Herman Philipse: Godsdienstfilosofie

Een uitgeschreven samenvatting van “Godsdienstfilosofie, een hoorcollege over religie tussen wonder en wetenschap”, gegeven door filosoof en hoogleraar prof. dr. mr. Herman Philipse. CD's uitgegeven door Home Academy. Samenvatting (met toestemming Home Academy) door dikkemick.

Moderator: Moderators

Gesloten
Gebruikersavatar
dikkemick
Ontoombaar
Berichten: 11314
Lid geworden op: 07 mar 2013 18:36

Herman Philipse: Godsdienstfilosofie

Bericht door dikkemick » 14 jul 2017 08:26

Eventuele reakties op dit studietopic kunnen hier geplaatst worden.
Rereformed


Herman Philipse: Godsdienstfilosofie



Introductie

In 2016 heb ik een CD-box gevonden met de titel: “Godsdienstfilosofie, Een hoorcollege over religie tussen wonder en wetenschap”. Het is een uitgave van home academy en wordt gepresenteerd door filosoof en hoogleraar prof. dr. mr. Herman Philipse. Maar liefst 9 uur en 8 minuten op audio-CD!

Samenvatting (site home academy): "Wat is godsdienst? Hoe verhoudt de godsdienst zich tot wetenschappelijke kennis? Wat zijn de wetenschappelijke verklaringen van het verschijnsel godsdienst? Herman Philipse behandelt in deze serie hoorcolleges de verschillende waarheidscriteria, openbaringen, het debat over Intelligent Design en de fundering van de moraal."
Tevens is er een synopsis te downloaden welke behulpzaam kan zijn bij het beluisteren van de CD's of het lezen van mijn uitwerking hiervan op papier.

Zelf was ik zo goed als onbekend met filosofie, dus niet de verteller (Herman Philipse), maar de titel trok mijn aandacht omdat ik mij de afgelopen jaren veel met religie bezig gehouden heb.
Onbegrip (hoe bestaat het dat mensen nog in (een) God geloven) is misschien wel het sleutelwoord voor die passie en wellicht zou deze collectie mijn begrip kunnen vergroten. Ik denk dat Herman Philipse hier voor een groot deel in geslaagd is, hoewel zijn eindconclusie van de laatste CD anders zal doen vermoeden.

Waarom al deze moeite het college (met schriftelijke toestemming van Home Academy, waarvoor mijn dank) op persoonlijke wijze uit te werken op papier en het ook nog te publiceren op freethinker? Ik heb het college meerdere malen beluisterd en dit in betrekkelijk korte tijd. Er wordt dan echter zoveel informatie gedeeld dat ik op gegeven moment door de bomen het bos kwijt raakte. Een samenvatting maken ligt wat mij betreft dan voor de hand. En omdat religie bijna de hoofdmoot vormt op het forum van freethinker, wil ik deze kennis graag delen met de overige leden op deze site en verder natuurlijk met iedereen die hierin geïnteresseerd is.
Mijn bedoeling is om ieder college (het zijn er 8) deel voor deel, gedurende een aantal weken schriftelijk te publiceren (naar eigen inzicht en mogelijkheden waarbij het geen letterlijk gedicteerd verslag al worden) waarna dit wellicht aanleiding kan zijn voor verdere bespreking, vragen of discussie op de site van freethinker.nl.

Met dank aan freethinker, en uiteraard Herman Philipse (home academy). Mogelijk onvolledigheden of fouten zijn voor mijn rekening, niet voor H. Philipse of home academy.

Veel leesplezier!

Marc.

Aanvulling1: Link om een klein beeld van de motivatie van Philipse te verkrijgen.
Reality is that which, when you stop believing in it, doesn't go away.
Philip K. Dick

Gebruikersavatar
dikkemick
Ontoombaar
Berichten: 11314
Lid geworden op: 07 mar 2013 18:36

Re: CD1 De diversiteit van godsdiensten

Bericht door dikkemick » 16 jul 2017 11:22

De diversiteit van godsdiensten

Godsdienst wordt wereldwijd zeer divers beleefd, is lastig te definiëren maar de afgelopen decennia weer interessant geworden. Met name in deze tijd van vermeende secularisering heeft het de interesse van de filosoof weer gewekt.
Secularisering valt onder godsdienstsociologie en er zijn twee visies: Volgens Emile Durkheim (1858-1917) en Max Weber (1864-1920) was secularisering een onomkeerbaar proces. Godsdiensten doen namelijk o.a. aan wereldverklaringen (zoals wetenschap dat doet) waarbij de religieuze optie steeds meer obsoleet is geworden. Ook is institutionele differentiatie van kerken, zoals ziekenzorg, sociaal vangnet etc. enorm afgenomen door de versplintering van deze taken. De kerk heeft zo minder macht over mensen gekregen.
Amerikaanse godsdienstsociologen echter beweren nu geheel anders. Kijk alleen naar alle oplevingen in deze tijd. Twee visies die dus volkomen met elkaar botsen.

Dan moet empirisch onderzoek uitkomst bieden. Godsdienstsociologen voeren wereldwijd al decennia lang diverse surveys of enquêtes uit en hieruit komt het volgende naar voren: De westerse ontwikkelde rijke landen seculariseren sneller dan voorspeld terwijl de arme landen, waar een grotere bevolkingstoename is, niet of nauwelijks seculariseren.
In deze tijd van mondialisering met TV, internet en vrij vliegverkeer is dit overduidelijk gaan botsen. Denk alleen maar aan de cartoons van Mohammed. Godsdienst neemt inmiddels weer een prominente plaats in op de politieke agenda.

Godsdienstfilosofie heeft dan ook een evolutie doorgemaakt. Vanaf Paulus (m.n. Romeinen 1:20 *) is godsdienstfilosofie al interessant omdat Paulus hier beweert dat de mens geen excuus heeft niet in God te geloven omdat de natuur hiervoor immers alle empirische bewijzen levert. Dit wordt dan de rationele theologie genoemd welke uiteraard wel ondergeschikt was aan de belangrijkere openbaringstheologie. Openbaring was immers het directe woord van God.

Later echter, tijdens de wetenschappelijke revolutie, keert deze hiërarchie om. Er blijken veel doctrines uit het OT onderuit gehaald te worden. De zon die zou bewegen, of de oorsprong van waanzin (denk aan uitdrijving van demonen) als voorbeelden. Rationele theologie wordt derhalve belangrijker.
In de 18e eeuw tijdens de verlichting met o.a. werk van Kant en Hume blijkt ook die rationele theologie te mislukken en er ontstaat een vlucht in of de boven-rationaliteit (Hegel), welke beweert dat er een hoger soort verstand dan het wetenschappelijk verstand is, of in de irrationaliteit (Kierkegaard), welke inhoudt dat geloof een hoogstpersoonlijke keuze is die niet verder beargumenteerd kan worden. En dat laatste was de oninteressante situatie voor de filosoof van de godsdienstfilosofie tot voor kort.
De laatste 40 jaar is er echter weer een opleving van rationele theologie, door werk van o.a. Richard Swinburne en Alvin Plantinga. En dus is godsdienstfilosofie, aldus Philipse, weer interessant geworden!


* Romeinen 1 vers 20: Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar. Er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn.



Wat is godsdienst?

Lastige vraag! De antropoloog of etnograaf zou graag zien dat ons buitenperspectief overeenkomt met het binnenperspectief van de gelovige. Echter, er zijn culturen die het begrip 'godsdienst' überhaupt niet kennen.
Tevens is godsdienst in onze moderne maatschappij maar een klein deelgebied van de werkelijkheid. Denk aan bijbel lezen, zondags naar de kerk gaan. Er is m.a.w. een institutionele splitsing, zoals die bijvoorbeeld bij de Navajo indianen niet aanwezig is.

Godsdienst heeft ook niet bepaalde algemene kenmerken. De ene godsdienst heeft een kerk, de andere niet. Sommige godsdiensten vertellen iets over moraal, anderen niet. Natuurgoden kunnen evenals de mens notoir onbetrouwbaar zijn. Beoefen je de godsdienst alleen of in een groep, rituelen of niet, natuurlijk (Nevajo's) of bovennatuurlijk (Abrahamistische godsdiensten), wel of geen leven na de dood. Sluit de ene godsdienst de andere wel (monotheïsme) of niet (polytheïsme) uit? Moet je goden wel of niet eren/dwingen? etc.
Je kan dus kijken naar bepaalde kenmerken/aspecten, maar deze kenmerken/aspecten zijn weer niet noodzakelijk. De meeste definities hebben dan ook tekortkomingen. Philipse noemt een aantal definities met de daarbij behorende tekortkomingen.

1 definitie van godsdienst van Durkheim: “Une religion est un système solidaire de croyances et de pratiques relatives à des choses sacrées, c'est-à-dire séparées, interdites, croyances et pratiques qui unissent en une même communauté morale, appelée Eglise, tous ceux qui y adhèrent
Vertaald: Godsdienst is een samenhangend systeem van overtuigingen en handelingspraktijken die te maken hebben met heilige dingen, d.w.z dingen die afgescheiden en verboden zijn. Overtuigingen en handelingspraktijken die in een zelfde morele gemeenschap, die kerk wordt genoemd, al diegenen verzamelen die er aan mee doen/er aan geloven.
Deze definitie geeft dan Durkheims eigen theorie over de godsdienst al weer. Hij was nl. zeer geïnteresseerd in de vraag waarom we eigenlijk godsdiensten hebben en zocht het antwoord in het samenbinden van (morele) mensen-gemeenschappen.

Dit is dan ook gelijk de zwakte van deze sociologische definitie, omdat ze gelijk de theorie van Durkheim al weergeeft. Een neutrale definitie is nl. onafhankelijk van eventueel bestaande theorieën. Een ander mogelijk probleem: Wat zijn heilige dingen? Durkheim zegt: 'dingen die afgescheiden en verboden zijn' maar Philipse noemt dan terecht het elektriciteitshuisje (eveneens afgescheiden en verboden, maar beslist niet heilig).

Vervolgens moet je bij de uitleg naar wat godsdienst is, oppassen voor enkele vooroordelen zoals:
Reductionisme. Er wordt dan beweert dat godsdienst slechts een psychologische functie of een sociologische functie heeft zoals Durkheim betoogde. Naar de geloofsinhoud wordt dan niet gekeken.

Dualisme is een ander vooroordeel. Godsdiensten zouden gaan over het bovennatuurlijke zodat er een dualistische verdeling is tussen natuur en bovennatuur. Antropologisch gezien is ook dit een vooroordeel, omdat dit dualisme uit de Abrahamistische godsdiensten stamt.

Salvationisme legt de nadruk op het zielenheil en dan m.n. het leven na dit leven. Ook dit ontbreekt (en ontbrak) in veel godsdiensten.

Exclusivisme: Godsdiensten zouden elkaar uitsluiten. Maar dit geldt weer niet voor de meeste indianen-godsdiensten. Men heeft hier zeker niet het idee de ware godsdienst in pacht te hebben. Deze groepen kunnen dan ook gemakkelijk 'bekeren' tot een andere godsdienst, of ze implementeren in de eigen overtuigingen. Ook polytheïsten zijn doorgaans toleranter dan de monotheïsten.

Als laatste voorbeeld het overbekende onderscheid geloof en bijgeloof. Wat voor de ene persoon een geloof is, is voor de andere persoon een bijgeloof en vice versa.

1 mogelijk neutrale definitie: “Godsdienst is de som van menselijke pogingen om veronderstelde niet waarneembare machten (iets menselijks/geestelijks/persoonlijks) te begrijpen, te eren en te beïnvloeden door vormen van communicatie”.
Machten zijn dan die factoren die het zichtbare begrijpelijk maken. Krachten daarentegen kun je zien als de natuur om je heen (atomen, zwaartekracht) welke door de wetenschap (of macht) verklaard wordt.
Religie is, in ieder geval in de rijke landen, door de moderne wetenschap op haar terugtocht (secularisering) en tussen en binnen de bestaande godsdiensten is er tegenwoordig een enorme variëteit. Tevens bleek de communicatie minder effectief om krachten te beïnvloeden dan de wetenschap. Het krachtenmodel (wetenschappelijke verklaringen) is het machtenmodel (communicatie met goden) dus ver voorbij gestreefd.
De filosoof zal tenslotte over het nut van een godsdienst geen antwoord geven maar de geloofsinhoud (wat geloven mensen) is wel interessant en ook de waarheidsvraag (is het waar wat ze geloven) is interessant voor de filosoof.

Uiteraard voorzien van argumenten.


Hoe moeten we ons met godsdienst bezig houden om deze te begrijpen?

Stelling 1: Je kunt godsdienst alleen goed begrijpen/verklaren als je er zelf niet in gelooft en
stelling 2: godsdienstfilosofie gaat logisch vooraf aan verklarende godsdienstwetenschap.

