Vrije wil in juridische zin.
Geplaatst: 03 aug 2017 11:50
ik start dit topic bewust niet in ethische dillema's noch in wetenschap, omdat het hier niet zozeer om de rechtspraak als om de wetenschap gaat, maar om de betekenis van de uitdrukking "vrije wil".
De reden waarom hij hier toch ter sprake moet komen is dat onnadenkende niet-juristen menen, dat als de vrije wil, zoals zij die zien (de filosofische) niet bestaat, ook het begrip in de rechtspraak niet bestaat. Het is echter heel wat anders!
Ik start uiteraard weer in wikipedia Een belangrijk punt is bijvoorbeeld de veronderstelling dat de persoon in kwestie de wet kent. Dit is soms helemaal niet het geval, maar daar wordt wel van uitgegaan. Iets anders is de verwijtbaarheid. Als iemand schade toebrengt in hoeverre kan men deze de persoon verwijten. En uiteraard speelt daarbij de toerekeningsvatbaarheid. De Juridische uitkomst wil helemaal niet zeggen dat iemand die minder toerekeningsvatbaar er beter van afkomt. Levenslange tbs is voor de meesten onder ons een zwaardere straf dan 6 jaar gevangenis. Ook de kennis van de persoon speelt mee. Iedereen wordt weliswaar geacht de wet te kennen maar niet iedereen wordt geacht elk gevolg van elke handeling te kunnen voorspellen. Het gaat er daarom om in hoeverre (uitgaande van kennis der wet) iemand die gevolgen blijkbaar heeft gewild. Of ze daadwerkelijk gewild waren (vanwege onvolledige wetskennis) is daarbij niet (altijd) van belang.
Een tweede pagina leert ons dat de betekenis van deze wil per onderwerp kan verschillen. In het strafrecht gaat het om de wil tot gedraging, niet om de wil tot rechtsgevolgen, terwijl dat laatste in het privaatrecht juist een grote rol kan spelen. Als wij de psychologische vrije wil met de juridische willen vergelijken, dan is de wil tot handeling belangrijker dan de wil tot rechtsgevolgen. In tegenstelling tot de rechtspraak mag de psycholoog er niet van uitgaan dat iedereen de wet kent. Hetzelfde geldt voor de ethicus.
Ontoerekeningsvatbaarheid betekent daarbij niet dat iemand de handeling niet gewild heeft, het betekent slechts dat wij de handeling minder verwijtbaar achten. Het is moeilijk te bepalen of iemand met een dwangneurose werkelijk zijn handen 50 keer per dag wil wassen of dat hij dat niet wil maar toch niet kan nalaten. We weten slechts dat we de persoon dit moeilijk kunnen verwijten. Het doet er dan ook niet zo veel toe dat wij onze wil niet zelf kunnen uitkiezen uit een rijtje mogelijkheden. Het doet er wel toe of wij onder de specifieke omstandigheden in staat waren dezelfde vrije keuze te maken aangaande onze handelingen, als onder “normale” omstandigheden. Omstandigheden dus, waarin we niet worden bedreigd niet in de war zijn en rustig de tijd hebben om te beslissen. Zogezegd: waarin we echt doen kunnen wat we willen.
Deze vorm van vrije wil, is dus – in het algemeen – niet de vrijheid om een wil te kiezen, maar de vrijheid om een handeling te kiezen die onze wil verwezenlijkt. Toch kunnen we ook deze wil op grond van wat we verder nog willen veranderen. Zo zullen veel rokers een sigaret willen opsteken, maar ze willen niet sterven aan longkanker, of ze willen niet door hun omgeving als hopeloze verslaafden worden gezien (en vooral niet door zichzelf), en daarom ontstaat bij hen de wil om te stoppen met roken. Is dat eenmaal gelukt, dan wil men absoluut niet meer een sigaret opsteken! De wil is dus wel aanpasbaar maar alleen als gevolg van een sterkere wil. Als zodanig kan men gerust stellen dat onze wil in het algemeen vastligt en in de meeste gevallen alleen door impulsen van buiten verandert. Zowel de kennis omtrent longkanker als het oordeel van onze omgeving zijn immers impulsen van buiten.
