Robert M. Price

Dit forum is bedoeld om te dienen als bron voor informatie wat betreft dit thema. Het zal bestaan uit links, informatieve bijdragen op dit forum uit het verleden en wellicht nieuwe beschouwingen.

Moderator: Moderators

Gesloten
Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14408
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Robert M. Price

Bericht door Rereformed » 19 mar 2015 10:46

Enkele gedeelten uit het boek The Christ Myth Theory and Its Problems, geschreven door Robert M. Price (2011).
Vertaling Rereformed


Op zoek naar de Mythische Jezus
Toen ik, lang geleden, voor het eerst hoorde dat sommigen speculeren dat Jezus nooit bestaan heeft als historisch persoon, wees ik die gedachte van de hand als bizar, zoals de meesten nog steeds doen. Bultmann, zogenaamd de aarts-skepticus, ontglipte het eens dat iemand die bij zijn verstand is geen twijfel kon hebben aan het bestaan van Jezus (terwijl hij toch zeer dichtbij de omgekeerde positie kwam, net als Paul Tillich). Gedurende een heel aantal jaren hield ik er zo ongeveer dezelfde opinie op na als Bultmann. De historische Jezus kondigde de komst van het eschatologische Koninkrijk aan, hiertoe diende zijn parabels, de geloofsgenezingen en het uitwerpen van demonen. Jezus had, zo dacht ik, de komst van de Zoon des Mensen voorspeld, een engelachtige figuur die de doden zou opwekken en de mensheid oordelen. De tempelreiniging resulteerde in de woede van de Sadduceeën, die met de Romeinen samenwerkten, en dat werd zijn ondergang. Hij stierf als gevolg van kruisiging, en een paar dagen later ervoeren zijn discipelen visioenen van hem als iemand die was opgewekt uit de dood. Ze concludeerden dat hij die Zoon des Mensen was, en ze verwachtten dat hij in de nabije toekomst opnieuw zou verschijnen.

Van deze in hoge mate redelijke positie (waarvan de redelijkheid nog versterkt werd door een parallel, de gang van zaken na de dood van Rebbe Menachem Mendel Schneerson) zag ik mijzelf uiteindelijk overhellen naar die buitenissige zienswijze dat Jezus nooit bestaan heeft, dat hij van begin tot eind mythisch was, net zoals Hercules. Deze zienswijze is voor mij geen dogma. Noch heb ik liever dat het ene scenario waar zou zijn en het andere niet. Voor mij ligt de bewijslast bij degene die Jezus als een historisch persoon wil zien. Ik ben me er volledig bewust van en herinner de lezer eraan dat alle hypothesen aangaande het verleden voorlopig zijn en voorzichtig. Wat deze zaak betreft is dat zeker zo. En toch neem ik een positie in. Waarom?

Ik herinner me dat ik voor het eerst hoorde dat de Jezus saga formeel overeen kwam met vele andere mythen rondom de Middellandse Zee, waarin een redder-god sterft en opstaat, zoals Attis, Adonis, Tammuz/Dumuzi, Dionysos, Osiris en Baäl. Toen het tot me doordrong begreep ik dat de zaak daarmee zo goed als beklonken was. Ik kon de parallel niet wegredeneren, en de parallel betrof het hart van de zaak. Ik kon het trekken van conclusies nog een tijdje uitstellen via het lezen van de schijnverzekeringen van Bruce M. Metzger (moge deze grote geleerde rusten in vrede), J.N.D Anderson, Edwin Yamauchi (moge ik ooit een tiende deel van zijn kennis vergaren!), en anderen, die mij vertelden dat deze parallellen vals waren of dat ze van later oorsprong waren, wellicht geleend uit het christelijk geloof. Maar het duurde niet lang om deze vormen van apologie te ontmaskeren als special pleading. Er was wel degelijk volop pre-christelijk bewijsmateriaal voor stervende en opstaande goden. En de parallellen waren het omgekeerde van vaag. En het was eenvoudig niet waar dat niemand deze goddelijke redders voor historische personen hield. En als het waar was dat de apologeten uit de oudheid helemaal niet wisten dat de heidense parallellen dateerden van vóór de christelijke tijd, waarom in hemelsnaam zouden ze met zo'n zelfmoordargument aankomen dat de Satan de echte en enige stervende en weer tot leven komende god na-aapte vóórdat het christelijk geloof ontstond. Dat lijkt op de argumentering van de fundamentalisten in de 19e eeuw die wanhopig beweerden dat God enkel de fossielen van dinosauriërs geschapen had, maar ze in feite nooit bestaan hebben.

En toch was dit alles geen bewijs dat Jezus nooit bestaan heeft. Bultmann gaf toe dat de heidense mythen het geloof aangaande Jezus aankleedden, maar volgens hem moesten er toch ook bepaalde paaservaringen zijn, visioenen die aanleiding gaven tot dit specifieke geloof. Tegenwoordig ben ik van mening dat Bultmann hier met het scheermes van Ockham behandeld kan worden: de zienswijze geeft overbodige verklaringen. Wanneer je eenmaal inziet hoe hetzelfde thema in zoveel variaties te zien is, is een oorspronkelijke Big Bang (term van Burton M. Mack) met een stel eerste discipelen en een paasmorgen niet meer nodig.

G.A. Wells, evenals zijn voorgangers die de Christus-mythe voorstonden, wees de evangelieverhalen aangaande een historische, rondtrekkende, onderwijzende en wonderen verrichtende Jezus af, op grond van het feit dat de brievenschrijvers die ouder zijn dan de evangeliën hier geen weet van schijnen te hebben. Hieruit zou volgen dat er helemaal geen mondelinge of geschreven traditie bestond ten tijde van Paulus. De brievenschrijvers hebben het over een bovennatuurlijke Zoon van God die uit de hemel neerdaalt om de boze engelen die de wereld beheersen te overwinnen, en vervolgens weer teruggaat naar de hemel om daar in goddelijke heerlijkheid te regeren totdat hij op aarde verschijnt. Indien Paulus afwist van wat Jezus onderwees, waarom verwees hij er dan niet naar op punten waar hij controversiële zaken behandelde? Waarom spreekt hij zó vaag over 'de geboden van de Heer' dat men de indruk krijgt dat hij het heeft over charismatische openbaringen aan hem persoonlijk? Waarom merkt hij zelfs niet één keer op dat Jezus zieken genas en wonderen deed? Hoe kan hij het in zijn hoofd halen te zeggen dat het Romeinse Rijk nooit de rechtvaardige straft, maar enkel de misdadigers?

