Het Ethische en Esthetische
Geplaatst: 24 okt 2011 13:52
“Het ethische en esthetische”
Men wil in beweging blijven omdat men vastzit in een stramien van behoeften vervullen, een vicieuze cirkel die oneindig is. Door allerelei sterke factoren zoals carrière moeten maken voor geld, omdat men afhankelijk is geworden van dit middel om te overleven.
Er zit telos in het feit dat een baby zich vasthoudt aan het leven: het wil groeien.
Vasthouden aan het leven veranderd het leven, het leven loslaten is de belichaming van de dood en alles om je heen zal met jou sterven omdat je omgeving een projectie van jouzelf is. Van wat je ‘bezit’.
Ik respecteer de meeste dingen van mensen naar buiten toe wel, maar van binnen niet.
Ik respecteer de meeste dingen van mensen niet om waarop men de toekenning van het esthetische basseerd. Bijvoorbeeld louter een emotie in het moment. Daaraan onmiddellijk commentaar toevoegen en het geheel als expressie, omwille van het ego dat gestreeld moet worden, gaat neerzetten.
Bestempelend dat men ervanuitgaat dat dit bevordelijk is voor de situatie naar de omgeving toe, voor zichzelf.
Dingen doen om je ‘de beste’ van de wereld te voelen. – “Men heeft dat te respecteren zo ook ik anderen respecteer”. Waarin hij zichzelf tegenspreekt, maar verdedigt, en tegelijkertijd een aanval pleegt op de mensen opdat ze hem imperatief zouden moeten opvatten.
Een gevoel van esthetische trots, zich quasi-identificerend met wat hij zóu moeten respecteren namelijk: niet de expressie ervan maar de ervaring waarin hij verkeerde op het moment vóór de expressie. En daarin ontstaat de misopvatting, want niet hij maar de ervaring (en niet de expressie) verdient het respect. Het korte besef dat deze ervaring met zich meebrengt wordt geïnterpreteerd als een gevolg van eigen ‘kunnen’, hij is immers degene met die ervaring in dat moment.
Hierdoor word het ego gestreeld, maar omdat dit al in zijn wortel zat zal zijn ego door dit soort uitlatingen en interpretaties ontwricht raken of al zijn. Daarmee verwijderd hij zich verder van de bron, de essentie, zijn overlever.
Echt in het moment leven maant je tot jezelf te komen, de kunst is om daar in het moment geen invulling aan te geven. Door in het moment te leven wordt welliswaar duidelijk welke plaats je in het bestaat inneemt, maar het is geen middel om erachter te komen wat voor esthetische toekomst er voor je in het verschiet ligt.
Mijn ethiek bestaat voor een groot deel uit het uitleggen ervan. Dus aan de ander uitleggen wat ik ‘het juiste’ vind omdat ik denk dat dat het juiste is. Niet dat ik het juiste ‘bezit’, maar überhaupt het uitleggen van de ethiek opzich zich zie ik als het juiste om te dóen. Het geeft mijn leven zin en inhoud, betekenis en telos.
"Er was eens een boom. Die boom bestond uit twee: de wortel en het blad. De wortel zorgde voor noodzakelijke zaken om het blad te laten bloeien. Samen wierpen zij vrucht af.
Waar de boom geplant was, was niet zijn keuze, dus waar zij haar vrucht afwierp ook niet. Al de boom de intentie had vanuit zijn bestaan om zich voort te planten wist zij niet of de vrucht in goede aarde zou vallen.
Een factor waarover de boom geen macht had, doch zijn intenties waren frequent aan het juiste.
Zo wierp de boom vrucht af.
Eén van die vruchten zou op een stenen ondergrond landden en was nu voor altijd afhankelijk van factoren buiten de boom om alsnog in het leven te komen, wat in wezen de bedoeling was.
Vervaarlijk werd de vrucht meegevoerd in het onbekende, door weer en wind.
Het had de drang om te leven doch kon niets doen om dit te beïnvloeden en gaf zich over aan het momentum.
Waar de vrucht zijn bestaan leidde dat voor hem bedoeld was; op de stenen ondergrond dan wel in goede aarde door invloeden van iets buiten de boom, wist de boom niet en de boom had daar geen belang bij.
De boom heeft geen schuld en de vrucht geen keuze. Beiden zijn overgeleverd aan een, zo lijkt, grillige realiteit van het bestaan. "
De zin van het leven manifesteert zich in telos (het doel).
Daarom stel ik essentie vooraf aan existentie. Zonder telos is er geen bestaan. Niets existeert zonder telos. Al het bestaan al was voordat we eraan konden toekennen dat het existeerde, toch was er al telos. Het telos existeert in het bestaan. Er moet dus eerst iets bestaan eer er telos is. Maar alles wat bestaat heeft telos, dus zonder telos bestaat het niet. Als we iets doen zonder doel, doen we het om die reden: het doel wordt dan het doen om dat het ‘geen doel’ heeft.