De reden waarom hij hier toch ter sprake moet komen is dat onnadenkende niet-juristen menen, dat als de vrije wil, zoals zij die zien (de filosofische) niet bestaat, ook het begrip in de rechtspraak niet bestaat. Het is echter heel wat anders!
Ik start uiteraard weer in wikipedia Een belangrijk punt is bijvoorbeeld de veronderstelling dat de persoon in kwestie de wet kent. Dit is soms helemaal niet het geval, maar daar wordt wel van uitgegaan. Iets anders is de verwijtbaarheid. Als iemand schade toebrengt in hoeverre kan men deze de persoon verwijten. En uiteraard speelt daarbij de toerekeningsvatbaarheid. De Juridische uitkomst wil helemaal niet zeggen dat iemand die minder toerekeningsvatbaar er beter van afkomt. Levenslange tbs is voor de meesten onder ons een zwaardere straf dan 6 jaar gevangenis. Ook de kennis van de persoon speelt mee. Iedereen wordt weliswaar geacht de wet te kennen maar niet iedereen wordt geacht elk gevolg van elke handeling te kunnen voorspellen. Het gaat er daarom om in hoeverre (uitgaande van kennis der wet) iemand die gevolgen blijkbaar heeft gewild. Of ze daadwerkelijk gewild waren (vanwege onvolledige wetskennis) is daarbij niet (altijd) van belang.
Een tweede pagina leert ons dat de betekenis van deze wil per onderwerp kan verschillen. In het strafrecht gaat het om de wil tot gedraging, niet om de wil tot rechtsgevolgen, terwijl dat laatste in het privaatrecht juist een grote rol kan spelen. Als wij de psychologische vrije wil met de juridische willen vergelijken, dan is de wil tot handeling belangrijker dan de wil tot rechtsgevolgen. In tegenstelling tot de rechtspraak mag de psycholoog er niet van uitgaan dat iedereen de wet kent. Hetzelfde geldt voor de ethicus.
Ontoerekeningsvatbaarheid betekent daarbij niet dat iemand de handeling niet gewild heeft, het betekent slechts dat wij de handeling minder verwijtbaar achten. Het is moeilijk te bepalen of iemand met een dwangneurose werkelijk zijn handen 50 keer per dag wil wassen of dat hij dat niet wil maar toch niet kan nalaten. We weten slechts dat we de persoon dit moeilijk kunnen verwijten. Het doet er dan ook niet zo veel toe dat wij onze wil niet zelf kunnen uitkiezen uit een rijtje mogelijkheden. Het doet er wel toe of wij onder de specifieke omstandigheden in staat waren dezelfde vrije keuze te maken aangaande onze handelingen, als onder “normale” omstandigheden. Omstandigheden dus, waarin we niet worden bedreigd niet in de war zijn en rustig de tijd hebben om te beslissen. Zogezegd: waarin we echt doen kunnen wat we willen.
Deze vorm van vrije wil, is dus – in het algemeen – niet de vrijheid om een wil te kiezen, maar de vrijheid om een handeling te kiezen die onze wil verwezenlijkt. Toch kunnen we ook deze wil op grond van wat we verder nog willen veranderen. Zo zullen veel rokers een sigaret willen opsteken, maar ze willen niet sterven aan longkanker, of ze willen niet door hun omgeving als hopeloze verslaafden worden gezien (en vooral niet door zichzelf), en daarom ontstaat bij hen de wil om te stoppen met roken. Is dat eenmaal gelukt, dan wil men absoluut niet meer een sigaret opsteken! De wil is dus wel aanpasbaar maar alleen als gevolg van een sterkere wil. Als zodanig kan men gerust stellen dat onze wil in het algemeen vastligt en in de meeste gevallen alleen door impulsen van buiten verandert. Zowel de kennis omtrent longkanker als het oordeel van onze omgeving zijn immers impulsen van buiten.