En er staat een dame-eindspel op het bord. Nu kunnen die heel listig zijn, maar de wijsheid der eeuwen is dat die gemakkelijk remise worden.
Een van mijn eerste partijen in de RSB-competite, uit tegen Shell 2, speelde ik aan een laag bord tegen een man met de achternaam Amsterdam. Aan het einde van de avond was de stand 3½ - 3½ en alleen mijn partij was nog niet beslist. De teamleiders stonden al een 4-4-uitslag te onderhandelen, maar daarmee was ik het niet eens: ik stond een beetje beter in een dame-eindspel en had psychologische redenen om aan te nemen dat ik de partij nog wel zou kunnen winnen.
Dit was in het seizoen 1987/1988 en toen werden partijen in de RSB nog afgebroken. Mijn wil om door te spelen won het van de onderhandelingen en twee weken later keerde ik terug in Vlaardingen voor de tweede zitting. Ik had een clubgenoot bereid gevonden mee te gaan als secondant en die kreeg zo wat grijze haren van het vervolg: vele keren gaf ik mijn tegenstander de gelegenheid eeuwig schaak te maken, maar hij noch ik zagen dat en aan het einde van de avond had ik een pion gewonnen en stond ik zichtbaar gewonnen. Dhr Amsterdam zag geen reden op te geven, dus de partij werd weer afgebroken. Er waren inmiddels 80 zetten gedaan.
De volgende clubavond kwam de competitieleider van de RSB aan de telefoon. Die vroeg zich af waarom een partij in de 4e klasse G twee keer afgebroken was en hij geen definitieve stand kon maken, terwijl de volgende ronde de week erna gespeeld zou worden. Na mijn uitleg accepteerde hij de situatie. Intussen had de afgebroken stand de aandacht getrokken van mijn clubgenoten en driftig besproken en een winstplan werd gemaakt.
Weer twee weken later kon ik, dit keer zonder secondant, de pluspion vrij gemakkelijk naar de achterste rij manoevreren en na mijn 113e zet gaf mijn tegenstander op en was de wedstrijd gewonnen met 3½ - 4½.
Jaren later trof ik dhr. Amsterdam weer aan het bord. Dit keer won ik in 23 zetten.