Dit is een argument van veel gewicht, maar het wordt bijna overbodig gemaakt door een andere zaak. Neem het evangelieverhaal als geheel, of het nu eerder of later is geschreven dan de brieven doet er weinig toe. De evangeliën zijn eenvoudig onderdeel van een genre dat in allerlei culturen en tijden opgang doet: de Archetype van de Mythische Held. Zelfs indien men de kern van de boodschap even niet in ogenschouw neemt, maar zich enkel richt op details die niet belangrijk zijn, de 'seculiere' biografische informatie over Jezus, dan nog ontglipt alles aan onze handen. Komt hij wel uit Nazareth? Of was dit een herinterpretatie van dat hij tot de sekte van Nazoreërs behoorde? Was hij een timmerman? Of is dit een manier om aan te geven dat hij een expert is op het gebied van de Schrift, aangezien onder rabbi's een spreekwoord de ronde ging: "Zelfs een timmerman of zoon van een timmerman kan dit niet oplossen". En zo kan men nog lang doorgaan. Wanneer we ermee klaar zijn is er niets dat niet heel duidelijk de interesses van de geloofsgemeenschap laat zien, zelfs de interesses van uiteenlopende groeperingen.
Ik geef toe dat een historische held aan de basis kan staan van een standaard vleiende legende of mythe waaruit men niets historisch meer kan opmaken. Hij kán ooit geleefd hebben. Kunnen we het verschil zien tussen zo'n historisch persoon en andere gevallen waar we tenminste nog duidelijk een historische kern kunnen destilleren? Neem Apollonius van Tyana, de rondtrekkende Neo-Pythagorist die een tijdgenoot van Jezus was. Hij is ook uit hetzelfde mythische hout gesneden. Het verhaal over hem komt ook overeen met het Mythische Held Archetype. In mindere mate ook Keizer Augustus, waarover ook wonderverhalen de ronde gaan. Het verschil is dat Jezus geen voetafdruk achterliet in de profane geschiedenis, iets wat die anderen wél lukte. De beroemde teksten van Josephus en Tacitus geven - zelfs indien ze echt zijn - enkel weer dat er christenen rondliepen die een Christus predikten, maar niets over een historische persoon Jezus. Maar we beschikken nog steeds over informatie van mensen die beweren Apollonius, Peregrinus en Augustus ontmoet te hebben. Jezus kan uiteraard even historisch zijn als die anderen, en misschien is het toeval dat alles wat tijdgenoten over hem schreven verloren is gegaan, maar we kunnen niet uitgaan van een scenario waarvoor helemaal geen bewijsmateriaal bestaat.

Een paragraaf terug wees ik al op het centrale axioma van de vormkritiek: niets komt door de zeef van de traditie, tenzij het op een bepaald tijdstip nuttig is, dus een precedent schept voor iets. Jammergenoeg moet ik opmerken dat dit een ander axioma opheft, het criterium van dissimilariteit (ongelijkheid): hoe meer een uitspraak van Jezus overeenkomt met de praktijk of de leer van de vroege kerk, hoe groter de waarschijnlijkheid dat het niet van laatstgenoemde afkomstig is, maar het enkel op naam van Jezus geplaatst is om het de benodigde authoriteit te verschaffen.
Gaat men uit van beide principes, dan zal men zien hoe de één de ander uitschakelt, en er helemaal niets overblijft: alle bewaard gebleven uitspraken hebben het overleefd vanwege dat ze nuttig waren. Men kan voor alle uitspraken dus een Sitz-im-Leben Kirche veronderstellen. En dat heeft weer tot gevolg dat een pre-christelijke Sitz-im-Leben Jesu overbodig wordt. Niets ervan hoeft op een Jezus terug te gaan.
Daar komt nog bij dat alle onderwijzende uitspraken hun duidelijke parallel hebben in een Rabbijnse of Hellenistische omgeving. Er is dus geen bijzondere reden waarom een uitspraak bij Jezus zijn oorsprong zou vinden. Wijsheden gingen als regel rond van de ene beroemde mond tot de volgende, vooral in een joodse setting. Uiteraard heeft Jezus het mogelijkerwijs uitgesproken, maar dan zou hij niets anders gezegd hebben wat anderen niet ook al zeiden. Is dat wat men graag wil weten over hem?

De volgende schok: het voelde aan alsof ik bedolven werd onder een vrachtwagenlading vol bakstenen toen het tot me doordrong, - na deze zaak zeer uitgebreid onderzocht te hebben -, dat vrijwel iedere passage in de evangeliën en het boek Handelingen aantoonbaar een christelijk herschrijven is van materiaal opgevist uit de Septuaginta [de griekse vertaling van het OT] , Homerus, de Bacchae van Euripides, en Josephus. Men hoeft er geen David Hume voor te zijn om op te merken dat als een verhaal vertelt over een man die op wonderbaarlijke manier voedsel vermenigvuldigt om een menigte te voeden, het vele malen waarschijnlijker is dat het verhaal een hervertelling is van een ouder soortgelijk verhaal (met als hoofdrolspeler Elisa) dan dat het een beschrijving zou zijn van een werkelijk gebeurde geschiedenis. Een literaire oorsprong heeft altijd de voorkeur boven een historisch gebeuren in zo'n geval. En dat is de keus die we moeten maken in vrijwel alle gevallen in het verhaal van het NT. De lezer die hierin geïnteresseerd is verwijs ik naar mijn essay "New Testament Narrative as Old Testament Midrash" in het boek Encyclopedia of Midrash, van Jacob Neuser en Alan J. Avery-Peck, eds.
Ik ben hierin uiteraard zeer afhankelijk van vele goede studies, zoals die van Randel Helms, Thomas L. Brodie, John Dominic Crossan en anderen. Geen van de genoemden ging zo ver als ik. Ik heb eenvoudig al die passages die wetenschappers al overtuigend hadden nagespeurd tot op een vorig literair prototype, bij elkaar opgeteld, en als gevolg daarvan drong het tot me door dat er nauwelijks iets overbleef. Geen van genoemde schrijvers probeert de gehele traditie tot fictief te bestempelen, en ieder van hen komt ook aan met gevallen die in mijn ogen willekeurig zijn of onwaarschijnlijk. Maar toch, alles bij elkaar opgeteld pleit dit voor een volkomen fictief Jezusverhaal.

Het is niet zo dat er geen sterke argumentering voor een historische Jezus gemaakt kan worden. Die is er wel: men kan bepaalde passages in Handelingen, Marcus en de Galatenbrief lezen als fossielen waar een herinnering aan een opvolgingscrisis die ontstond na de dood van Jezus, te zien is. Jezus zou dan uiteraard bestaan moeten hebben. Wie zou zijn plaats innemen als hoogste autoriteit voor de geloofsgemeenschap? Zijn discipelen of de zogenaamde Steunpilaren, zijn naaste verwanten (vergelijk de soortgelijke strijd in het latere moslimgeloof en het mormonengeloof). Harnack en Stauffer zagen de restanten van een soort kalifaat van Jacobus. En dat impliceert een historische Jezus.
Dat impliceert ook een historische Jezus van een nauw omschreven type, namelijk dat hij een soort nieuwe Judas Maccabeër was, met een groep broers om zich heen, waarvan er één de banier kon overnemen toen de oudste - gesneuveld - die liet vallen. S.G.F Brandon heeft knap een revolutionaire Jezus verdedigd, die later door Marcus de evangelist werd opgeschoond en politiek onschadelijk gemaakt. Als er al een historische Jezus heeft bestaan zou ik mijn stem op Brandons versie uitbrengen.

Maar ik moet ook vermelden dat er een andere manier is om het bewijsmateriaal voor de hypothese van Jezus als Zeloot te interpreteren. Burton Mack wees er op dat het politieke element in het passieverhaal een anachronistische verwarring van Marcus laat zien. Gebeurtenissen ten tijde dat hij schreef (omstreeks het jaar 70) worden verplaatst naar de gebeurtenissen rondom Jezus, veertig jaar tevoren. Indien zo, dan verdampt het bewijsmateriaal voor Jezus de Zeloot.

In wat volgt heb ik niet ieder argument erbij gesleept dat ik maar kon bedenken om de historiciteit van Jezus in twijfel te stellen. Ik heb meer de route aan willen geven hoe inzichten via methodologie en bewijsmateriaal uiteindelijk ertoe leidden dat ik de Christusmythe theorie ben gaan aanhangen. Er is een mogelijkheid dat er ooit een historische Jezus heeft rondgelopen, maar voor ons is er geen historische Jezus meer. Indien hij ooit bestaan heeft dan is hij nu voor eeuwig verdwenen achter het glas in lood raam van heilige mythe. Tenminste dat is op grond van het bewijsmateriaal wat voorhanden is, de huidige stand van zaken zoals ik het zie.