Telos heeft de functie om zin aan ons bestaan toe te kennen. Daarin is telos geen nevenverschijnsel van het bestaan om ons heen in esthetische zin, eerder het tegenovergestelde.
Daarin ligt de misopvatting dat telos betekend dat we het bestaan moeten beïnvloeden om het te kunnen laten existeren. Verlossing betekend dat we het eerst los van elkaar moeten zien eer we het kunnen samenvoegen. Dus uit het esthetische bestaan telos halen en deze samen laten vloeien met ons ‘zelf’ om tot het ethische te komen. Er treedt dan synthese op en daarmede bewustwording van onze telos ten opzichte van het bestaan om in te zien dat ook wij als mens niet kunnen existeren zonder telos. Maar omdat wij tot stand zijn gekomen door de ander líjkt het alsof we overgeleverd zijn aan een grillige realiteit en líjkt het alsof we een zinloos bestaan leiden(leze: lijden) vol tijdsverdrijf. Omdat we als ‘dier’ nog geen mens geworden zijn en telos nog niet uit het bestaan kunnen halen. We moet het dus eerst veralgemeniseren alvorens het toe te kennen aan ons ‘zelf’ en niet in de vorm van bezitten.
Kind zijn om weer kind te worden, als het ware in wezen.
Niet door afwezig te zijn in je kindertijd, maar door de onschuld ‘terug te winnen’.
‘Het eeuwige leven’ existeert in de eeuwige waarheid die in de geest, het psychische, verborgen ligt en die kan het verbinden met het eindige (zijn lichaam) door te leven. Ik heb het hier over het lichaam van de geest. Iets wordt pas iets door wat de geest eraan toekent. De toekomst wordt pas iets als het al in het verleden ligt. Het resultaat van mijn handelen in het nu wordt pas duidelijk als het in het verleden ligt. Ik kan mij dus niet eens bewustzijn van het moment want als ik dat wordt, reflecteer ik al op het voorbijgegane. Het resultaat van mijn handelen, wordt pas als het juiste ervaren door de esthetische waarde die ik eraan toeken: “En hij zag dat het goed was”. Mijn handelen zelf dient ethisch te zijn in de onschuld (of het niet bewust van schuld zijn) van het moment. Geen moment laat ik in het moment mijn absolute kiezen los doch houd ik er ook niet aan vast, krachtens het absurde: mijn geloof.
Alles wat ik wel of niet doe dient in waarlijke verlossing van mijn ‘zelf’, als ik een mens ben geworden die in verhouding tot mijn overlever staat, zijn telos te vinden.
Ik leef esthetisch ondermaats om ethisch bovenmaats te kunnen leven, want als ik esthetisch bovenmaats leef, leef ik ethisch ondermaats. Het lijkt alsof ik niet meer in balans wil zijn omdat ik gekozen heb voor het ethische, eigenlijk voor mijn overlever.
Mijn trots zet ik niet opzij door middel van het te laten zien aan anderen dat ik mijn trots opzij heb gezet.
Want dan word het iets waar ik trots op kan zijn. Mijn trots bestaat uit de waarde die ik toeken aan al het materiële en esthetische. Als ik in plaats hiervan de waarde toeken aan het ethische, valt trots in het niets. Want als ik aan dat gegeven waarde zou toekennen zou ik er onmiddellijk iets esthetisch van maken. De trots die ik dan voel is in werkelijkheid respect geworden. Een diep respect voor mijn overlever.
Ik wil alleen werken voor datgene wat ik nodig acht om te overleven.
Is dat voor een ander verschillend dan voor mij, dan dient hij dat zelf te regelen.
“Goede adviezen bestaan niet want mensen zijn corrupt.” –Maar in elk advies ligt wel een persoonlijke dialectische boodschap.
Het ‘hiernamaals’ manifesteert zich in wat je achterlaat in de taak van je telos. Zodoende kan je in de “hemel” komen als je iets goeds achterlaat na je dood opdat dat goede eeuwig moge doorexisteren in de ander (zoals bij Christus/Mohammed/Ghandi het geval was). Je ‘bevind’ je echter in de “hel” als je iets verkeerds/het kwade achterlaat na je dood opdat het kwade door zal existeren in de ander. Zodoende brengt met het kwade of het goede in de ander tot stand. Tevens is hiermee een middel gevonden tegen de erfzonde.
Op die manier zou je spreekwoordelijk kunnen wandelen met je overlever omdat je dan onderdeel bent geworden van de waarheid die in een ieder existeert.
Met dat we als mens-dier fysiek aan de top van de voedselketen staan, staan we mentaal helemaal onderaan. Het lijkt een soort vervloeking van de mensen om te kunnen bedenken dat we de vogel wíllen zijn maar het nooit ervan bewust kunnen worden omdat je als vogel dat niet nodig hebt. We kunnen de vogel wel ‘worden’ in tijd, door aanstoot aan hem te nemen en hem als voorbeeld te nemen, maar we kunnen de vogel nooit ‘zijn’.
