnezuur tussen twee cellen uitgewisseld, en regen groepen qua reeksen identieke cellen zich aaneen. Eerst als een simpele reeks cellen. Later op grond van chemische verschillen, tot verschillend opereerende delen met dezelfde reeksen in het nucleïnezuur. Er ontstonden meercelligen.
Een grote verandering voltrok zich in sommige van die groepen, doordat cellen zich gingen delen zónder eerst hun nucleïnezuur te dupliceren. Elk deel had dus maar de helft daarvan, en om weer het oorspronkelijke wezen te vormen moesten twee van die haploïde cellen weer samensmelten. Sexuele voortplanting was ontstaan. Maar elke cel duploïde of haploïde, alleen of samen, samengesteld uit meerdere delen (eukarioten) of niet (prokarioten), was in wezen slechts een deel van het oorspronkelijk leven, dat zich had afgesplitst en lichtjes gemuteerd was. “Het leven” was nog altijd in leven.
Vermoedelijk was er ook een gemeenschappelijke voorouder van alle dieren en van alle planten. Maar ze bleven groeien , dupliceren en splitsen en weer groeien, daarbij langzaam veranderend totdat zo’n tweemiljoen eeuwen geleden de zoogdieren ontstonden. Zoogdieren zijn heel bijzonder vormen van “het leven”. Ze bestaan uit mannetjes die weinig meer doen dan een portie Deoxyribonucleïnezuur in haploïde vorm leveren, en vrouwtjes wier haploïde cellen die de rest van de complete cel vormen. De nieuw gevormde duploïde cel – met reeksen die voor bijna de helft komen van de “vader” en voor meer dan de helft van de “moeder” (het verschil zit in de mitochondriën, nazaten van kleinere levensvormen die ooit in de Eukariotische cel waren opgenomen) groeit, deelt en rijgt zich aaneen om een nieuw zoogdier te vormen binnen het lichaam van de moeder, waardoor het in deze eerste groeifase veiliger is dan andere levensvormen. Vervolgens worden ze ook nog lange tijd door het moederdier van voedsel voorzien (gezoogd).
Om deze zorg van het moederdier te bevorderen, ontstonden reeds daarvoor reeds instinctmatig gedrag, dat ervoor zorgde dat op zijn minst het moederdier zich inzet voor het voorbestaan van haar nageslacht, maar bij veel dieren doet ook de vader zijn best bij de voedselvoorziening. Bij de zoogdieren werd dit gedrag uiterst plastisch en werd (mede) veroorzaakt door gevoelens, die het ouderdier afhankelijk van de omstandigheden de meest nuttige zorg deden leveren.
Veel van deze zoogdiergevoelens zijn vrijwel onveranderd bij ons mensen te vinden, want alle zoogdieren hebben waarschijnlijk ook een gezamelijke voorouder. En zo zijn wij niet alleen deel “het leven”, maar wellicht ook van “de eerste Eukarioot”, vrijwel zeker van “het eerste dier” en van “het eerste zoogdier”. Allhoewel wij geen van deze “eersten” met zekerheid kunnen aanwijzen en waarschijnlijk ook niet zouden kunnen aanwijzen, als wij al onze voorouders individueel voor ons zouden hebben. Want waneer is iets een dier, en wanneer is iets een zoogdier? Grofweg weten we het wel, maar de scheiding tussen wél en niet, is niet zo duidelijk als we wel zouden willen.
Toen sommige zoogdieren zich hadden ontwikkeld tot apen en zelfs primaten, werd de empathie die zich in eerste instantie vooral ontwikkeld had, als manier waarop de ouderzorg werd aangedreven, ook uitgebreid tot een manier om andere dieren in een samenlevende groep zodanig te behandelen dat de samenleving bestendig was. Er vormde zich de eerste vormen van moraal, die grofweg inhouden dat je het mededier (vooral het jong), geen kwaad deed en hielp waar dat nodig was.
Nochtans zijn er waarschijnlijk twee individuën geweest die wij kunnen beschouwen als de laatste gezamelijke vrouwelijke, en de laatste gezamelijke mannelijke voorouder van alle mensen. Ze leefden waarschijnlijk niet op het zelfde moment, en hebben elkaar dus nooit ontmoet, maar onder de nazaten van de een, bevond zich de ander. En alle huidige en toekomstige mensen zijn dus eigenlijk een deel van hen.
Samenlevende mensen verenigden zich in steeds grotere en meer samenwerkende groepen, ze hadden geleerd elkanders gedrag uitmuntend na te apen, waardoor technieken die een van hen had ontdekt, zich generaties lang konden handhaven, en in een later stadium weer konden worden verbeterd, hetgeen ook weer werd nageaapt. Ze leerden elkaar door geluiden te manipuleren op een ongekend ingenieuze wijze die wij tegenwoordig “taal” noemen. Toen de erfelijke eigenschappen die daarvoor nodig waren zich eenmaal hadden gevormd, ontstond vervolgens een cultuur, die de manier waarop ze werden benut alsmaar verbeterde en deze werd door alsmaar naäpen in stand gehouden. Hoe groter dat samenwerkingsverband, des te meer mensen waarvoor wij empathie voelden en die we daarom geen kwaad doen, maar juist helpen waar dit nodig is. Niet alleen onze eigen jongen, maar steeds meer individuën. De familie, de grootfamilie, de stam, het stamverband, de landgenoten de coalitiegenoten, en nu zelfs tot de hele menselijke bevolking aan toe, inclusief reeds sommige andere dieren, worden beschermd door onze zich steeds ruimer toegepaste empathie en moraal.
Zo leven onze daden niet langer alleen voort in ons eigen nageslacht, maar in alle mensen die die daden ooit zullen naäpen. Zo leven wij allen voort in ons aller nageslacht. Als deel van “het leven” als deel van “de dieren” als deel van de “zoogdieren” als deel van de “mensheid”. Wij zijn deel van een eeuwige opeenvolging van individuën, welke al dertig miljoen eeuwen heeft bestaan, en er mogelijk nog twintig miljoen eeuwen zal zijn. Deel van het eeuwige leven.