[Vertaling van het merendeel van bladzijden 17-23 uit het boek The Christ Myth Theory and Its Problems, van Robert M. Price]
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14408
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Robert M. Price

Bericht door Rereformed » 19 mar 2015 12:42

(vervolg)

Geen spoor van Jezus te bekennen

Aangezien ik op het punt sta om een controversieel essay te schrijven, laat ik het voor de lezers even gemakkelijker maken de verleiding te weerstaan om alles wat ik zeg dadelijk van tafel te vegen met uitgekouwde stereotype weerwoorden. Ik beargumenteer dat het zeer waarschijnlijk is dat er geen enkele historische Jezus heeft bestaan. Sommigen zullen mij ervan beschuldigen een apologeet voor atheïstische propaganda te zijn. Voor wat het waard is, laat mij dan opmerken dat ik de studie van de zoektocht naar de historische Jezus begon als een enthousiaste aankomende apologeet voor de tegenovergestelde zienswijze. Tenslotte was het een flinke verrassing voor mij om me teleurgesteld te zien worden in 'onze' argumentering. Ik schoot daarna in de richting van de wetenschappelijke consensus die min of meer door Bultmann gerepresenteerd wordt. Met het verstrijken van de jaren werd mijn verbazing echter steeds groter daar ik steeds meer moeilijkheden ondervond gaten te prikken in theorieën die ik altijd als extreem, zelfs getikt beschouwde. Uiteindelijk en ironisch genoeg eindigde ik jezusmythicisme te omhelzen vanwege redenen die ik in het hiernavolgende zal voorbij laten gaan. Al die jaren lang ben ik nooit vervallen tot het verachten van het christendom, hoewel ik vrolijk toegeef dat ik met enige verontwaardiging kan uithalen tegen wat Albert Schweitzer noemde "het oneerlijke en zwakke denken van [christelijke] apologeten".

Methodologische vooronderstellingen

Wat is voor historici het grootste gebod? Het eerste en belangrijkste gebod is het Principe van Analogie. Vanwege dat men dit belangrijke axioma veelal niet begrijpt wordt de aanklacht van "anti-het-bovennatuurlijke" en "naturalistische vooronderstellingen" in het rond geslingerd in de studie van de evangeliën. Historici hebben geen toegang tot de tijdmachine van H.G. Wells. We kunnen niet met zekerheid weten wat er in het verleden gebeurde en kunnen er dus niet dogmatisch over zijn. Wij hebben enkel te maken met waarschijnlijkheden. Hoe bepalen we of iets waarschijnlijk wel of niet gebeurde in het verleden? Wanneer we ons buigen over teksten uit de oudheid moeten we het beoordelen volgens de analogie van onze ervaring en die van onze tijdgenoten (mensen die bekwaam zijn in het maken van observaties, eerlijke verslaggevers enz. geheel afgezien van hun filosofische of religieuze opvattingen). Er is eenvoudig geen alternatief. Nogmaals, we waren er niet bij en we weten niet of de natuurwetten precies zo werkten als ze nu werken, maar we hebben geen reden om te veronderstellen dat ze niet zo werkten. Tenzij we zo'n reden hebben hebben we dus geen criterium. We zijn volledig overgeleverd aan oude verhalen waarin mensen goud uit lood maken, in weerwolven kunnen veranderen, en gebruik kunnen maken van magie om een veldslag te winnen. Indien in onze ervaring een heel leger benodigd is om een ander leger te verslaan, dan zullen we een verhaal uit de oudheid dat één persoon een heel leger versloeg onwaarschijnlijk achten. Hoe zouden we tot een andere conclusie kunnen komen? Een verslag wordt dus onwaarschijnlijk wanneer er in de huidige ervaring geen analogie bestaat. Wat betreft de evangeliën, dit houdt niet in dat we de verhalen waarin Jezus zieken geneest en demonen uitwerpt zonder meer afwijzen als verzinsels. We kunnen geen clinisch naonderzoek van de gevallen doen, maar we weten wel dat soortgelijke taferelen zich in onze huidige wereld voordoen, zodat ze geen probleem zijn voor het onderzoek naar de historische Jezus. Zelfs Bultmann gaf toe dat Jezus gedaan moet hebben wat tijdgenoten beschouwden als wonderen ["Er kan geen twijfel over bestaan dat Jezus daden deed die door hemzelf en door zijn tijdgenoten beschouwd werden als wonderen.. zonder twijfel genas hij de zieken en wierp hij demonen uit", (Jesus and the Word, vert. 1958)] Men kan andere redenen hebben om ze af te wijzen, maar niet vanwege dat het het Principe van Analogie schendt.
Aan de andere kant moet een historicus zich afvragen of een oud verslag dat de analogie van de dag van vandaag niet doorstaat wellicht overeenkomt met de analogie van legende en mythe. Indien het meer lijkt op een legende dan op een verifieerbare moderne ervaring, wat moeten we dan concluderen? Indien het verhaal van Jezus' lopen op het water sterk lijkt op oude verhalen waarin Hermes, Pythagoras, Boeddha en anderen op water lopen, moeten we dan niet concluderen dat we ook in het geval Jezus met een legende te maken hebben? We weten het niet. We waren er niet bij. Maar datzelfde kunnen we opmerken over de mythen van Hercules. Moeten we in alle ernst toegeven dat het heel goed mogelijk is dat de Zoon van Zeus de Hydra doodde, omreden dat iemand dat ooit heeft beweerd?
Het Principe van Analogie is eenvoudig de "verrassingsloze methode", overeenkomend met de methode van de socioloog, de futuroloog en de meteoroloog. Genoemde specialisten voorspellen wat naar alle waarschijnlijkheid zal gaan gebeuren, uitgaande van de huidige trends. Ze kunnen er naast zitten, aangezien er soms factoren een rol spelen die ze niet hebben opgemerkt. Maar wat kunnen ze daaraan doen? We klagen ze niet aan omdat we weten dat ze geen orakelen zijn, die onfeilbare voorzeggingen doen. Op dezelfde manier claimt de historicus geen helderziendheid wat betreft het verleden, zoals Rudolf Steiner deed. De historicus "spelt" het verleden "na" via na te trekken factoren en analogie. Maar het blijft altijd een zaak van waarschijnlijkheden. Op basis hiervan voelen critici van de evangeliën wanneer ze de spectaculaire wonderen van Jezus afwijzen, zich gedwongen. Ze spreken het oordeel uit "onwaarschijnlijk". Iemand hoeft hier niet tevreden mee te zijn, en kan besluiten dat hij de verhalen toch gelooft, maar dat is dan een kwestie van geloof, oftewel de wil tot geloven, geen kwestie van geschiedkundig oordeel. Deze twee moeten niet met elkaar verward worden.