Introductie stelling 1:
Iemand die gelooft weet precies wat de geloofsinhoud inhoudt. Hoe er gebeden dient te worden, hoe een shaman in te huren of hoe rituelen uitgevoerd moeten worden. De theoloog (als gods-wetenschapper) geeft bovendien nog een intellectueel inhoudelijke beschouwing van dit geloof. Hij legt b.v. openbaringen/metaforen, parallellen OT en NT uit.

Empirische godsdienstwetenschappen bestaan ook en deze kunnen beschrijvend en verklarend zijn.
Er heeft de laatste decennia een verschuiving plaatsgevonden van beschrijvend naar verklarend. Neem, om dit onderscheid te verduidelijken, de biologie als voorbeeld. Dit was voorheen 'natte his' (natuurlijke historie) en het was vooral beschrijvend (hoe ziet het plantje er uit?), maar later is dit opgeschoven naar het verklarende stadium (evolutietheorie als voorbeeld). Philipse zal zich gaan richten op de verklarende tak.
Theologen en godsdienstwetenschappers hebben sinds 1876 (wet op het hoger onderwijs met onderscheid tussen kerk en staat) vrijwel niets meer met elkaar te maken en dat is jammer. De dominee krijgt weliswaar nog mondjesmaat iets wetenschappelijks te horen maar de (vergelijkende) godsdienstwetenschap loopt dan aan de leiband van de theologie.

Uitleg stelling 1: Een vrouw hoort stemmen die inhouds-bevestigend kunnen zijn: De radio bij de buren staat nl. te hard en de stemmen die ze hoort zijn echt.
Inhouds-ontkennende verklaring zou zijn: Buurvrouw heeft een psychische aandoening en hoort stemmen die er niet werkelijk zijn.
Verklarende godsdienst-wetenschap kent dit onderscheid ook. Luther zegt: “Dit geloof is een genade gods” en dit is dus een inhouds-bevestigende verklaring, want God bestaat immers.
De opmerking van Durkheim: “Godsdienst houdt slecht groepen bij elkaar” daarentegen was een inhouds-ontkennende theorie.
Je zou dus als filosoof op zoek moeten gaan naar inhouds-ontkennende theorieën en dus moet je er zelf niet in geloven om dit goed te kunnen onderzoeken. Een Inhouds-bevestigende aanpak zou nl. impliceren dat je alle goden aanneemt en de godsdiensten middels hun eigen goden moet gaan verklaren. Dit leidt uiteraard tot contradicties. Monotheïsten beweren nl. dat er maar 1 god bestaat, polytheïsten geloven in meerdere goden.
De bewering dat je eigen godsdienst alle andere godsdiensten zou verklaren is eveneens niet wenselijk (special pleading). Ook zou b.v. de christelijke god aan veel mensen een misvatting hebben meegegeven, maar dit past dan weer niet bij een goede god.
Inhouds-ontkennende benadering voor Philipse dus.

Stelling 2
Godsdienstfilosofie is fundamenteler dan godsdienst-wetenschap omdat er filosofen zijn die beweren dat God bestaat en er filosofen zijn die beweren dat God niet bestaat. Vraag voor de filosoof is dus: Zijn er goede reden om te betogen dat godsgeloof het domein van de rede geheel transcendeert? Een filosoof heeft, aldus Philipse, niets over fysica (bosonen, zwaartekracht) te zeggen, maar omdat er bij godsdienst geen hoogontwikkelde empirische godsdienst wetenschap (laboratoria b.v.) bestaat, gaat het dus om de waarheidsvraag van godsdiensten.

De gelovige mag nu dan uitleggen hoe hij zijn geloof ziet en de filosoof vraagt naar argumenten en onderzoekt de waarde hiervan. Deze argumenten worden in de volgende blokjes besproken. Te beginnen met CD2: openbaringen.
Reality is that which, when you stop believing in it, doesn't go away.
Philip K. Dick

Gebruikersavatar
dikkemick
Ontoombaar
Berichten: 11314
Lid geworden op: 07 mar 2013 18:36

CD 2 De geloofwaardigheid van openbaringen

Bericht door dikkemick » 16 jul 2017 16:31

De geloofwaardigheid van openbaringen


1: Interpretatie van openbaringen

Inleiding: Meeste gelovigen geloven niet op grond van redelijke argumentaties of kritisch nadenken maar velen (de ons bekende religies) hanteren cosmogonieën (leer der wereldschepping) of openbaringen als rechtvaardiging voor de religie. Ook groeit men uiteraard doorgaans in een bepaalde religieuze traditie op. Vandaar deze introductie over openbaringen.

Te beginnen daarom met een voorbeeld van een recentere (1830) openbaring zoals die van Joseph Smith Jr.
Andere openbaringen liggen namelijk verder in het verleden en optekeningen waren veel later en dat is een groot probleem voor de historicus.
Joseph Smith had twee zeer religieuze ouders en Joseph zou op 14-jarige leeftijd helderziende zijn. Dit hield hij vol tot aan een juridisch proces dat door één van zijn klanten werd aangespannen.
Smith kreeg later visioenen van de engel Moroni. Gouden platen/tafelen zouden openbaringen bevatten, maar de engel beval hem hier van af te blijven en de platen zouden later zijn verdwenen.
Weer enige tijd later hervond hij de platen, bedekt met Egyptisch schrift met daarbij een bril om e.e.a. te kunnen ontcijferen. Alles verdween daarna wederom.
Volgens de openbaring van Joseph Smith (volgens de platen) waren twee stammen Israëls naar Amerika vertrokken, waarbij de Nefieten (heilige stam) 400 na Christus werd verslagen door de Lamanieten (de Indianen stamden dan van deze Lamanieten af). Ook zou Jezus na de opstanding Amerika bezocht hebben. Dit alles bij elkaar zou uiteraard de ondergeschiktheid van de indianen rechtvaardigen.

Definitie openbaring:
Openbaringen (als dit begrip in de cultuur bestaat) zijn (vermeende) communicatieve zelfmanifestaties van gepostuleerde niet waarneembare machten. Vermeend tussen aanhalingstekens omdat de gelovige er uiteraard in gelooft. Machten waren persoonlijke mechanismen achter de zichtbare werkelijkheid.
Een tweedeling is vervolgens te maken: Propositionele openbaringen (in taal, zoals Romeinen 1:20 en verdedigd door Calvijn, die vindt dat je de wereld moet onderzoeken om zo tot de conclusie te komen dat God bestaat) en niet-propositionele openbaringen zoals zelfmanifestaties, verschijningen van engelen/Maria/gouden tafelen etc.
Toch is de combinatie met teksten, waarin Gods oeuvre wordt uitgelegd, essentieel. Dit zijn dan ook de succesvolle godsdiensten.

3 Vragen:

A: Kunnen we goede redenen hebben om te blijven geloven in de echtheid van een bepaalde openbaring? En hebben we dan goede redenen om strijdige openbaringen af te wijzen?
B: Hoe moeten we openbaringen interpreteren?
C: Wie bepaalt of een openbaringsinterpretatie de juiste interpretatie is.

De laatste vraag voert dan eigenlijk naar het hart van de filosofische problematiek, vandaar dat deze als eerste behandeld wordt.

C: Wie bepaalt of een openbaringsinterpretatie de juiste interpretatie is? Deze vraag wordt na het 16e eeuwse schisma (Luther) verschillend beantwoord in het christendom. Voorheen was het pausen en concilies. Zij beslisten! Na de reformatie (Luther) zou dit het geweten worden.
Wat Luther niet voorzag met zijn 95 stellingen was deze breuk met de gevestigde orde maar ook de financiële consequenties van zijn denken m.b.t. de aflaathandel in de katholieke kerk. De paus (Leo X) zou Luther daarom in de ban moeten doen en hij wilde Luther aanzetten tot het doen van steeds extremere uitspraken. Dit lukte want Luther ontkent dat pausen en concilies kunnen bepalen wat de juiste interpretatie is, maar wel het (individuele) geweten. “Ik sta hier, dit is mijn standpunt want ik kan niet anders”. Het heeft echter niet het gewenste effect gehad om Luther belachelijk te maken bij de achterban.

En zo hebben we 2 waarheidscriteria voor interpretatie van openbaringen in het christendom. Institutioneel versus persoonlijk. Eenheid is er in de westerse christenheid door de enorme versplintering hierna nooit meer geweest. Dit is een onoplosbaar probleem want er is geen methode om dit waarheidscriterium te beslechten.
In 2000 riep de paus nog wel op tot de interreligieuze dialoog (Declaratio Dominus Iesus), waarin met nadruk het geloofsartikel van de katholieke kerk stond van het dogma dat de openbaring in Jezus Christus “compleet en definitief” is. Tot zover dus de dialoog met b.v. moslims!
Moslims zelf doen dit ook. De Bahai zijn volgelingen van Mírzá Ḥusayn-Alí en hij wordt als nieuwe laatste profeet beschouwd. Moslims zijn van mening toegedaan dat er na Mohammed geen nieuwe profeet meer nodig is. De Bahai worden daarom vervolgd.

De verhouding tussen godsdiensten wordt dan ook gekenmerkt door onenigheid over het waarheidscriterium zodat zij in tegenstelling tot wetenschappen niet kunnen beschikken over een gemeenschappelijke onderzoekspraktijk die leidt tot argumentatief verantwoorde consensus.

2: Hoe moeten we openbaringen interpreteren?

Een aloude vraag (vanaf ongeveer het jaar 400 zijn er al debatten). De wetenschappelijke revolutie gooide roet in het eten want ze toonde aan dat veel openbaringen niet waar konden zijn en de debatten duren nog immer voort.

Er zijn twee hoofdsoorten van verschillende interpretaties, namelijk:

1- Typen interpretaties, zoals redenering naar analogie of redenering a contrario (vanuit het tegengestelde), of letterlijke uitleg, figuurlijke uitleg etc. Bekend voorbeeld is de allegorische interpretatie zoals Jozua’s verovering van het beloofde land als een allegorie van de overwinning van onze zonden door Christus aan het kruis. M.a.w. Op één tekst kan men meerdere typen interpretaties loslaten.

2- Onderscheid maken tussen historische interpretatie (ook wel “originalism”) (d.w.z. welke betekenis had de tekst voor het publiek destijds) en de evolutionistisch moderniserende interpretatie waarin de tekst wordt aangepast aan de noden van onze tijd. Met name deze laatste manier van interpreteren is volgens Philipse een filosofisch dilemma.
Het probleem met aanpassen aan onze tijd, oftewel moderniseren, wordt uitgelegd aan de hand van een rechtssysteem in relatie met de Amerikaanse constitutie. Staan deze teksten vast of mogen rechters ze (her)interpreteren?
Ik beschrijf de uitleg hier zeer beknopt, maar wie geïnteresseerd is in deze probleemstelling kan ik naar dit document verwijzen.

Conclusie: Een rechter mag de wet (van een wetgevende instantie) niet veranderen door (her)interpretatie. Er is voor dit herinterpreteren ook geen goede methodologie. Wetgeving/constituties veranderen kan/kunnen uiteraard wel, zij het moeizaam, veranderen. Er kleven meerdere problemen aan maar dan moet ik wederom verwijzen naar bovenstaande link.

Bij (vermeende laatste) goddelijke openbaringen (NT en Koran) hebben bovenstaande argumenten eigenlijk nog meer kracht dan in de juridische sfeer! De openbaring heeft natuurlijk een goddelijke autoriteit en er komen nooit nieuwe wetten!
Kan een openbaring dus gemoderniseerd worden?

Stel je interpreteert de bijbel historisch. Metaforisch bedoelde teksten (door de vermeende schrijvers) beoordeel je dus metaforisch en letterlijk bedoelde teksten interpreteer je letterlijk. Dan blijken er echter zeer veel onwaarheden in te zitten. Jezus zou demonen uitdrijven, maar dit blijkt een verouderde visie op geestesziekten te zijn. Foutieve openbaringen zijn catastrofaal voor een betrouwbare godheid of betrouwbare getuigen die de openbaring opgeschreven zouden hebben.
Moderniseren is problematisch. Er is geen autoriteit én er is geen methode voor!

Richard Swinburne heeft hier een intelligente uitvlucht voor bedacht: God zou cultuurafhankelijke openbaringen hebben gedaan die dus nu gecontamineerd zijn door de hedendaagse cultuur. Dit zou dan wel gebaseerd zijn op rationele gronden (en dus afhankelijk van rationele theologie) en dit komt later in het college aan de orde. Swinburne vooronderstelt hier namelijk al een bepaalde god.

3: Openbaringspathologie en cognitieve dissonantie

Kunnen we een goede reden hebben om te blijven geloven in de echtheid van een bepaalde openbaring? En hebben we dan een goede reden om strijdige openbaringen af te wijzen?