Ons leven is een voortdurend strijden tegen de ergernis die JC (Jezus Christus) tot stand heeft gebracht opdat we er verlost (ons er los van zien) van kunnen worden in het besef: dat wat we acherlaten doorexisteerd in de ander. Ik schrijf dat met een ‘d’ omdat ik reflecteer op de voltooid-verledentijd.
Ergens ga ik mij onderscheiden van de filosoof. Namelijk daar een filosoof de filosofie niet bedrijft om er beter van te worden of om er iets nuttigs mee te produceren. De kennis die hij nastreeft is enkel ‘in de kunst van de kunst’ en louter omwille van zichelf.
Kan ik daaruit opmaken dat hij het, omdat hij het omwille van zichzelf doet, doet om er zelf juist wél beter van te worden? Dan slaat hij de plank volledig mis en is hij blijven hangen in wijsgerigheid.
Kan ik daaruit opmaken dat hij, omdat hij het omwille van zichzelf doet, doet om er zélf juist beter van te worden in verhouding tot zijn telos (dat zich zal manifesteren in het hiernamaals)? Dan beaam ik zijn wijze. Doch daar gezegd werd dat hij ‘niets nuttigs’ zou willen produceren, dan vind ik geen existentie in zijn raaskallen.
Wat ik wél genoemd word, ken ik niet.
Men noemt mij niet, want ik ben niet een god: ik ben een mens.
Ik zou ‘mij’ kunnen benoemen: een veralgemeniseerd-individualistisch wezen.
Als een (geestelijk) arme man aan mij zou vragen waarom ik existentie zie in het kiezen voor het juiste, dan zou ik hem willen antwoorden met de woorden: “Zodat we ons goed kunnen voelen!”. Hoe ernstig de misopvatting zou worden als ik dit antwoord zou geven stijgt ‘buiten proporties’ uit. Toch ligt voor mij niets anders in de mond dan die waarheid.
Zij die denke dat ik hedonistisch overkom: neem aanstoot aan mijn leefwijze! En dan niet in esthetische(indirecte) zin maar in ethische(directe) zin, dus vanuit mijn subject, want vanuit mijn objectieve ‘zijn’ vallen slechts –dialectisch ten opzichte van mij als subject- complexheden te halen waarin ik dan plotseling als verklarende factor zou moeten optreden. Zodoende verafschuw ik het esthetische dat ik tot stand heb gebracht. Uit het esthetische wat anderen tot stand brengen kan ik oneindig lering trekken.
Griekse filosofen ontdekten de waarheid in het subjectieve. Ze geloofden eerst in ‘goden’(het objectieve) en daarna in ‘god’(het subjectieve).
Het bewustzijn is tot stand gebracht, het was er niet altijd. Vòòr het bewustzijn kwam de onschuld: het niet bewust zijn van schuld. Het bewustzijn is tot stand gebracht door het subject dat als éérste de waarheid in zichzelf zocht en het niet aan een externe factor toekende: het was waarheid omdat “hij dat zei”.
Het bewijs van de waarheid wordt dan niet in het objectieve maar in het subjectieve gezocht. Dit is in sterke mate aanwezig bij Plato toen hij dit voor het eerst deed. Hij creëerde daarmee zijn eigen bewustzijn opdat dat het juiste was dat hem te doen stond in zijn existentie. Hoe kan ik, als iparcholoog, anders tot deze wijsheden komen? Het bewustzijn creëeren was zijn telos (bedoeling van zijn leven in dienst van het het hogere doel).
Het is absoluut nutteloos om met de onwetende in rede te gaan als je de rede begint met hem iets te willen overtuigen. Door naar hem te luisteren, echter, kun je als je een spiegel fungeren die haar waarheden op dialectische wijze onthuld. En daar hij wetende is geworden ziet hij het nut van mijn handelen in. Nog steeds word de intentie om de ander te overtuigen hiern verscholen in de weet dat als de ander wetende wordt, hij het zal weten dat je het bedoelde om hem te overtuigen. “Tricky!
”, zegt hij dan.
Parmenides stelt dat het zijnde(werkelijkheid) en ‘het denken’ identiek aan elkaar zijn. In zekere zin is dit ook waar, maar het wordt een onwaarheid als het zich gaat verhouden tot een object, want dat object komt voort uit dat een subject er een object van heeft gemaakt. Als iemand een stenen beeldje kleid en beweerd dat het Einstein is (al lijkt het in de verste verte niet op Einstein), dan is dit in feite alleen zo omdat het subject dat toekent aan het object en is in die zin de waarheid. Doch als subject van buitenaf kan je die waarheid nooit aan het subject onttrekken, mits de subjectieve erbij verteldt dat het Einstein moet voorstellen.
