Mooie mensen
Geplaatst: 28 jun 2017 12:14
Door alle dagelijkse beslommeringen, schokkende krantenberichten en aanverwante dingen zou je bijna vergeten dat onze aardkloot bevolkt was en is door vele prachtig mooie mensen.
Dus ik dacht.. gezellig; een eerbetoon.
Aan de rebellen, de lieverds, de strijders, aan al diegenen die zo hebben bijgedragen aan onze maatschappij.
Ik trap af.
En er schieten direct van die grote welbekende namen in mijn hoofd, die iedereen vast wel kent.
Misschien plaatst iemand het, anders komt het nog wel.
Voor nu kies ik deze wellicht wat minder bekende maar o zo mooie dame.
Frieda Belinfante (1904-1995)
Neerlands eerste vrouwelijke dirigente en verzetsstijdster.
Frieda Belinfante groeide op als derde van vier kinderen – drie dochters en een zoon – van een Joodse vader en een niet-Joodse moeder in Amsterdam. Muziek was belangrijk in huize Belinfante: alle kinderen leerden een muziekinstrument spelen. Voor Frieda was dat vanaf haar negende de cello. Ze gold als de muzikaalste van het stel en werd na de lagere school naar de ulo gestuurd.
Frieda volgde haar professionele muziekopleiding aan het conservatorium van haar vader. Daarnaast had ze privécellolessen. In 1920 – ze was zestien – speelde ze voor het eerst in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. Later dat jaar liet ze haar haar kort knippen, wat haar een jongensachtig uiterlijk gaf. Via haar celloleraar leerde ze op haar zeventiende de componiste Henriëtte Bosmans kennen. De relatie tussen hen zou ruim zeven jaar duren. Een groot deel van de tijd woonde Frieda samen met Henriëtte, die intussen ook andere verhoudingen had.
Vanaf 1935 was Belinfante dirigent bij een kinderkoor. Vervolgens leidde zij het vrouwenkoor en het Sweelinck-orkest van de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam. In 1938 trad zij op met haar eigen orkest (Het Kleine Orkest) in het Concertgebouw te Amsterdam. Als muzikaal hoogtepunt won Frieda, als enige vrouwelijke deelnemer, een dirigentenconcours. Daarmee was ze de eerste vrouwelijke dirigent van Nederland.
Het begin van de Tweede Wereldoorlog gooide snel roet in het eten. Belinfante hief haar orkest op. Zij vreesde voor het lot van de Joodse muzikanten die in Het Kleine Orkest speelden. Toch trad zijzelf als half-Joodse op, maar ze weigerde lid te worden van de Nederlandsche Kultuurkamer. Dit instituut was in 1941 in het leven geroepen door de Duitse bezetters. Dit om de Nederlandse kunsten in nationaalsocialistische banen te leiden en een positieve Germaanse houding uit te stralen.
Een week na de capitulatie deden haar broer en zijn Joodse vrouw een zelfmoordpoging – alleen haar broer stierf. De dramatische gebeurtenis was voor Frieda Belinfante een eerste signaal dat ze het roer moest omgooien. Vanwege de anti-Joodse maatregelen van de bezetter besloot ze al snel haar Klein Orkest op te heffen: er speelden veel Joodse musici in en Belinfante voorzag dat hun het meespelen zou worden verboden. Ze begon persoonsbewijzen te vervalsen, hielp Joden bij het vinden van onderduikadressen en raakte betrokken bij de Groep 2000 van Jacoba van Tongeren, een oude schoolvriendin van haar zus. Via sociëteit De Kring kwam ze ook in contact met het kunstenaarsverzet. Toen er in 1942 door de kunstenaars een fonds werd opgericht om diegenen financieel te ondersteunen die hadden geweigerd zich bij de Kultuurkamer aan te melden, kreeg Belinfante de verantwoordelijkheid over de verdeling van steun aan de musici. Ze verkocht haar cello om geld te fourneren voor dat fonds. Langzaam maar zeker groeide onder de kunstenaars het besef dat het riskant was steeds maar meer valse persoonsbewijzen te maken. Beter was het om het hele systeem te saboteren. Zo rijpte het plan om een aanslag te plegen op het Amsterdamse bevolkingsregister. Belinfante hoorde bij de groep die maandenlang het plan voorbereidde.
In juli 1945 keerde Belinfante terug naar Amsterdam, maar het werd een desillusie: haar vrienden van het kunstenaarsverzet waren dood en er was weinig aandacht voor mensen die terugkeerden uit de kampen en de onderduik. Toen de AVRO in 1946 een dirigent voor het omroeporkest zocht, kreeg ze te horen: ‘Nee Frieda, geen vrouw!’ (gecit. Boumans, 201). In de zomer van 1947 vertrok ze naar de Verenigde Staten. Ze vestigde zich in Californië, waar ze al snel een veelgevraagd celliste en muziekdocente werd. In 1954 was ze de eerste vrouwelijke dirigent van de VS die voor een professioneel orkest stond dat ze zelf had opgericht.
Tot op zeer hoge leeftijd bleef Belinfante muziekles geven. Jarenlang runde ze daarvoor haar eigen muziekschool. De laatste vijf jaar van haar leven woonde ze met Bobbie Minkin, sinds 1970 haar vriendin, in Santa Fe, New Mexico. Op 5 maart 1995 overleed Frieda Belinfante aan kanker, in de ouderdom van negentig jaar.
http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwe ... anteFrieda" onclick="window.open(this.href);return false;
Dus ik dacht.. gezellig; een eerbetoon.