Even verder zal ik uitleggen waarom ik denk dat het Principe van Analogie ons dwingt om nog veel verder te gaan dan tot hier wanneer het de vraag naar de historische Jezus betreft. Maar eerst nog een opmerking. Het Principe van Analogie speelt een belangrijke rol in onze keus wat de criteria moeten zijn om de traditie van uitspraken te evalueren. Het staat aan de basis van het Criterium van Dissimilariteit, maar komt ook kijken bij de vraag hoe de transmissie plaatsvond van het materiaal met uitspraken. Harald Riesenfeld (The Gospel Tradition and Its Beginnings, 1957) en Birger Gerhardsson (Memory and Manuscript: Oral Transmission and Rabbinic Judaism in Early Christianity, 1961) spoorden critici aan om de mondelinge overlevering van de uitspraken van Jezus te zien als overeenkomend met de mondelinge overlevering van de Tannaïm, de vroege Torah-wijzen, die ernaar streefde dat "geen druppel uit het aarden vat verloren zou gaan" (Avot 2:11), oftewel geen woord van iemands meester verloren ging. (Overigens geloof ik dat in het licht van de meer recente studie van Jacob Neusner (Approaches to Ancient Judaism, 1998) het rabbi-model in exact de tegengestelde richting wijst dan die Reisenfeld en Gerhardsson aanwezen). Het is inderdaad een mogelijke analogie, uit een dichtbijstaand historisch-cultureel milieu. Maar er is ook een andere analogie, uit een iets latere tijd, namelijk de transmissie van de hadith van Mohammed, waarvan de moslims zelf de eersten waren die opmerkten dat die zich als een kanker had verbreid, zodat honderd jaar na Mohammed er wel duizenden valse uitspraken en aan hem toegeschreven precedenten de ronde deden. Al-Bukhari en anderen begonnen het proces van het onkruid wieden, maar ze handhaafden er tallozen van, en het huidige westerse critische onderzoek wijst uit dat nagenoeg de gehele overlevering niet authentiek is, anders gezegd onbruikbaar is voor een reconstructie van de leringen van Mohammed. Dit betekent dat de vroege moslimwijzen er geen problemen mee hadden om een hadith te produceren wanneer ze ervan overtuigd waren dat de inhoud goed was. Precies hetzelfde zien we bij de opstellers van de Pistis Sophia en vele Nag Hammadi evangeliën. Men verzon een enorme hoeveelheid leringen die men aan Jezus toeschreef. De vraag doemt dus op: waren de evangelisten meer als de rabbi's en hun leerlingen of meer als de moslim hadith-meesters, of schrijvers van de Nag Hammadi geschriften? Als het überhaupt mogelijk is erachter te komen dan enkel via een nauwkeurig onderzoek van de teksten. We kunnen niet a priori al een besluit nemen hoe het gegaan moet zijn. Men kan de evangeliën niet benaderen met de vooronderstelling dat het materiaal authentiek is of niet.

Indien het Principe van Analogie het eerste geschiedkundige gebod is, is het tweede het Criterium van Dissimilariteit. Norman Perrin formuleerde dit axioma het duidelijkst, hoewel hij erbij opmerkte dat hij niets nieuws zei. Het idee is dat geen uitspraak toegeschreven aan Jezus als 'waarschijnlijk authentiek' kan gelden indien er een parallel bestaat in joodse of vroeg-christelijke literatuur. Perrin was geen dwaas. Hij begreep zeer wel dat indien Jezus onderwees temidden van Joodse collega's, zijn opinies uiteraard regelmatig met die van hen overeen zou stemmen, en indien hij een beweging begon (ook zonder dat hij er erg in had!) zouden zijn uitspraken door zijn volgelingen herhaald worden. Maar hij had gelijk: zelfs uit rabbijnse bronnen wordt duidelijk dat dezelfde uitspraak aan verscheidene rabbi's toegeschreven wordt, en dus geldt hetzelfde voor Jezus. Iemand kwam een uitspraak tegen die hij mooi vond en zette die op naam van Jezus. In het licht van een duidelijk te herkennen judaïcerende tendens in het vroege christendom ligt dit des te meer voor de hand. Ook de contradicties tussen evangelie-uitspraken wat betreft eschatologie, echtscheiding, vasten, prediken onder de heidenen en Samaritanen, enz. kunnen op deze manier het gemakkelijkst worden uitgelegd. De zienswijze van de kerk werd op naam van Jezus gezet omdat men ze zag als logische gevolgtrekkingen uit wat Jezus bedoeld moet hebben (of misschien zelfs als openbaringen van de opgestane Heer ontvangen had).

De tegenstand die Perrins voorstel ondervond komt hieruit voort dat het criterium het spel te moeilijk maakte om te spelen: er zou te weinig materiaal overblijven, de regels van het spel moesten dus gewijzigd worden. Perrins toepassing van het Criterium van Dissimilariteit was naar mijn mening inderdaad selectief en inconsequent. Erger nog, hij begreep niet dat het Criterium van Dissimilariteit alles opslokte, vanwege de centrale leerstelling van de vormkritiek die stelt dat om overgeleverd te worden iedere pericoop in de evangeliën een praktisch nut gehad moet hebben. Deze gedachte volgend, naar het mij toeschijnt een geheel natuurlijke gedachtegang, hebben vormcritici altijd met groot vernuft en met groot succes getracht de Sitz-im-Leben van iedere perikoop te reconstrueren. (Onthoud dat het allemaal een zaak van waarschijnlijkheden is, alles is speculatief, maar hebt u iets beters aan te bieden?) Maar Perrin schijnt zich niet gerealiseerd te hebben ieder stukje evangelietekst zo'n plaats had in de vroege kerk, oftewel tot de vroege kerk behoorde (Uiteraard! De evangeliën werden tenslotte niet geschreven door boeddhisten!), en dat dus op basis van het Criterium van Dissimilariteit alles wat aan Jezus wordt toegeschreven de toets niet doorstaat. Een uitspraak zou bewaard kunnen zijn gebleven vanwege dat die relevant was, maar vanwege dezelfde reden kan die net zo goed ook gefabriceerd zijn, en aangezien sommigen duidelijk opgemaakt zijn, moet men uitgaan van het laatste. Zoals F.C.Baur al zei, alles is mogelijk, maar wat is waarschijnlijk? Indien het Criterium van Dissimilariteit opgaat, dan moeten we die volgen waartoe het ook mag leiden. Ik weet dat velen op dit punt zullen protesteren. Ze zullen tegenwerpen dat ik het criterium reduceer tot ultieme absurditeit. Of ik toon enkel aan hoe onzinnig het criterium altijd al geweest is. Maar nee, dit is eenvoudig de benen nemen wanneer het moeilijk begint te worden. Indien men met het bezwaar komt dat het criterium te streng is omdat het ons geen puzzelstukjes meer in handen laat om mee te spelen, dan verandert agnosticisme in fideïsme [opvatting dat religieuze waarheden niet beredeneerd kunnen worden, maar geloofd moeten worden, vert.] Het bezwaar vooronderstelt de conclusie dat er een historische Jezus geweest moet zijn, en dat we bijgevolg iets moeten kunnen zeggen over hem.

Het derde gebod is te onthouden wat het Ideale Type betekent. Het heeft velen handig toegeschenen om de belangrijkheid van mysteriereligies, de godmens (Theios Aner), stervende en opgestane goden en de gnostiek, in de zoektocht naar de historische Jezus links te laten liggen. Een Ideaal Type is een leerboek-definitie bestaande uit de regelmatig voorkomende eigenschappen van een fenomeen. Een Ideaal Type negeert punten van verschil in deze familiegroep geenszins, noch veronderstelt of vereist het absolute gelijkheid tussen alle leden die tot de categorie behoren. Het idee is dat indien zorgvuldig uitgekozen fenomenen genoeg gemeenschappelijke kenmerken hebben waaruit men een meetlat kan abstraheren, dan kan ieder lid van deze groep aan deze maatstaf beoordeeld worden en beter begrepen worden. Indien het Ideale Type van "religie" een eigenschap bevat "geloof in bovennatuurlijke entiteiten", dan concluderen we niet ineens dat het boeddhisme geen religie is. In plaats daarvan wordt de maatstaf andersom gebruikt, namelijk om te kijken naar wat in het algemeen opgaat voor religies, zodat we iets wat ervan afwijkt beter kunnen begrijpen.
Ook concluderen we niet dat omdat niet alle leden van de voorgestelde categorie in alles overeenkomen, de hele categorie niet bestaat. Er is een natuurlijk gebied van variaties op een thema, en het Ideale Type omvat dit brede gebied.