Dus wat mij verteld wordt kan ik enkel en alleen aannemen als de waarheid als het zich verhoud tot mijn subjectiviteit. Wat de ander zegt is dus in objectieve zin altijd onwaarheid: het beeldje lijkt immers in zijn totaliteit niet op Einstein.
Uiteindelijk overwint de waarheid, alleen al omdat het kwade eerst in esthetische zin zal overwinnen, zal het goede in esthetische zin ook overwinnen krachtens de paradox. Het ethische is wat overblijft in de zogenoemde “ideale” wereld waarin het kwade niet meer bestaat en het ethische en esthetische met elkaar in balans is. Zie het als een soort leven als we nu leven maar dan op de juiste manier, en begrijp ‘het juiste’ hierin niet als een fantastische droom die waarheid word.
Daarom kan je zelf kiezen of je daaraan deel wil nemen of niet. Ongetwijfeld is het niet voor iedereen weggelegd dat in levende lijve mee te maken… Maar wie weet.. ooit.. in een gereïncarneerd wezen. Reïncarnatie in de zin van dat het lichaam en de geest altijd door existeren in de ander en het andere en dus zou je, in theorie, ooit weer een mens kunnen worden.
Als je ‘ja’ zegt als je twijfelt, dan zal je nooit weten waarom je twijfelde. Als je ‘nee’ zegt, als je twijfelt, dan weet je nooit hoe het gegaan zou zijn en mis je in feite ook niks. Plus je ‘ja’ tegen iets nieuws waarover je níet twijfelt, is dan echt een ‘ja’. Als je ‘nee’ zegt tegen iets waarover je twijfelt en het komt tóch weer op je pad, dan weet je op dat moment wel of je opnieuw twijfelt of volmondig ‘ja’ of ‘nee’ antwoord. Een ‘nee’ kan pas een ‘ja’ worden als ‘dat’ in een nieuwe situatie wordt aangeboden. Je kunt niet zelf besluiten dat het ‘nee’ een ‘ja’ wordt als wat in kwestie helemaal niet uit jou voortkomt in de eerste plaats. Alles wat niet uit jou voortkomt maar wel op je pad = een geschenk. Dan word het ludiek om zelf relatief weinig voort te brengen op dat je meer gaat appricieren wat op je pad komt.
Het dialectisch “gevecht” met mezelf: constant de betekenis in dingen die op me pad komen proberen in te zien “drives me crazy”. Daarmede begeef ik mij buiten het moment en laat ik het niet vloeien.
Daar komt het probleem van een kerk in zicht: de waarheden die het subject verkregen heeft daarvan wordt een object gemaakt. In de vorm van beeldigheden in de kerk en thuis. Van een object valt echter geen waarheid te onttrekken. Mogelijk is dat één van de oorzaken van depressie in deze maatschappij omdat zelfs wat men nu als het meest juiste ervaart ook een misopvatting in zijn ethiek heeft. Zodoende vind ik dat er fundamenteel iets ‘mis’ is met deze maatschappij, in esthetisch-ethische manier van spreken.
Op een bepaald punt zullen we dus vanuit de kiem iets nieuws moeten opbouwen. We moeten een luid, duidelijk en logisch antwoord vinden als Jan Modaal ons vraagt wat er mis is met het begrip ‘esthetisch’ opdat het begrip zijn naam eer aan mag doen in wat, niet mooi, maar waarlijk schoon is.
Een zodanig inzicht komt bij beroemdheden vaak pas na de mid-life fase. Zij zijn immers een boegbeeld van de maatschappij en oefenen invloed uit. Ik zeg niet dat alle beroemdheden een ‘John Lennon’ moeten worden maar moeten hun leefwijze aanpassen aan het ethische beeld van wat men van hun heeft en het resultaat van dat handelen, laten zien in de talenten die hun de beroemdheid heeft verschaft. Het is zaak dat beroemdheden in hun privéleven zich ook aan deze ethische ‘regels’ houdt want alleen dan kunnen mensen de waarheden aan de beroemdheden als object onttrekken. Zo zeggen de mensen ook dat het beelde Einstein moet voorstellen. De maker(de beroemdheid) dient dat dan te beamen, want dat was namelijk de naam van het beeldje en hij heeft dat, omdat hij (in het subjectief-verborgene) vasthield aan de waarheid die hij eraan toekende en dat (blijkbaar in de context van dit verhaal) heeft kunnen overbrengen op de mensen met behulp van zijn talenten. Als het beeldje daadwerkelijk op Einstein lijkt kunnen de mensen het herkennen, als de maker niet vasthoud aan de ethische waarheid dat het Einstein moet voorstellen, dan is dat schokkend voor de mensen: de maker van het beeldje “Einstein” beweerd dat het Einstein niet is! Wat een tegenspraak! Wat verkeerd! Daarom dienen beroemdheden vast te houden aan het ethische beeld dat men van hun heeft, wat ze uiteindelijk zelf tot stand hebben gebracht en wel vanuit het subjectief-verborgene.