Aan de rebellen, de lieverds, de strijders, aan al diegenen die zo hebben bijgedragen aan onze maatschappij.
Ik trap af.
En er schieten direct van die grote welbekende namen in mijn hoofd, die iedereen vast wel kent.
Misschien plaatst iemand het, anders komt het nog wel.
Voor nu kies ik deze wellicht wat minder bekende maar o zo mooie dame.
Frieda Belinfante (1904-1995)
Neerlands eerste vrouwelijke dirigente en verzetsstijdster.
Frieda Belinfante groeide op als derde van vier kinderen – drie dochters en een zoon – van een Joodse vader en een niet-Joodse moeder in Amsterdam. Muziek was belangrijk in huize Belinfante: alle kinderen leerden een muziekinstrument spelen. Voor Frieda was dat vanaf haar negende de cello. Ze gold als de muzikaalste van het stel en werd na de lagere school naar de ulo gestuurd.
Frieda volgde haar professionele muziekopleiding aan het conservatorium van haar vader. Daarnaast had ze privécellolessen. In 1920 – ze was zestien – speelde ze voor het eerst in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. Later dat jaar liet ze haar haar kort knippen, wat haar een jongensachtig uiterlijk gaf. Via haar celloleraar leerde ze op haar zeventiende de componiste Henriëtte Bosmans kennen. De relatie tussen hen zou ruim zeven jaar duren. Een groot deel van de tijd woonde Frieda samen met Henriëtte, die intussen ook andere verhoudingen had.
Vanaf 1935 was Belinfante dirigent bij een kinderkoor. Vervolgens leidde zij het vrouwenkoor en het Sweelinck-orkest van de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam. In 1938 trad zij op met haar eigen orkest (Het Kleine Orkest) in het Concertgebouw te Amsterdam. Als muzikaal hoogtepunt won Frieda, als enige vrouwelijke deelnemer, een dirigentenconcours. Daarmee was ze de eerste vrouwelijke dirigent van Nederland.
Het begin van de Tweede Wereldoorlog gooide snel roet in het eten. Belinfante hief haar orkest op. Zij vreesde voor het lot van de Joodse muzikanten die in Het Kleine Orkest speelden. Toch trad zijzelf als half-Joodse op, maar ze weigerde lid te worden van de Nederlandsche Kultuurkamer. Dit instituut was in 1941 in het leven geroepen door de Duitse bezetters. Dit om de Nederlandse kunsten in nationaalsocialistische banen te leiden en een positieve Germaanse houding uit te stralen.
Een week na de capitulatie deden haar broer en zijn Joodse vrouw een zelfmoordpoging – alleen haar broer stierf. De dramatische gebeurtenis was voor Frieda Belinfante een eerste signaal dat ze het roer moest omgooien. Vanwege de anti-Joodse maatregelen van de bezetter besloot ze al snel haar Klein Orkest op te heffen: er speelden veel Joodse musici in en Belinfante voorzag dat hun het meespelen zou worden verboden. Ze begon persoonsbewijzen te vervalsen, hielp Joden bij het vinden van onderduikadressen en raakte betrokken bij de Groep 2000 van Jacoba van Tongeren, een oude schoolvriendin van haar zus. Via sociëteit De Kring kwam ze ook in contact met het kunstenaarsverzet. Toen er in 1942 door de kunstenaars een fonds werd opgericht om diegenen financieel te ondersteunen die hadden geweigerd zich bij de Kultuurkamer aan te melden, kreeg Belinfante de verantwoordelijkheid over de verdeling van steun aan de musici. Ze verkocht haar cello om geld te fourneren voor dat fonds. Langzaam maar zeker groeide onder de kunstenaars het besef dat het riskant was steeds maar meer valse persoonsbewijzen te maken. Beter was het om het hele systeem te saboteren. Zo rijpte het plan om een aanslag te plegen op het Amsterdamse bevolkingsregister. Belinfante hoorde bij de groep die maandenlang het plan voorbereidde.
In juli 1945 keerde Belinfante terug naar Amsterdam, maar het werd een desillusie: haar vrienden van het kunstenaarsverzet waren dood en er was weinig aandacht voor mensen die terugkeerden uit de kampen en de onderduik. Toen de AVRO in 1946 een dirigent voor het omroeporkest zocht, kreeg ze te horen: ‘Nee Frieda, geen vrouw!’ (gecit. Boumans, 201). In de zomer van 1947 vertrok ze naar de Verenigde Staten. Ze vestigde zich in Californië, waar ze al snel een veelgevraagd celliste en muziekdocente werd. In 1954 was ze de eerste vrouwelijke dirigent van de VS die voor een professioneel orkest stond dat ze zelf had opgericht.
Tot op zeer hoge leeftijd bleef Belinfante muziekles geven. Jarenlang runde ze daarvoor haar eigen muziekschool. De laatste vijf jaar van haar leven woonde ze met Bobbie Minkin, sinds 1970 haar vriendin, in Santa Fe, New Mexico. Op 5 maart 1995 overleed Frieda Belinfante aan kanker, in de ouderdom van negentig jaar.
http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwe ... anteFrieda" onclick="window.open(this.href);return false;