Eigenlijk zou je alle openbaringen met elkaar moeten vergelijken omdat het natuurlijk toeval is dat je met een bepaalde openbaring bent opgevoed. Dan ben je onpartijdig en kun je een soort productvergelijking doen. Let op de inhoud van de openbaring (stel dat 2000 jaar geleden de P.C werd geopenbaard). Onderzoek wijst echter uit dat dit voor de meeste openbaringen niet het geval is. Als voorbeeld de openbaring van Joseph Smith Jr. Maar nu blijkt dat in inheemse Amerikanen geen Hebreeuws bloed zit en dus is ook deze openbaring(swaarheid) van Joseph Smith niet correct.
Degene die de openbaring ontving zou een groot wonder hebben kunnen verrichten (de opstanding b.v.), maar dan moet dit wonder wel gebeurd zijn.

Tegenargumenten voor openbaringen zijn mogelijke (meer waarschijnlijke) alternatieve verklaringen zoals b.v. vallende ziekte of epilepsie bij de bekering van Saulus als hij schuimbekkend en blind ter aarde valt op weg naar Damascus.
Uitleg Nietzsche: Saulus zou een gewetensvolle Joodse priester zijn geweest die de joodse wet wilde hanteren en zich zo bewust werd van zijn eigen zondigheid en dus stress en innerlijke spanningen. Bovendien zou Saulus dus epilepticus geweest kunnen zijn. En zo verzint hij een nieuwe interpretatie van de dood van Jezus: Hij is voor onze zonden (dus zeker ook voor de zonden van Saulus zelf) gestorven. De liefde zou nu de plaats van de Joodse wet innemen.

Of een tweede uitleg m.b.v. de theorie van de cognitieve dissonantie als Jezus als crimineel om het leven wordt gebracht. Er waren vele (duizenden) Joodse sekten met vele messiassen. Maar waarom is juist deze Jezus-sekte wereldwijd zo bekend geworden? Een mogelijke verklaring is dan de volgende:

Jezus zou ongetwijfeld (toekomst)beloften hebben gedaan en zijn veroordeling als ordinaire crimineel gaf een enorme stijging van de cognitieve dissonantie.
Als recenter voorbeeld en parallel met voorgaande voorbeeld noemt Philipse uit “When prophecy fails” van Leon Festinger een ufo-religie uit Chicago.
Bekendste voorbeeld van cognitieve dissonantie is de sigaren roker tegen wie verteld wordt dat roken slecht is. De gevaren worden dan weggeredeneerd, omdat de kennis dat roken slecht is een zeer onplezierig gevoel veroorzaakt bij die verstokte roker.
Misschien had Jezus de belofte gedaan dat Palestina bevrijd zou worden van de Romeinen. Waarom trok hij naar Jeruzalem? Misschien wel om in het hol van de leeuw de macht te veroveren? Moeilijk te reconstrueren allemaal, maar de gebeurtenis zou natuurlijk wel een enorme stijging van de cognitieve dissonantie teweeg hebben gebracht.
Een nieuwe theologie m.b.t. de kruisiging wordt nu uitgevonden door Paulus en er wordt massaal zending bedreven in de joodse diaspora in het Romeinse Rijk.
Laatst gewijzigd door dikkemick op 16 jul 2017 17:18, 1 keer totaal gewijzigd.
Reality is that which, when you stop believing in it, doesn't go away.
Philip K. Dick

Gebruikersavatar
dikkemick
Ontoombaar
Berichten: 11314
Lid geworden op: 07 mar 2013 18:36

CD 3 De geloofwaardigheid van wonderen

Bericht door dikkemick » 22 jul 2017 11:20

De geloofwaardigheid van wonderen

1. De waarschijnlijkheid van wonderen

Volgens de Franse wis- en natuurkundige, christelijk filosoof, theoloog en apologeet Blaise Pascal (1623-1662) waren de wonderen essentieel voor het geloven in Jezus Christus, en de opstanding van Jezus mag dan toch wel als het grote superwonder beschouwd worden. Een ander voorbeeld van een vermeend wonder dichter bij huis is het mirakel van het heilig sacrament (heilige hostie) uit het oude A'dam. Dit om een kleine indruk van wonderen te krijgen.
Later volgen kritische discussies over wonderen zoals:

Spinoza(1632-1677): Wonderen zijn logisch (a priori) onmogelijk. God en universum zijn voor hem hetzelfde en er zijn noodzakelijke wetten. Een uitzondering hierop is daarom logisch onmogelijk.
Thomas Hobbes (1588-1679) of Isaac Newton (1643-1727) waren van mening dat een almachtige God zijn natuurwetten weliswaar kon overtreden, maar dit niet vaak zou doen en
David Hume (1711-1776) had empiristische argumenten tegen, in zijn ogen bijgelovige, wonderen en vond ze (a posteriori) hoogst onwaarschijnlijk.
Wat is een wonder zoals in een openbaring volgens Hume? Het is een merkwaardige natuurlijke gebeurtenis op aarde die alleen maar uit te leggen is door een god te postuleren en indruist tegen de natuurwetten.

Hoe weten we van wonderen? Via (empirische) getuigenverklaringen. De kennistheorie is dan dus belangrijk!

Noot betreffende Getuigenverklaringen: Wat zijn criteria voor de geloofwaardigheid van getuigen?
Externe criteria: Het aantal getuigen zou groot moeten zijn en de kans dat elke getuige de waarheid spreekt moet boven een 0,5 zijn. De onderlinge onafhankelijkheid (is er overleg tussen de getuigen geweest?), de opleiding van de getuigen, hebben de getuigen een reputatie of expertise m.b.t. het onderwerp, hebben ze belang bij de getuigenis, de waarheidlievendheid en het karakter van de getuigen is belangrijk.
En dan heb nog: Interne criteria: Is het verhaal intrinsiek zeer onwaarschijnlijk?
Hume zegt dan: Een wonder is per definitie extreem onwaarschijnlijk, wat de getuigenis inhoudelijk verdacht maakt. We kunnen dus alleen geloof hechten aan getuigenverklaringen over wonderen als de niet-inhoudelijk geëvalueerde betrouwbaarheid der getuigen zo groot is dat deze de inhoudelijke onwaarschijnlijkheid van de beweerde feiten over compenseert.

Een wonder is dus extreem onwaarschijnlijk. We moeten dan dus kijken naar de getuigenissen van de wonderen. Volgens Hume voldoen de getuigen nooit aan de externe criteria. Ook merkt Hume op dat mensen dol zijn op wonderverhalen en ze graag doorvertellen. Een wonderverhaal van de ene religie ondergraaft dan wel vaak het wonderverhaal van de andere religie. Ze erkennen elkaar uiteraard niet. Aldus Hume.

2. Is Humes argumentatie een mislukking?

Tegenwerping/analyse n.a.v. Humes argumentatie van o.a. John Earman is dat mensen Hume nooit goed bestudeerd zouden hebben, maar zijn conclusie, m.b.t. wonderen wel welkom zouden vinden. Philipse bespreekt een aantal van zijn objecties.

Het doel van David Hume was een argumentatie te geven die elk religieus wonderverhaal bij voorbaat zou ontkrachten, zonder zelfs maar in te gaan op eventueel bewijsmateriaal voor die wonderen. Volgens Earman is een dergelijke doelstelling onhaalbaar. Een eerste objectie is het "definitie-dilemma": Stel dat je wonderen definieert als gebeurtenissen die indruisen tegen natuurwetten, dan moet je de vraag stellen: "Wat bedoel je met de term natuurwet"?
Zijn natuurwetten ware wetten (regelmatigheden) die geen uitzonderingen kennen (want dan zou a priori een wonder al niet kunnen plaatsvinden)? In dat geval heb je de definitie van Hume helemaal niet nodig.

Of zijn het wetshypothesen waarvan we denken dat het een natuurwet is? Probleem is dan dat na een wonder, de wetshypothese niet volgehouden kan worden en deze moet dan uiteraard aangepast worden. Nu wordt met de gebeurtenis de wetshypothese weerlegd.
Hume laat dit in het midden en heeft dus geen houdbare definitie van een wonder gegeven, aldus Earman.

Vervolgens maakt Earman ook duidelijk onderscheid tussen een 'marvel' en een 'miracle'. Het is natuurlijk geen 'miracle' dat ik mijn vriend (die in Australië woont en waarvan ik meen dat hij daar op dit moment ook is) in Amsterdam tegen het lijf loop. Ander voorbeeld: Een oosterse prins wordt verteld dat olifanten in Nederland over water kunnen lopen, omdat dit water zo hard kan worden. De prins die hier totaal mee onbekend is, zou getuigen moeten vragen en zal het dan wellicht een wonder noemen. Je zult claims daarom altijd moeten onderzoeken of ze aan de definitie van een wonder voldoen.
Mensen gaan vervolgens altijd dood (De ervaring van dit feit wordt volgens Hume 'proof' genoemd --> inductief bewijs). Wiskundig gezien (waarschijnlijkheid) is hier dan wel iets op af te dingen. Bij 99 witte zwanen MOET de 100ste zwaan niet automatisch wit zijn. De waarschijnlijkheid wordt nooit helemaal 1. Ook dit 'inductief bewijs' argument van Hume gaat dus niet helemaal op.
Conclusie: Je moet altijd naar bewijsmateriaal gaan kijken als er een wonder geopperd wordt en er in gaan geloven als de waarschijnlijkheid groter dan een 0,5 is.
Tevens kun je wiskundig gezien door het aantal onafhankelijke getuigen te laten toenemen een waarschijnlijkheid van een onwaarschijnlijk wonder dan toch groter krijgen dan 0,5.

Conclusie Earman: Alle (wonder)verhalen moeten in alle details zeer nauwkeurig onderzocht worden. Je kunt ze niet op voorhand (Hume) afschrijven.

Philipse probeert Hume nog enigszins te redden: Een echt wonder is zo nooit wetenschappelijk te verklaren zelfs niet als de wetenschap zeer ver vooruit is gegaan. Maar: de bewijslast wordt nu dus wel extreem groot!
De doortocht door de rode zee (stel dat deze plaats heeft gevonden) zou wetenschappelijk nog verklaard kunnen worden (winden/getijden etc...), maar de opstanding van Christus....dat zou pas een echt wonder zijn!

3. Het wonder van de opstanding van Christus (collaborative storytelling)

Godsdinstfilosoof Richard Swinburne (1934) denkt met gebruikmaking van het theorema van Bayes uit te kunnen rekenen hoe groot de waarschijnlijkheid is, dat Jezus de geïncarneerde was en uit de dood is opgestaan. Swinburne komt Op 0,97 uit en dat is dus bijna 1. Maar welke getallen worden er in gestopt? En welke vooraannamen worden er gedaan? Swinburne probeert eerst filosofisch een god te laten bestaan die met de mens meevoelt (en dus daarom opstond uit de dood).
Wat betreft Philipse deugen de getuigenverklaringen van geen kant (lees bijvoorbeeld kritisch en horizontaal de evangeliën: Bart Ehrman).

Vergelijk eerst om te beginnen de 2 (hoofd)bronnen m.b.t. de opstanding, dwz. Paulus en Marcus.
Dit zijn 2 totaal verschillende theorieën over wat opstanding is. Paulus' visie is in de hemel met een nieuw hemels lichaam dat fijnstoffelijk (bijna geestelijk) is en dat was destijds duidelijk de joodse visie en vandaar dat Paulus visioenen van fijnstoffelijkheid krijgt. Zeker niet een grofstoffelijk lichaam op aarde!
1 Korintiërs 15 vers 35: “'Maar hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?' Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan komen. En wat u zaait heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel, een graankorrel misschien of iets anders. God geeft daaraan de vorm die hij heeft vastgesteld, en hij geeft elke zaadkorrel zijn eigen vorm. Elk aards lichaam is anders; het lichaam van een mens is enig in zijn soort, dat van een dier eveneens, dat van een vogel ook, en ook dat van een vis. Er zijn lichamen aan de hemel en lichamen op aarde, maar de schittering van een hemellichaam is anders dan die van een aards lichaam. De zon heeft een andere schittering dan de maan, de maan weer een andere dan de sterren, en de sterren onderling verschillen ook in schittering. Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan. Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wanneer er een aards lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam.
“Directe” getuigen (Paulus zou de eerste geweest zijn) zullen dus visioenen hebben gehad van een fijnstoffelijke opstanding.

Het lege graf, met hieraan gekoppeld dus een aards lichaam, is de tweede, latere, uitleg van Marcus. Dit is een grofstoffelijke (aardse) opstanding en dit kwam in de joodse traditie niet voor, maar wel in de Grieks-Romeinse traditie (Romulus, Heracles b.v.).

