DeLeek schreef:Rereformed schreef:
-Justinus Martelaar.
De bekendste vroege apologeet is Justinus Martelaar, die zijn Apologie schreef ca. 150. Dit geschrift laat zien dat Justinus wél in een historische Jezus geloofde. Hij schrijft daarin bijvoorbeeld: "de Logos nam een gestalte aan, werd mens, en werd Jezus Christus genoemd."
Maar interessant is dat Justinus ook een geschrift heeft achtergelaten waarin hij over zijn bekering vertelt, hetgeen 15 tot 20 jaar eerder plaatsvond, Dialoog met de jood Trypho, hetgeen een goede inkijk geeft tot wat voor soort geloof hij oorspronkelijk zich bekeerde. In dat geschrift verhaalt hij van zijn ontmoeting in de buurt van Efeze met een oude man, een christelijke filosoof. Na een discussie over de deugden en voordelen van filosofie spreekt de oude filosoof uit dat er oude joodse profeten geweest zijn die door de Goddelijke Geest gesproken hebben. Deze profeten, zo zegt hij, hebben de glorie verkondigd van de Vader en zijn Zoon, Christus. We zien hier dus exact de platonische interpretatie van de hebreeuwse bijbel. De oude man vervolgt met te zeggen dat wijsheid enkel kan komen tot mensen aan wie het door God en zijn Christus geschonken wordt. "Op dit punt gekomen", zegt Justinus, "ontstak er een vlammetje in mijn ziel; en een liefde voor de profeten en voor hen die vrienden van Christus zijn". Let op dat Justinus niet eens spreekt over 'liefde voor Christus'. Dat kon niet omdat het christendom waartoe hij zich bekeerde een filosofisch concept was. Christus maakte deel uit van een hemelse godheid. "Christus is een redder vanwege de wijsheid die hij schenkt".
De historische Jezus van Nazaret, de incarnatie van de Zoon ontbreekt volkomen in dit bekeringsverhaal. Het is duidelijk dat het christelijk geloof van Justinus later andere vormen aannam. En hij geeft later in zijn Apologie toe dat "sober denkende mensen van mening zijn dat christenen gek zijn om een gekruisigd mens op de hoogste plaats na God te zetten".
Rereformed, weet je welke versie Doherty hiervoor heeft gebruikt? Ik ben beetje bij beetje bezig om
deze te lezen, maar daar is overduidelijk een Christus aanwezig die hier op aarde rondliep.
Pontius Pilatus, opstanding op de dag na de Sabbat, instelling Eucharistie, 12 apostelen, incarnatie, de verwachting van de tweede komst, komt er allemaal in voor.
Good job, DeLeek! Je bent er heel serieus mee bezig en studeert erop als een Sherlock Holmes!
Sorry, misschien heb ik me niet duidelijk genoeg uitgedrukt. Doherty wil niet zeggen dat
De Dialoog met Trypho een geschrift zou zijn dat van een vroege Justinus getuigt die geen weet heeft van de historische Jezus, maar enkel dat dat geschrift begint met een verslag van
hoe Justinus oorspronkelijk tot geloof kwam, en dat dát verhaal te denken geeft.
Je kunt daarover lezen in hoofdstuk 3 tot 8. Je ziet dat hij oorspronkelijk een filosoof is en een hoop van bijvoorbeeld Plato weet. Volgens Plato kan de menselijke geest het goddelijke bevatten, tot op zekere hoogte en is de menselijke ziel daarom goddelijk oftewel onsterfelijk. Een discussie ontstaat of dit goddelijke nu alle mensen kan worden aangeschreven, of enkel in mensen die een goddelijke moraal aan de dag leggen, oftewel in mensen die zich van het lichamelijke hebben verlost . De twee filosofen zijn het met elkaar eens dat de mens in ieder geval kan weten dat God bestaat. (hoofdstuk 4). Het volgende hoofdstuk vervolgt met allerlei antieke overpeinzingen over de ziel, over onsterfelijkheid, het geschapene en het ongeschapene. Plato en Pythagoras worden ervan beschuldigd niet te hebben ingezien dat indien met oneindig teruggaat in de keten van oorzaken, men op een Eerste Oorzaak stuit.
In hoofdstuk 7 komt de vraag op waar dan wel de ultieme waarheid gevonden kan worden, of waar men hulp kan krijgen om de waarheid te achterhalen. De christelijke filosoof waar Justinus mee in gesprek is begint nu een verhaal af te steken dat er heel oude geschriften bestaan, ouder dan de griekse filosofen, waar profeten van God die ware kennis hebben uiteengezet.
Hierop volgt het citaat dat ik hierboven vertaalde aangaande de bekering van Justinus (hoofdstuk 8 ):
“When he had spoken these and many other things, which there is no time for mentioning at present, he went away, bidding me attend to them; and I have not seen him since. But straightway a flame was kindled in my soul; and a love of the prophets, and of those men who are friends of Christ, possessed me; and whilst revolving his words in my mind, I found this philosophy alone to be safe and profitable. "
Doherty stelt nu dat dit verhaal erop wijst dat het christelijk geloof van Justinus
oorspronkelijk niet een geloof geweest is dat via de verkondiging van wat wij nu het evangelieverhaal noemen plaatsvond, maar via de verkondiging van
een filosofie aangaande het Oude Testament. Hoofdstuk 7 is waar alles om draait.
De christelijke filosoof waar Justinus mee in gesprek is heeft totaal niets te zeggen over een historische Jezus. Hij heeft enkel weet van het Oude Testament en baseert zijn gehele christelijke geloof daarop. Het hoofdstuk eindigt met deze woorden:
"They [=the OT prophets] both glorified the Creator, the God and Father of all things, and proclaimed His Son, the Christ [sent] by Him: which, indeed, the false prophets, who are filled with the lying unclean spirit, neither have done nor do, but venture to work certain wonderful deeds for the purpose of astonishing men, and glorify the spirits and demons of error. But pray that, above all things, the gates of light may be opened to you; for these things cannot be perceived or understood by all, but only by the man to whom God and His Christ have imparted wisdom."
Je kunt uit deze passage opmaken dat het christelijk geloof niet wordt gezien als geloof in de Jezus van de evangeliën waar wij mee bekend zijn, maar als een bepaald correct inzicht krijgen in de 'ware betekenis' van de oud-testamentische teksten. Volgens deze passage spreken de profeten over een Zoon van God, ook wel Christus genoemd. "Indien 'de deur van het licht maar voor je opengaat', 'God en Zijn Christus je deze wijsheid schenkt', zul je het ook begrijpen", is de boodschap van de christelijke filosoof.
Oftewel
het gaat om een filosofie, een manier van begrijpen van mysterieuze oudtestamentische teksten waarin een verhaal over een Zoon of Christus zit. Vandaar dat Doherty er de aandacht op richt dat Justinus spreekt over liefde voor de vrienden van Christus, en niet uitspreekt 'liefde voor deze Christus'. Oorspronkelijk is het geloof voor hem het aannemen van een filosofische denkwijze, niet het geloof in een verhaal over de historische Jezus (merk op dat het woordje 'sent' zelfs niet eens in het origineel staat, maar door de redacteur van deze tekst erbij is gezet).
Je zou het kunnen vergelijken met de filosofie van Philo van Alexandrië, die op zijn manier ook Platonisme en het Oude Testament harmoniseerde en het griekse begrip van de Logos interpreteerde als het goddelijke principe waarmee alles geschapen is. Later werd dit denken door christenen overgeheveld naar de persoon Jezus.