Ten vierde, we moeten ons er steeds aan herinneren dat consensus geen criterium is. De waarheid ligt niet altijd in het midden. De waarheid ligt ook niet altijd bij de meerderheid. Iedere theorie moet geëvalueerd worden op zichzelf. Een beroep op "de gedeelde opinie van wetenschappers" is enkel onze verantwoordelijkheid afschuiven, een beroep op de meerderheid is een drogreden. De zaken staan er zelfs zo voor dat indien we altijd tevreden zouden zijn geweest met de consensus de hele tak van wetenschap van Nieuw Testamentische Studies niet eens bestond.

Het doet er volstrekt niet toe of een bepaalde hypothese gemakkelijk past in het paradigma van de meerderheid, of overeenkomt met hypotheses waar men zelf altijd is van uit gegaan. Alles is tentatief en voorlopig.
Mogelijkerwijs eindigen we in een ommekeer van het heersende paradigma. Ondertussen kunnen we verwachten dat verdedigers van "de reguliere wetenschap" hun best zullen doen om de bolwerken van hun geliefde paradigma te verdedigen. Dat is ook hun taak, aangezien een nieuwe zienswijze zijn waarde moet bewijzen door aan de sterkste tegenstand het hoofd te bieden.

Voorts, een zesde gebod dat we moeten onthouden is dat alle wetenschappelijke conclusies tentatief en voorlopig zijn, altijd openstaand voor revisie. Ons doel is dit of dat paradigma/hypothese te testen om te zien wat de meest natuurlijke gang van zaken oplevert, dwz het minst 'special pleading' vereist om zaken in de hypothese onder te brengen.

(Vertaling van pag. 25-31 van The Christ Myth Theory and its Problems, van Robert M. Price)
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14408
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Robert M. Price

Bericht door Rereformed » 19 mar 2015 15:36

(vervolg)

De traditionele Christus-mythe Theorie

Vrijwel alle aanhangers van de Christus-mythe theorie hebben grote nadruk gelegd op één vraag: Waarom zijn er geen niet-religieuze bronnen die een wonderdoener Jezus noemen? Laat ik met zevenmijlslaarzen het vermoeiende debat over de authenticiteit van het Testimonium Flavianum even langsgaan. Voor wat het waard is, mijn gissing is dat de kerkvader Eusebius het gefabriceerd heeft en dat de tiende-eeuwse Arabische versie een inkorting van het origineel van Eusebius is, en dus niet een oorspronkelijk bescheidener origineel representeert. Naar mijn mening doen John Meier en anderen hun best om een jammerlijke tekst zo te knippen dat wat erover blijft op een goede tekst lijkt, oftewel de tekst zo te rehabiliteren dat het als bewijsmateriaal gebruikt kan worden voor een historische Jezus. Maar wat is de waarde ervan? Het is allemaal betwistbaar.
De stilte van de wereldse bronnen impliceren op zijn hoogst een Bultmanniaanse versie van een historische Jezus, dus een Jezus die op bescheiden schaal een wondergenezer was en demonen uitwierp en niet zoveel aandacht trok, niet meer dan een Peter Popoff uit onze tijd aandacht krijgt. Men kan hieruit niet concluderen dat er geen historische Jezus bestond. (Het is inderdaad een drogreden om uit te gaan van ofwel een echte superman ofwel een mythe, zonder iets in het midden, zoals een messias die sterfelijk is).

De tweede van de drie pijlers van de traditionele Christus-mythe theorie is dat de brieven, eerder geschreven dan de evangeliën, geen bewijs verstrekken van het optreden van een historische Jezus in het recente verleden. De eerste brief aan Timoteüs even daargelaten, die zeer laat geschreven is en een afhankelijkheid vertoont van het evangelie van Johannes, het enige evangelie waar Jezus een "krachtig getuigenis aflegt" tegenover Pilatus (1 Tim. 6:13), zouden we het uit de brieven nooit raden dat Jezus op een bepaald tijdstip in de geschiedenis en in een contekst van bepaalde politieke omstandigheden stierf. In plaats daarvan zouden we enkel weten dat hij in handen was gevallen van gevallen engelen (Kol. 2:15), de Archons van zijn tijdperk, terwijl die zich niet realiseerden dat ze daarmee hun eigen ondergang bezegelden (1 Kor. 2:6-8). Het is moeilijk om te geloven dat de schrijvers van Romeinen 13:3 en 1 Petrus 2:13-14 (waar we lezen dat Romeinse gezagsdragers enkel de boosaardigen straffen, niet de rechtvaardigen) van mening waren dat Jezus ter dood veroordeeld werd door Pontius Pilatus. We zouden ook niet raden dat Jezus zelfs maar één wonder verricht had, omdat er geen vermeld wordt. Was Paulus van mening dat Jezus een leraar was? We weten het niet, aangezien zijn geliefde "geboden van de Heer" (1 Kor. 7:10, 25; 9:14) citaten kunnen zijn uit een Q-achtige bron, of midrasj versies kunnen zijn van OT-geboden van Adonai, of profetische mandaten die de Opgestane hem had gegeven.
Paulus schijnt te weten over een Laatste Avondmaal, waar hij de Eucharistie instelde (1 Kor. 11:23-26), maar dit is een zwakke strohalm. Aan de ene kant, omwege redenen die niets te maken hebben met de Christus-mythe theorie hebben sommigen dit als een interpolatie beschouwd. Aan de andere kant, stel dat het werkelijk door Paulus geschreven is; Hyam Maccoby argumenteerde dat Paulus zichzelf met Mozes vergelijkt in 1 Kor. 11:23, de persoon die zijn materiaal direct van Adonai ontvangt (in Mozes' geval de cultische wet) en het overbrengt op de stervelingen. Met andere woorden, Paulus bedoelt niet te zeggen dat hij deze traditie van andere stervelingen ontvangen heeft, maar dat deze pericoop menselijk gesproken bij hemzelf zijn oorsprong heeft. Het zou eerst tot hem gekomen zijn in een visioen, net zoals een 19e-eeuwse mystica Anna Katherina Emmerich een serie visioenen aanschouwde van de "pijnlijke passie van onze Heer Jezus Christus", inclusief "verloren gegane episoden" die het zelfs tot de film van Mel Gibson The Passion of the Christ gehaald hebben. In deze zeer redelijke interpretatie van Maccoby zien we in feite het begin van de verhistorisering van de figuur van Christus.

Tenslotte, hoewel de brieven de naam Jezus geven aan de christelijke redder, is het zeer goed mogelijk, zoals Paul Couchoud lang geleden al voorstelde, dat ze getuigen van een nog eerder stadium van geloof, waar de redder deze erenaam pas kreeg na zijn post mortem verheerlijking. Want Fil. 2:9-11, gelezen zonder theologische verlegenheid, schijnt te bedoelen te zeggen dat die naam boven alle andere namen verheven was en deze naam nadat hij verheven werd aan de redder gegeven werd, niet de titel Kurios, Heer. Bij het noemen van die naam zal iedere knie zich buigen en iedere stem zal belijden dat hij Heer is.