Samenvattend: Er zijn geen ooggetuigenverklaringen gevonden en er wordt pas vele jaren na de kruisiging e.e.a beschreven. De getuigenissen (afhankelijk van welk evangelie je leest) waren bovendien niet compleet onafhankelijk, want ze waren volgelingen van Christus. Bovendien zijn er bronnen die de kruisiging helemaal niet vermelden, terwijl je zou verwachten dat deze gebeurtenis toch veel stof zou doen opwaaien. Op basis van de getuigenissen hebben we dus geen al te sterke redenen om aan te nemen dat Jezus inderdaad is opgestaan.

Waarom is nu juist deze Jezussekte toch zo succesvol geworden?
Na Jezus' dood, (zo zegt Philipse) kan dit uitgelegd worden door je in te leven in de volgers van deze sekte. Combineer dit met cognitieve dissonantie. De volgers van Jezus moesten verwacht hebben dat Christus de messias was en Palestina zou redden van de Romeinse overheersing. Ze geloofden en hoopten dat Jezus gelijk had en dat die beloofde gebeurtenis in Jeruzalem zou plaatsvinden en het leven beter zou worden. Maar dan wordt hij gekruisigd! Geëxecuteerd als een ordinaire crimineel! Wat een cognitieve dissonantie levert dit op!
Paulus laat nu zien dat zij die in Jezus geloven gered zullen worden. Collaborative storytelling (alle getuigen waren aanhangers van Jezus, er was immers geen één Romeinse soldaat getuige) en zending nemen nu vorm aan en de waarheid van de verhalen valt hierna niet meer te controleren.
Het is een mogelijke alternatieve, meer voor de hand liggende, verklaring.
Reality is that which, when you stop believing in it, doesn't go away.
Philip K. Dick

Gebruikersavatar
dikkemick
Ontoombaar
Berichten: 11314
Lid geworden op: 07 mar 2013 18:36

CD 4 Natuurlijke theologie, de godsbewijzen

Bericht door dikkemick » 25 jul 2017 13:08

Natuurlijke theologie, van Paulus tot Wittgenstein

1.a Priori argumenten. Het ontologisch godsbewijs.

Introductie: Citaat van Maarten 't Hart n.a.v. Genesis waarin God steeds ziet "dat het goed was"
Uit “Wie God verlaat heeft niet te vrezen” --> Wat is er goed aan al die kale, dorre planeten? Ter wille van wie of wat draaien Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto al miljarden jaren om de zon? Ter wille van wie of wat cirkelen om de grootste planeten ook nog horden manen? Wat is er ‘goed’ aan de gordel van planetoïden of asteroïden, die zich her en der tussen de planeten ophouden? Wat is de zin van de aanwezigheid van de immense hoeveelheid kometen aan de buitenrand van ons zonnestelsel? Je kunt onmogelijk volhouden dat ons hele zonnestelsel alleen maar geschapen is ter meerdere eer en glorie van die zielige tweebenige stumper die op de aarde rondstapt. Wat hebben wij eraan of er één dan wel tien manen om Jupiter draaien? Of bestaat dat alles ter meerdere eer en glorie van God? Maar wat kan het er voor God toe doen of er één of honderd manen om Neptunus cirkelen?"

Centrale vraag van dit college: Zijn er goede gronden (openbaringen, wonderen of rationele redenen) een geloofstraditie aan te hangen? Openbaringen en wonderen zijn reeds besproken. Rationele redenen worden nu bekeken.
De bijbel zelf (Romeinen 1 vers 20) geeft natuurlijk al aan dat de natuur onderzocht moet worden. Het bestaan van God zou hieruit immers af te leiden zijn! Philipse behandelt dan die argumenten die de meeste kans op succes hebben.

(Noot: Je hebt vele godsbegrippen en argumenten voor het bestaan van een god en deze moet je goed onderscheiden van elkaar. Het type argument is dan nogal beslissend voor de een of andere god. Het ontologisch argument b.v. wijst al richting een bepaald type god. Ook de weddenschap van Pascal blijkt al een bepaald type god te vooronderstellen en dit wordt later ook uitgelegd. Je moet eerst definiëren wat voor type god je je voorstelt om vervolgens argumenten te kunnen geven dat die god bestaat.
Een gods-definitie is dus essentieel! Een rationeel theoloog zal eerst een duidelijk consistent godsbegrip moeten opstellen (Denk maar aan het consistentie probleem van het kwaad).
Pas dan, als je een consistent godsbegrip hebt, kun je kijken naar de godsbewijzen!

Eerste Soort argumentatie is a priori bewijs: Dit maakt geen gebruik van empirische gegevens, zoals het ontologisch godsbewijs dat wel doet.
en de tweede soort: a posteriori bewijzen die gebruik maken van de ervaring of empirie zoals kosmologisch, teleologisch bewijs, of bewijs ter verklaring van bewustzijn, maar ook de religieuze ervaringen.

a Priori bewijzen:
Het ontologische godsbewijs van Anselmus:
Anselmus vooronderstelt al een godsbestaan. Er moet dan een godsbegrip gedefinieerd zijn en deze luidt: aliquid quo nihil maius cogitari possit of wel: “God is datgene dan hetwelk niets groters denkbaar is” en deze god sluit al aan bij de christelijke filosofische traditie. De dwaas van psalm 14 vers 1 vervolgens die het bestaan van God ontkent kan dit alleen doen als hij dit godsbegrip heeft. Zo zou ook in deze tijd de atheïst dit begrip (van die christelijke God) moeten hebben en zo bestaat God dus (volgens Anselmus) in de geest. Stel dat God alleen in de geest bestaat, dan is er iets groters denkbaar en voldoet het dan niet aan de definitie.
Een bewijs vanuit het ongerijmde dus.
Alvin Plantinga hanteert dit bewijs in zekere zin ook.
Je kunt alleen vanuit een begrip een bestaan in de werkelijkheid natuurlijk niet hardmaken. Is de definitie van Alselmus wel consistent?
Tegenbewijs: "X" is dat natuurlijke getal dan het welke geen groter getal denkbaar is...Onmogelijk dus. Men kan van alles uit begrippen bewijzen als de argumentatie van Anselmus geldig is. De grootst voorstelbare ramp is ook een voorbeeld. Als die ramp alleen in de geest bestaat, kun je je een grotere ramp voorstellen, nl. die ramp die in de werkelijkheid bestaat, DUS bestaat de grootst voorstelbare ramp.
2e Objectie: Hoe interpreteer/definieer je “bestaan”? Voegt werkelijk bestaan iets toe aan bestaan in de geest? Is “bestaan” een werkelijke (extra) eigenschap van iets/een object? De theoloog verdedigt dit door te zeggen dat God noodzakelijkerwijze bestaat maar dan misbruiken we wederom het begrip 'bestaan'.
Als we n.b. zeggen dat iets in de geest bestaat, bedoelen we eigenlijk dat het niet perse in werkelijkheid hoeft te bestaan, maar dat iemand er aan denkt. De verwarring is dan de act van het denken aan iets en de inhoud van die act, b.v. God waarvan je je afvraagt of die bestaat.
Er zijn boeken vol geschreven over dit ontologisch godsbewijs.

Toch bestaan a priorische bewijzen wel:
Wiskundig gezien b.v. liggen tussen 10 en 15, 2 priemgetallen en zo hebben we 2 getallen (11 en 13) aangetoond zonder een beroep op ervaring te doen. God (buiten ruimte-tijd) echter zou causaal werkzaam zijn in de wereld (de schepping) dus is niet te vergelijken met getallen (die immers ook niet in de werkelijkheid bestaan).
Je kunt dus wel op puur conceptuele gronden zaken bewijzen. Je krijgt dan alleen een specifiek merkwaardig godsbeeld met dit a priorische ontologische godsbewijs.

2. a Posteriori (empirische of ervarings) argumenten (kosmologisch en teleologisch):

Romeinen 1:20 laat zien dat we uit de schepping Gods, Zijn werk kunnen afleiden. God zou de beste verklaring zijn voor bepaalde empirische verschijnselen zoals b.v. kosmologisch (het bestaan van het universum omdat er een eerste oorzaak moet zijn) en teleologische (van telos: doel/bedoeling omdat alles met een bepaalde bedoeling geschapen lijkt te zijn) argument.

Oneindigheid zou in de tijd van Thomas van Aquino (ongeveer 1250) een onmogelijkheid zijn en dus moest er een creatio ex nihilo (de schepping, dus God) zijn. Tegenwoordig (Cantor) zijn er geen inconsistenties in de oneindigheid meer.
Toch zou, volgens de theorie van de big bang, het heelal niet oneindig zijn en is er wellicht weer ruimte voor de creatio ex nihilo. Er is immers nog geen fysische oorzaak van de big bang gevonden en dus zou er een niet-fysische oorzaak (christelijke God) moeten zijn. Alleen klopt Genesis dan niet meer, want God steekt bij de creatio ex nihilo slechts de lont/singulariteit aan.
Enkele andere problemen: Elke gebeurtenis zou een oorzaak moeten hebben, maar dit is al weerlegd in de quantummechanica. Tevens hebben begrippen ruimte en tijd “voor” de big bang geen zin. Oorzaak is slechts voorstelbaar in de tijd, dus het begrip oorzaak degenereert. God wordt bovendien verondersteld niet in de tijd te bestaan.

I.p.v. dit temporele kosmologische argument bestaat er ook een modaal (uit modale logica: mogelijkheid/noodzakelijkheid) kosmologisch argument. Het universum, of dit nu eindig in de tijd terug gaat of niet, bestaat uit een reeks contingente toestanden (er is geen noodzaak dat ze bestaan). Dit in tegenstelling tot logisch noodzakelijk bestaan. En dus zou een contingente reeks gebeurtenissen pas echt verklaard worden als er een reeks noodzakelijke oorzaken/oorzaak bestaat en dus bestaat er een noodzakelijk wezen en dus bestaat God. Waarom zou deze oorzaak (God) noodzakelijk bestaan? Wat betekent hier immers 'noodzakelijk' ?

Laatste kosmologische argument: Swinburne: Het bestaan van een eenvoudig wezen (God) is waarschijnlijker dan het bestaan van een complex wezen (eenvoudsbeginsel). God zou eenvoudiger zijn dat het complexe universum en dit is een a priori verschil. God zou het universum dan dus geschapen kunnen hebben want dit maakt het bestaan van het ingewikkelde universum eenvoudiger/waarschijnlijker.
MAAR: Wat is de betekenis van (on)waarschijnlijkheden als je geen referentiekader hebt. Je kunt de waarschijnlijkheid bepalen om harten aas uit een dek kaarten te trekken, maar we kennen maar 1 universum! Is het bestaan van iets eenvoudigs dan waarschijnlijker dan het bestaan van iets complex. Eenvoudige theorieën zijn uiteraard te prefereren boven ingewikkelde theorieën. Maar dit is een efficiëntie criterium!
God kan bovendien niet eenvoudiger zijn dan het universum. God weet immers alles. Gods geest moet dan minstens even complex zijn als de werkelijkheid en kent bovendien oneindig veel andere mogelijkheden. Een inconsistent godsbegrip dus van Swinburne.

Teleologische argumenten: Er zou doel/oogmerk in de schepping zijn. Onderverdeling is: (A) Globaal universum (als geheel) (B) Lokaal: specifieke gegevens IN dit universum.

A: Wetmatigheden/natuurwetten. Kunnen deze wetten verklaard worden? De wetten van Kepler kunnen b.v. uit de klassieke mechanica verklaard worden maar uiteindelijk houd je één ultieme theorie over (b.v. de snaartheorie) Is deze theorie dan nog verder te verklaren? Logisch/fysisch is dit dan onmogelijk en dus zou dit (volgens Swinburne) de wilsact van God zijn! Echter: orde zou a priori onwaarschijnlijker zijn dan wanorde in het universum. Maar, we hebben zoals eerder opgemerkt maar 1 universum. Kunnen we ons ook wel een wanordelijk universum voorstellen? Er zijn nl. al snel regelmatigheden als je typen entiteiten voorstelt zoals b.v. atomen.
Kan orde spontaan ontstaan? Als het wel kan is er geen God nodig. Is het universum geschapen dan stel je je een ordelijke geest van God voor en ben je geen stap verder. Als God het kan, kan het universum dit ook! En waarom 1 God en niet meerdere goden?

B: Kijk naar de biologie. Alles lijkt uitstekend (complex) ontworpen en dit is het 'argument from design'. Dit moet dan een intelligente maker zijn. Sinds Darwin weten we natuurlijk beter en hier zal een heel college aan gewijd worden. Maarten 't Hart schreef er al eerder over. Hoe efficiënt is de schepping nl. werkelijk?
Theologen grijpen nu het 'argument from finetuning' aan om ons bestaan te verklaren. De waarden van natuurconstanten ligt in héél kleine intervallen en moet dus afgesteld zijn. ook dit roept uiteraard de nodige vragen op. Het is b.v. heel onwaarschijnlijk dat als er een miljoen loten in een loterij is je precies lot 20 trekt, maar je moet allemaal 1 lot trekken en trekt u lot 20 is dit niet erg merkwaardig.

