Utilitarisme en voorbeelden van morele vraagstukken.
Geplaatst: 29 okt 2012 04:43
Ik heb twee youtube series gevolgd. Een van colleges van professor Michael Sandel (Harvard) “Justice” en een – waarmee ik nog niet klaar ben – van colleges van Professor Gendler “Philosophy and the Science of Human Nature (PHIL 181)” van de universiteit van Yale.
NB Ik verwacht niet dat iemand – net als ik – al die colleges gaat bekijken. Niet iedereen leeft als een verwend kind in Thailand, en heeft niets beters te doen. . . .
In beide colleges komen een aantal voorbeelden voor van morele dillema’s waarbij blijkt dat de consequenties van het Utilitarisme vaak niet overeen lijken te komen met onze morele intuitie. Nadenkend over het waarom daarvan, ben ik op de gedachte gekomen dat de oorzaak daarvan wellicht licht in de schijn van alwetendheid.
In al die voorbeelden wordt namelijk veronderstelt dat we exact zouden weten wat de gevolgen zijn van onze daden. Aangezien utilitarisme uitgaat van het grootste geluk voor het grootste aantal mensen, zou deze exacte kennis dus moeten leiden tot een exacte besluitvorming.
Nu is de berekening van dat geluk toch al een probleem. Als je Bill Gates of Carlos Slim een miljard geeft, neemt hun geluk feitelijk minder toe dan wanneer je mij een miljoen geeft. Toevallig zal Bill dat miljard waarschijnlijk aan goede doelen besteden, en levert dat weer een veel groter geluk op voor miljoenen dan wanneer je hetzelfde geld aan 1000 mensen als mij wordt besteed. Maar het is duidelijk dat “geluk” moeilijk te meten is.
Een tweede probleem is dat de mens – waarschijnlijk om bovenstaande redenen – helemaal niet geprogrammeerd is om dat geluk uit te rekenen, maar gewoon een aantal – deels onbewuste – vuistregels hanteert die in de meeste gevallen goed werken. Die vuistregels zijn uiteraard niet gebaseerd op alwetendheid, maar op waarschijnlijkheden. En ze leiden derhalve tot andere conclusies dan de veronderstelde altwetendheid in de gebruikte voorbeelden.
Nu is mij opgevallen, dat wanneer je de zekere afloop zoals die in de voorbeelden wordt voorgesteld, vervangt door waarschijnlijkheden, de conclusie behoorlijk af kan wijken, en wel altijd zodanig dat het resultaat verhoudingsgewijs gunstiger wordt ingeval van onze intuitieve besluit.
Het meest simpele voorbeeld is het voorbeeld een snel naderende kogel. En twee personen (jij en iemand die direct achter je staat) die geraakt kunnen worden.
Twee mogelijkheden worden aangeboden:
1. Je duikt weg, en de kogel raakt de persoon achter je
2. Je pakt de persoon achter je beet, en houd hem voor je, en de kogel raakt hem.
De veronderstelling is dat in beide gevallen de tweede persoon sterft, en jij in leven blijft. Terwijl in de – niet genoemde – nul-optie (je doet niets) jij sterft en de tweede persoon overleeft.
Volgens het utilitarisme zouden beide acties dus moreel equivalent zijn.
Wie echter beseft dat een dergelijke alwetenheid onzin is, en de echte waarschijnlijkheid probeert te berekenen van sterven en overleven, komt tot een geheel andere conclusie. Even afgezien van de vraag of de persoon nachter je niet OOK kan wegduiken, en of een kogel niet twee achter elkaar staande personen beiden kan doorboren, is het nooit 100% zeker dat hij bij inslag dodelijk is.
Laat de afstand tot jou 100 meter zijn en de afstand van persoon tot persoon 50 cm
Zeg: op 100 meter afstand is de kans op een dodelijke treffer 9.000 / het kwadraat van de afstand. (klopt niet precies maar het zal duidelijk zijn dat het kwadraat van de afstand bij de juiste kansberekening ook een rol speelt). Dat is in geval van de nul-optie dus 90%. Dan is de kans wanneer je wegduikt, 9.000/ (100,5 * 100,5) = 89% dat de persoon achter je (50 cm verderop zoals de kogel gaat) sterft. Als je de persoon achter beetgrijpt en voor je houdt (zonder zelf van plaats te veranderen, dan is de afstand ongeveer 99,5m en 9000/(99,5/99,5)= 91%. Ergo, de twee opties zijn helemaal niet gelijk en het utilitarisme vereist dat je wegduikt.
NB Kant’s categorische imperatief heeft dezelfde consequenties. (Kies die handelswijze waarvan je wil dat iedereen deze altijd zou toepassen). Als iedereen wegduikt is dat zonder meer de gunstigste handelswijze, terwijl als iedereen een ander beetgrijpt en voor zic h houdt dit zo’n beetje het slechtste is wat je je kunt voorstellen.
Dit verschijnsel speelt een rol bij alle voorbeelden die beide professoren geven, en werkt – mijns inziens – altijd in het voordeel van onze morele intuitie. Daarom hebben we die ook.