Alle brieven schijnen te weten dat Jezus Christus, de Zoon van God, kwam om te sterven als een zondoffer en door God werd opgewekt en op een hemelse troon verheven werd. Sommige mythicisten (de vroege G.A. Wells en Alvar Ellegård) zijn van mening dat de eerste christenen dachten dat Jezus in het verre verleden ooit geleefd had, zoals de gemiddelde Griek dacht dat Hercules en Achilles ooit ergens in het verre verleden geleefd hadden. Anderen, zoals Earl Doherty, denken dat de originele christologie zich een Jezus voorstelde die zelfs nooit op aarde was verschenen (behalve in visioenen aan zijn volgelingen), en dat zijn offerdood had plaatsgevonden in één van de lagere hemelen, waar de gevallen wezens werden verondersteld te wonen. Als Zoon des Mensen zou zijn dood overeenkomen met de dood in de oertijd van de Eerste Mens Purusha in de Rig Veda (10:90), wiens zelfopoffering in de hemel de schepping veroorzaakte.

Maar hoe zit het met de persoon "Jacobus, de broeder des Heren" die Paulus voorbij laat komen in Galaten 1:19? Paulus zegt dat hij hem ontmoette, moet men daaruit niet concluderen dat Jezus in de recente geschiedenis rondgelopen moet hebben? Dat is inderdaad een natuurlijke interpretatie, maar niet de enig mogelijke. Wells wijst erop dat "de broeders des Heren" in 1 Kor. 9:5 op een zendingsbroederschap kan duiden, zoals de Johannitische brieven veronderstellen. In dat geval zou het net zo min een verwijzing zijn naar familie als dat "medewerkers van God" (1 Kor. 3:9) zou betekenen dat Paulus en Apollos een kantoor hadden met die gedrukte woorden op de deur, naast die van God even verderop in de gang. Tenslotte schrijft Paulus niet "Jacobus de broeder van Jezus". Alle apostelen werden wellicht met de tem "de broeder des Heren" aangeduid, en hij maakte met deze aanduideing duidelijk dat Jacobus ook één hen was. Dit klinkt des te redelijker in het licht van wat Walter Schmithals zegt, dat in Gal. 1:19 Paulus met "apostelen" (waar Jacobus onder gerekend wordt) bedoelt te zeggen "rondtrekkende zendelingen die hun standplaats in Jeruzalem hadden". De meesten van hen waren ergens op reis en daarom ontmoette Paulus er slechts twee van Cephas en Jacobus.

Jezus: Zender of Ontvanger?

Wells en anderen stonden erop dat het eenvoudig onverklaarbaar is, uitgaande van een historische Jezus, waarom de brieven hem nooit citeren. Ze bevatten weliswaar parels die klinken als varianten van uitspraken die in de evangeliën aan Jezus zijn toegeschreven, maar nooit worden ze door de brievenschrijvers aan Jezus toegeschreven. D.G. Dunn vraagt ons om te geloven dat Paulus en Jacobus in het hoofd hadden dat hun lezers zouden begrijpen dat ze verwezen naar wat de Heer gezegd zou hebben, maar ze als zinspelingen er neerzetten voor hen die oren hadden om te horen (hint, hint, veelbetekenende blik). Met respect voor een goede scholar moet ik bekennen dat deze uitleg me te geforceerd is. Het is één van die argumenten die niemand serieus zou nemen behalve als er helemaal geen redding meer mogelijk is om je ergens uit te wringen. Het is duidelijk dat indien iemand een kwestie wil beslechten door te apelleren aan de woorden van Jezus, hij zich ervan zal verzekeren dat zijn lezers het goed begrijpen dat het de woorden van Jezus zelf zijn, door het erbij te zeggen.
Evenzo reneerde Wells dat indien de schrijvers van de brieven van het Nieuwe Testament de beschikking hadden over iets als een uitsprakencollectie zoals men die vindt in de synoptische evangeliën, dan zouden ze daaruit geciteerd hebben, telkens wanneer dezelfde zaak weer ter sprake kwam. Is celibatair leven een kwestie (1 Kor. 7:7, 25-35)? Waarom niet citeren wat we in Mt. 19:11-12 lezen? Belastingontduiking (Rom. 13:6)? De tekst in Marcus 12:1 zou heel handig zijn even voorbij te laten komen. Geharrewar over voedselwetten (Rom. 14:1-4, 1 Kor. 8; Kol. 2:20,21)? Marcus 7:13 zou er meteen een eind aan maken. Meningsverschil over besnijdenis (Rom. 3:1, Gal. 5:1-12)? Thomas 53 maakt daar korte metten mee. Aan de andere kant, indien er oorspronkelijk helemaal geen uitspraken van Jezus waren om een zaak te beslechten, dan is het niet moeilijk om ons in te denken dat er al gauw mensen waren die ze zouden bedenken (zoals die er nog steeds zijn in ongeschoolde gemeenschappen waar discutanten soms punten proberen te scoren door met een uitspraak van Jezus aan te komen die ze ter plekke verzinnen. Niemand kan hun ongelijk bewijzen!), of de naam Jezus plakken op bestaande uitspraken die hun aanstaan om het de benodigde autoriteit te schenken. Het is zeer redelijk om te veronderstellen dat we in de brieven vroeg-christelijke uitspraken tegenkomen die even later in de mond van Jezus zijn gelegd.

(vertaling blz. 31-36 van het boek The Christ Myth and its Problems, van Robert M. Price)
Born OK the first time

Gebruikersavatar
Rereformed
Moderator
Berichten: 14408
Lid geworden op: 15 okt 2004 12:33
Locatie: Finland
Contacteer:

Robert M. Price

Bericht door Rereformed » 19 mar 2015 17:14

(vervolg)

Zoon van de Schrift

Dezelfde tendens kan men waarnemen in de zaken die over Jezus voorzegd zijn. Wetenschappers hebben altijd echo's opgemerkt van de oude geschriften die in nieuw verband geplaatst worden of redactioneel naast elkaar worden geplaatst. Maar recentelijk hebben vernuftige wetenschappers als John Dominic Crossan, Randel Helms, Dale en Patricia Miller en Thomas Brodie het waarschijnlijk gemaakt dat vrijwel het hele evangelieverhaal het product is van haggadische midrasj op het Oude Testament.
Earl Doherty heeft het resulterende nieuwe inzicht in de methodologie van de evangelieschrijvers verduidelijkt. Vanouds heeft men verondersteld dat de christenen begonnen met een serie feiten, waar ze achteraf voorzeggingen uit hun heilige schrift voor gingen zoeken. Zo heeft men altijd verondersteld dat de vlucht naar Egypte de christenen op zoek deed gaan naar een mogelijke tekst, die ze vonden in Hosea 11:1. Maar nu ziet het er tegengesteld uit: het verhaal van de vlucht naar Egypte is geheel midrasj, oftewel men begon bij Hosea 11:1. Het christelijke oog viel op de woorden "mijn zoon", waarna men daarop het hele verhaal opmaakte, aangezien men ervan uitging dat zo'n tekst een voorzegging was en dus een vervulling gehad moet hebben. Hoe duidelijker het wordt dat de meeste verhalen in het evangelie goed uitgelegd kunnen worden via de prototypen in het Oude Testament, des te natuurlijker wordt het om ons in te denken dat de vroegste christenen begonnen met een min of meer vage heilandmythe, die ze steeds meer kleur en detail gaven door het te verankeren in een bepaalde tijd en te hullen in een kleed ontleend aan de Schrift.