Rationele theologie vervalt zo tot een degenererend research programma en houdt steeds minder in.


3. De vlucht in het irrationele

Modern verschijnsel van na de wetenschappelijke revolutie. Vóór deze revolutie geloofden de meeste filosofen in de rationele godsbewijzen en argumenten. Hume en Kant (en zijdelings uiteraard Darwin) waren de eersten die met serieuze objecties kwamen.

Ook verantwoordelijk voor de visie dat de rede (zoals Paulus betoogde) niet geschikt zou zijn om het godsbestaan te kunnen beargumenteren was Pascal met zijn beroemde weddenschap van Pascal (1623-1662) . "Het hart heeft redenen die de Rede niet kent" was een uitspraak van hem waarop de weddenschap was gebaseerd. Volgens Pascal was de mens zonder God diep ongelukkig en hij bedacht dat je een keuze kon maken tussen de christelijke levensweg of de niet-christelijke levensweg. Die eerste keuze zou je dan oneindig veel geluk opleveren met misschien wat kleine ongemakken in dit leven, zoals naar kerk moeten gaan.
Kritieken hierop zijn eveneens in de link te lezen, want natuurlijk zet je met deze gok je intellectuele integriteit op het spel en je vooronderstelt al een specifiek godsbegrip. Deze god beloont je nl. als je slechts uit eigen belang en blinde gehoorzaamheid in deze god gaat geloven. Je negeert bovendien al die andere godsdiensten en waarom beloont een god niet juist mensen die eerlijk rationeel naar de waarheid op zoek zijn? Kun je vervolgens werkelijk beslissen/besluiten ergens van overtuigd te zijn? Allemaal objecties tegen deze irrationele keuze.

Kierkegaard (1813-1855 /decisionisme) zegt: "Zoeken naar de objectieve waarheid voor een christen is iets dat deze niet moet doen" Het is een relatie met God van totaal engagement. Dit is dan ook niet verenigbaar met enige scepsis. Het is kiezen zonder verdere redenen voor deze God zoals je (volgens Kierkegaard) ook voor morele waarden kunt kiezen.
Alleen vooronderstelt een dergelijke blinde keuze voor god al weer een bepaald godsbegrip, nl. dat je blind moet kiezen voor deze God. Ook dit is daarom een irrationele keuze.

Vanaf Wittgenstein (1889-1951): Wat zijn b.v. getallen? Zijn het Platoonse objecten buiten ruimte en tijd of mentale constructen? Lastige vraag. Ze bestaan immers, maar het zijn geen empirische uitspraken. Het is taal zoals je ook kunt zeggen: "Er is geen grootste priemgetal". De uitspraken krijgen heel andere functies.
DZ Phillips past deze laatste (contemplatieve) filosofie toe. Je moet de grammatica van het woordje “god” descriptief analyseren. Je past dit toe in de serie van praktijken zoals bidden. “God bestaat” is dus een andere stelling dan “Neptunus bestaat”.
Het is eveneens een religieus taalspel en wat voor godsconcept volgt hieruit? Is God net zoiets als een getal? Maar hoe moet je dit zien bij een scheppende God die invloed op de wereld uitoefent zoals de meeste christenen deze god zien? Dan faalt dit argument natuurlijk ook.

Conclusie Philipse: De weg van de openbaring en de weg van het wonder hebben niet tot goede argumenten geleid om je aan te sluiten bij een religieuze traditie.
De traditionele rationele theologie geeft ook geen erge goede argumenten om dat te doen en de weg naar het irrationele is geen uitweg maar leidt slechts tot irrationaliteit. Er blijven zo weinig zinvolle opties over.
Je zou de rationele theologie op hoger niveau kunnen gaan beoefenen zodat die wel gaat overtuigen. Swinburne probeert dit. Andere optie is om je geloof op te geven.

Ook dit is de conclusie van Maarten 't Hart:

Het blijft iets ongelooflijks dat je gedurende al die jaren van je jeugd dag in, dag uit met zulke onbedaarlijke apekool geteisterd mag worden. Terwijl het van de eerste tot en met de laatste lettergreep een kolossale leugen en verpletterend bedrog is. Toch wordt er geen enkele belemmering opgeworpen om er je hele jeugd mee te vergiftigen. Er wordt juist net gedaan alsof alle moraal, alle beschaving rechtstreeks uit deze levensovertuiging voortvloeit. En dat terwijl deze fanatiekste en onverdraagzaamste van alle godsdiensten een vreselijke geschiedenis achter de rug heeft.

Toch gaat dit college er meer open minded en onbevooroordeeld mee om en geeft Philipse filosofen als Richard Swinburne een kans.
Reality is that which, when you stop believing in it, doesn't go away.
Philip K. Dick

Gebruikersavatar
dikkemick
Ontoombaar
Berichten: 11314
Lid geworden op: 07 mar 2013 18:36

CD 5 Natuurlijke theologie

Bericht door dikkemick » 29 jul 2017 11:16

Natuurlijke theologie (vervolg)

1. De Bayesiaanse benadering van Richard Swinburne

Irrationele strategieën (CD 4) bleken niet te werken. De rationele theologie van Richard Swinburne zou dan misschien uitkomst moeten gaan geven. Dit komt aan bod, maar ook religieuze ervaring (van o.a. de stichters van een geloof) zal besproken worden in dit 5e college.

De gelovige die argumenten wil aanvoeren voor het geloof is inmiddels in een dilemma beland. Gaat deze gelovige wetenschappelijke methoden volgen of alternatieve intellectuele methoden? In de vroege geschiedenis hadden we te maken met zieners, profeten, magie, vertrouwen op openbaringen en later pas het kritisch wetenschappelijk onderzoek. Bidden en voorspellen zou een religieuze methode zijn maar deze hebben het inmiddels ruimschoots verloren van die laatste intellectueel respectabele (empirische) methode die wetenschap heet.
Swinburne hanteert die laatste methode en maakt gebruik van de Bayesiaane waarschijnlijkheidstheorie. Hoe waarschijnlijk is het dat een god of goden bestaat/bestaan? Dit moet dan, wil de uitkomst succesvol zijn, meer dan een 0,5 zijn! En zo berekent Swinburne bijvoorbeeld dat alle bewijsmateriaal in overweging genomen, de waarschijnlijkheid dat het ‘super-wonder’ van de opstanding werkelijk heeft plaatsgevonden ongeveer 0.97 moet zijn (The Resurrection of God Incarnate, p. 214). Ook verdedigt hij hierin de traditionele katholieke visie dat ongedoopte baby’s niet naar het paradijs kunnen gaan. Dit is, aldus Swinburne, niet in strijd met Gods goedheid omdat: ‘baby’s net zomin als goudvissen een karakter hebben gevormd waardoor ze van de hemel kunnen genieten’ (Faith and Reason, p. 170).


Wat wil Swinburne aantonen?
“God bestaat” moet je theorie noemen en hij noemt dit 'bare-theism' ofwel kaal-theïsme, volgens welke er noodzakelijkerwijze een geest zonder lichaam bestaat, die noodzakelijkerwijze eeuwig, volmaakt vrij, almachtig, alwetend, algoed, en schepper van alles is’, een wezen waaraan we de naam ‘God’ geven en welke een consistente theorie kan zijn.
Wat betekent echter noodzakelijkerwijs en welke vaag analoge betekenis heeft “persoon” hier?

De theoloog wil God bovendien als primitief begrip invoeren omdat hij anders die God moet gaan verklaren, zoals b.v. het universum verklaard moet worden. Swinburne bedoelt nu dat God als bruut feit bestaat en dat zijn bestaan van niets afhankelijk is. Het kan dus niet verklaard worden.
Een theorie moet uiteraard wel consistent zijn, Swinburne weet dit en beweert dat dan ook. Maar volgens Philipse toont hij het alleen niet op de juiste wijze aan. God heeft zijn eigenschappen noodzakelijkerwijze. God kan echter geen zelfmoord plegen want hij bestaat eeuwig en God kan niet dementeren of zijn goedheid verliezen.
“Persoon” is dan doorgaans geënt op mensen, dus dat geeft 'persoon' een heel andere betekenis. Swinburne maakt er dan ook graag een analogie van!
Maar ook dit geeft een probleem: Je weet niet meer waar je het exact over hebt. Een consistentie probleem dus. Toch meent Swinburne dat hij een goed P(robability)-inductief argument heeft door 11 C(onfirmatie)-inductieve argumenten (het kosmologische, teleologische (temporele orde, fine tuning), bewustzijn, moreel besef, keuzevrijheid en lichamelijkheid, het kwaad, gods verborgenheid, wonderen en de religieuze ervaring) aan te dragen.

2. Ongedetermineerdheid en het eenvoudsbeginsel

Waarom hechten wij geloof aan b.v. algemene relativiteit of de evolutietheorie? Dat doen wij op grond van waarschijnlijkheids argumentaties welke gebaseerd zijn op bewijzen. Hier komt volgens Swinburne de regel van Bayes om de hoek kijken. Wetenschapsmensen zullen dit echter nooit toepassen (het is te eenvoudig), behalve in de medische statistiek zal er dankbaar gebruik van worden gemaakt. Er zitten nl. veel haken en ogen aan. Welke factoren stop je er wel/niet in?
Swinburne wil niet alle argumenten (van Paulus tot Wittgenstein) los van elkaar zien en maakt, zoals we zagen, onderscheid tussen C(onfirmatie)-inductieve argumenten die de hypothese een klein beetje waarschijnlijker maken waarbij dan een reeks van deze argumenten een P(robability)-inductief argument geeft.
De 11 argumenten zijn volgens Swinburne goede C-inductieve argumenten en hij telt ze op en concludeert dat de waarschijnlijkheid dan groter dan een 0,5 is. DISconfirmerende argumenten, zoals b.v. 'het kwaad', moeten natuurlijk ook meegenomen worden. Ingewikkeld dus en wetenschappelijk gezien niet helemaal verantwoord.

Eén fataal probleem wordt nu geconstateerd: Het probleem van ondergedetermineerdheid. Dit wordt uitgelegd aan de hand van het 'curve fitting' probleem.
Je kunt een curve trekken door 10 meetpunten maar ook door 1000 meetpunten. Een oneindig aantal curves dus. Daarom is de data eigenlijk altijd ondergedetermineerd. Voor de wetenschapper niet erg, maar voor de theoloog is dit een probleem. Theologie lijkt namelijk niet op empirische wetenschap omdat er geen onderzoeksprogramma is om het bestaan van God bevestigd te krijgen.
En op deze wijze kun je uiteraard wel oneindig veel hypothesen verzinnen: Eén almachtige God heeft de wereld geschapen (monotheïst) of vele goden hebben dit gedaan (polytheïst). Het kan een goede god zijn, maar ook een slechte god. Hoe elimineert Swinburne al die andere hypothesen? Hij meent dat hij de 'prior probability' hoger kan inzetten voor het monotheïsme (subjectief Bayesianisme) maar het spel zou dan verloren zijn. God zou immers een geest zonder lichaam zijn, maar onze achtergrondkennis is hier niet mee bekend en dus is dit wel heel onwaarschijnlijk en het zou a priori al uitgeschakeld moeten worden.
Ook vindt Swinburne zijn theorie eenvoudiger dan andere theorieën. Maar hoe leg je uit dat een goede God eenvoudiger is dan een slechte God? Daarbij komt dat eenvoud niets zegt over hoe de werkelijkheid in elkaar zit. En is God wel eenvoudiger dan het universum? Dat is een aanname van Swinburne.
Zo kun je dus oneindig veel hypothesen opstellen en toon dan maar aan dat al die andere hypothesen onwaarschijnlijker zijn! Dit is één van de fatale (27) objecties van Philipse tegen de theologie van Richard Swinburne. Zie ook “God in the Age of Science? A Critique of Religious Reason” uit 2012 van Philipse.

Conclusie: Als we geen numerieke waarden kunnen toekennen aan de waarschijnlijkheden, kunnen we niet bepalen of een optelling van een reeks C-inducties leidt tot een P-inductie.