Mijn complimenten als u de moeite heeft genomen dit alles te lezen, graag keiharde feedback!
Men wil in beweging blijven omdat men vastzit in een stramien van behoeften vervullen, een vicieuze cirkel die oneindig is. Door allerelei sterke factoren zoals carrière moeten maken voor geld, omdat men afhankelijk is geworden van dit middel om te overleven.
Er zit telos in het feit dat een baby zich vasthoudt aan het leven: het wil groeien.
Vasthouden aan het leven veranderd het leven, het leven loslaten is de belichaming van de dood en alles om je heen zal met jou sterven omdat je omgeving een projectie van jouzelf is. Van wat je ‘bezit’.
Ik respecteer de meeste dingen van mensen naar buiten toe wel, maar van binnen niet.
Ik respecteer de meeste dingen van mensen niet om waarop men de toekenning van het esthetische basseerd. Bijvoorbeeld louter een emotie in het moment. Daaraan onmiddellijk commentaar toevoegen en het geheel als expressie, omwille van het ego dat gestreeld moet worden, gaat neerzetten.
Bestempelend dat men ervanuitgaat dat dit bevordelijk is voor de situatie naar de omgeving toe, voor zichzelf.
Dingen doen om je ‘de beste’ van de wereld te voelen. – “Men heeft dat te respecteren zo ook ik anderen respecteer”. Waarin hij zichzelf tegenspreekt, maar verdedigt, en tegelijkertijd een aanval pleegt op de mensen opdat ze hem imperatief zouden moeten opvatten.
Een gevoel van esthetische trots, zich quasi-identificerend met wat hij zóu moeten respecteren namelijk: niet de expressie ervan maar de ervaring waarin hij verkeerde op het moment vóór de expressie. En daarin ontstaat de misopvatting, want niet hij maar de ervaring (en niet de expressie) verdient het respect. Het korte besef dat deze ervaring met zich meebrengt wordt geïnterpreteerd als een gevolg van eigen ‘kunnen’, hij is immers degene met die ervaring in dat moment.
Hierdoor word het ego gestreeld, maar omdat dit al in zijn wortel zat zal zijn ego door dit soort uitlatingen en interpretaties ontwricht raken of al zijn. Daarmee verwijderd hij zich verder van de bron, de essentie, zijn overlever.
Echt in het moment leven maant je tot jezelf te komen, de kunst is om daar in het moment geen invulling aan te geven. Door in het moment te leven wordt welliswaar duidelijk welke plaats je in het bestaat inneemt, maar het is geen middel om erachter te komen wat voor esthetische toekomst er voor je in het verschiet ligt.
Mijn ethiek bestaat voor een groot deel uit het uitleggen ervan. Dus aan de ander uitleggen wat ik ‘het juiste’ vind omdat ik denk dat dat het juiste is. Niet dat ik het juiste ‘bezit’, maar überhaupt het uitleggen van de ethiek opzich zich zie ik als het juiste om te dóen. Het geeft mijn leven zin en inhoud, betekenis en telos.
"Er was eens een boom. Die boom bestond uit twee: de wortel en het blad. De wortel zorgde voor noodzakelijke zaken om het blad te laten bloeien. Samen wierpen zij vrucht af.
Waar de boom geplant was, was niet zijn keuze, dus waar zij haar vrucht afwierp ook niet. Al de boom de intentie had vanuit zijn bestaan om zich voort te planten wist zij niet of de vrucht in goede aarde zou vallen.
Een factor waarover de boom geen macht had, doch zijn intenties waren frequent aan het juiste.
Zo wierp de boom vrucht af.
Eén van die vruchten zou op een stenen ondergrond landden en was nu voor altijd afhankelijk van factoren buiten de boom om alsnog in het leven te komen, wat in wezen de bedoeling was.
Vervaarlijk werd de vrucht meegevoerd in het onbekende, door weer en wind.
Het had de drang om te leven doch kon niets doen om dit te beïnvloeden en gaf zich over aan het momentum.
Waar de vrucht zijn bestaan leidde dat voor hem bedoeld was; op de stenen ondergrond dan wel in goede aarde door invloeden van iets buiten de boom, wist de boom niet en de boom had daar geen belang bij.
De boom heeft geen schuld en de vrucht geen keuze. Beiden zijn overgeleverd aan een, zo lijkt, grillige realiteit van het bestaan. "
De zin van het leven manifesteert zich in telos (het doel).
Daarom stel ik essentie vooraf aan existentie. Zonder telos is er geen bestaan. Niets existeert zonder telos. Al het bestaan al was voordat we eraan konden toekennen dat het existeerde, toch was er al telos. Het telos existeert in het bestaan. Er moet dus eerst iets bestaan eer er telos is. Maar alles wat bestaat heeft telos, dus zonder telos bestaat het niet. Als we iets doen zonder doel, doen we het om die reden: het doel wordt dan het doen om dat het ‘geen doel’ heeft.