Men stelle zich een scenario voor van proto-christelijke wijzen, uitleggers en schriftgeleerden die via het 'ontcijferen' van het OT en geleid door openbaringen via de heilige geest (waar ze sterk in geloofden), steeds meer ontdekken wat de zoon van God had gedaan en gezegd. De tegenwoordige christen leert wat Jezus deed en zei via het lezen van de evangeliën; de eerste christenen leerden het via het lezen van de verhalen over Jozua, Elia, uitspraken in Deuteronomium, Jesaja enz. Het was dus geen kwestie van zaken die een generatie geleden geschied waren en men zich nog herinnerde, en aan het OT werden verbonden, maar omgekeerd: via creatieve exegese wordt de geschiedenis van Jezus waarin men gelooft ontdekt.

Laat mij in het kort het evangelie van Marcus doorgaan om de reikwijdte van het op basis van midrash lenen te illustreren:


-Doop van Jezus (1:9-11) is opgemaakt uit Psalm 2:7, Jesaja 42:1 en Genesis 22:12

-Verleiding in de woestijn (1:12-13): de veertig dagen afgeleid van de veertig jaar die Mozes in de woestijn doorbracht voordat hij zijn roeping begon, en de veertig dagen dat Elia zich terugtrok na zijn wedstrijd met de priesters van Baäl. Het verhaal eindigt met engelen die voor hem zorgden, omdat ook Elia door engelen verzorgd werd. (1 Kon. 19:5-7). De volgende evangelisten weten inmiddels ook al hoe het gesprek tussen satan en Jezus verliep. Ze hadden daarvoor teksten uit Deuteronomium gevonden die verwijzen naar verzoekingen in de woestijn: Dt. 8:3, 6:16 en 6:13.

-De roeping van de discipelen (1:16-20) is gebaseerd op de roeping van Elisa door Elia.

-Verhaal van exorcisme (1:21-28). De kreet die 'de onreine geest' uitspreekt komt regelrecht uit de mond van de weduwe van Sarefat in 1 Kon. 17:18
1 Koningen: Wat heb ik u misdaan godsman? Ben je soms gekomen om mijn zonden aan het licht te brengen en mijn zoon te doden?
Marcus: Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazareth? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je ben, de heilige van God.

-Simons schoonmoeder met koorts op bed (1:29-31).
In de verhalen over Elia wordt de weduwe en haar zoon gered van de hongerdood, waarna ze voor Elia en de zoon zorgt. Dan wordt haar zoon zo ziek dat hij sterft. Elia haalt hem terug uit de dood. Marcus draait de rollen om en maakt de schoonmoeder van Simon Petrus ziek, laat haar door Jezus genezen waarna ze voor hem en haar schoonzoon zorgt.

-Verhaal van de verlamde man die door het dak voor de voeten van Jezus wordt gelegd (2:1-12). Verhaal opgemaakt via verhaal over Achazja die door het traliewerk van de bovenverdieping valt, en daardoor bedlegerig wordt.

-Verhaal over de verschrompelde hand (:1-6) komt uit 1 Kon. 13: 1-7, waar de uitgestrekte hand van de koning verstijft en onbeweeglijk wordt. De godsman Elia weet Jahweh mild te stemmen en geneest hem.

-In Marcus 3:13-35 worden de twaalf leerlingen tot apostel aangesteld. Maar zijn verwanten houden hem voor gek, en even later laat Jezus weten dat zijn echte familie iedereen is die de wil van God doet. In Exodus 18 moet Mozes op instigatie van zijn schoonvader hulpleiders aanstellen. Marcus geeft een verbeterde versie: het idee om hulpleiders aan te stellen komt van Jezus zelf. Lukas (10:1) verbetert Marcus door het aantal tot 70 te maken, hetzelfde getal als in het verhaal van Mozes. Marcus heeft voor enkel twaalf gekozen via het aantal verspieders, genoemd in Dt. 1:23.

-Het stillen van de storm (4:35-41) komt uit Jona 1:4-6, 15b-16a plus Ps. 107:23-29.

-Het verhaal van de bezetene (5:1-20) gebruikt materiaal van Ps. 107:10, 4,6,14 en het verhaal van Odysseus 9:101-565.

-Het verhaal van het dochtertje van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw (5 vanaf vers 21) is een complexe hervertelling van Elisa en de Sunamitische vrouw (2 Kon. 4).

-Ongeloof in zijn eigen stad (6:1-6) gaat terug op het verhaal van Saul als onwaarschijnlijke profeet. (1 Sam. 10:1-27).

-De uitzending van de twaalf leerlingen (6:7-13) grijpt weer terug op het verhaal van Elia. Het verbod om geld of twee mantels mee te nemen is een waarschuwing om niet de fout van Gehazi te maken, die van Naäman een talent zilver en twee mantels loon had gekregen (2 Kon. 5:22). Jezus gebiedt ze wel een stok mee te nemen, aangezien 2 Kon. 4:29a laat weten dat Elisa aan Gehazi zijn staf aanbied om een wonder te laten gebeuren. Lukas leest deze tekst nog wat secuurder en laat in 10:4b ook nog de woorden volgen "en groet onderweg niemand", dezelfde woorden die Elisa tegen Gehazi uitspreekt (2 Kon. 4:29b).

-In het verhaal van de dood van Johannes de Doper spreekt Herodes Antipas de woorden van Ester 5:3 uit. Via zijn belofte komt hij in een benarde positie, precies zoals het probleem van Darius in Daniel 6:6-15.

-De verhalen van de wonderbaarlijke vermenigvuldiging van voedsel komt van het verhaal van Elisa die twintig broden vermenigvuldigt om honderd mannen te voeden (2 Kon. 4:42-44).

-Het lopen op het water (6:45-52) komt uit Psalm 107 (LXX Ps 106):23-30 en Job 9:8b.

-In het debat met de schriftgeleerden (7:1-23) haalt Jezus de Septuagintavertaling aan van Jesaja 29:13 en is er nog een verwijzing naar Elia in vers 14: "Nadat hij de menigte weer bij zich had geroepen zei hij: 'Luister allemaal naar mij en kom tot inzicht'. 1 Kon.18:30: Elia zei tegen de Israëlieten dat ze naar hem toe moesten komen."

-In Marcus 7:24-30 ontmoet Jezus een buitenlandse vrouw in de streek van Tyrus en Sidon die om zijn hulp vraagt. Dit verhaal is een hervertelling van het verhaal van Elia en de weduwe van Sarefat, nabij Sidon. De profeet doet een wonder voor haar en haar zoon. In beide verhalen moet de vrouw eerst bewijzen dat ze geloof heeft. Het feit dat Jezus de vrouw en haar dochter honden noemt komt uit 2 Kon. 8:13.

-In Marcus 7:31-37 geneest Jezus een doofstomme man, im Marcus 8:22-26 een blinde en in 10:46 weer een blinde. Deze genezingen zijn gebaseerd op de tekst in Jesaja 29:18, "Op die dag zullen doven kunnen horen, en blinden zullen met eigen ogen kunnen zien" en Jesaja 35:5,6: "Dan worden blinden de ogen geopend, de oren van doven worden ontsloten, verlamden zullen springen als herten en de mond van stommen zal jubelen".

-Het verhaal van de verheerlijking op de berg (9:1-13) is gebaseerd op het verhaal van Mozes die de berg Sinaï opklimt en vanwege zijn contact met God een stralend gezicht krijgt, en Maleachi 3:2, waar de verschijning van Elia wordt aangekondigd. In Marcus' verhaal gebeurt het 'zes dagen later', een verwijzing naar het feit dat 'de majesteit van Jahweh zes dagen lang op de Sinaï rustte" (Ex. 24:16).