3. De sleutelrol van religieuze ervaring

Religieuze ervaring speelt bij Swinburne ook een cruciale rol. Hij probeert hiermee graag de bewijslast om te keren! Er komen natuurlijk onwaarschijnlijke gebeurtenissen voor die mensen kunnen ervaren zoals een heel toevallige ontmoeting en deze ervaringen zou je dus serieus moeten nemen. Natuurlijk heb je dan reden om die mensen te kunnen vertrouwen (tenzij je hele goede reden hebt dit niet te doen!) als ze menen een (gods)ervaring te hebben gehad.
Echter: Er zijn verschillende soorten religieuze ervaringen van verschillende, elkaar tegensprekende goden en godsdiensten en als je positieve godservaringen serieus moet nemen, moet je het ontbreken van deze ervaringen (ervaring van afwezigheid dus) ook serieus nemen.
Een alomtegenwoordige god zou dan bovendien niet te missen moeten zijn, maar Swinburne maakt dan onderscheid tussen publieke en persoonlijke ervaringen. God zou zich wel kunnen openbaren aan de ene mens, maar niet aan de andere.
Objectie tegen dit argument: Waarom maakt God deze keuzen? Het is immers een algoede Vader! God zou zich, aldus Swinburne in de verdediging, verborgen willen houden zodat de mens vrij kan kiezen tussen goed en kwaad. Zou God zich evident onthullen dan is de keuzevrijheid ons ontnomen. Objectie hiertegen is: Als dit zo belangrijk was waarom heeft Hij zich dan überhaupt geopenbaard aan die gelovigen? Die zouden dan gedupeerd zijn omdat ze de keuze tussen goed en kwaad ontnomen is! Dit soort gesprekken is dan eindeloos te vervolgen.

Theïsme wordt zo wederom een degenererend onderzoeksprogramma.
Verder zijn er religieuze ervaringen gedaan bij psychiatrische patiënten, patiënten met schizofrenie of bepaalde vormen van epilepsie. Ook moet je als monotheïst van mening zijn (en kunnen beargumenteren) dat de ervaringen van b.v. de polytheïst onbetrouwbaar zijn.
En dan nog één catastrofaal probleem: De radicale transcendentie (ons kenvermogen te boven gaand) van de christelijke God.
Deze zou zonder lichaam bestaan en is dus niet zintuiglijk waarneembaar (stem/visioen). Blijft over, de indirecte ervaring, zoals rook een indicatie van vuur kan zijn. Maar het is dus geen echte ervaring.
Reality is that which, when you stop believing in it, doesn't go away.
Philip K. Dick

Gebruikersavatar
dikkemick
Ontoombaar
Berichten: 11314
Lid geworden op: 07 mar 2013 18:36

CD 6 Religie en evolutie. Het debat over ID

Bericht door dikkemick » 29 jul 2017 12:04

Het debat over ID

1. De voorgeschiedenis. Van Plato tot Hume tot Darwin

Debat begon al bij Plato (400 v Chr.) o.a. aan de hand van ordelijke banen van planeten/sterren en het voorbeeld van het ingewikkelde oog. Dit heette vroeger het fysico-teleologisch godsbewijs en dit heeft de afgelopen 25 jaar een wederopstanding meegemaakt.
David Hume (1779: Dialogues Concerning Natural Religion) had bijna korte metten met dit godsbewijs gemaakt maar Darwins “on the origin” van 1859 was zo goed als de echte doodslag.

Er is in deze tijd een opleving van het 'argument from design'. Lees b.v. “God and design: the teleological argument and modern science” van Neil A. Manson. Grondgedachte is het voorbeeld van een horloge dat op een strand gevonden wordt. Dit moet door mensen, een intelligente maker dus, gemaakt zijn en zo wordt een analogie gemaakt naar b.v. de dierenwereld. Dieren zijn complex en functioneel en bovendien ingewikkelder dan een horloge. De maker dus moet vele malen intelligenter zijn dan dieren/mensen.
Twee versies bestaan er van dit 'argument from design': Lokale (alle bestaande biologische soorten die geschapen moeten zijn) en globale (georganiseerde kosmos in totaliteit met haar natuurwetten) versies.
Hume vond de analogie zwak, maar dit is eigenlijk niet zo. Zelfs in de evolutietheorie wordt nl. gesproken van (blinde) selectie door de natuur, wat in wezen een analogie-redenering is met b.v. het (doelgericht) selecteren van paarden. Echter, de verklarende waarde voor de data die onderzocht wordt, in dit geval het ontstaan der soorten, door een intelligente schepper is lager dan een alternatieve theorie zoals de evolutietheorie. Kijk naar de beste hypothese die de data (ontstaan soorten) verklaart.

Onze (analogie)-ervaring veronderstelt, volgens Hume al, daarenboven meerdere makers bij complexe systemen, dus meerdere goden bij complexe schepsels. En waarvan maakte God de mens? Normaal gesproken hebben we al materiaal als we iets scheppen/maken. We kennen bovendien geen onlichamelijke scheppers en als God goed is, hoe verklaar je de onsmakelijke 'kwaadaardige' parasieten? We hebben als laatste geen inductieve kennis tussen relatie schepper en product zoals we dat tussen mensen en horloges wel hebben. Aldus Hume.
Hume bracht echter geen alternatieve verklaring naar voren voor het bestaan van de complexe adaptieve mensen en dieren. Darwin is uiteraard veel sterker omdat die een alternatieve verklaring voorstelt.

2. De recente wederopstanding van het fysico teleologische argument.

a. De theorie van Darwin: Wordt nu aangevallen om de ontwerphypothese weer aannemelijker te maken. Dat zou kunnen betekenen dat de hypothese van Darwin niet zo sterk is uiteraard. De evolutietheorie beweert dat leven ontstaan/ontwikkeld zou zijn door toevalsprocessen en natuurlijke selectie en dit is, aldus ID-aanhangers, TE onwaarschijnlijk, tenzij er een oneindige tijd beschikbaar zou zijn. Wat vanaf de 20ste eeuw bekend is geworden, is de big bang theorie en deze geeft een leeftijd van het heelal van 13,7 miljard jaar en dit is dan een eindige tijd, zodat er geen oneindige periode beschikbaar was voor dit toeval en deze selectie. Het ontstaan van leven en aangepaste complexiteit heeft ongeveer 4 miljard tijd ter beschikking. Mocht de theorie van Darwin het echter slecht doen, is het logisch terug te keren naar de oorspronkelijke gedachte.

b. Finetuning-argument: De sterke kracht, de Hubble constante etc zijn natuurconstanten met een zeer beperkte bandbreedte. Ook het ontstaan/bestaan van b.v. koolstof is van hele kleine marges afhankelijk.

Noot 1: Wat zou het doel van het ontwerp zijn? Als je kiest voor intelligent leven (als doel) i.p.v. het ontwerpen van zwarte gaten, heb je veel natuurconstanten nodig met heel exacte waarden. Het zwakke (logisch triviaal) antropische beginsel zegt dat wij als menselijke waarnemer kunnen verwachten dat wij precies die natuurconstanten kunnen constateren die nodig waren om uiteindelijk menselijke waarnemers te kunnen produceren. Het feit dat wij bestaan bewijst al dat de wereld zo in elkaar moet zitten dat wij konden ontstaan.
Het sterk antropische beginsel zegt dat de natuurconstanten zo zijn afgesteld OMDAT het intelligente leven zou moeten ontstaan. Dit zou het ontwerp argument zijn.

Noot 2: Hoe waarschijnlijk is het dat leven ontstaat in het heelal. Zie o.a: De vergelijking van Drake. De empirische gegevens, dat er planeten bij sterren bestaan, nemen nog iedere dag toe.
ID-ers echter betogen dat leven elders in de kosmos veel onwaarschijnlijker is dan we dachten. Het boek: “The priviliged planet” van Guillermo González en Jay Wesley Richards betoogt dat de aarde wat dat betreft uniek zou zijn. Ook de levende cel zelf is wat minimale complexiteit betreft al ongelooflijk complex en dus extreem onwaarschijnlijk dat het op aarde ontstaat. Leven is dan, aldus ID, onreduceerbaar complex. Kortom: Alles is extreem onwaarschijnlijk en dus moeten we grijpen naar de scheppingshypothese (ID). Micro-evolutie wordt deels geaccepteerd, ontstaan van soorten niet.

Noot 3: Wiskundige informatietheorie (bits) wordt ook ten tonele gevoerd: Informatie kan complexiteit (code of boodschap) uitdrukken maar ook of deze 'informatie' 'at random' (bij toeval) (specificiteit) zou kunnen ontstaan/aanwezig is. Dit laatste zou niet het geval moeten zijn wil je echt van informatie kunnen spreken in deze context.
Eéncellige diertjes hebben inderdaad een hoge complexiteit en hoge specificiteit en dus is het heel onwaarschijnlijk dat dit door een natuurlijk proces zou ontstaan. Ontwerp is dan voor de hand liggend. In het volgende blokje wordt uitgelegd waarom ook dit argument m.b.t. de informatietheorie niet correct is.

3. De nieuwe kleren van de keizer:

We gaan er voor de discussie vanuit dat de ontwerptheorie (ID) wetenschappelijk van aard is. Ze geeft hypothesen en deze moet je uiteraard vergelijken met elkaar en niet op voorhand uitsluiten. Je zou anders een bevooroordeelde visie m.b.t. natuurwetenschap kunnen hebben.

Georganiseerde complexiteit verklaren m.b.v. een georganiseerde complexiteit (de christelijke God) is toch geen juiste oplossing. Deze God vertoont nl. ook georganiseerde complexiteit en het probleem wordt onoplosbaar omdat we van deze God niets weten. Darwin geeft nu juist een puur natuurlijk proces en laat complexe toestanden uit minder complexe toestanden ontstaan.
Verder is het opletten met begrippen in teksten zoals de begrippen onverklaard en onverklaarbaar. Cees Dekker en Rene van Woudenberg willen deze twee begrippen nog wel door elkaar husselen. Je moet alle mogelijke logische verklaringen doorlopen hebben wil je kunnen zeggen dat iets onverklaarbaar is. Het oog (adaptatie) en de vleugel (exaptatie*) zijn ontstaan door hele kleine (voordelige) variaties. ID-ers vinden dit ontstaan onverklaarbaar omdat het oog/vleugel te complex is en alle onderdelen met elkaar moeten samenwerken. O.a. computersimulaties laten zien dat uit gevoelige stukjes huid (voor licht), een oog kan ontstaan uit 400.000 generaties. Lijkt veel, maar gezien de leeftijd van de aarde meer dan acceptabel. Het oog is bovendien meerdere malen, in andere vormen, in de evolutie ontstaan. Het oog en de vleugel zijn dus zeker niet onverklaarbaar!

* Een kenmerk dat een andere rol vervult dan waarvoor het oorspronkelijk door natuurlijke selectie werd gemaakt. De term is in 1982 geïntroduceerd door Stephen Jay Gould en Elisabeth Vrba.
Voorbeeld: Veren zijn oorspronkelijk ontstaan als isolatie, als adaptatie om het dier te beschermen tegen zonnehitte en uitdroging. Later zijn veren een belangrijke rol gaan spelen bij het vliegen: als exaptatie voor het vliegen.

Een consistentieprobleem is nu: Een almachtige God zou de natuurconstanten hebben ge-finetuned voor het menselijk leven, maar hoe kan het dan dat alleen op aarde menselijk leven ontstaan is? Nogal oneconomisch van een schepper! Al die miljarden overbodige planeten die om al die overbodige sterren cirkelen.

Verder is er voortdurend sprake geweest van gatentheologie en deze kan nog steeds toenemen omdat onze kennis groeit. In de middeleeuwen dacht men nl. dat men bijna alles al wist. Er volgen tegenwoordig steeds meer onderzoeksvragen en de kansen voor gatentheologie nemen dus toe! Echter: de gaten zijn niet onverklaarbaar, maar nog onverklaard.
Rene van Woudenberg noemt dit geen gatentheologie omdat de ID-ers niet van theologie willen spreken. De “wie” van het design wordt niet genoemd en soms wordt er dan gesproken van design zonder designer....
Ook hier weer een degenererend/steeds leger wordend onderzoeksprogramma.
Over een almachtige god wordt dus al niet meer gespeculeerd door de ID-ers. E.e.a. zou slechts 'intelligentie' zijn. De discussie m.b.t. de aard van de ontwerper is dan wel een andere discussie volgens Cees Dekker en dit ligt volgens hem buiten de natuurwetenschap. Bovendien sluit Dekker op voorhand een oneindig heelal al uit (zou absurd zijn) maar accepteert daarentegen wel een oneindige god. Inconsistent dus volgens Philipse.

Ronald Meester (verdedigt ID) vervolgens vindt dat we het woord 'ontwerp' zelfs moeten gaan schrappen omdat we niet over een ontwerper spreken. De term die Meester gebruikt is 'informatie' en 'informatie-overdracht' zoals bij cellen die splitsen en gekopieerd worden. Maar dit berust op verkeerd gebruik van de term informatie. Dit woord is nl. zoals we eerder zagen dubbelzinnig: Informatietheorie wil nl. ook zeggen dat een boom informatie bevat in de ringen (geordende complexiteit), maar in de alledaagse betekenis is informatie iets dat we weten (Weet de stationschef … heeft hij informatie/kennis...hoeveel de trein vertraagd is). Een boom weet uiteraard niets. Informatie is zo de bananenschil van de ID-beweging.

