Over deze – mijn eigen - definitie nadenkend kom ik tot de volgende beweringen.
- Als men een slaaf is van één specifiek verlangen, dan heeft men géén vrije wil. Juridisch is men dan minder toerekeningsvatbaar, filosofisch determineert het verlangen dan je handelingen.
- Als men een slaaf is van zijn geindoctrineerde moraal, dan heeft men evenmin vrije wil. Juridisch komt men daar overigens niet mee weg. Maar filosofisch gezien determineerd dan die indoctrinatie je handelingen.
- Als men een handeling slechts uitvoerd omdat men bedreigt wordt of gefolterd, dan heeft men juridisch geen vrije wil, maar filosofisch gezien heeft men nog altijd de vrijheid de bedreigingen of de pijn te negeren. Er zijn uiteraard maar weinig mensen die dat ook kúnnen.
Wanneer wij ons uitspreken over de moreel juiste keuze in een theoretisch gevalm kunnen we waarschijnlijk ook een handeling kiezen die van vrije wil zou getuigen. In de praktijk is dat echter wel anders. We doen dan vaak iets anders dan we in theorie voorstaan. Vaak gaan we op de automatische piloot, en nog vaker “bevriezen” we als we voor een dillemma staan,
Dus ook onder deze definitie is het niet altijd duidelijk dat er van enige vrije wil sprake is,
De – in mijn ogen – verstandigste opmerking kwam van onze vriend Sietse, die stelde dat we altijd een beperkte vrijheid hebben en dat het niet juist is om te beweren dat wij geheel vrij of geheel onvrij zouden zijn in onze keuzes.
Als vtije wil bestaat dan is dat slechts gedurende de tijd dat wij nog geen keuze hebben gemaakt. Achteraf is er immers geen – andere – keuze meer mogelijk.