Telos heeft de functie om zin aan ons bestaan toe te kennen. Daarin is telos geen nevenverschijnsel van het bestaan om ons heen in esthetische zin, eerder het tegenovergestelde.
Daarin ligt de misopvatting dat telos betekend dat we het bestaan moeten beïnvloeden om het te kunnen laten existeren. Verlossing betekend dat we het eerst los van elkaar moeten zien eer we het kunnen samenvoegen. Dus uit het esthetische bestaan telos halen en deze samen laten vloeien met ons ‘zelf’ om tot het ethische te komen. Er treedt dan synthese op en daarmede bewustwording van onze telos ten opzichte van het bestaan om in te zien dat ook wij als mens niet kunnen existeren zonder telos. Maar omdat wij tot stand zijn gekomen door de ander líjkt het alsof we overgeleverd zijn aan een grillige realiteit en líjkt het alsof we een zinloos bestaan leiden(leze: lijden) vol tijdsverdrijf. Omdat we als ‘dier’ nog geen mens geworden zijn en telos nog niet uit het bestaan kunnen halen. We moet het dus eerst veralgemeniseren alvorens het toe te kennen aan ons ‘zelf’ en niet in de vorm van bezitten.
Kind zijn om weer kind te worden, als het ware in wezen.
Niet door afwezig te zijn in je kindertijd, maar door de onschuld ‘terug te winnen’.
‘Het eeuwige leven’ existeert in de eeuwige waarheid die in de geest, het psychische, verborgen ligt en die kan het verbinden met het eindige (zijn lichaam) door te leven. Ik heb het hier over het lichaam van de geest. Iets wordt pas iets door wat de geest eraan toekent. De toekomst wordt pas iets als het al in het verleden ligt. Het resultaat van mijn handelen in het nu wordt pas duidelijk als het in het verleden ligt. Ik kan mij dus niet eens bewustzijn van het moment want als ik dat wordt, reflecteer ik al op het voorbijgegane. Het resultaat van mijn handelen, wordt pas als het juiste ervaren door de esthetische waarde die ik eraan toeken: “En hij zag dat het goed was”. Mijn handelen zelf dient ethisch te zijn in de onschuld (of het niet bewust van schuld zijn) van het moment. Geen moment laat ik in het moment mijn absolute kiezen los doch houd ik er ook niet aan vast, krachtens het absurde: mijn geloof.
Alles wat ik wel of niet doe dient in waarlijke verlossing van mijn ‘zelf’, als ik een mens ben geworden die in verhouding tot mijn overlever staat, zijn telos te vinden.
Ik leef esthetisch ondermaats om ethisch bovenmaats te kunnen leven, want als ik esthetisch bovenmaats leef, leef ik ethisch ondermaats. Het lijkt alsof ik niet meer in balans wil zijn omdat ik gekozen heb voor het ethische, eigenlijk voor mijn overlever.
Mijn trots zet ik niet opzij door middel van het te laten zien aan anderen dat ik mijn trots opzij heb gezet.
Want dan word het iets waar ik trots op kan zijn. Mijn trots bestaat uit de waarde die ik toeken aan al het materiële en esthetische. Als ik in plaats hiervan de waarde toeken aan het ethische, valt trots in het niets. Want als ik aan dat gegeven waarde zou toekennen zou ik er onmiddellijk iets esthetisch van maken. De trots die ik dan voel is in werkelijkheid respect geworden. Een diep respect voor mijn overlever.
Ik wil alleen werken voor datgene wat ik nodig acht om te overleven.
Is dat voor een ander verschillend dan voor mij, dan dient hij dat zelf te regelen.
“Goede adviezen bestaan niet want mensen zijn corrupt.” –Maar in elk advies ligt wel een persoonlijke dialectische boodschap.
Het ‘hiernamaals’ manifesteert zich in wat je achterlaat in de taak van je telos. Zodoende kan je in de “hemel” komen als je iets goeds achterlaat na je dood opdat dat goede eeuwig moge doorexisteren in de ander (zoals bij Christus/Mohammed/Ghandi het geval was). Je ‘bevind’ je echter in de “hel” als je iets verkeerds/het kwade achterlaat na je dood opdat het kwade door zal existeren in de ander. Zodoende brengt met het kwade of het goede in de ander tot stand. Tevens is hiermee een middel gevonden tegen de erfzonde.
Op die manier zou je spreekwoordelijk kunnen wandelen met je overlever omdat je dan onderdeel bent geworden van de waarheid die in een ieder existeert.
Met dat we als mens-dier fysiek aan de top van de voedselketen staan, staan we mentaal helemaal onderaan. Het lijkt een soort vervloeking van de mensen om te kunnen bedenken dat we de vogel wíllen zijn maar het nooit ervan bewust kunnen worden omdat je als vogel dat niet nodig hebt. We kunnen de vogel wel ‘worden’ in tijd, door aanstoot aan hem te nemen en hem als voorbeeld te nemen, maar we kunnen de vogel nooit ‘zijn’.