Conclusie: Er is geen interessante hypothese geformuleerd en de inhoud van de oorspronkelijke hypothese (scheppingstheorie) wordt steeds verder verkleind. Zowel 'intelligent' als 'design' worden uit de term Intelligent design geschrapt!
Reality is that which, when you stop believing in it, doesn't go away.
Philip K. Dick

Gebruikersavatar
dikkemick
Ontoombaar
Berichten: 11314
Lid geworden op: 07 mar 2013 18:36

CD 7 De fundering van de moraal. Religie of wetenschap.

Bericht door dikkemick » 29 jul 2017 13:40

De fundering van de moraal: religie of wetenschap


1. Klassieke funderingspogingen. Een overzicht:

Probleemstelling: Gaat het bij de moraal en onze gewetenfunctie bij die moraal primair om de stem van een god (of goden) in ons of gaat het over 'our inner ape' zoals betoogd door bioloog Frans de Waal.
In Homerische godsdiensten, of zoals bij de Nevajo indianen, zal er voor de moraal geen beroep worden gedaan op hun goden omdat die even onbetrouwbaar zijn als de mens zelf. Het lijkt een typisch monotheïstische functie en Dostojevski zegt hier zelfs over: “Als God niet bestaat is alles geoorloofd”. De waarheidsvraag is voor Dostojevski niet echt interessant, maar hij vraagt zich dan af hoe het met de moraal zit.

Begripsmatige onderscheidingen moeten eerst gemaakt worden:
Je hebt onderscheid in de vraag naar de waarheid (interessante vraag), maar ook de vraag naar het nut of de schadelijkheid (minder interessant voor Philipse) van godsdiensten. Als voorbeeld noemt hij de God van het oude testament. Stel dat deze jaloerse God bestaat en dat dit dus waar is, is dit tevens zeer ongewenst. Dit als voorbeeld van mogelijke waarheid met slechte consequenties. En zo zullen er ook illusies zijn met goede consequenties. De atributietheorie is een uitleg voor deze stelling. Waarheid en nut zijn 2 verschillende vragen. Godsdienst kan onwaar zijn maar wel nut hebben.

Een ander onderscheid is: Verklaren en rechtvaardigen van moreel gedrag en dit kan ook godsdienstig en evolutietheoretisch behandeld worden. Een traditioneel christelijk godsdienstig verklaringsprobleem is b.v. het kwaad en als voorbeeld van het rechtvaardigingsprobleem: Kunnen we ons op Gods wil beroepen om onze moraal te rechtvaardigen of niet?
Ook de evolutietheorie kan dus gebruikt worden om moreel gedrag te verklaren. Het is echter ook gebruikt (en vooral misbruikt) om morele visies te rechtvaardigen (sociaal darwinisme b.v).

Klassieke filosofische pogingen om morele normen te rechtvaardigen wordt nu in dit eerste blokje kort behandeld.
In het 2e blokje ontwikkelt Philipse een eigen theorie m.b.t. rechtvaardiging van morele normen (verklaringen en rechtvaardigingen) en in het 3e blokje komen morele uitdagingen voor de 21e eeuw aan bod.

Vooraf: Stel je wilt rechtvaardigen dat abortus bij de wet verboden moet worden (normatief standpunt), dan zegt de logicus dat je dat kunt doen met feitelijke argumenten, maar je zult op z'n minst 1 normatieve premisse moeten hanteren (abortus zou b.v. slecht zijn). Verbieden bij de wet blijkt dan de minst gunstige/effectieve optie te zijn (illegale abortussen tot gevolg), voorlichting/voorbehoedsmiddelen uitdelen werkt vele malen beter om abortus tegen te gaan.
Filosofen zochten dan ook naar morele beginselen die niet verder afgeleid zouden kunnen worden maar die voor iedereen duidelijk zouden zijn. Deze zoektocht is op een dramatische mislukking uitgelopen. Dit wordt later uitgelegd.

1 poging is de godsgebod-theorie. Plato was de eerste die hier objecties tegen had. Waarom zou ik aan zo'n God moeten gehoorzamen? Stel je moet er aan gehoorzamen omdat die God goed is dan heb je al normen in je mars aan de hand waaraan je deze norm (goed) al kunt beoordelen.
Gehoorzaam je omdat Hij almachtig is en ons gaat kwellen als je niet gehoorzaamt, geef je een enorm immoreel antwoord (God als dictator). Dit is het zogenaamde Eutifro dilemma
Zo kun je op de paus een beroep doen om geen voorbehoedsmiddelen te gebruiken, maar hoe kun je de morele autoriteit van de paus valideren? Ofwel moet je zelf al normen hebben om dit te doen, maar dan heeft het geen zin om je op hem te beroepen, ofwel onderwerp je je aan de macht van die paus, maar dan diskwalificeer je jezelf als een volwassen morele gesprekspartner.

Immanuel Kant maakte dan ook een onderscheidt tussen heteronome (bovennatuurlijke of natuurlijke bronnen) en autonome rechtvaardiging (de wet aan je eigen wilsbesluit ontlenen) van de moraal en hij kiest voor een autonome rechtvaardiging van de moraal. We kunnen (aldus Kant) onze moraal slechts op onze vrije wil baseren, maar die vrije wil is niet altijd goed. We moeten een intellectueel mechanisme verzinnen waarbij we kunnen bepalen wanneer onze eigen vrije wil goed of niet goed is. Volgens Kant leggen we onszelf een morele wet op die we dus kiezen, alleen is de interessante vraag: Wanneer is een wet moreel? Dit leidt tot diverse filosofische problemen. Zie de categorische imperatief.

Deze rationele restrictie van Kant werd later (o.a. door Nietzsche) overboord gegooid. Volgens Nietzsche berust alle moraal op machtswil en later besluiten filosofen in de 20e eeuw dat moraal een persoonlijke keuze is. Dit wordt het decisionisme genoemd. Moraal zou dus niet te funderen zijn. Normen hangen nl. af van persoonlijke beslissingen maar dit zou uiteraard een absurde conclusie zijn. Wat er mis mee is wordt in het volgende blokje uitgelegd.

2. Het ABC model van verklaren en rechtvaardigen:

Idee van Philipse zelf en heeft betrekking op de rechtvaardiging van morele visies. De traditionele filosofen hanteerden wat betreft fundering van de moraal een absolutistisch rechtvaardigingsmodel (axioma's die evident zouden zijn), maar in de ethiek werkt dit helaas niet.
Met vrije keuzen zijn er nl. 2 problemen: Het is geen rechtvaardiging en we hebben geen vrije keuze over onze fundamentele morele opvattingen. Je kunt b.v. de stelling “Gij zult niet doden” ethisch gaan verwerpen. Ook kan niemand kiezen om geen enkele sympathie voor je medemens op te brengen.

We gaan bij morele kwesties vaak uit van consensus over de meest fundamentele morele regels (Gij zult niet doden). Discussies gaan dan vaak over 2 typen problemen. De fundamentele morele regels kunnen botsen (de affaire m.b.t. karikaturen van Mohammed) en hoe ver kun je een norm toepassen (zoals bij het abortus probleem: Vrijheids-behoeften vrouwen/mannen versus recht van ongeboren vrucht)? Wanneer is een foetus een mens, wanneer niet?
Normconflicten en grensgevallen dus.
Bij morele discussies zou je eerst naar consensus moeten zoeken en van daaruit kijken naar feitelijke kwesties om ze te verfijnen (die normen). Rechtvaardiging voor morele opvattingen is dan alleen maar mogelijk als er al consensus m.b.t. bepaalde fundamentele normen is. Hoe kunnen we die consensus over fundamentele morele normen verklaren?

Uitleg antropologie: Er zijn universeel menselijke universalia (A) in de ethiek (Normen die je in alle culturen aantreft) en er zijn cultureel variabele normen (B).
Wat betreft (A) kun je b.v. bij Frans de Waal te raden gaan en naar de evolutie van de menselijke soort kijken. Hersenscans laten b.v. zien dat eer oude hersenlagen geactiveerd worden bij moreel besef. Blijkbaar ligt sympathie voor soortgenoten verankerd in dit brein. En dit vinden we ook bij verwante soorten zoals chimpansee en bonobo.

Wat (B) betreft hebben we met culturele tradities te maken. Dit is interactie van menselijke groepen met hun natuurlijke omgeving. Dit kan per groep erg verschillend zijn. Wat wij als immoreel zien, ziet de Eskimo misschien als moreel verantwoord. Gewoonte was om niet-produktieve oude van dagen op een bootje de ijszee op te duwen omdat de voedselvoorraad beperkt was. Vinden wij zeer immoreel.
Normatieve culturele tradities worden dan zeer vroeg op kinderen overgedragen en een latere vrije keuze zal moeilijk te maken zijn. Zelfs in culturele tradities kan dan ook wel een soort blinde selectie plaatsvinden: (communisme b.v. is in Rusland inmiddels uitgestorven omdat andere culturen het beter deden). Economen en filosofen (Russell) hadden dit al voorspeld!
Op het hoogste niveau (C) vinden de bewuste morele discussies plaats zoals de vrijheid van godsdienst/meningsuiting. Als je wilt omgaan met dit soort meningsverschillen, zoek dan naar overeenkomsten op niveau (B). Bewust moreel argumenteren is een heel oppervlakkig laagje in ons morele bewustzijn. Er blijft m.a.w. niet veel over om van gedachten te wisselen omdat (A) evolutionair gezien dit al vastligt en (B) cultureel gezien dit voor een groot deel ook 'vastligt'.
Een uitdaging dus, niet de stem van God. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat religie geen functie kan hebben voor wat betreft moreel bewustzijn.

De diepste grond menselijke moraal is dus niet de stem van God (latere uitvinding door grotere groepen/verstedelijking), maar dit zit veel dieper in de mens.


3. Morele uitdagingen voor de 21e eeuw.

Morele overeenstemming tussen de verschillende culturen wordt essentieel. De mens in de 21e eeuw is door de mondialisering zoals migratiestromen, televisie, internet in een heel andere situatie terecht gekomen dan hiervoor. Ook is het aantal mensen onlangs van 3 naar 6 miljard verdubbeld. Daarbij is er uiteraard ook een schaarste van hulpbronnen.
Mondiaal moet dit dus aangepakt worden en daar is de mens nog lang niet voor geëquipeerd! We leven weliswaar in groepen, maar die groepen zijn nog nooit zo groot geweest.

3 problemen:

Migratieprobleem: Hoe kunnen we in multiculturele samenlevingen de contingente morele consensus handhaven of tot stand brengen om de verschillen zo geweldloos op te lossen? Morele eensgezindheid bleek dus niet te rechtvaardigen.
Dit moet dan dus zo vroeg mogelijk al in de kindertijd al aangeleerd worden middels de opvoeding. Een probleem. Denk alleen maar aan religieuze scholen/groeperingen in Nederland. Dit is elfs vastgelegd in de grondwet!
Een kind zou in de ideale situatie echter gedurende de lagere schooltijd volledig gevrijwaard moeten zijn van religieuze druk. Vrije gewetenvorming is nl. essentieel om morele consensus te kunnen bereiken. Het Franse model (strikte scheiding kerk en staat) is een stap in de goede richting. Nederland is wat dat betreft hier zwakker in. Ook in de USA is er geen recht op (staats)financiering voor religieuze scholen.

Wereldniveau (tussen landen): De demografie van religie m.b.t. tot de secularisering toont aan dat de wereld religieuzer wordt. Juist in de niet-westerse landen wordt het merendeel religieus opgevoed (inclusief een toename van de bevolking hier!) en zo wordt de wereld steeds religieuzer. Het zou zeer belangrijk zijn om naar morele consensus te zoeken, zelfs bij landen die soms diametraal tegenover elkaar staan, zoals de USA versus Iran.
Zoek eerst overeenstemming en zet je zelf niet als superieur weg. Je kunt een ander uiteraard cultureel niet minachten. Toch geeft dit geen garanties uiteraard. De USA wil nog wel eens uitstralen dat ze veruit superieur zijn. Een mens die zich cultureel geminacht voelt zal dan niet snel meewerken.

Hoe gaan (ten derde) we de geest van de verlichting en tolerantie, die in het westen zeer langzaam is ontstaan, over de wereld dan vervolgens verbreiden?
Reality is that which, when you stop believing in it, doesn't go away.
Philip K. Dick

Gebruikersavatar
dikkemick
Ontoombaar
Berichten: 11314
Lid geworden op: 07 mar 2013 18:36

CD 8 De wetenschappelijke verklaring van godsdienst

Bericht door dikkemick » 29 jul 2017 21:49

De wetenschappelijke verklaring van godsdienst


1. De veelsoortigheid van verklaringen:

Probleemstelling/inleiding: In 1975 werden er in Nederland treinen gekaapt door Molukkers en psychologen zouden al snel onderzoek gaan doen naar de effecten hiervan op de gegijzelden. Zij zouden qua mening opgeschoven zijn in de richting van de Molukkers maar hadden hier niet werkelijk goede argumenten voor. Psychologen meenden dat de slachtoffers de angstgevoelens wilden verkleinen door zich te gaan identificeren met de daders. Begrijpelijk dus.