-Het verhaal van de bezetene die de leerlingen van Jezus niet kunnen genezen grijpt weer terug op het verhaal van Elisa die zijn leerling Gehazi erop uit stuurt met zijn genezende staf, maar het lukte de leerling toch niet (2 Kon. 4:31). Uiteindelijk moet Elisa zelf komen en dan lukt het wel.

-Het verhaal waar de leerlingen van Jezus redetwisten over hun positie (9:33-37) gaat terug op Numeri 12 en 16 waar mensen het gezegd van Mozes betwisten. Het volgende verhaal over de persoon die niet tot de leerlingen behoorde maar in Jezus' naam geesten uitdrijft gaat terug op Numeri 11:24-30, het verhaal van Eldad en Medad. Johannes in Marcus is een hernoeming van Jozua die protest aanbindt, omdat Eldad en Medad in het kam profeteren, maar niet meegegaan zijn naar de tent, oftewel 'ons niet volgen' (9:38).

-Het verhaal in 10:13-16, waar de leerlingen de kinderen wegjagen is gemodelleerd op 2 Kon. 4:27, waar Gehazi een vrouw die de voeten van Elisa aanklampt wegjaagd, maar daarvoor berispt wordt.

-De tekst van 10:35 komt nadat Jezus zijn dood heeft aangekondigd. Het "Meester, we willen dat u doet wat we u vragen" komt van 2 Kon. 2:9 waar Elia vraagt: "Wat kan ik nog voor je doen voor ik van je word weggenomen?" Wanneer Elia het antwoord krijgt spreekt hij uit: "Je vraagt iets heel moeilijks". Op dezelfde manier antwoordt Jezus: "Jullie weten niet wat je vraagt".

-Het verhaal van voorbereiding van de intocht in Jeruzalem (11:1) en de voorbereiding voor het pesachmaal (14:12) gaat terug op 1 Samuel 9 waar de jonge Saul naar ezelinnen zoekt, en de profeet ontmoet, een speciale maaltijd krijgt en gezalfd wordt tot koning.

-De intocht in Jeruzalem zelf is opgemaakt aan de hand van Zacharia 9:9 en Psalm 118:26,27.

-De vervloeking van de vijgenboom komt uit Psalm 37:35,36:
"Ik zag een goddeloze, een geweldenaar, die zich uitbreidde als een weelderige woekerplant,
toen iemand voorbijging, zie, hij was niet meer, ik zocht hem, maar hij was niet meer te vinden".

-Het verhaal van de tempelreiniging (11:15-18) is bedacht naar aanleiding van de tekst uit Maleachi 3:1-4, waarmee Marcus ook zijn evangelie mee begint ("Zie ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal"). De tekst vervolgt door te zeggen: "Plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die u zoekt, de Engel des verbonds, die u begeert". Zie hij komt!" en in vers 3: "Hij zal het zilver smelten en reinigen. Hij zal de zonen van Levi reinigen". En naar aanleiding van de laatste woorden van het boek Zacharia, waar staat: "En er zullen nooit meer handelaars zitten in de tempel van de Heer" (14:21b). De woorden van Jezus zelf komen uit Jesaja 56:7 en Jeremia 7:11.

-De gelijkenis van de onrechtvaardige pachters komt van Jesaja 5:1-7.

-De gehele apocalyptische rede in Mk. 13 is een verzameling van parafrasen en citeringen:
Mk. 13:7 komt van Dan. 11:44
Mk. 13:8 van Jesaja 19:2 en/of 2 Kron. 15:6
Mk. 13:12 van Micha 7:6
Mk. 13:14 van Dan. 9:27 of 12:11 en Gen. 19:17
Mk. 13:19 van Dan. 12:1
Mk. 13:22 van Dt. 13:2
Mk. 13:24 van jesaja 13:10
Mk. 13:25 van jesaja 34:4
Mk. 13:26 van Dan. 7:13
Mk. 13:27 van Zach. 2:10 en Dt. 30:4.

-De kern van het verhaal van het Paasmaal (Mk. 14:17-31) is Psalm 41:9 Matteus kleurt de enigmatische figuur Judas en zijn lot in. Hij krijgt het precieze bedrag waarmee Judas betaald wordt, de dertig zilverstukken, van Zach. 11:12. Dat Judas het geld retourneert, in de tempel smijt waarna de priester besluiten er een stuk grond van de pottenbakker voor te kopen ontleende hij uit zowel de Syrische vertaling van de tekst "werp het in de de pot voor aalmoezen" en de Hebreeuwse tekst "werp het de smelter toe". Hoe weet Matteüs dat hij zich ophing? Dat was het lot van de verrader raadgever van david Achitofel (2 Sam. 17:23), die de schriftgeleerden als onderwerp van Psalm 41:9 meenden te vinden en die nu toegepast werd op Judas.

-De drie verzekeringen van Petrus dat hij niet van de zijde van Jezus zal wijken herinneren aan de drie verzekeringen van Elisa dat hij Elia niet in de steek zal laten. (2 Kon. 2:2, 4:6). Of misschien heeft Marcus aan de belofte van Ittai aan David gedacht (1 Sam. 15:21).

-De basis voor de scene in de tuin van Gethsemane (14:32-52) is 2 Sam. 16 en 16.

-Het verraad van judas met een kus (14:44-45) lijkt te komen van 2 Sam. 20:7-10.

-Voor de scene van het verhoor met valse beschuldigingen (14:55-56) ging Marcus naar Daniel 6:4 (septuaginta)

-Marcus 14:65 waar Jezus klappen krijgt en bespot wordt als een valse profeet komt van 1 Kon. 22:24 "Sidkia, de zoon van Kenaäna, kwam op micha af en sloeg hem in zijn gezicht. 'Wilt u soms beweren dat de Geest des Heren van u naar mij is overgestoken om tegen u te spreken?' vroeg hij. 'Dat zult u zien', zei Micha, 'op de dag dat u van kamer tot kamer zult gaan om u te verbergen.'"

-Jezus' zwijgen voor zowel het Sanhedrin als voor Pilatus (14:60-61 en 15:4-5) komt van Jesaja 50:7, 53:7.

-Het verhaal van de kruisiging is zoals iedereen toegeeft, gestructureerd op Psalm 22, waar de meeste details vandaan komen.

-De duisternis op het midden van de dag komt uit Amos 8:9, de azijn en gal komt van Psalm 69:21
Hoe vreemd dat het centrale verhaal van het christelijk geloof opgemaakt is niet als ooggetuigeverslag, maar als een verzameling uit de contekst gerukte citaten uit het Oude Testament!

-Jozef van arimatea (Mk. 15:42-47) wordt herkend als een combinatie van koning Priam, die naar het kamp van Achillus komt om te smeken om het lichaam van zijn zoon Hector, en de patriarch Jozef die aan de farao permissie vraagt om zijn vader te mogen begraven in het familiegraf (Gen. 50:4-5)

-Het lege graf vereist geen andere bron dan Jozua 10:18, 22, 26-27.

-De rouwende vrouwen in de vroege ochtend hebben een rijke traditie in de cultus van een stervende en uit de dood herrijzende godheid, die ook in Israel al lang bekend was: Ez. 8:14, Zach. 12:11, Hooglied 3:1-4)


(vertaling van blz. 36-44 van The Christ Myth and its Problems, van Robert M. Price)
Born OK the first time

Gesloten