Ons leven is een voortdurend strijden tegen de ergernis die JC (Jezus Christus) tot stand heeft gebracht opdat we er verlost (ons er los van zien) van kunnen worden in het besef: dat wat we acherlaten doorexisteerd in de ander. Ik schrijf dat met een ‘d’ omdat ik reflecteer op de voltooid-verledentijd.
Ergens ga ik mij onderscheiden van de filosoof. Namelijk daar een filosoof de filosofie niet bedrijft om er beter van te worden of om er iets nuttigs mee te produceren. De kennis die hij nastreeft is enkel ‘in de kunst van de kunst’ en louter omwille van zichelf.
Kan ik daaruit opmaken dat hij het, omdat hij het omwille van zichzelf doet, doet om er zelf juist wél beter van te worden? Dan slaat hij de plank volledig mis en is hij blijven hangen in wijsgerigheid.
Kan ik daaruit opmaken dat hij, omdat hij het omwille van zichzelf doet, doet om er zélf juist beter van te worden in verhouding tot zijn telos (dat zich zal manifesteren in het hiernamaals)? Dan beaam ik zijn wijze. Doch daar gezegd werd dat hij ‘niets nuttigs’ zou willen produceren, dan vind ik geen existentie in zijn raaskallen.
Wat ik wél genoemd word, ken ik niet.
Men noemt mij niet, want ik ben niet een god: ik ben een mens.
Ik zou ‘mij’ kunnen benoemen: een veralgemeniseerd-individualistisch wezen.
Als een (geestelijk) arme man aan mij zou vragen waarom ik existentie zie in het kiezen voor het juiste, dan zou ik hem willen antwoorden met de woorden: “Zodat we ons goed kunnen voelen!”. Hoe ernstig de misopvatting zou worden als ik dit antwoord zou geven stijgt ‘buiten proporties’ uit. Toch ligt voor mij niets anders in de mond dan die waarheid.
Zij die denke dat ik hedonistisch overkom: neem aanstoot aan mijn leefwijze! En dan niet in esthetische(indirecte) zin maar in ethische(directe) zin, dus vanuit mijn subject, want vanuit mijn objectieve ‘zijn’ vallen slechts –dialectisch ten opzichte van mij als subject- complexheden te halen waarin ik dan plotseling als verklarende factor zou moeten optreden. Zodoende verafschuw ik het esthetische dat ik tot stand heb gebracht. Uit het esthetische wat anderen tot stand brengen kan ik oneindig lering trekken.
Griekse filosofen ontdekten de waarheid in het subjectieve. Ze geloofden eerst in ‘goden’(het objectieve) en daarna in ‘god’(het subjectieve).
Het bewustzijn is tot stand gebracht, het was er niet altijd. Vòòr het bewustzijn kwam de onschuld: het niet bewust zijn van schuld. Het bewustzijn is tot stand gebracht door het subject dat als éérste de waarheid in zichzelf zocht en het niet aan een externe factor toekende: het was waarheid omdat “hij dat zei”.
Het bewijs van de waarheid wordt dan niet in het objectieve maar in het subjectieve gezocht. Dit is in sterke mate aanwezig bij Plato toen hij dit voor het eerst deed. Hij creëerde daarmee zijn eigen bewustzijn opdat dat het juiste was dat hem te doen stond in zijn existentie. Hoe kan ik, als iparcholoog, anders tot deze wijsheden komen? Het bewustzijn creëeren was zijn telos (bedoeling van zijn leven in dienst van het het hogere doel).
Het is absoluut nutteloos om met de onwetende in rede te gaan als je de rede begint met hem iets te willen overtuigen. Door naar hem te luisteren, echter, kun je als je een spiegel fungeren die haar waarheden op dialectische wijze onthuld. En daar hij wetende is geworden ziet hij het nut van mijn handelen in. Nog steeds word de intentie om de ander te overtuigen hiern verscholen in de weet dat als de ander wetende wordt, hij het zal weten dat je het bedoelde om hem te overtuigen. “Tricky!
Parmenides stelt dat het zijnde(werkelijkheid) en ‘het denken’ identiek aan elkaar zijn. In zekere zin is dit ook waar, maar het wordt een onwaarheid als het zich gaat verhouden tot een object, want dat object komt voort uit dat een subject er een object van heeft gemaakt. Als iemand een stenen beeldje kleid en beweerd dat het Einstein is (al lijkt het in de verste verte niet op Einstein), dan is dit in feite alleen zo omdat het subject dat toekent aan het object en is in die zin de waarheid. Doch als subject van buitenaf kan je die waarheid nooit aan het subject onttrekken, mits de subjectieve erbij verteldt dat het Einstein moet voorstellen.
Dus wat mij verteld wordt kan ik enkel en alleen aannemen als de waarheid als het zich verhoud tot mijn subjectiviteit. Wat de ander zegt is dus in objectieve zin altijd onwaarheid: het beeldje lijkt immers in zijn totaliteit niet op Einstein.