Zo ook met godsdienstige opvattingen. Tot nu toe heeft geen van de strategieën voor verdediging van geloof in 1 of meer goden een kans van slagen gehad. Waarom houden dan toch zoveel mensen vast aan hun geloof?

Scott Atran (Franse antropoloog) publiceerde: “In God we trust, The evolutionary landscape of religion ” en pakt het interessant aan. Religie is nl. uitermate kostbaar voor een gemeenschap (kerken/tempels/synagogen bouwen etc) en het kost veel in tijd en offers (geld) waarbij godsdienst bovendien doorgaans slecht te faken is.
Van de inhoud zegt hij vervolgens dat die bovennatuurlijke wereld zeer tegen-intuïtief is en als voorbeeld noemt Atran: Welke oude Griek zou werkelijk gemeend hebben dat de Griekse godin Athene uit het hoofd van Zeus tevoorschijn zou zijn gekomen? Lichaamsloze geesten of vliegen op paarden door de nacht is natuurlijk ook tegen-intuïtief. Religies kunnen weliswaar angsten bezweren, maar zelfs angsten oproepen (hellevuur). Het maakt de verklaring er m.a.w. niet gemakkelijker op! Onbegrijpelijk dus dat mensen er een godsdienst op na houden en we moeten dus een verklaring zoeken!

Faculteiten der theologie (sinds 1876) branden hun handen niet aan deze mogelijke verklaringen voor godsdiensten. Je zou als theoloog historische bronnen van grote religies (Veda's of oude en nieuwe testament) moeten gaan interpreteren en je zou tevens een wijd net uit kunnen werpen om godsdiensten in al hun empirische manifestatievormen te gaan bekijken (antropologen, sociologen, psychologen: Descriptief dus). En dan ligt er tenslotte nog de taak van het verklaren van godsdiensten. Dit laatste gebeurt aldus Philipse te weinig.

Misschien zijn er wel teveel verklaringen van godsdiensten en is het een onzinnige exercitie. Zo heb je b.v.:
Cognitieve theorieën: Godsdienst wordt dan geduid als primitieve maar toch serieuze poging om de wereld te begrijpen (Poseidon als God van de zee die zorgt dat het stormt).
Emotieve theorieën: Zien godsdiensten als poging om het verlies van het ouderlijk huis goed te maken, door God als ouder(paar) aan te nemen, of om de doodsangst van de mens te bezweren middels een hiernamaals.
Performance-theorieën zoals rituelen.
Functionalistische theorieën die menen dat godsdienstige mensen in dwaling verkeren over het werkelijke nut van hun godsdiensten. Emile Durkheim b.v. dacht dat godsdiensten bedoeld waren om gemeenschappen bij elkaar te houden.

Wat deze theorieën gemeen hebben is dat ze slechts 1 aspect bij de kop pakken zoals het emotionele, sociale of cognitieve aspect, maar we zoeken een theorie die alle aspecten bijeen pakt. Een dergelijke theorie vanuit de theologie is er dan niet.

Een goede theorie zou dan tevens op globaal (alle godsdiensten/sekten) en lokaal niveau (1 specifieke godsdienst of sekte) verklaringen moeten kunnen geven maar tevens zowel op individueel als ook op groepsniveau en tenslotte tussen proximale (b.v. activeren door godsdienst van het mechanisme van de mens om sympathie met de medemens op te brengen) en ultieme verklaringen (hoe komt het dat we dit mechanisme hebben en hoe is godsdienst hier in staat dit te 'gebruiken')?

Wetenschappen (dus niet de theologie) hebben vervolgens geprobeerd de godsdiensten te gaan verklaren.

De rationele keuzetheorie (economie) is een poging geweest om aan te tonen dat religieus gedrag rationeel is, alleen kan deze het werkelijk bestaan van de goden niet duidelijk maken (berekenen!) en dus is het slechts een proximale verklaring. Het handelen t.o.v. die goden wordt slechts verklaard. Ook zijn de baten t.o.v. dit gedrag/geïnvesteer imaginair (bidden voor de zieken wordt als voorbeeld genoemd) en zo rationeel is het dus niet.

Philipse wil naar een evolutie-theoretisch kader gaan kijken in de zin van overerfbare eigenschappen met mutaties, fitness, overlevingskansen en nakomelingen.
Godsdienst is uiteraard niet genetisch verankerd, maar er worden analogieën gebruikt. We hebben natuurlijk ook geen ingebouwd gen voor antilichamen. Darwinmachines wordt dit vervolgens genoemd. Het is een generator/systeem van veel variaties. Zo zou cultuur/godsdienst ook een soort Darwinmachine kunnen zijn dat sociaal gedistribueerd is.

2. Religie, groeps-functioneel, bijprodukt of parasiet?

De evolutietheorie laat nu logische ruimte open voor zeer veel verschillende soorten verklaringen. Een bepaalde godsdienst kan wel of niet (meer) adaptief zijn. (denk aan tanden van de walvis die ooit adaptief waren). En zo kan een godsdienst ook, evenals de vleugel, vroeger ontstaan zijn voor een geheel andere functie (geen adaptatie maar een exaptatie dus).

Stel een godsdienst is adaptief dan kan dit op groepsniveau (Durkheim) of op het individuele niveau (verzetslui die dankzij een godsdienst beter meenden te kunnen overleven). Het kan adaptief zijn op parasitaire groepen (priesterkasten b.v zoals in de Franse revolutie) en het kan (Dawkins) adaptief zijn op het niveau van het intellectuele systeem zelf en Dawkins noemt dit memen. Dit zijn dus al 4 adaptieve visies.

Zo is er dan ook nog een logische ruimte voor 4 niet-adaptieve visies van godsdienst. Ze zijn het m.a.w. eerst geweest op bovenstaande niveaus maar nu niet meer. Als voorbeeld de medeburgers uit Staphorst: Zij hadden een sterke overtuiging en vertrouwden op gods genade in tegenslag en voorspoed in technologisch arme tijden maar tegen de tijd van goede medische zorg is het contra-adaptief gebleken je niet in te laten enten.

Een 5e mogelijkheid is de bijproduct theorie. Godsdiensten zijn wellicht nooit adaptief geweest en zullen dit ook nooit worden maar ze zijn een bijproduct van elementen in onze evolutionaire make-up die op zichzelf wel adaptief zijn. En zo hebben we bij elkaar maar liefst 9 evolutionaire verklaringsmodellen.

2 theorieën worden vervolgens door Philipse besproken:
Pascal Boyer (Et l'homme créa les dieux : Comment expliquer la religion). Dit is een evolutietheoretisch en een bijproduct theorie. Religie heeft volgens Boyer totaal geen nuttige functie. De morele functie van religie is niet een positieve functie maar ze parasiteert op het al bestaand moreel besef dat mensen al hadden/hebben.
1e Premisse in Boyers theorie is evolutionaire psychologie. Deze neemt aan dat we, als we de mens willen begrijpen, voor de geestelijke capaciteiten van de mens moeten teruggaan naar de lange voorgeschiedenis van de mens ten tijde van de jager-verzamelaar.
2e, volgens Philipse omstreden premisse in de theorie van Boyer is de modulariteits-these van de geest. De geest zou modules kennen en van belang is de 'hyper sensitieve predator detectie module'. Uitleg: Mens was vroeger prooi voor wilde dieren en dit angstgevoel zijn we nu uiteraard kwijt. Een ritsel vlak naast je (in het donker) kan voor veel stress zorgen en wij zouden nu een overactieve predator detectie module hebben en dit is uiteraard nuttig i.v.m. overleven in de tijd van de jager-verzamelaar. Echter, het bleek geen tijger te zijn, maar wat of wie veroorzaakte dan die ritsel in de bladeren?
Ideeën (over-actief) blijven nu bestaan en overleven in de groep. Deze zijn dan nog van natuurlijke wezens en passen dus in een natuurlijke categorie maar hebben bovendien 1 afwijkende eigenschap: Een niet-lichamelijke geest of een afluisterende ebbenboom (stam in Afrika). Deze ideeën zouden overleven en zijn gemakkelijk over te dragen. Pertinentie noemt Boyer dit. Godsdienst bestaat dan uit dit soort ideeën en zijn niet werkelijkheidsgetrouw en hebben dus geen enkel nut meer.

Een andere theorie is die van David Sloane Wilson (Darwins cathedral, Evolution, Religion, and the Nature of Society). Hij verwerpt pertinent de bijproduct theorie van Boyer omdat Wilson, evenals Atran, de nadruk legt op de enorme kosten (kathedralen b.v) die gemoeid zijn met religie. Groepsselectie, samenbinding van de groep (als Durkheim) heeft de nadruk bij Wilson in combinatie met altruïstisch gedrag voor de groep.
Hij vindt dat zijn theorie niet alleen godsdienst verklaart maar het ook verdedigt. Godsdiensten kunnen weliswaar onwaar zijn, maar hebben een grote groepsfunctie. De waarheid van de godsdienst vindt Wilson minder interessant.

Zijn dit dan goede verklaringen?

3. Evaluatie van evolutionistische verklaringspogingen:

Verschillende verklaringen zijn dus op verschillende niveaus denkbaar (Verklaring zoals van Wilson, of de eerdere vraag die we beantwoord hebben waarom de Jezussekte het beter deed in het Romeinse rijk dan andere joodse sekten, individueel of groepsniveau verklaringen, proximale en ultieme verklaringen zoals in de ET).

De verklaringen moeten uiteraard wel goede verklaringen zijn. De toetsbaarheid is echter een probleem omdat begripsbepaling (zoals fitness) erg lastig is. Wat is de maat voor de fitheid van een religie? Wilson zegt hier wellicht bewust niets over. Het aantal kinderen, dat een maat voor fitness kan zijn (biologische maat) is nl. geen goede optie (denk aan kloosterorden, joodse godsdienst etc). Fitness zou dus goed gedefinieerd moeten worden. Kinderaantallen blijkt bovendien samen te hangen met existentiële risico/kindersterfte, niet met religies. Wat dit betreft is nog veel onderzoek nodig!

Probleem bij Boyer met zijn module: Bestaat deze module (in de hersenen) wel? Het zouden onbewuste processen zijn en deze zijn helaas wetenschappelijk niet te testen. Wilsons' groepsselectie vervolgens moet goed doordacht worden en dan kom je tot de conclusie, om groepsselectie goed te laten werken, je een zeer complex logisch apparaat nodig hebt. De reden is, dat in een groep de individuele selectie altijd veel sneller gaat dan de groepsselectie. Stel je een groep voor die half uit meer altruïstische individuen bestaat (die er dus voor zorgt dat de ander meer nakomelingen krijgt dan hijzelf). Binnen de groep zal dit aantal snel slinken en overvleugeld worden door egoïsten (genetisch). Altruïsme zal dan verdwijnen. Wil je dat altruïsme toch zal overleven moet je een her-combinatie van groepen maken die zo is dat je in de nieuwe groepen een verschil krijgt tussen groepen met relatief veel meer altruïsten en groepen met minder altruïsme. De groepsselectie-advocaat kan nu betogen dat die groep met meer altruïsten het in de competitie beter doen. David Sloane Wilson laat dit nu juist achterwege. Onderzoek is dus wederom essentieel.

De memen-theorieën tenslotte: (Daniel Dennett: “Breaking the spell”) en Dawkins. Godsdienst wordt hier vergeleken met een heel nare parasiet in mieren. Godsdiensten zou zo in onze hersenen genesteld zijn, maar godsdienstige ideeën kun je natuurlijk lastig vergelijken met organismen zoals parasieten.

Eindconclusie Philipse:
Religie tussen wonder (was evenals openbaring onbetrouwbaar) en wetenschap:
Religie kan niet goed overleven in de sfeer van wonderen, maar ook niet in de sfeer van wetenschap. Toch houden mensen aan religie vast.


Tip/raadgeving voor de religieuze mens/theoloog:
Maak je religie zo onweerlegbaar en vaag mogelijk dat er rationeel absoluut geen vat meer op te krijgen is en zorg dat iemand die er niet in participeert er niets van begrijpt. Denk maar aan de narratieve theologie.
De arme atheïst moet helaas concluderen dat binnen een evolutionair kader het best mogelijk is dat een religie bepaalde functies heeft (en die zijn er), ook al is de waarheid illusoir. Het rechtvaardigt religie maar zegt niets over de waarheid (zoals bij David Sloane Wilson)

De tragiek van de atheïst is dat het buitengewoon moeilijk is jezelf een opvatting aan te praten alleen omdat je inziet dat het psychologisch nuttig is. Dit is dan (tot slot) de tragische geestessituatie van de atheïst.
Reality is that which, when you stop believing in it, doesn't go away.
Philip K. Dick

Gesloten