Wanneer een reëler voorbeeld wordt gegeven, omtrent een ongeluk in een kerncentrale, komt de theoretische berekening veel beter overeen met de intuitieve, en blijkt dat we intuitief wél de theoretische oplossing kiezen.
NB Ik verwacht niet dat iemand – net als ik – al die colleges gaat bekijken. Niet iedereen leeft als een verwend kind in Thailand, en heeft niets beters te doen. . . .
In beide colleges komen een aantal voorbeelden voor van morele dillema’s waarbij blijkt dat de consequenties van het Utilitarisme vaak niet overeen lijken te komen met onze morele intuitie. Nadenkend over het waarom daarvan, ben ik op de gedachte gekomen dat de oorzaak daarvan wellicht licht in de schijn van alwetendheid.
In al die voorbeelden wordt namelijk veronderstelt dat we exact zouden weten wat de gevolgen zijn van onze daden. Aangezien utilitarisme uitgaat van het grootste geluk voor het grootste aantal mensen, zou deze exacte kennis dus moeten leiden tot een exacte besluitvorming.
Nu is de berekening van dat geluk toch al een probleem. Als je Bill Gates of Carlos Slim een miljard geeft, neemt hun geluk feitelijk minder toe dan wanneer je mij een miljoen geeft. Toevallig zal Bill dat miljard waarschijnlijk aan goede doelen besteden, en levert dat weer een veel groter geluk op voor miljoenen dan wanneer je hetzelfde geld aan 1000 mensen als mij wordt besteed. Maar het is duidelijk dat “geluk” moeilijk te meten is.
Een tweede probleem is dat de mens – waarschijnlijk om bovenstaande redenen – helemaal niet geprogrammeerd is om dat geluk uit te rekenen, maar gewoon een aantal – deels onbewuste – vuistregels hanteert die in de meeste gevallen goed werken. Die vuistregels zijn uiteraard niet gebaseerd op alwetendheid, maar op waarschijnlijkheden. En ze leiden derhalve tot andere conclusies dan de veronderstelde altwetendheid in de gebruikte voorbeelden.
Nu is mij opgevallen, dat wanneer je de zekere afloop zoals die in de voorbeelden wordt voorgesteld, vervangt door waarschijnlijkheden, de conclusie behoorlijk af kan wijken, en wel altijd zodanig dat het resultaat verhoudingsgewijs gunstiger wordt ingeval van onze intuitieve besluit.
Het meest simpele voorbeeld is het voorbeeld een snel naderende kogel. En twee personen (jij en iemand die direct achter je staat) die geraakt kunnen worden.
Twee mogelijkheden worden aangeboden:
1. Je duikt weg, en de kogel raakt de persoon achter je
2. Je pakt de persoon achter je beet, en houd hem voor je, en de kogel raakt hem.
De veronderstelling is dat in beide gevallen de tweede persoon sterft, en jij in leven blijft. Terwijl in de – niet genoemde – nul-optie (je doet niets) jij sterft en de tweede persoon overleeft.
Volgens het utilitarisme zouden beide acties dus moreel equivalent zijn.
Wie echter beseft dat een dergelijke alwetenheid onzin is, en de echte waarschijnlijkheid probeert te berekenen van sterven en overleven, komt tot een geheel andere conclusie. Even afgezien van de vraag of de persoon nachter je niet OOK kan wegduiken, en of een kogel niet twee achter elkaar staande personen beiden kan doorboren, is het nooit 100% zeker dat hij bij inslag dodelijk is.
Laat de afstand tot jou 100 meter zijn en de afstand van persoon tot persoon 50 cm
Zeg: op 100 meter afstand is de kans op een dodelijke treffer 9.000 / het kwadraat van de afstand. (klopt niet precies maar het zal duidelijk zijn dat het kwadraat van de afstand bij de juiste kansberekening ook een rol speelt). Dat is in geval van de nul-optie dus 90%. Dan is de kans wanneer je wegduikt, 9.000/ (100,5 * 100,5) = 89% dat de persoon achter je (50 cm verderop zoals de kogel gaat) sterft. Als je de persoon achter beetgrijpt en voor je houdt (zonder zelf van plaats te veranderen, dan is de afstand ongeveer 99,5m en 9000/(99,5/99,5)= 91%. Ergo, de twee opties zijn helemaal niet gelijk en het utilitarisme vereist dat je wegduikt.
NB Kant’s categorische imperatief heeft dezelfde consequenties. (Kies die handelswijze waarvan je wil dat iedereen deze altijd zou toepassen). Als iedereen wegduikt is dat zonder meer de gunstigste handelswijze, terwijl als iedereen een ander beetgrijpt en voor zic h houdt dit zo’n beetje het slechtste is wat je je kunt voorstellen.
Dit verschijnsel speelt een rol bij alle voorbeelden die beide professoren geven, en werkt – mijns inziens – altijd in het voordeel van onze morele intuitie. Daarom hebben we die ook.
Wanneer een reëler voorbeeld wordt gegeven, omtrent een ongeluk in een kerncentrale, komt de theoretische berekening veel beter overeen met de intuitieve, en blijkt dat we intuitief wél de theoretische oplossing kiezen.