Uiteindelijk overwint de waarheid, alleen al omdat het kwade eerst in esthetische zin zal overwinnen, zal het goede in esthetische zin ook overwinnen krachtens de paradox. Het ethische is wat overblijft in de zogenoemde “ideale” wereld waarin het kwade niet meer bestaat en het ethische en esthetische met elkaar in balans is. Zie het als een soort leven als we nu leven maar dan op de juiste manier, en begrijp ‘het juiste’ hierin niet als een fantastische droom die waarheid word.
Daarom kan je zelf kiezen of je daaraan deel wil nemen of niet. Ongetwijfeld is het niet voor iedereen weggelegd dat in levende lijve mee te maken… Maar wie weet.. ooit.. in een gereïncarneerd wezen. Reïncarnatie in de zin van dat het lichaam en de geest altijd door existeren in de ander en het andere en dus zou je, in theorie, ooit weer een mens kunnen worden.
Als je ‘ja’ zegt als je twijfelt, dan zal je nooit weten waarom je twijfelde. Als je ‘nee’ zegt, als je twijfelt, dan weet je nooit hoe het gegaan zou zijn en mis je in feite ook niks. Plus je ‘ja’ tegen iets nieuws waarover je níet twijfelt, is dan echt een ‘ja’. Als je ‘nee’ zegt tegen iets waarover je twijfelt en het komt tóch weer op je pad, dan weet je op dat moment wel of je opnieuw twijfelt of volmondig ‘ja’ of ‘nee’ antwoord. Een ‘nee’ kan pas een ‘ja’ worden als ‘dat’ in een nieuwe situatie wordt aangeboden. Je kunt niet zelf besluiten dat het ‘nee’ een ‘ja’ wordt als wat in kwestie helemaal niet uit jou voortkomt in de eerste plaats. Alles wat niet uit jou voortkomt maar wel op je pad = een geschenk. Dan word het ludiek om zelf relatief weinig voort te brengen op dat je meer gaat appricieren wat op je pad komt.
Het dialectisch “gevecht” met mezelf: constant de betekenis in dingen die op me pad komen proberen in te zien “drives me crazy”. Daarmede begeef ik mij buiten het moment en laat ik het niet vloeien.
Daar komt het probleem van een kerk in zicht: de waarheden die het subject verkregen heeft daarvan wordt een object gemaakt. In de vorm van beeldigheden in de kerk en thuis. Van een object valt echter geen waarheid te onttrekken. Mogelijk is dat één van de oorzaken van depressie in deze maatschappij omdat zelfs wat men nu als het meest juiste ervaart ook een misopvatting in zijn ethiek heeft. Zodoende vind ik dat er fundamenteel iets ‘mis’ is met deze maatschappij, in esthetisch-ethische manier van spreken.
Op een bepaald punt zullen we dus vanuit de kiem iets nieuws moeten opbouwen. We moeten een luid, duidelijk en logisch antwoord vinden als Jan Modaal ons vraagt wat er mis is met het begrip ‘esthetisch’ opdat het begrip zijn naam eer aan mag doen in wat, niet mooi, maar waarlijk schoon is.
Een zodanig inzicht komt bij beroemdheden vaak pas na de mid-life fase. Zij zijn immers een boegbeeld van de maatschappij en oefenen invloed uit. Ik zeg niet dat alle beroemdheden een ‘John Lennon’ moeten worden maar moeten hun leefwijze aanpassen aan het ethische beeld van wat men van hun heeft en het resultaat van dat handelen, laten zien in de talenten die hun de beroemdheid heeft verschaft. Het is zaak dat beroemdheden in hun privéleven zich ook aan deze ethische ‘regels’ houdt want alleen dan kunnen mensen de waarheden aan de beroemdheden als object onttrekken. Zo zeggen de mensen ook dat het beelde Einstein moet voorstellen. De maker(de beroemdheid) dient dat dan te beamen, want dat was namelijk de naam van het beeldje en hij heeft dat, omdat hij (in het subjectief-verborgene) vasthield aan de waarheid die hij eraan toekende en dat (blijkbaar in de context van dit verhaal) heeft kunnen overbrengen op de mensen met behulp van zijn talenten. Als het beeldje daadwerkelijk op Einstein lijkt kunnen de mensen het herkennen, als de maker niet vasthoud aan de ethische waarheid dat het Einstein moet voorstellen, dan is dat schokkend voor de mensen: de maker van het beeldje “Einstein” beweerd dat het Einstein niet is! Wat een tegenspraak! Wat verkeerd! Daarom dienen beroemdheden vast te houden aan het ethische beeld dat men van hun heeft, wat ze uiteindelijk zelf tot stand hebben gebracht en wel vanuit het subjectief-verborgene.
Mijn complimenten als u de moeite heeft genomen dit alles te lezen, graag keiharde feedback!