Let vooral op hoe geforceerd achteloos de auteur theologie gelijk probeert te stellen aan wetenschap, door constant te refereren aan "
andere wetenschappers" (naast de theologen, in zijn ogen blijkbaar de "ene wetenschappers"). Daarnaast staat er een aantal opmerkelijke beweringen in:
De theologische faculteit lijkt een geschikte plek om door te praten over het leven. Want theologen hebben altijd al de grote vragen van het leven als kern van hun onderzoek gehad.
Nog afgezien van de subjectiviteit die nodig is om een vraag als 'groot' te kunnen bestempelen, wordt op geen enkele wijze ingegaan op welke vragen dat dan zijn. De auteur gaat daar wederom achteloos aan voorbij, want...
(...) het rondetafelgesprek confronteert de aanwezige theologen met nieuwe indringende vragen.
Vragen die, zoals de auteur zelf al toegeeft, al eerder en beter door echte wetenschappers beantwoord zijn. En ik vraag me af wat Galileo Galilei van de volgende uitspraak had gevonden:
Altijd al deed de theologie haar best om in gesprek te zijn met andere wetenschappen.
Helaas geeft ook deze schrijver er aan het eind blijk van dat hij eigenlijk geen idee heeft hoe wetenschap precies werkt:
Theologen moeten de vraag blijven stellen wat het geheim van het leven is en ze moeten zich blijven afvragen wat God er mee te maken heeft.
Anders had hij geweten dat de vooringenomen conclusie, dat God er überhaupt iets mee te maken zou hebben, geen plaats heeft in serieus wetenschappelijk discours en precies het omgekeerde is van hoe wetenschap eigenlijk werkt. Niet voor niets trekt hij zelf al de onontkoombare conclusie over de treurige irrelevantie van theologie.
Theologen hebben nauwelijks meer zicht op wat zich afspeelt in andere vakgebieden. Dat verraadt een pijnlijk gebrek aan relevantie.